bezoeken aan sobats en ontmoetingen met sobats 2012

 
Johannes Hendrikus (Cor) v.d. Westen
soldaat 1e klas OST-Cie 2-6 R.I.
Echtgenoot, vader, schoonvader, opa en overgrootvader
* Breda, 26 maart 1926  -  † Tilburg, 21 december 2012  
 
..........

 

 

 

.....

 

 

 

 
 
Cor werd 86 jaar geleden geboren als nakomertje van een gezin met 11 kinderen. Ze hadden het niet breed in die tijd en toch  kon hij daar regelmatig geanimeerd over vertellen. Toen Cor een jaar of 18 was en de oorlog nog in volle gang, besloot hij vrijwillig in dienst te gaan om de belangen van Nederland te verdedigen.
 
Tijdens zijn periode in Nederlands Indië kreeg hij een penvriendin in Nederland, die altijd zijn vriendin is gebleven.
Terug in Nederland trouwden zij en gingen ze inwonen bij zijn zus. Later gingen ze zelfstandig wonen in Tilburg. Ze kregen samen drie dochters. Zijn leven vulde hij o.a. met werken bij het Spoor en later bij het werkvoorzieningschap. In zijn jonge jaren was hij lid bij de carnavalsvereniging in Tilburg. Na het overlijden van zijn schoonouders, verhuisde hij samen met zijn vrouw terug naar Tilburg. Zijn hobby’s waren zingen in het koor, tekenen en schilderen. Op Koningsvoorde maakte hij veel vrienden en hij had voor iedereen een vriendelijk woord.
 
Onverwacht werd hij getroffen door een beroerte, hij wilde zo graag nog tenminste 2 jaar bij zijn vrouw Alie de Vos zijn, om samen hun 65-jarige bruiloft te vieren.
Na zijn beroerte ging alles wat moeizamer en vooral de laatste 6 weken werd het erg zwaar voor hem. Na 7 dagen ziekenhuisopname begon hij weer op te knappen. Hij had zin om de kerstdagen bij zijn dochter door te brengen. Maar, zoals hij zelf zou zeggen,  was zijn kaarsje nu opgebrand. Het is mooi geweest. Nu kan hij vanuit de hemel kijken naar zijn klein- en achterkleinkinderen, die hij allemaal bij naam kende en waarvan hij precies wist wanneer ze jarig waren. Hij genoot intens van al die kleintjes. Wij zijn dankbaar dat hij zolang in hun midden is geweest. Een leven vol liefde, humor en positiviteit. Wij zijn dankbaar voor alle levenslessen.
 
Op donderdag 27 december 2012 werd de plechtige uitvaartdienst in de parochiekerk O.L.V. Moeder van Goede Raad te Tilburg gehouden.
In overleg met de nabestaanden van Cor v.d. Westen was er de gelegenheid om namens de reünie- en nazorgcommissie 2-6 R.I. T- Brigade een toespraak te houden en daarop aansluitend een gedicht voor te dragen.
 
Samen met dienstmakker, mijnenruimer en vriend Koos de Ruijter en diens vrouw Laurie, die wij in Rotterdam ophaalden, reisden wij naar Tilburg. Hoewel de aanleiding van deze tocht naar Tilburg niet fijn was, was de stemming onderweg toch prettig. Herinneringen aan Cor werden opgehaald en Koos vertelde er op zijn heerlijk nuchtere Rotterdamse manier weer onderhoudend op los.
 
Bij de parochiekerk konden wij meteen door naar binnen. Een prachtig helder verlichtte moderne koepel in de oude kerk, wierp op deze dag een speciaal licht.
De drukbezochte dienst had een toch een wat bijzonder tintje. Bij het altaar stonden zowel een sober versierde kerstboom als de baar met kist van Cor v.d. Westen.
Geboorte en dood stonden daar heel dicht bij elkaar.
De kist was gesierd met bloemstukken. Het door sobat John Kamerling (411 GRG.2) gemaakte  houten 2-6 RI bordje was op het voeteneinde van kist geplaatst. Sober, maar heel indrukwekkend.
                              
Sobat van der Westen was begaan met het lot van zijn dienstmakkers. Een aantal jaren terug mocht hij tijdens een reünie van 2-6R.I. in de kazerne te Weert, optreden als present roeper bij de herdenking van de gesneuvelde sobats in Indië. Daarna kon sobat Cor enige jaren wegens gezondheid problemen geen reünie meer bezoeken.  Voorzitter Marianne, van de reünie- en nazorgcommissie 2-6R.I. Tijgerbrigade, had regelmatig telefonisch contact met sobat Cor van der Westen. Zij probeerde enkele keren een thuisbezoek bij hem te regelen, maar de gezondheid van zowel sobat Cor als zijn vrouw liet het niet toe. Gelukkig was hij wel weer aanwezig op onze laatst gehouden reünie op 29 september 2012 in Vught. Voorzitter Marianne maakte toen dankbaar gebruik van die gelegenheid en vroeg sobat Cor om tijdens de herdenkingsplechtigheid de kaars aan te steken ter nagedachtenis van de overledenen in het afgelopen jaar. Met veel moed en kracht volbracht sobat Cor van der Westen deze eervolle taak. Nu waren wij in de kerk voor hem.
 
Na de plechtige uitvaartdienst vertrokken we te voet naar de, volgens de begrafenismedewerker, net iets verderop gelegen begraafplaats. Het werd een flink stuk lopen voor ons. Koos wilde al rechtstreeks naar café Bet Kolen waar een koffiemaaltijd zou worden geserveerd. Joop als geoefend hardloper is toen met spurt teruggerend naar de kerk. Pakte de daar geparkeerd staande auto en pikte Koos en Laurie snel op. Nog net op tijd arriveerden wij uiteindelijk op de begraafplaats om een moment van bedenking bij de kist te houden en de laatste groet aan Cor van de Westen te brengen.  Excuses van de begrafenisbegeleider voor zijn onjuiste visie van kortbij werden geaccepteerd.
Met de auto reden wij van de begraafplaats door naar café Bet Kolen waar wij werden opgewacht met warme koffie en belegde broodjes. Hier was ook gelegenheid om de familie te condoleren. Mevrouw Alie van de Westen kreeg hier de op papier gezette toespraak en het gedicht overhandigd.
Koos en Laurie spraken nog geruime tijd met familieleden. Nadat wij dat ook hadden gedaan, was het tijd om de terugreis te starten. Hoewel wij in de kerk de zegen hadden mogen ontvangen, namen wij toch geen enkel risico. Er was sneeuw voorspeld. Ruim voordat het winterweer losbarstte, waren we terug in Rotterdam. 
tekst: Marianne foto' Bob Pragt                                     
 

 
Lodewijk Adrianus Walenboer  (2-2 RVA)  
* 22 februari 1925 -  † 7 december 2012
                                                    
...........

 

 

..

....

 

 

                                                                                                                                    
De heer is mijn herder, mij ontbreekt niets.
 
Lodewijk Walenboer nam in 2011  contact op met voorzitter Marianne om  zich op te geven voor de unieke Tijgerbrigade-reünie in september van dat jaar.  Hoewel het voor hem zwaar zou zijn, want de dag van de reünie was precies een jaar geleden dat zijn vrouw was begraven. Helaas, toen de dag van de reünie naderde, was Lodewijk Walenboer niet meer zo zeker van zijn zaak en belde met grote spijt af. Wel nam hij meteen deel aan de thuisloterij. Enthousiast onderhield hij telefonisch contact met Marianne, bedankte haar iedere keer voor de toezending van het boekje Sepatoe Roesak, bestelde de replica van het Tijgerembleem en was donateur. Hij droeg de reünie- en nazorgcommissie 2-6 R.I. T-Brigade een bijzonder warm hart toe.
In 2012 ontving Lodewijk Walenboer de nieuwsbrief met daarbij de uitnodiging voor de reünie in september 2012. Weer was Lodewijk Walenboer snel erbij. Hij wilde dit keer wel aanwezig zijn. Zowel Lodewijk als Marianne hielden het contact met elkaar. Maar helaas, in september 2012 liet zijn gezondheid het niet toe meer toe. Het hart was een tijdbom. Op 7 december 2012, tijdens een allerlaatste operatie, liet Lodewijk Adrianus Walenboer, vader, schoonvader, grootvader en overgrootvader, het leven.
 
Lodewijk Walenboer kwam uit Hellevoetsluis, verhuisde naar Monster. Werkte bij het vervoersbedrijf op de bus. Hij begon onderaan de ladder en werkte zich op tot een leidinggevende functie in het bedrijf. Hij had, net als alle tijgerveteranen, doorzettingsvermogen. Was niet te beroerd om iets aan te pakken en altijd druk bezig. Ook na zijn pensioen. Zijn hobby in de bloembinderij heeft hij nog vele jaren vol kunnen houden. Tot de gezondheid het niet meer toeliet.
In telefonisch overleg met zijn zoon Ger Walenboer werd overeengekomen dat wij als de reünie- en nazorgcommissie 2-6 R.I., T-Brigade een toespraak en gedicht zouden voordragen. Dit werd de eerste keer dat wij onze doelstelling, de nazorg, nu zouden uitvoeren voor een Tijgerveteraan buiten 2-6 R.I.
(2-2R.V.A.)
 
Op vrijdag 14 december, een winterkoude dag, waren wij om 10.30 uur aanwezig in de aula van Rustplaats Molenlande te Monster. Een zeer drukbezochte dienst. Met muziek van Beethoven, en ‘Langs het tuinpad van mijn vader’, van Wim Sonneveld. Er werden door de kleinkinderen Mariska & Natasja en Tessa & Sven woorden van gedachtenis gesproken.
Na het muziekstuk: ‘Waarheen, waarvoor’…van Mieke Telkamp, hield Joop Pragt een toespraak namens onze commissie.
 
Lodewijk Walenboer kwam 7 mei 1946 op als dienstplichtige te Ede. Hij vertrok  8 oktober 1946 met 2 RVA (2e Regiment Veld Artillerie) met het troepenschip ‘Bloemfontein’ naar Ned. Indië. Op 3 november 1946 kwamen zij aan in de haven van Priok. De afdeling werd gelegerd in Buitenzorg.  Zij kregen daar een paar maanden training, tropenopleiding en liepen wacht.
Op 11 januari 1947 gaf de lichting ’45 voor het eerst vuur af bij een actie naar Tjipitjoeng.  In juni 1947 ging de 2e afdeling, waartoe sobat Walenboer behoorde, over naar de Tijger- Brigade op Midden- Java. Tijdens de eerste politionele actie werd verschillende keren vuurondersteuning verleend. Na de order ‘staakt het vuren’ kwam sobat Walenboer met zijn medestrijders in een toestand van betrekkelijke rust. Toch bleven de verliezen niet uit. De 2e politionele actie, op 19 december 1948, eiste zijn slachtoffers. Tijdens deze actie ging sobat Walenboer met zijn groep naar Djogjakarta dat op 21 december werd bereikt. Op 27 december 1948 werd door hen de belangrijke brug over de Kali Progo bij Sentolo bezet. Vele verplaatsingen en acties volgden.
Op 20 september 1949 werd de artillerietaak overgedragen en werd de afdeling van Lodewijk Walenboer verplaatst naar Semarang. De afdeling werd op 3 november 1949 overgebracht naar Batavia (het huidige Jakarta) in afwachting van de repatriëring naar Nederland.  
De afdeling van sobat Walenboer stapte op 24 november 1949 aan boord van de ‘Zuiderkruis’ met achterlating van 22 gesneuvelden. Op 21 december 1949 debarkeerde de groep in Rotterdam.
Sobat Walenboer was daar niet bij. Enige tijd voor vertrek naar Nederland raakte hij gewond tengevolge van een ongeluk en moest daardoor enige maanden in het ziekenhuis blijven en revalideren in Indonesië. Nadat zijn dienstmakkers al thuis waren, kreeg sobat Walenboer een speciale behandeling. Hij kwam als één van de weinige toenmalige soldaten met een vliegtuig (een Dakota) terug naar Nederland.
Na deze toespraak droeg Joop Pragt nog een veteranengedicht voor.
De dienst werd voortgezet met schriftlezingen, meditatie, zang en gebeden. Onder het spelen van het bij veteranen bekende lied ‘Time to say goodbye van Vera Lynn werd de kist uit de aula gedragen en begeleidden de aanwezigen Lodewijk Adrianus naar zijn laatste rustplaats.
 
(Enige tijd na de begrafenis belde Ger Walenboer voorzitter Marianne op met de vraag of zij interesse heeft in de fotoalbums en andere boeken van zijn vader. Omdat Marianne pleit voor digitaliseren van foto’s e.d. heeft zij meteen toegezegd om zo snel mogelijk de albums op te komen halen.)

     

Herdenking 7 december divisie in Schaarsbergen.  

 
 
Op uitnodiging van adjudant Paul Boes van 11 LMB Aaslt ‘7dec’ waren wij ook dit jaar aanwezig tijdens de, nu 53e , herdenking van de omgeko-men militairen van de voormalige  ‘7 December Divisie’, de Operationeel Commando
‘7 December’ en de 11 luchtmobiele brigade (Air Assault) ‘7 December’. Hoewel vanuit het KNMI het advies werd gegeven niet op pad te gaan vanwege de ‘extreme’ winterse omstandigheden, lieten wij ons ook dit jaar de uitnodiging niet ontnemen. (Verleden jaar raasde op zeven  december een storm met windkracht 10 over Nederland). Wij zijn nog van het ijsbloemen-op-de-ramen-tijdperk  en hebben al heel wat wintertjes meegemaakt. Helaas was de NS minder doorgewinterd. Verschillende treinen vielen uit. Zo ook die wij moesten hebben. Enkele treinen liepen flinke vertragingen op. Natuurlijk ook die wij moesten hebben! Nog maar net op tijd arriveerden wij op het station Arnhem om met de daarvoor beschikbare bus naar de kazerne te rijden. Helaas waren we door alle problemen met de trein wel te laat voor de herdenkingsdienst. Wij konden meteen aan de lunch, nadat we eerst enkele bekenden begroet hadden.
De voorzitter van het veteranenplatform, generaal b.d. Leen Noordzij was een van hen. Hij beloofde ons om voor het boekje van april/mei 2013 een stukje te schrijven. Dit in navolging van KTZA b.d. Frank Marcus, de directeur van het veteraneninstituut. 
Door de slechte weersomstandigheden was een groot deel genodigden niet aanwezig. Van de 750 uitgenodigde gasten waren er ongeveer 215 aanwezig. Er werd noodoverleg gepleegd over de kransleggingen. Vanwege de kou, sneeuw, gladheid en de leeftijd van de veteranen, werd besloten om de kransleggingen   binnen te houden, in de kerkzaaltent. Een goed besluit. Een van de kransleggers sprak al eerder tegen ons de wens uit: “Als ze bij het monument maar niet zo’n lange  toespraak houden. Het is daar dan zo koud.”
 
 
 
 
 
Dankzij onder anderen de geweldige inzet en supervisie van de bij ons zeer bekende en gewaardeerde adjudant Paul Boes en korporaal1 Mara Kelders werd razendsnel het programma aangepast en werden de bezoekers later uitgenodigd om naar de kerkzaaltent te gaan voor de kransleggingen. 
 
 
Na de  openingstoespraak van Brigadegeneraal Geerts sprak de 92jarige generaal b.d. Ted Meines krachtig, denderend, bewogen en vol vuur de aanwezigen toe.
Hij ontving na zijn toespraak een welverdiende staande ovatie.  
Hierna werden door vertegenwoordigers van alle aanwezige onderdelen kransen en bloemstukken gelegd. Na de lastpost werd een minuut stilte in acht genomen en vervolgens werden twee coupletten van het Wilhelmus gezongen. Een mooie, waardige herdenking, waarvan gezegd mag worden, ondanks het een noodoplossing was, de emotie en saamhorigheid voelbaar in de tent bleven hangen.
 
Na afloop van deze plechtigheid was er weer gelegenheid om in de grote tent wat te drinken en te praten. Voor aanvang van de herdenking, werd Marianne op haar mobieltje gebeld door kapitein M. Veuger, commandant van de Charlie Compagnie (bij ons bekend als de jonge tijgers). Hij was samen met zijn c.s.m. Roelofs op onze reünie 2012. Marianne vertelde hem dat zij en Joop bij hem op de kazerne waren. Kapitein Veuger sprak af dat hij samen met sergeant-majoor Roelofs ook naar de tent zou komen. Wat even later ook het geval was. De begroeting over en weer was zeer hartelijk. Marianne deinst er niet voor terug om ook ‘sterren en strepen’ met een klapzoen te begroeten. Joop echter houdt het bij een ferme handdruk. Wat ook zeer gewaardeerd wordt. Een heel fijn gesprek ontspon zich al snel. Over de jonge veteraan en oude veteraan. Het respect voor iedereen die op onze reünie van september 2012 in Vught aanwezig was. Het gesprek kwam ook op de tv. documentaire ‘gesneuveld’. U hebt hierover ook in de Checkpoint kunnen lezen. Een echte aanrader, die wij ons niet voorbij lieten gaan. Wij hebben deze documentaire enkele dagen later met grote interesse bekeken.
 
Vanwege het slechte weer werd er advies gegeven om bijtijds te vertrekken. Goede adviezen slaan wij niet in de wind en samen met een groot aantal bezoekers stapten wij, na afscheid te hebben genomen, de bus in die ons naar het station zou brengen. Op de terugweg was het treinverkeer nog steeds wat ontregeld. Gelukkig sliepen wij later lekker thuis, mooi op tijd in ons eigen bed! Wederom ‘Missie volbracht!’ 
 
tekst:Marianne. foto's Joop Pragt. 
 

      

5e Phaffdag Limburgse Jagers in Weert 23 november 2012. 

 

 
Elk jaar organiseert de Stichting Regiment Limburgse Jagers in samenwerking met de commandant van het Regiment Limburgse Jagers de door overste b.d. M. Tummers in het leven geroepen Phaffdag. Een hommage, nu al 199 jaar later, aan de oprichter van het stamregiment, de kolonel Phaff, die zijn regiment 23 november 1813 formeerde.
Op uitnodiging van Luitenant Kolonel der Limburgse Jagers, M.M.W.G. Jacops, waren Joop en Marianne aanwezig op deze 5e Phaff- dag 2012 in Weert. De dag stond in het teken van 50 jaar gepantserd en gemechaniseerd.  

 

Na de ontvangst met koffie en Limburgse vlaai werd het gezelschap toegesproken door overste Jacops, gevolgd door een voordracht 50 jaar gepantserd en gemechaniseerd door de heer mr.E. Ruijs. Daarna gaf kapitein Martens uitleg over het nieuwste pantservoertuig, de CV90. Buiten op het exercitieterrein was er ruimschoots gelegenheid om de aanwezige pantservoertuigen CV90, Fennek, AMX en YPR te bekijken.
Hierna werd het gezelschap uitgenodigd buiten de officiële herdenking bij te wonen. Tijdens deze herdenking werden ook alle in het afgelopen jaar overleden 2-6R.I. ers opgenoemd. Marianne onderhoudt hierover, helaas regelmatig, contact met overste Jacops, Nico Vroon en de administratie LBJ.
Na de indrukwekkende herdenking, overigens in stromende regen, was er een gezamenlijke lunch. Erwtensoep met broodjes. En er werd gepraat, gesproken, besproken en afgesproken. Zo gaat dat op een dag als deze.
Omdat wij later op de dag ook nog andere activiteiten hadden gepland werd het na een gezellig samenzijn in het Bastion hoog tijd om het gastvrije zuiden weer te verlaten. Alle bezoekers kregen ter herinnering aan deze dag nog een kopie van een tekening van Jos Gelissen. Terug naar Rotterdam.

Even een kopje koffie drinken bij familie  de Renet

 
                                                          
Marijke stuurt ons naar sobat de Renet. Zij  had het slim bekeken. Drie bezoeken op  één dag.
Sobat Smeets en sobat Sjefke Gerits konden gezien hun omstandigheden geen een kopje koffie met ons drinken. Zij verzochten Marianne wel hun hartelijke groeten over te brengen aan hun sobats van weleer. Bij dezen! Wij weten dat het met de gezondheid van Jac de Renet weer slechter gaat. Dus tuften wij na ons bezoek aan sobat Renting gelijk door naar Ittervoort. Sobat de Renet zat al met ongeduld op ons te wachten. Mevrouw de Renet begroette ons weer net zo hartelijk als de voorgaande keer.
In de gezellige huiskamer aan de grote tafel met pluche kleed dronken wij een kopje koffie. Jac de Renet schuift meteen een genereuze donatie naar Marianne toe. Marianne wordt er verlegen van en bedankt hem met een paar klinkende klapzoenen. “Als ik dat wist, had ik er nog wat bijgedaan,” grapt sobat Jac. Ondanks dat het slecht gaat met de gezondheid van Jac de Renet, blijft hij thuis. Hij wil niet naar het ziekenhuis. Mevrouw de Renet zegt liefdevol:”Ik verzorg hem, zoals ik dat al mijn hele leven met hem heb gedaan.
Als het nodig is dan gaan we voor onderzoek naar ‘t ziekenhuis.”
Sobat Jac is het daar roerend mee eens. Geen opname meer! Sterk!
“Marianne, september hadden wij nog een Belgische delegatie hier in huis,” vertelt Jac de Renet met zachte stem. “Ik kreeg officieel een oorkonde uitgereikt. Door het Medium Bataljon Bevrijding 5-Linie werd ik als erekorporaal opgenomen onder het stamnummer 103.”  Het ging met veel ritueel gepaard. Ik kreeg ook nog zo’n mooie sjerp om. Mevrouw de Renet demonstreert hoe de sjerp gedragen behoort te worden. In de gang hangt  de grote oorkonde.
                                          
Omdat in op deze site al een uitgebreid verslag staat over ons eerder bezoek dit jaar aan Jac de Renet beperken we dit verslag qua inhoud. Het koffiedrinken was er niet minder gezellig om. En sobat de Renet is weer charmant en gezellig. Maar wij moeten door naar het witte dorp Thorn. De familie de Renet geeft aanwijzingen hoe te rijden. Na weer een heel hartelijk afscheid laat mevrouw de Renet ons uit. Ze loopt mee naar buiten en sluit de luiken voor de ramen. Door een kiertje wuiven we nog een keer naar Jac. de Renet. Tot ziens hoor!                                

tekst:Marianne. 

     

‘Een ware levenskunstenaar hoeft niet van alles het beste te hebben, 
 hij weet van alles het beste te maken’.  
 
Vanaf Nijmegen verder op pad. Nu naar Eindhoven. Sobat Renting woont daar. Hij is in 1988 voor de eerste en laatste keer naar de reünie in Blerick geweest, dus reden genoeg om hem thuis op te zoeken.
Bij aankomst parkeren wij de auto en lopen een brede straat zonder verkeer in..Op ons bellen doet de schoondochter open. Zij is er als morele steun blijkt wat later. In de huiskamer zit sobat Renting (86). Hij is wat nerveus. Marianne begroet hem hartelijk (Joop natuurlijk ook) en wordtoonvader vertelde dat hij ontzettend zenuwachtig was. Zo erg zelfs dat hij er slecht van geslapen heeft.” M het snoepertje overhandigd. Een terugkerend ritueel.
Myranda, de schoondochter vertelt: “Mijn schoonvader was een beetje nerveus. Hij kon vanacht haast niet slapen. Marianne houd sobat Renting’s hand vast  en zegt: “Maar u hoeft toch niet zenuwachtig te worden van ons. Wij komen alleen maar een kopje koffie bij u drinken.” Sobat Renting zegt: “ik belde mijn zoon en vertelde dat Marianne op de koffie kwam. Hij was enthousiast. “Leuk pa, gezellig.” Maar ik vroeg:”wat moet ik? Als ze maar niet alleen over Indië praten.” De zoon antwoordde:”Nou gewoon, lekker met ze praten pa.”
 
Inmiddels heeft schoondochter Myranda koffie gemaakt en gaan we zitten aan de grote tafel met uitzicht op de tuin.
Sobat Renting begint te vertellen:”In 1945 ging ik als OVW- er  naar Indië. Van augustus ‘45 tot mei ’48. Ongeveer 33 maanden heb ik gediend.
 Eerst naar Engeland, dan naar Malakka. Daarvan heb ik nog een foto die heb ik speciaal naar beneden genomen. Daar staan Sergeant Majoor. Spruijt, Sergeant Majoor administratief Govearts en ik op.
 Aan de achterkant van de foto staan de namen en een mooie tekst: ‘Een ware kunstenaar hoeft niet van alles te hebben maar kan van alles het beste maken.’ Mensen die mij kennen zeggen dat deze tekst voor mij van toepassing is.
 
Jo Spruijt, mijn maatje in Indië, is al overleden. Wij traden samen op als de Pisangs.
De foto is genomen op Morib Beach. Dat gebouw wat u hier ziet is een oud gevangenkamp van de Jappen. Dat lag aan de kust. Het waren houten barakken op palen. In het midden een deur en aan de andere kant ook een deur. Aan beide zijkanten stonden bedden. Daar hebben wij 3 maanden gelegen en onze training gehad. 

Indië mochten we nog niet in en moesten uitwijken naar Malakka. We konden zo de zee in lopen en kregen daar zwemles.

De ingang van het kamp lag vlak bij zee. Morrib Beach, dat weet ik nog wel. Ik kreeg 110 gulden in de maand en 500 sigaretten.” Sobat Renting vertelt niet veel over Indië. Hij zegt: “Ik ben van mening: als mensen er niet geweest zijn heeft het weinig zin om ze het te vertellen.” Maar Myranda zegt:”Hij praat er wel met zijn zoon over,een oud commando man. Die heeft in Roosendaal gelegen. Kreeg een heel zware opleiding. Sobat Renting vertelt:”Hij meldde zich daarvoor en ik heb hem nog gewaarschuwd. Hij heeft er anderhalf jaar gezeten en van de 120 gegadigden bleven er 20 over. Mijn vrouw en ik zijn nog bij de uitreiking geweest van de groene baret. Wat waren wij trots.
 
Ik was 14jaar toen de oorlog uitbrak. In 1944 kreeg ik nog een late oproep om te werken in Duitsland. Dat heb ik niet gedaan. Ik ben in augustus ondergedoken in Drenthe. Bij Vledder.
In een kleine boerderij vlak bij de Friese grens. Ik heb hier in Eindhoven de bevrijding niet meegemaakt. Als ik een maand langer in Eindhoven was gebleven had ik dat wel meegemaakt. Bij Arnhem was het in september afgesloten. Ik kon niet terug. Tot mei ’45 dus in het Noorden gezeten. Er waren hier toen veel collega’s van mij, zoals Jo Spruyt, van Wanrooij, van de Heuvel en nog een paar jongens van hier.
 
Ik was toen 18 jaar en er was geen werk. Toen heb ik mij gemeld als OVW-er. Op een of andere manier heb ik me laten overhalen. Er werd gezegd:’Straks moet je toch in dienst, dus je kunt beter vrijwillig gaan.’
De Engelsen hadden veel gebombardeerd in Venlo en zo. Veel mensen werden naar het Noorden gerepatrieerd. Ik kan mij nog goed herinneren dat in mijn onderduiktijd, bij een keuterboertje, een Duitser binnenkwam. Omdat ik zo jong uit zag, (dat doet sobat Renting nog steeds) vroeg de Duitser aan dat boertje: “Repatriant zeker?” Ik verschoot van kleur, kreeg de bibbers en dook weg achter de krant.
Wat ik mij ook heel goed herinner, niet over oorlog of zo, ik moest me in Vught melden. In augustus ’45 bij de Isabella kazerne. Daarna naar Sittard in het klooster Leijenbroek. We kregen 14 dagen verlof om thuis afscheid te nemen. Ik bleef in het klooster. Daar waren nog oude paters die het eten klaarmaakten. Vanuit het klooster zijn we naar Calais gegaan met de trein. Overgestoken naar Dover. In Engeland zijn we terecht gekomen in een groot kamp. Daar lagen alle Canadezen en Amerikanen voor de invasie gelegerd. Het was een heel uitgebreid complex. Wockingham, Reading. Daar hebben we niet zo lang gelegen. Het was in Aldershot. Het waren allemaal tentenkampen. Die halfronde barakken. Je moest goed uitkijken dat je niet verdwaald liep. Vooral ’s avonds. In Wockingham hebben nog fish and chips gegeten. Vanuit Aldershot vertrokken we naar Southampthon. Dat was midden in de nacht geloof ik. Helemaal bepakt en bezakt lopend naar Southampthon. Daar lag de Nieuw Amsterdam. Een enorm groot schip.” Marianne vertelt dat haar opa vroeger voor de oorlog nog op de Nieuw Amsterdam heeft gevaren. Toen haar vader (Huib Lankhuizen, 2-6 RI) aankwam in Southampthon hij verrast was om de Nieuw Amsterdam als troepentransportschip daar te zien liggen.
Sobat Renting gaat verder:“Ik heb toen de binnenkant van het schip bekeken en al die mooie wandschilderingen van het schip daar waren allemaal grijze platen tegen aangemaakt. Je kon nog precies zien waar de balzaal was geweest. Van Southampthon naar de golf van Biskaje, daar  ben ik zeeziek geweest, de Middellandse Zee, Suezkanaal, de Rode Zee, Golf van Aden, en toen naar Ceylon. Daar moesten we opnieuw bunkeren in Colombo.  Dat was in de hoofdstad allemaal onder beheer van Engeland. Van daaruit zijn we naar Malakka gegaan.
Morib Beach,  daar hebben we een maand of drie gezeten voor we Nederlands Indië in mochten.”
 
Marianne laat de vergroting zien van een foto die is genomen is op Morib Beach. Een hele grote groep 2-6RIers staan en zitten op of voor een Britse Tank. De foto is genomen, is Marianne verteld, toen er een voetbalveld werd aangelegd.
Het licht gaat aan, Myranda geeft de leesbril aan, maar helaas sobat Renting herkent niemand op de foto. “Ik ken van mij eigen peloton nog Jo Spruyt, Johan van Wanrooij, Loutje van Vughts. Er lagen er veel van Bergen op Zoom. Die kanten op. Endepoel, sergeant Piet Leijs, Cor Naghtzaam, Croon, van Genderen, is ook gesneuveld daar, van de Heuvel, klein manneke, leuke vent.
Zijn moeder had een winkeltje met vogels, kanaries. Jo die zat bij mij in de compagnie. Over de Klundert, Bas van Rijsbergen, Pluym, korporaal Buys, sergeant van Hooijdonk. Die is nog een keer hier geweest. Chrisje Kessel, oud politieagent, hij woonde in Tongelre. Ik ben nog bij hem op bezoek geweest. Van Hooijdonk zat daar ook nog. Ik ken hem nog van de reünie. Ik heb nog opgetreden op die reünie. Hij heeft veel gedaan voor de reünie hè?”
Sobat Renting wrijft over zijn buik, “Nu voel ik mij weer een beetje op mijn gemak. “Ik vond het wel leuk dat u zei:’geen gebak’, maar u zei: ‘is het goed dat wij bij u op bezoek komen’? Ik wist niet met hoeveel u dan kwam.” “Och,” zegt Marianne, “dat is helemaal niet de bedoeling. Ik zal bij een volgend bezoek dat zeker nog duidelijker uitleggen.”
Sobat zit nu lekkerder op zijn praatstoel. “Ik heb een zoon en een dochter en een schoondochter. De schoondochter, wijzend op Myranda, die heb ik gevraagd of ze erbij wilde komen want ik zag er tegen op. Ik heb 4 kleinkinderen. Mijn dochter woont Origon in Amerika. Mijn vrouw was er niet happy mee. Myranda is mijn 2e dochter. Dan is het gemis niet zo groot.
 
Mijn vrouw is heel lang ziek geweest. Ik heb haar 14 jaar verzorgd. In 1986 lag ze al zwaar ziek in het ziekenhuis. Ze heeft op het laatst een maand of acht in het ziekenhuis gelegen. Als u vraagt wat ze mankeerde, zeg ik: wat mankeerde ze niet. Zwaar suikerpatiënt. Door die spuiten en al die medicijnen die zij kreeg lijdt het lichaam heel veel. In 2000 is zij overleden. Ik heb haar dus 14 jaar verpleegd. Ik ben nu 12 jaar alleen. Tot op een zeker moment zei ze ‘weet je wat, het is goed geweest. Ik kan niet meer. Het is op.’ Toen heb ik een heel kwaad jaar gehad. De kinderen hebben mij heel goed opgevangen. Het was mijn eerste meiske en het laatste. Ik was 46 jaar getrouwd. 
 
Ik kwam uit Indonesië….even wachten ik moet even nadenken…. Ik ben blij dat gij der bent,” lacht sobat Renting. “Ik hoop dat u nog eventjes blijft. 
Ik heb altijd gedichtjes gemaakt toen ik nog samen met Jo Spruijt zong. Hebben we allerlei liedjes gemaakt. Ik heb daar ook mijn bijdrage aan geleverd. Ik heb altijd alles van mij afgeschreven. 
 
 
Waar ik heb mijn vrouw leren kennen?..... Moette ge niet naar huis meid?” vraagt hij bezorgd aan schoondochter. “Ik kan het dan wel alleen af verder hoor.” Myranda blijft nog wel even. Pa gaat los. De twee honden thuis moeten de plas maar even ophouden.
Vanaf Aldershot kreeg ik nog geld,”gaat sobat Renting verder. “Kledinggeld, gevarengeld. We waren nog in dienst tot september voor we weer terug konden keren in de burger-maatschappij. Moesten nog gekeurd worden. Sommige hadden tropenziekten gehad zoals malaria. In september zouden we gaan afzwaaien. We kregen al het achterstallig geld uitgekeerd. Dat moesten ze wel, want we hadden niets meer. Ik heb nog leuke anekdotes, die zal ik straks efkes vertellen. Ik had dus nieuwe kleren, die had ik bij elkaar gespaard. Ga ik op de fiets naar de stad. We hadden afgesproken dat we elkaar weer zouden ontmoeten in Eindhoven bij de V&D of bij de Hema. De jongens van Indië: Jo Spruyt, Jo van Heuvel en van Wanrooij. Op een gegeven moment kwam ik de straat uit, en daar heb ik een gedichtje van gemaakt, toen ik mijn vrouw daar aan de overkant zag. Die liep daar. Ze was 19 jaar.” Sobat Renting wijst naar de foto aan de muur. “Augustus /september 1948 heb ik haar leren kennen. Ik heb er een mooi liedje over geschreven. Luistert u maar.  
 
Ik zag haar aan de overkant
met een ijsco in haar hand.
en ze bood mij heel spontaan
een likje van dat ijsje aan
Dat guitig lachje, dat gebaar
Ik was meteen verliefd op haar
Mijn eerste liefde te ontmoeten
Leuke schoentjes aan haar voeten
Rood sjaaltje om, kort jasje blauw
Jaren later voorgoed  mijn vrouw
Maar helaas, ze leeft niet meer
Ze is nu bij onze Lieve Heer
Altijd haar eerste foto bij de hand
Totdat ik haar weer zie…
……………… aan de overkant.  

 

 
Het was een heel sterke vrouw, Ik leunde tegen haar aan. Altijd met haar voetjes op de grond. Ze heeft mij altijd goed geholpen. Ze had heel veel mensenkennis. Zij was vertegenwoordigster bij een textielfirma. Ze zat veel op de baan. Als ze ergens bedenkingen over had zei zij: ‘Gij zijt een lief manneke, maar je hebt altijd je goeie pak aan, maar mijn bloedgroep is het niet”. 
Sobat Renting heeft hele mappen vol met gedichten. Bij ieder gelegenheid maakte hij een gedicht. “Nu niet meer, ik bibber en kan niet meer mooi schrijven.” Toch nog een heel klein beetje nerveus want zijn handen trillen. “Sobat Zwitselaar heeft daar een mooie oplossing voor gevonden. Wanneer hij brieven krijgt aan hem geadresseerd dan knipt hij zijn adres eruit en plakt dan op een door hem te versturen brief,” zegt Marianne.
“Dan heb ik nog een vraag aan u.” Sobat Renting pakt de nieuwsbrief. “Zo’n placemat wil ik graag hebben. Ik zal dalijk daarvoor een donatie geven.” Marianne legt uit dat er binnenkort weer nieuwe placemats komen.
 
Marianne moet voorlezen uit de nieuwsbrief over Hans Goedkoop en dat hij de kleinzoon is van kolonel van Langen. “Ik zit ’s avonds naar de televisie te kijken naar zijn programma “Andere tijden”. En ik zie een foto staan. Ik zeg: ‘dat is kolonel van Langen’. “Hij had zijn naam nog niet gezegd. Ik heb kolonel van Langen wel eens gezien. Waar precies weet ik niet meer, misschien bij een actie, of bij de demarcatielijn, of op bezoek op een buitenpost geweest, maar ik heb hem gezien. Ik vertelde dat aan mijn zoon en die zei : ‘je moet eens schrijven naar die man pa. Vind hij vast leuk. Moet je vertellen dat je zijn grootvader wel eens hebt ontmoet’. Marianne wil best vragen of zij het adres van Hans Goedkoop mag geven aan sobat Renting. “Nee, dat hoeft niet,” zegt sobat Renting, “zoveel heb ik ook niet te vertellen. Het gaat erom, ik herkende hem meteen. 
 
Waar  woon je Marianne? Ken jij Bergen op Zoom. Toen ik in Indië zat, waren er een hoop jongens uit Bergen op Zoom.” Sobat Renting haalt even diep adem en vertelt verder: “Die hadden allemaal correspondentievriendinnen. Piet Leijs zei:’Ik weet wel een meiske voor jou om mee te schrijven. Dat vindt ze leuk. Ze heette Mientje Schippers. ’t Singeltje 8 in Bergen op Zoom.’ Ze had een kruidenierswinkeltje in Bergen op Zoom. We hadden de afspraak gemaakt als ik ooit naar Bergen op Zoom kom, dan kom ik je opzoeken. Ik kom in je winkeltje en dan heb ik een code in de zin van: ik vraag een grote doos lange lucifers dan weet je dat ik het ben. Ik ben er nooit geweest.” Joop grapt: “Ik heb vernomen uit een zeer onbetrouwbare bron, dat ze nu nog zit te wachten met een grote doos lucifers.” Ze hebben eens in Bergen op Zoom een reünie gehad en toen zei Loutje Vughts, een maat van mij , ga mee dan kan je Mientje Schippers ook nog zien. Ze zal mijne leeftijd zijn. Later kwamen ze terug vanuit Bergen op Zoom en zeiden dat ze Mientje hadden gezien en met haar hadden gedanst. Ze vroeg nog naar mij. Ik durfde niet te gaan. Ik weet niet eens of ze nog leeft of dat het adres nog bestaat.”(ha Marianne zou geen Marianne zijn als zij hierop niet verder in gaat. Speurneus opgezet: het onderzoek loopt nog!  
Ik was gewoon infanterist. Gewoon altijd geweest. Ik heb ook nog een tijdje met de radio gelopen. Contact met mortieren. 
Dat heb ik niet lang gedaan. Ze moesten iemand hebben. Ik was de kleinste en liep ook altijd achteraan. 
De commandant van de compagnie zei:’je bent er goed geschikt voor.’ Dat heb ik een tijdje gedaan. Veel patrouilles gelopen.

 

Ik was ook op Kalibanteng, het vliegveld.  Ik heb foto's van  de bommenwerper die daar neergestort was. Het vliegveld lag aan de kust. Dat vliegtuig steeg maar iedere keer op. Op een zeker moment maakt het vliegtuig een heel scherpe hoek en stortte neer. De hele bemanning is toen gesneuveld. Efkes wachten”. 
Sobat Renting loopt de kamer uit en komt de kamer weer in en geeft Marianne een donatie. “Ik heb een hele tijd de boekjes bewaard en dan worden het er zoveel. Maar dan gooi ik ze toch ook weg. Er stond vorige keer een foto in van Piet Leijs. Ik herkende hem niet. Hij had vroeger een hele bos haar. Ik herkende hem niet. Samen met mijn vrouw was ik op de reünie in 1988, daar was hij ook. Ik heb toen nog een lied gezongen in Ambonees. Wat het allemaal betekent weet ik niet hoor.
Het is erg leuk om over elkaar in het boekje te lezen. Jo Spruijt en ik traden samen op. “De Pisangs”.
Sergt. Maj. Govaerts, die wou ook een keer meedoen, vandaar de foto. Hij had een goede derde stem. Hij was een “aanhangpisang”. We hebben in de Tijgerclub gezongen. Toko Oen? Een chinees, op de Bodjong.. Het ziekenhuis lag boven in Tjandi. De patiënten werden  daar naar buiten gereden en konden ze zo de zee zien liggen. Tjandi. Met al die graven. Ligt in de bovenstad van Semarang.  Ik heb daar foto’s van. Toen we naar huis gingen hebben we daar afscheid genomen.Ik  weet nog sommige namen van hen die gesneuveld zijn. Croontje, van Genderen, Buijs, Kats.  Ik belde  mijn zoon   gisteren op. Weet je van wie   ik een telefoontje heb gehad? Van Marianne. Die moet u koesteren pap. Ik zei;'Ik zie  der zo tegen op".  "Dat moet je niet pap, Vertel maar gewoon van mij, dat ik commando ben geweest. Dat is toch harstikke leuk?" 
“Ja maar ze schrijven alles op!” Vroeger was ik zo assertief altijd, maar dat is allemaal weggegaan. 
Het is zo’n opluchting nou!” zucht sobat Renting.  Joop merkt op: “U bent nog heel goed met alles te vertellen.” 
“Ja, mijn hersenen zijn nog heel goed hoor,” antwoord sobat Renting trots. “Ik heb veel gedichtjes gemaakt, ik doe veel puzzelen, cryptogrammen. Ik train mijn grijze cellen nog goed hoor.” 
 
Op  onze vraag  wat sobat  Renting is gaan doen na Indië, vertelt hij dat hij vroeger toen hij 14 jaar was op een drukkerij werkte, 
algemeen drukwerk: sigarenbandjes en zo. Dat heb heeft hij  gedaan tot hij 18 jaar was, toen kreeg hij die oproep. 
Is hij ondergedoken, had hij dus een tijdje geen werk en is later naar Indië gegaan. Bij thuiskomst weer  terug naar de drukkerij.  “Daar wende ik niet meer”, vertelt sobat Renting. Ik was een beetje ontheemd. Ik leerde mijn vrouw kennen. Ik had er geen zin meer in bij de drukkerij. Ik was als vrijwilliger weggegaan en de drukkerij was niet verplicht om mij verder opleiding te geven. Ik heb daar ontslag genomen. Bij adjudant van de Biggelaar kon ik als oud-militair terecht met vragen. 
Ik heb overwogen om nog naar Korea te gaan, maar ik had al een beetje verkering.
“Ik heb wel een baan voor jou bij de legerplaats Oirschot, ” zei de adjudant. Daar kan je als oud militair als burger gaan werken. 
Dat heb ik 9 jaar gedaan. In het magazijn ben ik foerier geweest. Er gingen toen veel militairen naar Suriname. Ik heb van alles gedaan. Toen heb ik mijn pensioen ingekocht. Ze vroegen bij Philips mensen. In de ploegen. Dat scheelde wel 100 gulden per maand. Ik heb 25 jaar bij Philips gewerkt. Met 60 jaar stopte ik met werken, met een goede regeling.”  Marianne merkt op dat er veel mannen van 2-6 R.I. bij  Philips  terecht zijn gekomen. Ook Men van de Wetering. “Oh, van de Wetering. Die heeft toen Buijs geraakt. Ik weet nog heel goed hoe dat gegaan is. Het was tegen de morgen. Ik kwam terug van een varkensjacht. Door een code die niet goed is uitgevoerd heeft Men van de Wetering Buijs per ongeluk neergeschoten. 
Verschrikkelijk. Korporaal Buijs, een klein manneke. Ik zie hem nog zo voor me.”  
 
We komen op rangen en onderscheidingen bij het leger. "U  draagt uw veteranenspeld  zie ik ,"zegt renting tegen Joop.  "Ik draag dat allemaal niet meer. Mijn onderscheiding “orde en vrede” heb ik niet meer. Die is kwijtgeraakt. Ik ben 2 keer verhuisd.” “O,” zegt Marianne, “wilt u hem weer hebben?” Resoluut antwoord sobat Renting: “Ja.” Marianne belooft  alles in het werk te stellen om de onderscheiding onderscheiding met de 3jaar gespen te krijgen. Foto's van de bijbehorende documenten worden gemaakt.  "Ik ben u zeer erkentelijk,'zegt sobat Renting.  ( Marianne heeft de procedure inmiddels in werking gesteld) 
“Als je sgt. Ad van Hooijdonk nog spreekt, doe hem dan vooral de groeten. Hij was ook bevriend met Sergt. Govaerts.” Marianne maakt een aantekening. 
Sobat Renting is blij en straalt helemaal. We beloven wanneer we weer in de buurt komen, zeker even contact 
opnemen om te vragen of we nog een kopje koffie kunnen komen drinken. “Maar dan ben ik niet meer zenuwachtig hoor,” lacht sobat Renting.  Marianne zegt  dat we straks nog bij Jac. de Renet langsgaan. We waren al bij sobat Zwitselaar langs geweest. Morgen gaan we, op uitnodiging, naar Weert bij de Limburgse Jagers op Phaffdag.
We nemen heel hartelijk afscheid van sobat Renting, maar we komen niet eerder weg, alvorens hij eerst Marianne bij de hand pakt en haar alle foto’s en schilderijen in zijn gezellige huiskamer heeft laten zien. Joop krijgt dezelfde rondleiding.  Ondertussen maakt Marianne van de gelegenheid gebruik om schoondochter  Myranda heel hartelijk te bedanken dat zij haar schoonvader zo lief heeft bijgestaan ( wij hopen dat de honden een goed getrainde blaas hadden) Het was weer een heeeeel gezellige visite met genoeg stof pm over te schrijven.

 

tekst:Marianne/ foto's kleur Joop Pragt/ zwart-wit P.Renting. 

     

Nieuwe woning sobat Henk Zwitselaar in de Orangerie in Nijmegen.  

Omdat Marianne al een tijdje geen telefonisch contact kreeg met sobat Zwitselaar, belde zij verzorgingshuis de Orangerie. Het bleek dat sobat Zwitselaar zijn mobiele telefoon niet aan had staan. Hij belde Marianne snel op nadat hij van een verzorgster hoorde dat Marianne probeerde te bellen. Een eerder gemaakte belofte om hem op te zoeken in zijn nieuwe woning werd meteen ingelost. Marijke had twee bezoeken gepland op 22 november, een derde kon er nog bij rekende zij praktisch.
Wij bezochten sobat Zwitselaar al eerder. Zijn gezondheid liet toen sterk te wensen over.
 
Bij aankomst in de hal van de Orangerie zat Henk Zwitselaar ons al op te wachten. Wat een verschil met enkele maanden geleden. Wij complimenteerden sobat Henk dat hij er zo goed uit zag. “Och, inderdaad is het een heel verschil nu ik meer adem heb, maar ik heb nog wel medicijnen hoor. Ik krijg ook gehoorapparaten, maar wil niet van die grote knollen hoor. Kijk zulke mooie kleine als jij hebt Joop.”
Marianne overhandigd sobat Henk het snoepertje. We drinken koffie in de grote zaal beneden. Sobat Zwitselaar en Joop laten zich een stuk gevulde speculaasletter goed smaken. Henk Zwitselaar heeft zijn draai wel gevonden in de Orangerie. Een minpunt is dat hij ver van alles af zit en zijn auto niet in de buurt van de uitgang kan parkeren. “Ik ben pas twee keer weggeweest met mijn auto. Heb ik een mooi plekje en ga ik weg, dan is dat als ik terugkom weer bezet en moet ik een heel eind lopen. Dat red ik niet meer.”
Na de koffie gaan we naar boven, naar de nieuwe kamer van sobat Henk. Marianne herkent veel spulletjes uit het oude huis, maar sobat Zwitselaar mist nog het een en ander. Dat is zo jammer als je zelf niet bij een verhuizing bent. Iemand anders beslist wat je mee naar de kamer neemt. “Gelukkig zijn mijn fotoalbums, boeken en zo wel meegekomen,”vertelt sobat Henk.

   
 
Ik verveel mij niets hoor. Lees veel Jerry Cotton boekjes, westerns, maar puzzel ook heel graag. Ik heb een prachtig uitzicht op een groot veld. De meeuwen zie ik ruziën om brood. Ook kinderen die naar school gaan en mensen die de honden uitlaten.” Maar hoewel hij veel te zien heeft buiten, kijkt hij ook graag tv. “We hebben hier heel veel zenders,” zegt Zwitselaar. “Eén zender zendt allemaal oude zwart-wit films uit. Maar ook een zender met seksfilms. Het is toch wat hè? Ik kan er nog heel wat van leren,” zegt hij guitig. “Och, het doet mij niets meer hoor. Het slapen wil soms niet best lukken. Als ik wakker word dan ga ik een poos in deze relax sta-op stoel liggen. Dan kijk ik TV en als ik slaperig word, stap ik weer terug in bed.”
We babbelen nog een poosje door, maar Sobat Henk moet om 12.00uur beneden zijn voor de warme maaltijd. Kookgelegenheid is er niet op de kamers. “De broodmaaltijd verzorg je zelf. Naast me woont een veteraan van 95 jaar. Ik kan hem niet verstaan,” vertelt Henk Zwitselaar. Bij navraag bij de verzorgsters blijkt dat die veteraan aan de Birma spoorlijn heeft gewerkt. Jammer dat deze twee veteranen elkaar niet kunnen verstaan. Wat een verhalen zouden zij elkaar kunnen vertellen.
We lopen met Sobat Henk mee naar beneden en brengen hem tot aan de eetzaal. We wensen een smakelijk eten en Joop wil iedereen nog een hand geven maar ‘dat is hier niet nodig’ mompelt sobat Henk. “Doe dat maar in het Feyenoord stadion!” We zeggen sobat Henk hartelijk gedag. Zo, geloof maar dat hij heel wat te vertellen heeft straks. Leuk bezoek uit Rotterdam en zij gaf me drie klapzoenen. Ha!                              

tekst:Marianne/ foto:Joop Pragt

    

In Breda op de koffie bij sobat Harry van Heugten (2-6R.I.)  

 
Op donderdag 25 oktober 2012 keerden wij terug van ons kort reisje naar Brussel. Onze coördinatrice Marijke had al gezien dat we dan best even bij familie van Heugten op de koffie konden gaan. De afspraak was snel gemaakt. Het adres bekent en de TOM TOM leidde ons zonder omwegen naar de juiste plek in Breda. Het is een mooi complex met ruime (gratis) parkeergelegenheid. Dat kwam mooi uit want in Brussel kostte elke parkeerplaats geld. Gelukkig waren daar ook de Nederlandse euro’s te gebruiken! Wij worden in de woonhal hartelijk onthaald door mevrouw van Heugten.
Sobat Harry van Heugten zit in de gezellige kamer met een prachtig uitzicht. Enige tijd geleden vertelde sobat Harry dat er een grote verbouwing gaande was. Er kwam een verdieping op het bestaande gebouw. Dat is nu voltooid.
 
Bij binnenkomst herkent Marianne sobat Harry meteen. “Aha, ik zag van de week nog een foto van u in mijn bestand. U herken ik wel van een reünie, al heeft u een aardige jas uitgetrokken.”
Sobat Harry tobt met zijn gezondheid. Op 7 juli kreeg hij een TIA, was ineens verlamd, maar het gaat nu wel weer. In 1991 verloor hij een oog en is ook een teen kwijt. Hij knapt gelukkig nu weer wat op. “Maar verhuizen doen we echt niet. We kennen hier iedereen,”zegt hij.
Mevrouw van Heugten is bedrijvig met de koffie. Het alom geroemde 2-6R.I. snoepertje is ook in Breda welkom. “Laat mij maar bezig zijn, ik ben net weer gestopt met roken. Voor Harry, maar ook voor mijzelf,” vertelt zij. Genietend van een heerlijk kopje koffie komt het gesprek op gang.
 
Sobat Harry van Heugten, geboren in 1927 te Breda, heeft zich tijdens de oorlog enigszins verstopt voor de Duitsers. “Ik ben gewoon thuis opgegroeid. Mijn vader was er heel erg bang voor, omdat wij thuis met meerdere jongens waren, dat we een keer opgepikt zouden worden om naar Duitsland te moeten gaan. Ik kom uit een gezin van zeven kinderen.”                

Toen Nederland nog niet bevrijd was, werd sobat Harry OVW- er bij de Binnenlandse Strijdkrachten. Van zijn groep gingen 10 á 12 jongens naar Indië. Vanuit Sittard, Calais, Wockingham en South Heampton met de Nieuw Amsterdam uiteindelijk naar Malakka, Morrib Beach. Klang.  “Ik was eerst brenschutter op Malakka en kwam in Semarang onder commando van de Engelsen te liggen. Men kwam er toen achter dat er onderling geen enkele vorm van verbinding was.” Op patrouille was geen verbinding met de achterban. Sobat Harry kreeg cursus van de Engelsen, werd ingedeeld bij stafcompagnie 2-6 R.I. verbindingsdienst en ging later met verschillende compagnieën mee op patrouilles als verbindingsman. Er moest altijd een radioman mee. “Daar was niet iedereen blij mee, want wij liepen natuurlijk erg in zicht met die grote radio en antenne. Wij waren altijd doelwit voor die extremisten. We gingen regelmatig op patrouille naar de Q41. Een berg. Vanaf daar werden we vaak beschoten. De kok in de keuken is zelfs een keer door zijn hand geschoten,” zegt sobat Harry.  
“Ik ben als enige van de verbindingsdienst 2-6 RI. nog in leven. Sobats Nota, van Haaren en Jan van Blerck zijn al overleden. Die jongens kende ik het beste. De anderen kende ik alleen van zien,” legt sobat Harry uit. “We lagen in het prot. Weeshuis op de Bodjong, het N.I.S- .gebouw en de Rozevilla en op buitenposten waaronder het vliegveld Kalibanteng en de Boeloe. Setoegoer, ik moest mee met Evert Broos uit Tilburg. De eerste dode was van Weert, hem is de keel doorgesneden. Dirk Kats, ging ik mee op patrouille en we kwamen onder vuur te liggen. Dirk Kats bleef liggen. Hij durfde niet onder het vuur te lopen en is toen gesneuveld. Tot het einde ben ik bij de verbindingsdienst gebleven.
Ik heb drie albums met foto’s. Er is nu alleen te weinig tijd om al die foto’s te bekijken. ( familie van Heugten moest later in de middag voor de griepprik naar de dokter)  Die albums gaan later naar Ine, onze dochter en nog later naar de kleinzoon.”
 
Harry van Heugten heeft 43 jaar bij de PTT gewerkt, tot zijn 65e jaar. Is onderscheiden voor zijn werk. Maar heeft ook alle onderscheidingen voor Nederlands Indië.
“Ik begon tijdens de kerstperiode als sorteerder bij de PTT. Later als besteller ( ik bracht zelfs hier het tijgerblaadje rond) en telegrambesteller op de motor. Alle rijbewijzen haalde ik bij de PTT. Uiteindelijk eindigde ik als adviseur Postverkeer. Ik was een vraagbak voor de jonkies!
Bij mijn afscheid bij de PTT werd ik afgehaald met een koets, begeleid door muziek, postauto’s en motoren. Ik heb daar met heel veel plezier gewerkt. In dienst van de post maar ook in dienst van de mensen. Ben nooit ziek thuis geweest!”
 
We drinken even koffie en praten over van alles en nog wat. Het bestuur 2-6R.I. door de jaren heen, de Tijgerbrigade- reünie, de vrouw achter de veteraan. Zij verdienen zoveel respect omdat zij hun man toch als eerste moesten opvangen en bijstaan. Herinneringen. Foto’s. Sobat Harry heeft alle foto’s opgeplakt in albums. “De reünie daar kunnen we niet meer heen,” vertelt mevrouw van Heugten. “Harry kan en mag geen auto meer rijden en ik durf niet meer de grote weg op.” Marianne wijst sobat Harry erop dat hij met een begeleider naar de reünie kan komen. Als iemand hem kan brengen is dat prima! Gerust hoor.  

 

Sobat Harry van Heugten en zijn vrouw trouwden in 1979 en zijn 38 jaar getrouwd. Mevrouw van Heugten heeft 8 jaar verpleging gedaan. “Wij hebben 35 kleinkinderen,”vertelt mevrouw van Heugten. ”Oudste dochter verleden jaar overleden, een andere zoon is in Curaçao ineens overleden. Ik heb alle kleinkinderen geboren zien worden, de oudste is vijfendertig en de jongste is twee.” Harry heeft 4 kinderen, mevrouw heeft 1 kind. Het verlies van de twee kinderen is heel zwaar te verwerken geweest. Mevrouw van Heugten adviseert: “praat! Blijf praten! Dat is heel belangrijk.”
 
Sobat Harry gaat op zoek naar een door hem geschreven stukje over de verbindingsdienst. Voor het boekje. Hij komt met het papiertje en tevens een handgesneden Indisch beeld en briefopener,  alvast voor de loterij. Prachtig. Marianne is alweer emotioneel. Wat ontzettend lief.  

 

Mevrouw van Heugten geeft een donatie. “Nee, niet jij Harry, maar nu doe ik het,” zegt zij resoluut. “Het is mijn bijdrage voor jullie.” Marianne bedankt beiden heel hartelijk met dikke klapzoenen.
“Kom je nog eens een keer terug om de fotoboeken te bekijken? Nu hebben we niet zoveel tijd.” Familie van Heugten moet om 14.30uur naar de dokter voor de griepprik. Reden om het gesprek af te sluiten. Hoewel we graag nog veel langer hadden willen blijven. Het was heel erg gezellig.
Familie van Heugten, hartelijk dank voor uw gastvrijheid.

tekst:Marianne. foto's Joop Pragt

      

In België langs bij sobat Huib Kers (2-6 RI)

Wat een prachtdag hadden wij op maandag 22 oktober. Een zomerse dag in oktober 2012! Het was warm. Heerlijk warm. En zonovergoten. Je kunt niets anders dan genieten en dat deden we dan ook op weg naar sobat Huib Kers na ons bezoek bij familie Salomé. Onderweg even geparkeerd om het gesprek, dat we hadden opgenomen bij sobat Salomé, van de telefoon naar de laptop over te zetten. Er was genoeg ruimte om het gesprek bij Huib op te nemen. (Dit doen wij als geheugensteuntje bij het uitwerken voor het verslag in de SEPATOE ROESAK, niets wordt tegen u gebruikt hoor!)
We arriveren in een mooie ruime straat met veel (gratis) parkeerruimte op een middenstrook. Het ziet er opgeruimd en kraakhelder uit.
Huib verwelkomt ons. De balkondeuren staan wagenwijd open alsof het zomer is in oktober. We gaan naar de woonkamer. Het ziet er glimmend en proper uit. Marianne geeft Huib het welbekende en inmiddels ook al felbegeerde snoepertje. De koffiekopjes staan al klaar op een kleine tafel, maar we wachten nog even. Eerder, bij familie Salomé werden wij al ‘gelaafd’.  
 

 
Huib laat meteen zijn computerkamer zien. Een prima plaats met alles bij de hand. 
Huib is handig met de computer. Al enige jaren telefoneert hij per pc. “Da is veul goeiekoper he,” zegt Huib. 
Sobat Huib spreekt Belgisch (Vlaams). Het is voor ons, als rasechte Rotterdammers, soms echt moeilijk om hem te verstaan, maar we zijn eruit gekomen. Gewoon vragen om het nog eens te vertellen en de geluidsopnames helpen ook.  
Huib wil laten  zien hoe hij per computer telefoneert. Helaas is net de verbinding verbroken. 
De foto’s die hij voor Marianne heeft, staan opgeslagen op de computer en hij heeft ze afgedrukt.
 

 

We gaan terug naar de kamer. Huib gaat in zijn gemakkelijke fauteuil zitten. Puft uit en vertelt dan:  “Ik kom oorspronkelijk uit de Fennert.” “ Wat zeg je nou Huib, waarvandaan?” “Fijnaart!” “Ohhh Fijnaart !” roepen Joop en Marianne tegelijk.
“Daar zat vroeger een buitenpostje van de Orde Dienst,” weet Marianne. “Jao, dat klopt,” zegt Huib. “Ik heb vroeger o.a. aan de buitendijk gezeten, we hebben daar patrouille gelopen, zal ik maar zeggen, daarna ook nog in Bovensluis. Ik werd ook opgeroepen voor de Arbeitsdienst.”
Huib vraagt naar van der Linden uit Willemstad. “Ik hoor ze niet meer en ik zie ze niet meer. Ik zag hem nog wel eens bij de VOMI- bijeenkomsten.” Marianne pakt haar dossier erbij (en brilletje) en vertelt wat zij weet over van der Linden. Hij wilde alleen nog bij de VOMI blijven en verder niets meer. Huib snapt het. Huib zegt: “Ik ben de enige nog van 2-6R.I. tijdens de bijeenkomsten van de VOMI daar. En dan Jan van Ham. Die is niet van 2-6R.I. maar 4-6 R.I., de bokkenrijders, maar wel van de Tijgerbrigade. Hij heeft nog bij Westerling gezeten.
Hij was van plan naar jullie reünie te komen.” Zijn naam komt Marianne niet bekend voor. Joop vertelt dat de reünie een succes is geweest. Dat er veel verschillende onderdelen waren (ook 4-6R.I.) en het heel goed samengaat. Huib staat op. Op de grote tafel heeft Huib al het een en ander klaargelegd wat hij wil laten zien. Meteen overhandigt hij aan Marianne twee treinkaartjes en een stapeltje klein formaat foto’s. “Kijk es aan, dat is voor u.” Huib is kortademig. Dat is hij al een lange tijd. “Ik kom steeds lucht te kort,” puft hij.
 
Het stapeltje foto’s wordt bekeken. Marianne is dicht bij Huib gaan zitten om maar niets te missen van de verhalen die bij de foto’s horen. De eerste foto: “Kijk, das Vic van Dam! Die is in ‘70 al gestorven. En ier, ier staat ook van de Linden bij,” wijst Huib. “Ik sta er niet op. En Joost van Oostenrijk staat erbij.” “Joost Oostenrijk is overleden,” weet Marianne en vertelt van het bezoek aan Chris Scholtens. En hier zitten we dan te eten, bij het strand. En joa, die ben ik dan hè. Hier ene, dat zitten we gereed om op patrouille te gaon. En den deze, hier staan we met trossen bananen.” Marianne zegt blij opgetogen dat zij deze foto’s nog niet eerder heeft gezien.
 
 
“Wat een leuke korte broeken hadden jullie hè?” zegt zij tegen Huib. “Da’s Polak uit Lage Zwaluwe en dat Leo v.d. Kroft, daar zijn we aan het volleyballen hé. En ier op deze foto da ben ik!” zegt Huib. Marianne zegt: “Ik herkende je meteen. Als ik je zo in Indië was tegengekomen, dan had ik gezegd: ”He Huib!”
 
 “Dat is Piet van Meel en zijne broer. Diejen zijn allemaol al dood. Piet was mijn maatje joa! Dat zij ik en daar zijnne we op patrouille geweest en heb ik nog een handgranaat buitgemaakt.”  En hier, ben jij  dat ook Huib? “Nee, da’s Wim Vos!
 
Die met dat kale hoofd da was onze foerier. Ik ken zijn naam nie meer.” “Wie is hij? ” vraagt Marianne wijzend op een foto. “Da’s ook Vic van Dam. Joa, dat ben ik weer. Dick Polak was de jongste van het peloton. Hij was soldaat.”
 
We bekijken de een na de andere foto. Stuk voor stuk prachtige beelden. Marianne is weer heel blij met deze foto’s. “Ik heb geen foto’s van jouw vader. Die was van de mortieren.
Hier heb je Vic van Dam, die was gewond aan zijn pink.” “Aan zijn pink?”vraagt Marianne, “en hij ligt helemaal ingestopt in zijn bed?!” “Joa, daar zij ik bij hem op bezoek. 
En dat is nog een keer Vos. In Semarang zaten we vlak bij de visvijvers. Veel muggen. Ik zou wel es meer zoeken hè enne dan stuur ik ze wel op.” (voor alle duidelijkheid, we geven een beetje de taal weer zoals sobat Huib tegen ons spreekt).
 

 

 “Willen jullie nou niets drinken al,”vraagt Huib. “Nee, hoor Huib, we praten liever. Ik zet de foto’s op het internet Huib, niet meteen, maar het gebeurt wel.” “Joa, ik he gisteraovond nog efkes gekeken hè.” “Het zijn echt heel mooie foto’s Huib, zo scherp!” “ Joa, ik vinne ze schoner dan de echte foto’s,” zegt Huib. “Ik had ook nog foto’s van Piet Voogt, maar toen had mijn pc het begeven. Maar er is nog een kans dat ik die foto’s nog terug kan krijgen. Piet Voogt is nog bij mij aan boord geweest in Den Haag.” Huib laat foto’s zien van zijn eigen boot. Trots zegt hij lachend: “Ik had zelfs een wasmachine aan boord! Een emmer met deksel, schudden, de lucht eruit en een poosje laten staan!”
“Op Morib Beach ben ik bijna verdronken. Met Piet Voogt samen. We waren aan het zwemmen met nog een maatje. We waren van de kust geraakt en na anderhalve kilometer zijn we uiteindelijk aan de kant gesukkeld. Der was niemand nie om ons te helpen hè. Als het helder weer was dan konden wij Borneo zien liggen.
 
Mijn moeder is heel jong gestorven toen ik net geboren zij. We waren maar met twee. Ik had wel twee zussen, maar die waren al gestorven. We zijn thuis zo grootgebracht verstoat te ge, en zodoende. Wij hebben geen jeugd gehad hè, want moederliefde hei’k nooit gehad hè verstoat te ge en dan wordt je hard hè. Dat zegge ze aollemaal. Ik ken der niks an doen.”
 
 “Huib, we vermoeien je toch niet veel hè, want anders gaan we meteen weg hoor”, zegt Marianne bezorgd als Huib hoest. “Neeje, het goat best, hoor. Ik ben in Amerika geweest. In 1981 en 1991. Ik was o.a. in Las Vegas. Nou, ik heb der niets gewonnen hoor anders za’k hier niet,”zegt hij lachend.
 
Huib ging, net als het grotendeel van 2-6 R.I., als O.V.W. van 1-6 R.I. over naar het nieuwe 2-6 R.I. Vertrok vanuit Sittard naar Calais, dan  naar Engeland, vervolgens naar Malakka en daarna door naar Ned. Indië. “Wij zaten op Malakka, Morib Beach. Acclimatiseren. Leren hoe het is in de tropen. Moet je op wacht staan en je hoort allerlei geluiden en je schiet op alles. Op glimwormen!!!! Ik zat bij de infanterie. Ik was gewoon soldaat. Soldaat 1e klas. Ik had als wapen eerst de sten. Een hopeloos wapen. Bij de Binnenlandse Strijdkrachten had ik een Schmeitzer. Dat was pas een wapen. Die heb ik nog mee naar Vught genomen en die hebt onder het bed gesloapen en die heb ik weer mee terug naar huis genomen. We hadden thuis onderduikers in de kelder en als het dan niet goed was, dan moest ik daar ook in, het wapen mee. Dat wapen is daar helemaal opgeroest.”
Als we vragen over maatjes uit Indië noemt Huib op: “Piet van Meel, oh maij, Jan de Hoogh, IJpelaar,  Wim de Vos, Vic van Dam, Vreugdenhil, Wim van Dongen, Pietje Wullems, Piet Berber. Van Wensum, die reed vroeger op de waterwagen en Ad van Hooijdonk.” We vragen of hij soms Koos de Ruijter kent. Helaas niet.
Ik heb nog papieren dat ik werd opgeroepen, dat ik naar Vught moest.” Huib wil weer opstaan, maar Marianne ‘moedert’ “blijf zitten hoor Huib. Als je je een keertje goed voelt, zou ik het fijn vinden als je een kopietje ervan maakt en dan opstuurt.” “Das goe, zegt Huib, “ik heb nog veel meer brieven.”
Ik heb de adressenlijst van 2-6 RI nog liggen van de eerste reünie in Blerick. Er staan heel wat namen al doorgestreept. Ja, het gaat hard met 2-6 R.I.” Marianne zegt:”We hebben nog er 53 van de 800 man.”
“Ja van min werk ook, waar ik 25 jaar gewerkt heb zij ik den enigste nog van die mannen. Ik zat in de wegenbouw bij van Welle. Wij zijn daar begonnen en toen hei die ene camion (vrachtwagen). We zijn begonnen met sloten te kussen.” “Wat deed je Huib?” vragen Marianne en Joop tegelijk. “Sloten kussen,” zegt Huib, “later werd ik baas over vier man”. Joop vraagt: “Zeg dat nou eens in het Nederlands, sloten kussen.” Huib lacht. Sloten schoonmaken, we komen er zelf op, terwijl Huib maar zit te lachen.  

 ”Ja Huib, jij bent helemaal Belg geworden,” zegt Joop. “ Joa, da is waor,” antwoordt Huib nog lachend. “Later ben ik hier in Schoten gaan werken en verdiende ik meer. Zo van lieverlee zij ik daor helemaal opgegroeid hè verstoat-te ge.
 
Op het lest had ik vier man onder me en mijn boas had een woning voor me weggezet, want ik woonde op min waork. Ik was toen al alleenstaande, ik was 14 jaar alleen geweest. Mijne vrouw ging weg met ene jonge gast hè. Ik had toen vier kinderen, drie van mijzelf en een van een ander. De kinderbescherming heeft ze weggehaald. Ik kon er niet voor zorgen hè.
Maar alles heb ik al geregeld. Als ik er niet meer ben, dan weten ze wat ze moeten doen. Mijne ex-schoondochter regelt dat allemaal. Jij, Marianne, krijgt ook bericht.”  

Joop vraagt, wat er met zijn Indië- spullen gaat gebeuren. Huib heeft niets beschreven staan. Met de onderscheidingen, foto’s, boeken.

 
  “Je mag het allemaal van mij hebben, ik ga alles bij elkaar zoeken. Je mag het allemaal hebben.” “Ho Ho Ho”, zegt Marianne, “nu nog niet. Pas als je overleden bent. Maak maar een doosje en zet er maar op dat het naar Marianne moet.”
Marianne legt uit dat het zonde is als alles weggegooid zou worden. “Nee, dat mag niet,” zegt Huib. “Ik heb geen dagboek bijgehouden, want ik kon niet goed schrijven. Ik heb alleen maar lagere school gehad. Moar ik ga alles bij elkaar zoeken voor je, Marianne. Nou ook, ik heb genoeg meegemaakt. Ik heb nu al 8 jaar een vriendin. Ze is Russische. Ze is eens mee geweest naar de reünie in Breda.” Marianne weet dat nog.
Huib kookt zelf nog en strijkt handdoeken en zakdoeken. Zijn vriendin Tania helpt hem zijn huisje schoon te houden. Zij helpt hem ook als er problemen zijn met de PC. In 2007 ging Huib nog met haar naar Spanje op vakantie. Ze gaat vaak met hem mee. Huib legt uit hoe het zit met zijn AOW en belasting. Wij zeggen u niets!
En met die belofte was het hoog tijd om Huib gedag te zeggen en aan onze korte vakantie te beginnen. Brussel, wij komen er aan!! Huib, bedankt voor de gezellige ontvangst. We hebben het Belgisch haast niet gekust. Oh nee, het moet zijn gekuist!
     
tekst:Marianne/ foto's Joop Pragt

  

Op bezoek bij sobat Salomé (2-6R.I.) in Schoten, België. 

 
Wij, Joop en Marianne, gingen het schoolreisje van Joop van 50 jaar geleden nog eens over doen. Het was een wens van Joop om nog eens het Atomium in Brussel te bekijken. Een vierdaagse vakantie werd geboekt. Joop opperde het idee om van de gelegenheid gebruik te maken door op de heenweg twee van de drie in België wonende sobats te bezoeken. Op de terugweg kon dan ook nog een sobat in Nederland bezocht worden. Agenda’s werden gecheckt, met Marijke, onze ook nimmer aflatende coördinator nazorg, overlegd en afspraken konden worden gemaakt.
Maandag 22 oktober arriveerden wij ’s morgens op een prachtig mooie zomerse herfstdag in Schoten, België. We reden een mooie rustige wijk binnen met mooie flats. Sobat Pieter Salomé (87) en zijn vrouw( 85) verwachtten ons op de koffie in hun ruime flat. Zij wonen er volgende jaar al dertig jaar. Nadat de kinderen het huis uit waren, werd een groot huis verkocht. Vele prachtige antieke meubelstukken staan nu in de zeer ruime flat. Mevrouw Salomé schenkt in stijl de koffie in aan een echte koffietafel.
 
Pieter Salomé loopt een beetje moeilijk. Hij gebruikt een wandelstok. Met één slecht oog heeft hij een klein probleem. Hij moet daarvoor iedere week naar oogarts. Er zit vocht achter zijn goede oog. “Mijn eeneiige tweeling broer had precies het hetzelfde, alleen aan het andere oog,” vertelt sobat Salomé.
Pieter Salomé komt tijd te kort op een dag. Hij zat in de kerkenraad en de beheerraad. Dat is al een tijd geleden hoor. Mevrouw Salomé slaapt een paar uurtjes in de middag. Dit op advies van de arts. Sobat Pieter gaat dan naar de bibliotheek en leest alle tijdschriften. Doet de boodschappen, gaat dus naar de bibliotheek en leest heel veel. Kijkt wat naar T.V. Op tijd naar bed en ’s morgens op tijd weer op.
Pieter Salomé is geboren in Breda. Hij is één van een eeneiige tweeling. Ze groeiden op Breda. Zijn broer stierf 7 jaar geleden.
 
“Wij zaten tijdens de oorlog in Breda,” vertelt sobat Pieter. “Wij hebben nooit honger geleden. Mijn vader werkte voor Centraal Beheer, de verzekeringsmaatschappij. Hij reisde door het hele land en kon overal genoeg eten krijgen. Wij hebben dus geen honger geleden. Ik herinner mij nog kort na de bevrijding, ik was thuis en ik sliep. Toen stortte er een V1 of V2 ongeveer 500 meter van ons huis neer. Iedereen was wakker. Ik sliep door. Aan het eind van de oorlog zat ik als OVW- er bij de ondergrondse in Breda. Ik  had niets te doen, de school was klaar. Het was een beetje ‘zin in avontuur’ dat ik mij meldde voor Indië. Met de boot naar Indië! De enige boottocht in mijn leven. Ik ben niet zeeziek geweest. Het hele schip hing over de reling van de Nieuw Amsterdam.

 
Ik vertrok in oktober 1945 uit Nederland en kwam in november 1945 aan op Morib Beach. Daar verbleven wij tot maart 1946. Vervolgens met de ‘s.s.Sommelsdijk’ naar Semarang en daar werden wij als 2-2-6 R.I. tijdelijk gelegerd in een gebouw t.o. het N.I.S. gebouw. Ik heb ook gelegen op het vliegveld Kalibanteng. We lagen daar met 800 man. Daarna naar een kampong Pirewapa.
We zaten daar in tenten, op veldbedden geslapen. Ik deed altijd de administratie. Aan gevechtshandelingen heb ik niet deelgenomen. Als korporaal schrijver schreef ik de verslagen erover. Na de 1e politionele actie zijn we verhuisd naar het Toentangcomplex. Ik weet nog dat Frans Bruijnseels is daar bij het  sluizencomplex verdronken. Na een korte tijd op die post gingen we naar Salatiga en zaten we bij een pleintje in een gewoon huis. Wat we daar hebben gedaan weet ik niet meer hoor.”  Pieter Salomé deed belijdenis in Nederlands Indië in Medan. 
Luitenant Verhulst schrijft hierover in zijn boek ‘ Zomaar wat herinneringen’.  

 

“Ik weet nog dat Cor Farla uit Breda een ongeluk betrokken is geweest. Hij zat met een luitenant op de motorfiets. Een ernstige wond aan zijn been zorgde ervoor dat hij eerder terug ging naar Nederland.
Uw vader zat ook in het leger hè, Marianne? Ik kan mij niet veel herinneren van die tijd. Een hoop is weg. Was hij luitenant?” “Nee, mijn vader, Huib Lankhuizen, was soldaat. Kent u uw registratienummer uit uw hoofd?” “Ja hoor, dat is simpel. Mijn nummer is 25.06.27.002.
 
Ik kon aardig Maleis praten na een paar jaar. Ik leerde in Thailand Siamees, ik probeerde ook nog Arabisch op te pikken. Maar op latere leeftijd is dat moeilijk hoor. Ik was goed bevriend met Cor Louisse. Ik ben helaas het contact verloren. Hij is overgegaan naar het KNIL. Medio 1947. Ik ben hem nog eens wezen opzoeken in Batavia. Hij is inmiddels overleden. Ik trok veel met hem op. Ik ging terug naar Semarang. Hij is in Indië gedemobiliseerd. We hebben samen in een pension gezeten. Hij was verkikkert op de dochter van de pensionhouder. Hij is later met haar getrouwd. Heb hem in Kloetingen bezocht. Later is hij verhuisd naar Amersfoort en daar overleden. Ik heb geen contact meer met sobats van 2-6 R.I. Ook doordat ik de hele wereld af reisde.”
 
Pieter Salomé trouwde in 1952 te Medan met de handschoen. Hij vertrok in 1957 naar Bangkok. Daar werd hun zoon geboren. In Nederland werkte hij bij Philips. “We hadden het in Nederland wel gezien en we gingen naar België,” vertelt sobat Pieter. “We deden handel in geschenkartikelen. Ik importeerde en deed de groothandel. Mijn vrouw deed de winkel. Toen ik zeventig jaar was ben ik gestopt met werken.”
 
Het echtpaar heeft drie kinderen. Die wonen allemaal in het buitenland en komen regelmatig over naar België. De kinderen zijn allemaal goed terecht gekomen. Er zijn 4 kleinkinderen. De zoon woont in Spanje, is getrouwd met een Engelse vrouw. Hij komt eens in de twee maanden thuis logeren. Zit dan veel achter de computer. Werkt in het computergebeuren. Reist ook over de hele wereld. Studeerde economie aan de universiteit hier. Eén dochter woont in Los Angeles, Californië, U.S.A. De andere dochter is getrouwd met een Italiaan en woont in Italië. Een internationale familie! De familie Salomé is vroeger als hugenoot (Frans protestant) naar Nederland gekomen. Pieter Salomé is de 11e generatie. Er zijn geen kleinzonen die de naam voortzetten.
“De laatste jaren reizen we niet meer zo veel. Afgelopen zomer zijn we met het vliegtuig naar Italië gegaan. We mogen niet meer met auto van mijn dochter. Ik heb honderdduizenden kilometers op de weg gezeten. In Batavia heb ik motor gereden. Ik ben eens op een zaterdag naar Pontianak vertrokken op de motor. Op een olievlek slipte ik. Toen reed ik op een bumper van een auto. Ik zag dat mijn been er raar bij lag. Beide botten staken erdoorheen. Met een ziekenwagen werd ik naar een Romat Sakit Umum (algemeen ziekenhuis) gebracht. Daar kreeg ik alleen steeds een nieuw verbandje om mijn been als het doorweekt was van het bloed. Op maandag werd ik overgebracht naar het Europees ziekenhuis. Ik had bloedvergiftiging. Het duurde een half jaar om te genezen. Als ik meteen naar het Europees ziekenhuis was gebracht had ik al met 6 weken hersteld. Maar helaas. Ik heb nog steeds een slechte voet en ben daarnaar gaan lopen.
 
Veel weet ik niet meer van mijn tijd in Indië. O ja, Sergt.Maj. Krikke uit Drente. Hij was al een stuk ouder dan ik.” Marianne noemt alle namen op uit haar dossier. Vele namen zeggen Pieter Salomé helemaal niets maar Boonen,  Conijn, van Erp, Henraat, Hooijdonk, Loomans, Hoornink, Westerhof, van de Wetering en Buijs zeggen mij wel iets. Smeets zegt me iets meer. Smeets uit Weert! In de compagnie waar ik zat, zaten allemaal Limburgers.  
 
Ik had eerst het idee om dit jaar naar de reünie te komen maar ik heb er vanaf gezien Het is toch te druk op de weg voor mij.” (In 2010 hield Pieter Salomé de dodenappel tijdens de reünie).            
 
“Het bezoek is heel erg gewaardeerd,” zegt mevrouw Salomé, “dat u ons niet bent vergeten. Heel fijn.” Mevrouw Salomé neemt Marianne bij de hand en die moet even mee naar de andere kamer. Daar krijgt zij een lief klein  kristallen bloemenvaasje in haar hand gedrukt. “Het is nog van mijn moeder,” vertelt mevrouw Salomé. “Zij was mijn eerste klant in mijn winkel.” Marianne pruttelt: “Ach, maar dan is dat toch voor uw kinderen!” Maar mevrouw Salomé zegt resoluut: “Nee, die erven straks toch genoeg”. Marianne is er verlegen van. Met een paar dikke kussen en tranen in haar ogen bedankt zij meneer en mevrouw Salomé. We nemen hartelijk afscheid. Het was een boeiend bezoek. Het echtpaar wuift ons uit in het trappengat en later ook nog voor het raam. 

tekst:Marianne. foto"s Joop Pragt

     

25e nationale herdenking Roermond op zat. 1 sept. 2012  

 
Prins Willem-Alexander heeft deze 25e herdenking bijgewoond en een krans gelegd bij het Indië-monument ter nagedachtenis aan de ruim 6200 Nederlandse militairen die in de periode 1945-1962 om het leven kwamen.Tijdens de herdenkingsplechtigheid waren ook (nu voormalig) minister van Defensie Hans Hillen en T. Middendorp, commandant der Strijdkrachten. Er waren zo’n 20.000 mensen aanwezig in het stadspark Hattum. Na de kranslegging werd een minuut stilte gehouden en vlogen vier F16’s in de lost man formatie over het monument. Later volgde een defilé. Na afloop van de plechtigheid sprak de prins in de biertent met een aantal veteranen.                         

 

De reünie- en nazorgcommissie 2-6 R.I. T-Brigade, vertegenwoordigd door Theo Eversen, Joop en Marianne Pragt, was vanzelfsprekend aanwezig bij deze altijd zo plechtige herdenking.
Onze Limburgse steun en toeverlaat Theo Eversen had een mooi herkenningsbord gemaakt waar vele Tijger- sobats op af zijn gekomen. Zowel voor als na de plechtigheden was er genoeg tijd over om met deze vrienden en bekenden in gesprek te gaan. Ook hebben wij weer met diverse contactpersonen gesproken van de voor ons bevriende commissies en veteranenorganisaties
 

Op verzoek  van Marianne heeft sobat Jan Laus (2-6RI), voor onze gesneuvelde makkers, dit jaar de krans gelegd. Met daaraan de linten waarop vermeld:  een laatste groet sobats 2-6R.I., T- brigade
 
Sobat Jan Laus, hartelijk dank dat u deze taak op u hebt willen nemen.                                                                          tekst:Marianne/foto's Joop Pragt

Het laatste afscheid van Goort Helmons 3 augustus 2012 

 
 

 
 
 
 
Op 1 augustus 2012 ontvingen wij het droeve bericht  dat sobat  Govardus Alphonsus Helmons op 30 juli was overleden.
Na telefonisch contact met de familie Helmons bleek dat zij het op prijs stelden als er tijdens de afscheidsdienst van Goort Helmons een toespraak en voordracht zou worden gehouden door de reünie- en nazorgcommissie 2-6RI.T-Brigade.
Op vrijdag 3 augustus waren Joop en Marianne daarom aanwezig in de “Eendracht” aula van het crematorium Zoomstede te Bergen op Zoom
We arriveerden ruim op tijd en hadden daardoor nog de tijd om met de crematiebegeleidster van de begrafenisonderneming te spreken. Van de zoon van sobat Goort wist zij dat wij aanwezig zouden zijn. Geïnteresseerd bracht zij het gesprek op 2-6 R.I. Zij had namelijk de avond ervoor de website www.sepatoeroesak.nl bezocht om zich te informeren over het zo belangrijke deel van het leven van Goort Helmons.  Kort na dit  gesprek arriveerde de rouwstoet. De  aula vulde zich met  familie, vrienden en bekenden. De dienst nam aanvang. Toespraken  van de familie maakten diepe indruk.  De kleinzoon, die een bijzonder mooie toespraak hield, memoreerde ook de Indië- periode van zijn opa maar ook een frappante gebeurtenis uit zijn B.S. tijd waarover opa had verteld. Joop memoreerde in zijn toespraak uitgebreid dezelfde unieke gebeurtenis. Omdat het een heel bijzonder verhaal is, willen wij u dit niet onthouden: 
Een schot uit miljoenen. 
Enkele dagen na de bevrijding kwam Goort Helmons met de fiets vanaf zijn onderduikadres in Eindhoven in Steenbergen aan. Daar vond hij zijn familie in ontredderde toestand door de dood van twee van zijn broertjes. Ten aanzien van zijn toekomst was er op dat moment weinig perspectief. Hij wilde zich toch nuttig maken en tegelijkertijd wat geld verdienen. Zodoende meldde hij zich bij de OD (Orde Dienst). Na het zetten van zijn handtekening en de uitreiking van een (buitgemaakt Duits) wapen was hij soldaat in actieve dienst. Op 2 december 1944 werd hij ingeschreven bij de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. 
Op  1 januari 1945 vond er een opmerkelijk incident plaats bij de bewakingspost aan de Bovensas. Govert Helmons deed  zijn wachtdienst bij de sluis van het Bovensas toen een zwaar gebrom uit het zuiden de aankomst van vliegtuigen verraadde. Govert begreep direct dat het terugkerende Duitse toestellen waren. Hij schoof behoedzaam zijn geweer van de schouder. De jagers vlogen zo laag dat de ruiten in hun sponningen trilden. Zodra de vliegtuigen over zijn hoofd richting Stampersgat waren geflitst, loste Govert een schot met zijn Lee Enfield. Het bleek een schot uit miljoenen. Een van de Duitse vliegtuigen  schommelde licht met zijn vleugels en begon langzaam naar rechts uit de formatie te vallen. Tot opperste verbazing van  Govert kantelde de jager verder over zijn as en stortte neer in de polder. Later bleek dat de piloot door een schampschot was geraakt en de  macht over de stuurknuppel had verloren. Govert Helmons werd voor deze bijzondere prestatie getrakteerd op 200 sigaretten van decommandant Steenbergen en 200 sigaretten van de districtscommandant in Bergen op Zoom. Tevens mocht hij een witte band rond zijn geweer schilderen.  Het b leek een schot uit miljoenen. De  Duitse piloot werd krijgsgevangen genomen. 
Op  28 oktober 1945 vertrok Goort Helmons samen met een compleet O.V.W. ers bataljon 2-6R.I. met de Nieuw Amsterdam richting Nederlands Oost Indië.  Na vele patrouilles , wachtlopen en harde acties vertrokken zij half april 1948 vanuit Semarang naar Batavia (het huidige Jakarta) en van daaruit aan boord van de Johan van Oldenbarneveld terug naar Nederland. Op 19 mei 1948 debarkeerde soldaat der eerste klasse Govardus Alphonsus Helmons, van de 4e compagnie 2-6R.I. in Amsterdam.. Na zijn toespraak droeg Joop ook een stemmig veteranengedicht voor.  Zoals bij iedere afscheidsdienst namen wij namens de sobats van 2-6RI waardig het laatste afscheid bij de kist .
In de koffiekamer condoleerden wij de familie. We spraken met de zoon Ger en dochter Jeanne en met de kleinkinderen van Goort.We maakten de kleinzoon complimenten met zijn mooie toespraak. Uiteraard spraken wij over 2-6RI en het veteraan zijn.  Wat een groot respect zij verdienen en gelukkig de laatste jaren ook steeds meer krijgen. Bij familie Helmons is iedereen daarvan zeker doordrongen.
 
Na mevrouw Helmons persoonlijk heel veel sterkte te hebben gewenst, bespraken wij met haar dat wij in ons boekje melding zouden maken van het overlijden van haar man. Ook dat wij hem op onze eerstvolgende reünie, (afgelopen september dus) zouden herdenken door het aansteken van een kaars en het opnoemen van zijn naam en dat zij in december het boekje Sepatoe Roesak krijgt opgestuurd.  Mevrouw Helmons was hier heel waarderend over. Ook over onze aanwezigheid en de toespraak met gedicht welk zij van Joop kreeg overhandigd.
Een goed mens is heen gegaan.  

  Een bezoekje in het kader van nazorg op 3 augustus 2012 

Omdat wij, Joop en Marianne, aanwezig zouden zijn bij de crematieplechtigheid van sobat Goort Helmons in Bergen op Zoom, hadden we gelijk de gelegenheid om een stukje nazorg op ons te nemen.  
We gingen ’s morgens eerst langs bij Mientje Wijers in Breda. Mientje is sinds enige tijd weduwe van Jan Wijers (2-6RI). Jan en Mientje droegen de reünie- en nazorgcommissie een warm hart toe. Dat bleek uit de jarenlange briefwisseling tussen Jan en Marianne, de e-mails van Mientje Wijers aan Marianne en de door hen gedane donaties aan de reünie- en nazorgcommissie 2-6R.I., T- brigade. Tevens was Jan schrijver van vele stukjes in ons boekje Sepatoe Roesak.  

 
 
 
 
 
 
We hadden al enkele keren eerder geprobeerd om telefonisch een afspraak te maken met Mientje, maar steeds was Mientje druk met visite.
Vandaag kwam ook een controleur van thuiszorg, maar die zou binnen 5 minuten weer weg zijn, dus een kopje koffie drinken dat was geen enkel probleem volgens Mientje.
In het prachtig ruime appartement met uitzicht over Breda en de kerktoren, begroetten wij Mientje in haar zon overgoten woonkamer.  

 

 
 
Onvermijdelijk gaat het gesprek over Jan, het laatste afscheid dat een mooi familiegebeuren was, maar ook hoe het Mientje nu vergaat. Mientje redt het wel. Ze heeft veel plezier aan de laptop. Met de kleinkinderen spreekt ze via Skype. Ook maakt ze nog steeds kaarten ( heuse kunstwerkjes). Ze wil niemand tot last zijn. Maar het koor is afgezegd. Anders moet er steeds iemand haar komen ophalen. De dagen gaan toch gevuld voorbij.
 
Haar kinderen hebben ieder een week beldienst. Dat klinkt erger dan het is. Iedere morgen wordt Mientje even gebeld om te vragen hoe het is en wat de plannen zijn. Om de week neemt een andere de dienst over. Mooi geregeld! Prima kinderen.
 
Mientje komt uit een sterk gezin. Een keer per jaar komen alle familieleden van Mientje bij elkaar. De z.g. grote Venhuizen reünie.  
Mientje informeert naar enkele sobats en vraagt hoe het met hen gaat. Helaas moet ik heel vaak zeggen dat ze al zijn overleden. Dat leest zij ook in het boekje Sepatoe Roesak. Ze geniet nog steeds van boekje.
 
Volgend jaar mei hoopt Mientje 90 jaar te worden. Wij komen dan graag weer op de koffie!
                                                                                       tekst:Marianne..foto:Joop Pragt

Op de koffie bij Koos en Laurie de Ruijter. 31 juli 2012

 
Als rasechte Rotterdammers gaan we op bezoek bij rasechte Rotterdammers in Rotterdam. Het is dus een Rotterdams onderonsje. We verstaan elkaar. De familie de Ruijter woont in een ruime, smaakvol ingerichte flat vlak bij een haven aan de Maas. Met een fantastisch uitzicht en een opwekkend geluid. “Als Feijenoord een doelpunt maakt in “de Kuip” horen wij het hier”,vertelt Laurie de Ruijter, de vrouw van Koos. Sobat Koos mag thuis roken. Laurie, rookt ook, dus vandaar! We gaan de koffie.
  Laurie computert. Zij weet haar weg goed te vinden op de computer!. Koos doet alleen maar spelletjes kaart op dat ‘ding’. Laurie bezoekt regelmatig website www.sepatoeroesak.nl. Niet dagelijks maar wel heel regelmatig, voor het nieuws, de bezoeken en de foto’s.  Koos gaat wel in de buurt bij kennissen op visite, maar ver weg uit de buurt wil hij niet meer. Niet meer naar de stad of markt. Koos vindt het eigenlijk wel goed zo. Laurie houdt alle evenementen bij. Er is in Rotterdam veel te beleven. Zomercarnaval, Marathon, de stad in. Laurie is een bezig bijtje. Kaarten maken, puzzelen, met haar zus naar de stad. Ze staat altijd heel vroeg op.
 
Op 21 april 1965 zijn Koos en Laurie getrouwd. “Ik heb maar twee keer bloemen van hem gehad,” zegt Laurie. Een keer in een dronken bui heeft Koos ergens gladiolen gepikt. Triomfantelijk overhandigde hij zijn Laurie de verlepte bloemenpracht.
Koos ontmoette Laurie tijdens een feestje. Laurie werkte in het bedrijf van haar vader. Haarwerken, pruiken, ook Sinterklaaspruiken. Later kreeg Laurie via het Rode Kruis werk in de huishouding.
“Ik ontmoette Laurie dus pas na Indië. Anders had ik niet gemogen,” zegt Koos. “Ik was vrijgezel en zat, zoals ik net al vertelde, ondergedoken, daarna de vlucht genomen naar Brabant en Limburg. We trouwden en kregen 2 kinderen. Twee jongens en we hebben nu 4 kleinkinderen.
Koos de Ruijter is 9 augustus 1925  geboren in Rotterdam Kralingen. Komt uit een gezin met acht kinderen. Volgde de lagere school. Met veertien jaar moest Koos aan het werk. Het was toen crisistijd. Er moest brood op de plank!
“Ik woonde bij Crooswijk en werkte bij een centraal verwarmingbedrijf en verdiende 2,50 gulden per week. Ik kreeg 0,25 cent zakgeld. Van dat kwartje zakgeld ging ik in Rotterdam op de Hoogstraat naar de bioscoop Astra. Daar draaiden ze allemaal cowboyfilms en dan kon ik ook nog een pakkie shag kopen,” vertelt Koos terwijl hij een slok koffie neemt. “Toen de oorlog uitbrak was ik 15 jaar. Op de zaak hadden ze van de lijsten waarop de gegevens van het personeel stonden. De Duitsers zagen op die lijst dat ik de leeftijd had om in Duitsland te werken. Daar heb ik nog kledinggeld voor gekregen. Na veertien dagen moest ik naar Duitsland. Maar ik ging niet. Ik heb wel mijn kleedgeld gevangen en ben toen naar Brabant gegaan. Zodoende dat ik later bij 1-6 en 2-6 R.I. terecht ben gekomen en mijn opleiding kreeg in Fournes.”
Het mysterie is meteen opgelost. We weten nu hoe een rasechte Rotterdammer bij 2-6 R.I. tussen al die Limburgers en Brabers kwam.
” Ik zat daar toen in Wanrooij ondergedoken bij een boer. Ik moest helpen, op het land en van alles, voor kost en inwoning. Toen de moffen aan terugtrekken waren, kwam een troep van die lui met karretjes en paarden in Wanrooij en ze vorderden bij de boer een kamer in het huis! Terwijl ik daar ondergedoken zat. Ik moest me pleite maken. Me gezicht mocht ik niet laten zien.’s Nachts onder een zeil in het gras gelegen met nog een paar jongens. Daarbij zat ook Overmans, de zoon van de eigenaar van een grote wasserij in de Floretstraat. Later zat hij ook bij dezelfde compagnie van 2-6R.I. We zaten daar ook bij de Binnenlandse Strijdkrachten, Orde dienst. Onze post was een café. Als je wacht gelopen had langs de spoorlijn ging je daarheen. Daar lag een matras op de grond. Bij aflossing stapte de een van de matras en de ander er weer op om te gaan slapen. Mijn broer Leen  kwam ineens in Wanrooij langs en zei: Kom op we gaan ons aanmelden voor de  dienst in Boxmeer.
Wij liepen door een flink pak sneeuw van Wanrooij naar Boxmeer. We werden goedgekeurd.
We kregen een Duits geweer in onze handen gestopt en een paar patronen. We hadden nog nooit een geweer gehad en we wisten helemaal niet hoe die patronen erin moesten! Leen probeerde via de loop de patronen er in te doen!
Ik moest patrouille lopen van Boxmeer naar Cuijk. Langs de spoorlijn. Mijn broer, die nu overleden is, was toen ook bij me. We zaten daar met 30 man. Boxmeer werd ontruimd, alle burgers moesten weg en mochten alleen meenemen wat ze konden dragen.
Mijn eigen broer heb ik als gevangene weg moeten brengen. Hij had zitten drinken en toen had hij zo’n pispot met zo’n groot oor, een ziekenhuispispot, op zijn kop staan. Hij moest zonder pot wachtlopen, maar dat deed die niet. Hij riep: ‘Ik moet eerst eten'. Toen moest hij de dienst uit. Ik moest hem vanuit Boxmeer naar Cuijk brengen langs die spoorlijn om mijn eigen broer aan te geven. Die is er natuurlijk vandoor gegaan en ’s middags zat die weer bij de boer! Koeien te melken.
We hebben daar ook nog danslessen gegeven. Mijn broer en ik hadden allebei een mondharmonica en om een paar centen te verdienen gaven wij danslessen. Wij zaten in zo’n schuur mondharmonica te spelen en die boeren en boerinnen maar hossen daar. Zo verdienden we wat. Mijn bijnaam daar was “Schipper”, omdat ik uit Rotterdam kwam.” De haven.
“Waarom schrijf je dat nou allemaal op Joop,” vraagt Koos. “Nou Koos,” zegt Joop, “ dat komt gewoon allemaal in het volgende boekje. In het kerstnummer!” Koos:”Ik bewaar ze. Ik blader er nog veel in.”
Dan keert Koos zich naar Marianne en zegt: “Ik heb met jouw vader nog eens wat gehad. Hij zat bij de zware mortieren. Wij moesten een keer een brug innemen. Daar zouden ze met de mortieren eerst overheen schieten, voor de beveiliging. Door een fout van het commando namen wij eerst de brug. We nemen die brug. Zijn we aan de overkant en toen schoot de ploeg van je vader al. Die de granaten moest inwerpen dat was nogal een snelle. Als de eerste de grond raakte, dan hing de dertiende al in lucht. Ik was dus die brug over en toen kwam de eerste granaat al naar beneden. Ik ging achter een boom liggen om te wachten tot alle dertien granaten waren geschoten. Die vielen vlak naast me neer en er werd een heel stuk uit de boom net boven me aan flarden geschoten. Dat was eigen vuur!” Koos vertelt verder:”Toen kwam er een pantserwagen van ons aan. Daar liep onze korporaal naar toe. Uit het luikje van de koepel hing een microfoon. Toen gaf die korporaal door: ” Uitroeien van eigen troepen gedeeltelijk gelukt!
 
Koos neemt een haaltje aan zijn shagje en zegt:”En op je vader terug te komen, die 13 granaten, dat zei ik daarnet, dan lag ik achter die boom waar dat stuk werd uitgeschoten.
Daar was ook een eenmansgat met takken en grond erover heen. Een jongen van 5RS springt erin, die dacht dat het leeg was, maar er zat nog een pelopper in. Hij springt zo in de bajonet. We hoorden nog een kreet. We trokken hem uit het gat, maar toen was hij al dood. We gooiden een zooitje handgranaten in dat gat. Daarna haalden we de grond en takken weg en toen bleek het een tunneltje te zijn i.p.v. een eenmansgat. Die pelopper was gelijk dood natuurlijk, maar ja, het kostte wel eentje van de Stoottroepen zijn leven.
Jouw vader en ik zaten in dezelfde compagnie. Dat was de ondersteuningscompagnie. Ik was de mijnenruimer en hij was van zware mortieren. Hij gooide met granaten en ik ruimde ze.
De gevechtscompagnieën zijn in het voorterrein. Maar hebben die wat hulp nodig dan kwamen wij. Want de ondersteuningbezit mortie-ren, de zware mitrailleurs, pantserwagentjes en al wat meer. Dus als ze in gevecht waren en ze hadden hulp nodig dan werd dat via de radio opgeroepen en dan werden er een of twee secties naar toe gestuurd. Daarom heet het natuurlijk  ondersteuning.”
Marianne vertelt dat zij eens samen met haar vader naar het oorlog- en verzetmuseum in Overloon is geweest. Daar stond een 3-inch mortier opgesteld. Haar vader legde uit wat zijn taak was bij mortier. Ook dat hij bij het afschieten van mortieren met zijn linkervoet de grondplaat moest tegenhouden. Terwijl hij dit allemaal uitlegt, stampte hij nog steeds met zijn voet op de grond. Door het hele museum galmde het. Hij wist nog precies hoe het allemaal ging en werkte.
“Ja,” zegt Koos, “dat klopt. Eigenlijk moesten op de grondplaat zandzakken, maar die hadden we niet altijd bij de hand. Dus in plaats van een zandzak moest je een voet op de grondplaat zetten omdat die anders omhoog zou schieten tijdens de knal. Je kon wel medelijden hebben met hen hoor, want als we naar voren gingen en zij moesten mee, sjouwden ze zich rotje met die mortier. Die loop, dat viel wel mee, maar de grondplaat was een onding.
Koos ging naar Indië om de Nederlanders te helpen. “Niet om Indonesië te helpen maar om de Nederlanders die daar waren te helpen. Niet om de Indonesiërs de pan in te hakken. Helemaal niet. Met die gedachte ging je niet. Het was wel avontuurlijk hoor,” zegt Koos.
“Ik kreeg een formulier en dat moest mijn vader tekenen. Dus ik zeg, geef maar mee, dan tekent die dat wel. Ik heb niets tegen mijn vader gezegd. Ik heb gewoon zelf dat formulier ondertekend.”
Op de vraag wat Koos zelf nog wil vertellen over zijn ervaringen in Indië zegt hij: “Ik ben wel gewond geraakt. Ik was een mijnenruimer en ik rijd er boven op!
Tijdens een opmars zit er eentje links en eentje rechts op de bumper van een carrier. En die moeten dan op de weg letten hè.
Om te waarschuwen of je dan verdachte plekken ziet. Wij kregen een bericht van achter vandaan dat we moesten stoppen. Dus we stoppen en ik stap van de bumper af. Ik pakte mijn kapotje, daar zaten mijn sigaretten in, en stak er een op. Toen riep de chauffeur: ‘Jongens we moeten doorrijden door die bocht heen, want dan kennen we de weg in de gaten houden. We staan hier te gevaarlijk’. Dus ik stap uit die greppel vandaan en ik loop naar de carrier toe en ik was net van plan om erop te klimmen maar hij was al zachtjes doorgereden. Dus ik kon niet op de weg letten. Terwijl ik erop zit met mijn knieën rijd hij bovenop de mijn. Die gaf me een rotknal en ineens zie ik de weg naar me toe komen en plofte ik op de weg. Ik kon mijn been niet meer gebruiken en mijn arm niet meer. Ik ben met een Rode Kruiswagen naar het St. Elisabeth ziekenhuis gebracht in Semarang. Een dag of veertien heb ik daar gelegen. Toen ik daar in bed lag, dacht ik, ik mankeer niks man. Ik ga er uit. Ik stap er uit en ik lig gelijk op de grond. Ik kon niet op dat been staan. Na 14 dagen kreeg ik een verlofpasje en toen moest ik naar Bandoeng voor herstel. In het Oranjehotel.
Over dat Oranjehotel wil ik nog wat vertellen. Mijn broer is een paar weken geleden daar nog wezen kijken. Hij kon het niet vinden, anders had hij er een foto van gemaakt. (Marianne heeft een foto van het hotel gevonden en naar Koos opgestuurd).  
Ik zat dus in dat Oranjehotel. Ik had geen cent in mijn zak. Zo arm als de luizen. Ik mocht weer naar buiten,  maar ik had niks. Je had daar van die chinezen hè, die kopen alles. Als je daar komt met een vliegtuig, dan kopen ze dat ook! Nou, daar heb ik mijn schoenen verkocht, mijn dekens en alles wat maar geld opbracht. Want ik had niks. Ik moest op mijn blote kakkies weer naar Semarang terug. Op een vrachtwagen hebben ze me weer terug gebracht.  Nou, daar hebben de jongens met elkaar weer alles voor mij bij elkaar gegrabbeld. Hier een stuk van een deken en daar een stuk. Dat met grove steken weer aan elkaar naaien.
Toen hebben we gewacht totdat de foerier weg was en met de hulpfoerier kon je wel wat regelen. Dus ik met mijn dekens daarnaar toe en ik kreeg nieuwe spullen terug. Alles wat je kwijt was, moest je driedubbel betalen, dus je werd wel handig. Nou ze konden van mij het heen en weer krijgen.”
Marianne vraagt: “Koos, heb je de gewonden draaginsigne gekregen?” Koos zegt:”Nee, dat heb ik nooit aangevraagd. Had ik daar werk van gemaakt, dan had ik hem wel gekregen natuurlijk.” Marianne zegt: “Ja, natuurlijk. Je bent gewond geraakt tijdens het uitvoeren van je taak in dienst. Maar het kan alsnog hoor Koos.” Koos zegt vertwijfeld:”Ja maar ik weet de weg niet en ….” Joop vraagt: “Wil je hem hebben Koos?” “Wil je hem Koos,” vraagt Marianne. Koos antwoordt: “Ik zou hem wel willen ja!” Marianne zegt resoluut: “We gaan er achteraan!”
 
“Koos, weet je nog wanneer op die mijn bent gereden?” vraagt Marianne. “In de tweede helft van 46 of begin 47 want in 48 ben ik terug gekomen,” zegt Koos. “Waar is het gebeurd? Wie waren erbij?? Hoe heette de chauffeur?” vraagt Marianne. Dat weet Koos niet. “Hendrikx?”vraagt Marianne. “ Nee die is het niet. Die raakte zijn handen kwijt. Ik was erbij toen dat gebeurde. Zijn ene hand er ineens helemaal af en aan de andere daar hing alleen de duim nog aan. Die hebben ze er later ook afgehaald. Theo Hendrikx leeft nog!”
 Waar gebeurde het ongeluk met de mijn ongeveer Koos,” vraagt Marianne. “Daar vraag je me wat. Ik ken die plaatsen niet meer. Ja, dat weet ik niet meer hoe het daar heette hoor. We kwamen in zoveel plaatsjes. We kwamen vanuit Semarang. Het was een grote patrouille. Een patrouille van ‘n kilometer of 30. Meestal ga je dan een rondje maken, weet je wel. Met een zuiveringsactie. Het was nog zo:  we lopen, één van de mijnenruimers moet voorop lopen, zo’n honderd meter. Dat dee je dan om de beurt.
 
Je had dan een stok om te zoeken naar struikdraadjes. Toen kwamen we bij die brug, ik kijk over die leuning en ik zie niets, ik kijk aan de andere kant van leuning en ik zie een draad lopen. Je had altijd alle spullen bij je. Als je een mijn zag, zette je er een driehoekje op. Die daarachter komen, die ruimen hem op. Maar als je een draad hebt dan zoek je verder.
Dus ik loop naar beneden toe en volg die draad. Ik loop op die kali toe, het was net in de droge tijd, en ik knip die draad door en ik schiet op het struikje waar de draad naar toe loopt. Ik weet niet of er echt iemand zat, maar de draad liep daar naar toe. Dus ik heb die draad doorgeknipt en ben onder die brug gelopen  en daar zat een 50 kilo bom net in de muur.
Daar hadden ze een gat gehakt en daar zat die bom in. Nou, we moesten die ontsteking veilig stellen. Ik ben er naar toe gelopen, terwijl ik dacht: Zal ik eruit vallen dit keer of niet. Dus ik heb die pin erin gedouwd, de ontsteking eraf gedraaid en toen kon ik de boel eruit halen. Nou, dan kwam je met die bom op je schouder naar boven lopen, dan was die veilig en de jongens die erachter kwamen met die opmars, die bleven allemaal staan want ik met die bom op mijn schouder en die gooide ik zo op de weg neer. Daar schrokken ze, dus gingen gelijk liggen, maar dat ding kende geen kwaad meer.”
“Koos, ben je met de hele troep tegelijk teruggegaan naar huis.” “Nee,”zegt Koos, “er is er een achtergebleven. Dat was Hendrikx, die met zijn kapotte handen.” Marianne sputtert meteen tegen: “En mijn vader,” zegt zij, “want die had een acute blindedarmontsteking. De avond voor het vertrek naar Nederland kreeg mijn vader tijdens het stappen in Semarang een acute blindendarmontsteking. Hij moest meteen geopereerd worden. Hij is al vloekend en tierend onder narcose gebracht, in de wetenschap dat hij nu niet de volgende dag mee naar huis kon, en hij kwam al vloekend en tierend weer uit de narcose. De zustertjes hebben toen heel wat nieuwe vloeken geleerd, vertelden ze later.” “O ja, dat weet ik ook nog. Of dat hij er niet zeven tegelijk kon zeggen”, herinnert Koos weer. “Vlak voor het vertrek zijn we hem nog gedag wezen zeggen.”
Koos gaat er weer eens lekker voor  zitten na zijn kopje koffie. Hij steekt een vers shagje op en vertelt weer verder. “Later, toen we weer thuis waren en we kwamen weer bij elkaar en er werd een biertje gedronken, dan pakte Hendrikx,  die met die kunsthand dat glas bier beet en dan kon die drinken. We wisten precies wanneer Theo te veel gedronken had, dan moest hij het glas met twee kunsthanden vasthouden. Dan zeiden we: Hendrikx heeft de hoogte. Hendrikx kon lekker zingen, niet mooi, maar wel lekker hard! Had die wat op dan begon die dat lied te zingen van 2-6 R.I. ‘steeds paraat’…..!”  
Marianne vertelt aan Koos dat haar vader nooit heeft geweten dat Theo later kunsthanden heeft gekregen. Haar vader heeft zich zijn hele leven afgevraagd hoe die Theo zich heeft weten te redden in zijn leven. “Totdat hij in 2002 voor het eerst meeging naar de herdenking in  Roermond. We zaten daar bij elkaar op het grote veld met 2-6 R.I. Daar kwam een man op de groep aflopen. Mijn vader kreeg een schok van herkenning en stamelde geheel ontdaan: “Theo” en begon te huilen bij het zien van Theo. Alle opgekropte emoties kwamen toen los. Veel jongens van 2-6 R.I. kwamen naar mijn vader toe om hem even bij te staan. Chrisje Kessels, Antoon Mathijssen, Men van de Wetering, Guus Schouten, Huib Kers, Gerrit de Groot, Gerrit van Gils, maar ook jij Koos. Een hand op de schouder of bemoedigend stompje. Velen moesten ook even de keel schrapen. Eindelijk na al die jaren wist hij dat Theo het goed had gered in zijn verdere leven.”
Koos en zijn  Laurie hebben heel lang met de groep van Koos contact gehouden. Zij organiseerden zelf hun eigen reünie tijdens hun verblijf op een camping  in Limburg. Telefonisch contact is er nog steeds. “Ik stuur ook nog veel kerstkaarten naar maatjes van Koos of de weduwen.” Namen worden genoemd. Gommans, Janssen, Hendrikx , Cor van de Westen, van Geffen. “ Biene uit Rotterdam was hoornblazer.
Hij trommelde een beetje als er een vlaggenparade was. Geldof, is geëmigreerd. Daar hebben we nooit meer wat van gehoord. De Mossel, dat was zijn bijnaam. Hij kwam uit Zeeland,” zegt Koos.
Terug uit Indië heeft Koos eerst gesolliciteerd bij de gemeente Rotterdam. “Ik ben toen terecht gekomen bij de Watertoren, de drinkwatertoren. Daar heb ik 14 dagen gewerkt. Ik liep te wachten op bericht tot ik in de verwarming weer werk kon doen. Dus ik vroeg aan de opzichter of ik de directeur van gemeentewerken te spreken kon krijgen, dat moest op het stadhuis gebeuren, ik werd daar ‘s middags om een uur of half twee ontvangen. Ik zie die directeur nog zo achter die tafel zitten met zijn rood- wit- blauwe dingetje op zijn jassie. Toen zei die: ‘ja, er is nog steeds niks vrij. Ga maar werken aan die watertoren’.” Koos weigerde dat te doen en wenste de directeur hetzelfde toe waaraan St.Nicolaas is overleden. Koos kreeg ontslag. Niet nadat Koos degene die hem ontsloeg het zelfde toewenste als de ambtenaar.  
“Weet je wat het is Marianne, je kwam net terug uit Indië. Je nam zulk soort dingen niet! Wie zijn ze dan? Ik ben toen bij Huigen en Wessels terecht gekomen. Toch in de centrale verwarming. Daarna werd ik gestuurd naar het St. Franciscus ziekenhuis. Daar heb ik anderhalf jaar gewerkt. Toen zei de opzichter: Koos er komt straks een plekje vrij in het ketelhuis. Is dat wat voor jou? Ik had daar wel oren naar, want daar was het lekker schoon.” Er zou aan Moeder Overste worden doorgegeven worden dat Koos de functie in het ketelhuis zou aannemen. “Dus toen moest ik daar bij dat nonnetje komen en die ging me van die vragen stellen of ik gelovig was, ja, ik ben katholiek! En je ouders? Ja, moeder is ook katholiek. En je vader? Die is protestant! Vervolgens kreeg ik die baan niet! Omdat mijn vader protestant was!! Ik meteen naar dat ziekenhuis. Krijg allemaal de $%#*&)%†#*..!
Mijn broer was heier. Weet je wel, voor die betonpalen. Hij vroeg: ‘Kom bij mij werken.’ Toen ben ik heier geworden. Ik verdiende meteen drie keer zoveel geld als bij die gelovigen. Later werd ik daar machinist. Ik heb o.a. gewerkt aan het metrostation Leuvenhaven. En ik werkte aan de van Brienenoordburg. Ik heb de verandering meegemaakt van houten palen naar betonpalen. Later ben ik overgestapt. Gijs, mijn broer werkte in de bouw. Daar zochten ze een machinist voor op de bouwkraan in Capelle a.d. IJssel. Dat heb ik gedaan tot mijn 65e jaar.” Koos was niet bang om iets anders te doen. “Als ik ergens een knaak meer kon vinden dan ging ik daar werken.”
Ondertussen heeft Laurie de foto’s van Koos opgezocht. Samen met Marianne worden de kodakjes bekeken. Koos heeft enkele jaren geleden al enige foto’s bij Marianne gebracht. Die staan op het internet. Maar tussen de stapel foto’s die nu op tafel ligt, zitten weer prachtige opnames bij.
Met de belofte dat Marianne meteen de volgende dag de aanvraag van de gewonden draaginsigne in orde zal maken, bedankten we Koos en Laurie voor de fijne uurtjes. Zelden hebben we iemand met zo’n heerlijk Rotterdams accent zo joviaal en gezellig horen vertellen. Heerlijk.

tekst:" Marianne. foto JoopPragt

  

 
Marianne heeft na thuiskomst benodigde formulieren opgevraagd via de website Veteraneninstituut. Ingevuld en opgestuurd. Na enige tijd ontving Koos de vraag of hij getuigen wist van het ongeval. Defensie heeft geen archief meer van personen van 80 jaar en ouder. Marianne werd weer ingeschakeld. Belde en mailde alle sobats die wellicht iets konden weten, maar helaas. Toch kon Marianne nog wat bruikbare informatie aandragen, want op 30 oktober 2012 ontving Koos een brief van Ministerie van Defensie met de mededeling dat het ‘Draaginsigne Gewonden’ hem wordt toegekend!  
 
Koos is benaderd door het Veteraneninstituut met de vraag hoe hij de uitreiking wil. “Graag door Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam,” zei Koos. De datum van uitreiking is nog niet bekend, maar zal zeer zeker voor het einde van dit jaar zijn.
 
Koos, namens het voltallige bestuur van de reünie nazorgcommissie 2-6 R.I. T-Brigade en alle sobats van 2-6 RI en Tijgerbrigade, van harte gefeliciteerd met de toekenning van de draaginsigne gewonden.
 
U kunt Koos ook feliciteren! Stuurt u hem een kaartje? Schrijf dan: Koos de Ruijter, Drinkwaterweg 312, 3063 JC Rotterdam. Belt u Koos liever op? Bel dan: 010 4529499
 
Natuurlijk zal een verslag van de uitreiking van het Draaginsigne Gewonden aan Koos in ons volgende boekje komen te staan. Op de website www.sepatoeroesak.nl wordt daar ook melding van gemaakt.

 

    

‘Alles is geregeld, het is tijd om te gaan
en ik heb het op mijn manier gedaan’
     
 
Goort Helmons 
21 november1925 - 30 juli 2012
 
 
Goort werd op 21 november 1925 geboren te Steenbergen. Hij groeide op in een groot gezin. Ging als vrijwilliger in het leger, eerst naar Engeland en vervolgens naar Indonesië. Hij was werkzaam bij de Enka fabriek. Op de Enka leerde hij zijn toekomstige vrouw Leen kennen. In 1953 trouwden ze. Zij kregen twee kinderen. Na het werk in de fabriek, waar hij voorman was, ging hij altijd overal bijklussen.  Iedereen kon een beroep op hem doen. Hij was de trotse opa van Joris, Merel, Joyce en Debby en werd oud-opa  van Tim en Cem. Goort was geen feestganger, nee hij pakte net zo lief thuis een biertje. Wel ging hij graag met vakantie naar Oostenrijk. Al was het drie keer in het jaar. Na 40 jaar werken ging hij in de VUT. Hij kreeg meer tijd voor zijn volkstuintje. De laatste twee jaar sukkelde hij met zijn gezondheid. Dit vond hij moeilijk en kon hier niet goed mee omgaan. Dinsdag 24 juli werd hij voor de zoveelste keer opgenomen in het ziekenhuis, omdat hij het zo enorm benauwd had. Daar is hij in bijzijn van zijn vrouw Leen en de kleinkinderen maandag 30 juli overleden. 

Het bezoek aan sobat Jac. de Renet.  14 juli 2012

 

Vanuit Sittard door naar Ittervoort. Om sobat Jac de Renet (3-2-6R.I.) te vinden viel niet mee, maar uiteindelijk toch gevonden. Een geheel vrijstaande bungalow met aanbouw (garage) in een werkelijk grandioze landelijke omgeving. Mevrouw de Renet staat ons buiten op te wachten. Zij had ons al een keer of wat in de verte voorbij zien komen (wij vonden de juiste toegangsweg maar niet).Hartelijk begroet zij ons, welbespraakt in een licht dialect.
Binnen komt sobat de Renet ons tegemoet. Hij ziet er goed uit en draagt met trots de Tijgerstropdas! Dat allemaal omdat hij blij is dat Marianne eindelijk bij hem op bezoek kan komen.
Vanwege problemen met zijn gezondheid heeft het lange tijd geduurd eer sobat de Renet zich goed genoeg voelde voor visite.  
 
We gaan zitten in de ruime kamer met prachtig uitzicht. Jac de Renet woont nog in het huis waar hij 88 jaar geleden geboren is. De vroegere varkensstal is nu omgebouwd als garage, het huis is opnieuw opgetrokken en geheel gemoderniseerd.
Jac kwam uit een gezin van 12 kinderen en werkte als kind al thuis op de boerderij. Als er meer werk was bij andere boeren dan werd hij daaraan uitgeleend. Er moest brood op de plank komen met 12 kinderen in huis. Later kregen vader en moeder een uitkering en hadden zij meer ‘hun handen vrij’.
“Ik verdiende toen 1 gulden per dag, dat is 7 gulden per week!” Toen sobat Jac zijn liefde van zijn leven leerde kennen duurde het nog een jaar of tien eer hij kon trouwen. Er is namelijk een wat groter leeftijdverschil. Zij leerden elkaar kennen bij het dansen. “Hij kon goed dansen,” beaamt mevrouw de Renet liefdevol. “Dat was het niet alleen hoor,” merkt sobat de Renet schalks op!  

 
Jac de Renet heeft al het een en ander opgezocht om in te laten kijken maar hij wil heel graag dat wij eerst samen met zijn vrouw even naar het ‘tuintje’, 1 hectare,  gaan kijken nu het droog is. Een enorme lap grond met een natuurlijke tuin, bomen, zeg maar gerust bos.
Mevrouw de Renet onderhoudt het ‘landgoed’. Zij heeft onlangs een elektrische grasmaaier gekregen. Dat is een stuk gemakkelijker voor haar. Al met al heel veel werk om alles bij te houden maar mevrouw de Renet doet het met heel veel liefde voor haar man.
 
Weer terug in huis gaan we in een ander deel van de kamer aan de grote tafel zitten. Jac de Renet heeft daar alles uitgestald liggen wat hij graag wil laten zien. Nu hij weet dat wij niet meteen weer weggaan is hij een heel stuk rustiger. (Omdat wij sobat Jac de Renet niet wilden vermoeien, hadden wij aangegeven dat wij een korte visite zouden afleggen).Wanneer wij bij de tafel zijn aangeschoven, geeft sobat de Renet eerst een biljet van € 50,- aan Marianne. “Ik wil je dit eerst geven voor de kas van 2-6 R.I. Zet maar in het boekje. Het wordt allemaal verantwoord.” Marianne bedankt zowel sobat de Renet als zijn vrouw. “U weet, wij houden onze sobats op de hoogte van de financiën. Dat is voor ons een heel belangrijk punt. De kas bestaat uit o.a. donaties van de sobats. U en alle anderen hebben recht te weten wat er met het geld gebeurt. Wij doen het niet anders. Wij doen het zoals het hoort en moet.” “Ik ben blij dat jullie netjes verantwoorden wat er met het geld gebeurd,” zegt sobat de Renet. Zo hoort het.
Joop bekijkt een flink aantal onderscheiding. “Dit is ook iets om heel trots op zijn.”
“Ja,” zegt Jac de Renet, “ dat is een Ridderorde. Die heb ik 22 jaar geleden gekregen. Ik ben daar een beetje trots op hè. Als we met Koninginnedag naar het stadhuis gingen, droeg ik hem. Nu gaan we vanwege mijn gezondheid niet meer. Maar ik ben er trots op hoor.”
 
Mevrouw de Renet schenkt een heerlijk kopje thee. We genieten ervan. “Eindelijk,” zucht Jac de Renet. “Eindelijk!” Marianne begrijpt wat Jac de Renet bedoelt. Eindelijk is ze er!
 
Dan komen er brieven op tafel. Brieven die Jac de Renet schreef naar huis of naar zijn zuster of broer. “Mijn zus heeft al die brieven bewaard. Dat is toch heel mooi hè? Maar wat ik heb gekregen aan brieven en zo daar heb ik niets meer van.”
Sobat de Renet zegt dat er sommige bij zijn die niet zo netjes zijn geschreven, maar Marianne zegt: “dat komt door de omstandigheden.”
Zo is het maar net en het gaat dus ook om de inhoud. “Ik had toentertijd ook alleen maar lager onderwijs gehad,” vertelt Jac de Renet.
Joop vraagt: “U vertelde dat u later in de gemeenteraad bent terechtgekomen. Hoe hebt u zich ontwikkeld dan?” “Ja, ik ben later, hoe moet ik dat zeggen... Er komt oorlog en toen was ik nog altijd hier en toen de bevrijding kwam was ik met ongeveer 40 man hier in Hunsel bij de O.D. Daarna kwamen we bij De Binnenlandse Strijdkrachten in Weert en uiteindelijk werd ik oorlogsvrijwilliger. Die verbandakte heeft mijn vader nog moeten tekenen. Ik was nog niet meerderjarig.”
 
Mevrouw de Renet geeft aan dat haar man ook cursussen heeft gevolgd. “Ja, toen ik terug kwam uit dienst heb ik een middenstandscursus gevolgd en boekhouden,” haalt sobat de Renet op. “En met heel goed gevolg ook. Ik was maar een boerenjongen. Maar ik heb mij altijd ingezet voor iets. Net als met voetbal en zo. Met alles wat ik deed. Als je iets doet, dan moet je het goed doen ook!” Marianne is het helemaal met sobat de Renet eens. “Alleen later met vrijen liet ik wel eens een steekje vallen,” grapt sobat Jac.
Marianne leest in haar dossier dat de kleinzoon alles op de pc heeft gezet. Nee niet de brieven, maar het dagboek. Mevrouw de Renet vertelt:”De oudste zoon heeft ingezien dat dagboek vergaat en kleinzoon Dennis heeft het hele dagboek overgetypt. Vele zondagen bracht hij zijn laptop mee naar opa en maar typen. Er kwam haast geen eind aan. Natuurlijk saai voor een jongen van 13jaar.”
 
“Het kladschrift van het dagboek heb ik ook nog. Op de terugreis op de boot heb ik alles vanuit het kladschrift in het net opgeschreven. Ja, tot aan de straat van Gibraltar dan,”zegt sobat de Renet. “Daarna werd u weer u zeeziek?” vraagt Marianne. Mevrouw de Renet schiet in een schaterlach.
“Och, nu moet ik ineens aan de kleinzoon denken. Hij is nu 15 jaar.  Het was al een paar jaren terug. We zijn hier niet zo vrij als in de stad. Hij was 13 jaar. Tijdens het uitwerken van het dagboek op de pc las hij: iedereen was ongesteld in straat van Gibraltar. “  Hé Opa, hoe kan dat nou???”
Tja, wat zeg je dan zo’n jongen hè? Verzin dan maar eens snel een ander woord. Wij hebben hartelijk gelachen om het verhaal.
 
Sobat de Renet zat bij 3-2-6 RI.
”Ja, ik zat bij luitenant Verhulst. Daar was ik eerste verkenner. Ik ben eerst oppasser bij luitenant Nota geweest. Maar ik wilde liever bij de jongens. Ik heb toen met 20 man, van iedere compagnie één, een snipercursus (scherpschutter) gevolgd. Ik was de enige van de hele compagnie die een geweer had met een verrekijker erop. De cursus heb ik heel goed volbracht. Dat geweer had ik 24 december 1946 ook bij mij toen ik bijna sneuvelde. Verschrikkelijk! Door gewoon eigen mannen. Eigen mannen. En dan nog geen 15 meter van mij af. Ik pieker daar nog vaak over.
We kwamen heel vaak op die plaats. Er lagen dikke bomen over de weg. Kapot laten springen. Door de takken lagen de boomstammen niet helemaal op de grond. Daar had ik een bank neergezet. Midden op de weg tussen die bomen. Zo tussen die takken voelde ik mij echt veilig. Op een gegeven moment was er weer een actie. Er zouden er weer zoveel over die over weg komen. Maar ik zag ze niet. Dus ik moest naar de boom kruipen. Het ene peloton na het andere peloton kwam van de weg en die waren daar schijnbaar niet vaak geweest. Die wisten niet van de bank. Luitenant Verhulst en de jongens wisten dat wel.  Je zat daar veilig op de bank. Een heel fijn mikpunt Daar kon je heel fijn de weg afkijken.
Maar zij wisten niet dat ik daar altijd zat. Ze hebben niet op mijn lijf geschoten, alleen op mijn benen………………emoties worden even te veel……………Luitenant Verhulst en de hospik hebben mij weggesleept. Ik was zwaar gewond en ieder had mij aan een arm gepakt en hebben mij zo aan de kant gesleept. Ik weet het nog allemaal. Ook dat er gevraagd werd om bloed. De dokter zei dat er nog maar een fles was van een chinees en ik dacht: O jee! Chinees bloed. Krijg ik spleetogen.”
Dan vertelt Jac de Renet dat hij de broekspijp nog heeft die de zuster in het ziekenhuis van zijn broek knipte. Mevrouw de Renet haalt uit een pakketje de lap stof. Inderdaad, een opengeknipte broekspijp met gaten waar de kogels het been van Jac de Renet doorboorden. Er is geen bloed meer te zien. Dat is er uitgewassen. Sobat de Renet staat op en houdt de lap voor het been dat zo gewond is geraakt.  
Dat ik duimendik het kippenvel over mijn rug voel gaan, komt door de intensiteit van het moment.
Onvoorstelbaar. Zoveel tientallen jaren later en dan nog de lap stof hebben bewaard.         
De zeer zorgzame mevrouw de Renet zegt:”Gelukkig kan Jac. heel goed praten over hetgeen wat hem is overgekomen.” Marianne geeft aan wanneer sobat Jac eventueel toch nog graag wil praten, hij haar te allen tijde kan bellen.
   

Sobat de Renet vertelt verder. “In mijn dagboek staan heel veel dingen waar ik zelf niet bij was. Dat zijn verhalen van horen vertellen. Daarvan weet ik niet of dat allemaal echt waar is natuurlijk. Maar er staan ook alle gebeurtenissen in waar ik wel bij was. Dat zijn dingen die zeker gebeurd zijn. Dat is uit eerste hand. Ik heb alles bewaard. Kijk, hier een brief dat ik word bevorderd tot soldaat 1e klas. Ondertekend door kapt. Welzenes. Dat was een fijne man.”
We vragen of de naam Vaessen sobat de Renet iets zegt. Meteen veert de Renet op. “Die? Hij zal een goed militair geweest zijn, maar hij was geen goed mens. Die bevorderde alleen mensen van zijn eigen compagnie maar wij kregen niets. Luitenant Pieterse was onze compagnies commandant. Dat was een goed mens. Hij was alleen heel zenuwachtig/nerveus. Als we op actie gingen moest ik altijd bij hem blijven met mijn geweer. Ik had alleen maar de naam. Toen ik eens een reebok op grote afstand met een gericht schot doorschoot was ik helemaal het mannetje.”
 “Wat wel erg jammer is, dat we de stafkaart kwijt zijn geraakt bij het oud papier, ”zegt mevrouw de Renet spijtig. Ja, dat is heel jammer. Maar sobat de Renet heeft zoveel bewaard. Brieven van ziekenhuizen, keuringsartsen, vele brieven met betrekking op zijn verwondingen.  

“Ik ben nog geen twee jaar in Indië geweest. Ik kwam in 1947 terug met de Nieuw Holland. Vanuit de ziekenhuizen in Indië, kwam ik hier ook weer terecht in ziekenhuizen. Je had mijn benen moeten zien, vol littekens en wonden. Ach ja. Helemaal kapot. In Indië was ik al verschillende keren geopereerd. Ik was al blij dat ik weer kon lopen. Maar in het begin kon ik nog geen teen verroeren. Toen ik hier in Nederland aankwam moest ik natuurlijk voor de keuring.  Toen bleek in mijn rechterbeen nog een scherfje te zitten dat zich steeds verplaatste en af en toe dan zat dat boven onder het vel. Als dat weer zo was, dan moest ik dat zo bij het vel vasthouden en de zuster waarschuwen. Ik heb acht dagen in het ziekenhuis gelegen, gymnastiek gemaakt, maar ik kon dat niet ding naar boven krijgen. Dus wat deden ze? Gingen ze me opereren. Ze hebben mijn knie tot aan de binnenkant helemaal opengesneden maar konden niets vinden. Pas na een onderzoek met een duur apparaat zagen ze het scherfje aan de andere kant zitten. Toen was het binnen tien minuten bekeken. Mijn hele knie heeft helemaal opengelegen, maar toch heb ik later nog wel gevoetbald. Wel met kniebeschermers om.”  
Jac de Renet is ere-voorzitter van R.K. Hunselse Voetbal Club. Hij is acht jaar leider van het damesvoetbalteam geweest. De dames waren best verguld met hem.
Hij was vaak weg. Voorzitter, gemeenteraadslid en wethouder. “Ik was niet veel thuis. U weet nu wat voor man hier voor u zit.”
Marianne leest op wat zij allemaal over sobat de Renet heeft opgeschreven in de loop van tijd. Ook dat hij verkering heeft gehad met de zus van sobat Delissen (2-6RI) uit Venlo!
 
“We hebben twee zonen en 1 kleinkind, mijn vader  had 84 kleinkinderen,” verteld sobat de Renet.
“Marianne, ik had je niet meer herkend nadat ik je de laatste keer in Weert heb gezien.” Marianne antwoord adrem: “Ja wat de liefde allemaal niet doet. Je bloeit dan helemaal op.” “Ik ben blij voor jullie allebei,” merkt Jac de Renet op. 
“Marianne wat is eigenlijk de reden dat jij zoveel energie stopt in ons?” vraagt de Renet belangstellend. Marianne legt uit dat de oude zwart-wit foto’s van haar vader eigenlijk de aanleiding zijn. (op de website www.sepatoeroesak.nl is hierover veel meer te lezen.)
 
Sjefke Gerrits en Harry Smeets in Weert heb ik nog contact mee, gaat sobat Jac verder. “Jan Westerhof uit Australie. Hij is hier op bezoek geweest Cor Farla, Luitenant Verhulst. Nota, Joop van Haaren, Koenders, Ad Conijn. Daar lag ik samen mee in de tent.  Ik heb hem pas nog geschreven. Helaas weet hij er niets meer van. Maar als ik mijn dagboek niet had bijgehouden dan had ik ook niet alles meer geweten hoor. Nu zoek ik het nog wel eens op. Pleunis kende ik ook, maar die is dood.” (Zijn dochter had aan Marianne doorgegeven dat haar vader geen boekje meer hoefde te hebben. Hij was niet goed meer. Wanneer er iets op zou doen met haar vader zou zij het laten weten).
 
Jac de prater vertelt verder. “Tijdens een actie werd behoorlijk geschoten. En daar vielen vijandelijke gewonden. De korporaal van onze sectie die wilde naar een van die mannen. Hij wilde het geweer van die man afpakken. Op het moment dat hij het wapen wilde afpakken, sprong die op en begon die gewonde te worstelen. Hij was officier en had een wapen bij zich, een revolver en een dolk. Maar die gewonde vent was een heel flinke vent. Die korporaal van ons was veel kleiner en lichter.
Tijdens het worstelen kwam er een soldaat die dicht erbij was en die heeft hem toen neergeschoten. Wij kwamen twee dagen daarna op dezelfde plaats en toen hadden de honden hem al half opgegeten. Dat zijn dingen die je nooit vergeet. Het was onze vijand en toch heb ik dat altijd bij mij gehouden dat hij zo kranig was om nog te vechten. Een officier, een knappe vent en dan wordt je toch neergeschoten. Je vindt me toch geen saai mens hè Marianne.”
“ Nee, u bent beslist geen saai mens hoor. Maar na al deze verhalen wordt het tijd om te gaan.”  
Sobat de Renet wordt moe. Het was al heel fijn dat we bij sobat de Renet op visite konden komen.
“Ik ben blij dat jullie langs zijn geweest. Ik heb wat van mijn leven kunnen vertellen. Het boekje lees ik niet in ene keer uit. Houdt die drukker dat allemaal wel vol, zoveel bladzijdes? Ik zou je op het matje roepen. Ik heb veel respect voor die man, Theo, hoor en de anderen in jullie commissie. Zoveel werk als jullie doen, ik hoop maar dat het saldo in kas hoger wordt. Je doet zoveel, daar mag wat tegenover staan.”
De bezuinigingen slaan hard toe, maar gelukkig zijn nog steeds sobats die nog steeds ons werk zo waarderen dat zij blijven doneren. En dat het boekje dikker wordt komt doordat we de mensen thuis opzoeken en de verslagen daarvan in het boekje zetten. Juist door het boekje hopen we dat sobats weer contact met elkaar gaan krijgen. Straks leest sobat Ad Conijn in Australië ook uw verhaal en ziet uw foto. Leuk toch?
Joop dringt aan dat het echt tijd is om te gaan. Het is een heel fijne visite geweest waarbij sobat Renet verschillende malen een zucht van verlichting slaakte dat hij uiteindelijk Marianne toch kon ontvangen. Na een heel hartelijk afscheid en dank je wel voor de gastvrije ontvangst, natuurlijk weer met klapzoenen van Marianne, gaan we op huis aan. Terug naar de bewoonde wereld. Naar de drukte van Rotterdam. Wij vol met prachtige verhalen die we met de lezers zullen delen.  

 

Even aanwippen bij Wietse en Mientje Westerhof in Sittard op 14 juli 2012

 

Na onze aanwezigheid bij de beëdiging van de Limburgse Jagers, vertrokken wij vanuit Kerkrade naar Valkenburg.Ons doel: Veteranenhotel Atlas.  Bij aankomst werden wij uitermate vriendelijk ontvangen en kregen wij de sleutel voor onze kamer. Koffer uitpakken, opfrissen en verkleden en het centrum van Valkenburg in. Je wilt ook wel wat van de gastvrije Limburgse sfeer proeven en meteen een hapje eten. Ondanks het slechte weer, zaten de overdekte terrassen vol. Later op de avond nog een drankje genomen in de ruime serre van het hotel. Daarna was het tijd ons bed op te zoeken. Het was een lange dag en morgen moesten wij weer op tijd op.

Na een heerlijk uitgebreid ontbijt pakten wij op 14 juli de koffer weer in. Marianne belde sobat Schurink.(2-6) Hij was vandaag, met zijn vrouw, 62 jaar getrouwd. Meteen nodigde hij ons uit om weer langs te komen. Na een gezellige babbel, belde Marianne ook Henk van Es (2-7RI) op. Hij was jarig. Met zijn heerlijk Amsterdamse accent gaf hij aan blij verrast te zijn dat we hem niet zijn vergeten, keek al erg uit naar de reünie van september en bedankte hij Marianne voor het bellen. Alles ingepakt, koffer mee en uitchecken en daar gingen wij: richting Sittard. Naar Wietse en Mientje Westerhof. Marianne had vanmorgen al doorgebeld hoe laat we zouden arriveren. Zoeken hoefden wij niet meer, we kenden de weg. Weinig mensen op straat. Rondom het complex waaide een forse zomerstorm. Die kon ons niet weerhouden en uitgewaaid stapten wij bij familie Westerhof binnen.

Na een klop op de deur riep Mientje ons binnen, Wietse was nog even op het kleinste kamertje. Ook dit keer kreeg Mientje een lekker snoepertje van Marianne en de doos met loten voor bij de nieuwsbrief voor Theo Eversen. “Leuk, want nu krijgen we ook Theo nog een keer op bezoek,” merkte Mientje olijk op. Wietse kwam de kamer in, ook hem begroetten wij vrolijk. Met de gezondheid gaat het nog wel. Het lopen wordt moeilijk, maar met rollator en scootmobiel redt hij het nog wel.

Mientje had minder fijn nieuws gekregen. Haar leukemie speelde weer op en ze moest hiervoor medicatie nemen. Met strenge regelmaat moet zij voor controle naar het ziekenhuis. Het is niet anders.

We gingen aan de koffie. Marianne maakte koffie en Mientje en Wietse praatten gezellig door. De kamer had een andere opstelling gekregen. Er was nu vrij zicht naar buiten i.p.v. met de rug naar het raam.”We kunnen nu van het uitzicht genieten.” Mientje laat haar nieuwe I-pad zien. Een I-pad??? Ja echt waar! Mientje is helemaal op de hoogte met alle nieuwe snufjes op computergebied. Trots laat ze aan Joop zien hoe handig zij met de I-pad om gaat. Zij volgde een cursus in het tehuis die door studenten werd gegeven.

“Je moet niet stil gaan zitten, je moet  zorgen dat je bijblijft met alles,” zegt Mientje wijs, terwijl ze gelijk even een foto maakt met de nieuwe I-pad. Wietse zit te glimmen van trots op zijn Mientje. “Ja ja, die weet wel hoe alles werkt hoor,” zegt Wietse. “ Soms gebruik ik de laptop wel eens, maar niet veel hoor. Mientje het meest. Zij bankiert, bewerkt foto’s, doet sms’en.” Nee voor de nieuwe ontwikkelingen is Mientje dus niet bang. “Je blijft goed bij zo! Je moet bij blijven met alles anders raak je achterop.” Vol enthousiasme vraagt ze aan Joop: “Moet jij ook even proberen Joop?”

Natuurlijk wordt nieuwsgierig  naar de kinderen en klein- en achterkleinkinderen geïnformeerd. Gelukkig gaat alles goed met hen. “We hopen dat we dit jaar nog een keer bij de reünie kunnen zijn. Dochter Alie en Ben zijn dan met vakantie maar zoon Klaas en Corry zullen ons dit keer die dag begeleiden.”

Wietse haalt aan dat hij vorige jaar op de reünie in Vught ontzettend fijn met de jongens van de re-enactmentgroep heeft gesproken. Hij hen veel kon vertellen hoe het was om met de bren te ’werken.’  Als wij vertellen dat ook dit jaar dezelfde groep aanwezig zal zijn, plus ook nog een andere werkgroep, schitteren Wietse zijn ogen nog harder. “Ik hoop nu helemaal dat we erbij kunnen zijn!” Marianne zegt dat zij de familie Westerhof heel graag een hartelijk welkom zou willen heten. “En drie klapzoenen voor Wietse!”

Na die belofte moeten we ook aan een andere belofte voldoen: op tijd bij sobat Jac de Renet zijn. Marianne brengt de kopjes naar de keuken en wast snel nog even af. Zo, klaar.  

Wietse en Mientje gaan meteen met ons mee naar beneden naar de eetzaal. Zij zwaaien ons uit tot zij ons niet meer kunnen zien.          

tekst:Marianne/foto Joop Pragt

Beëindigingceremonie 42 Betaljon Limburgse Jagers Kerkrade 13 juli 2012

 

 

Luitenant kolonel Marc Jacops vond het een eer en genoegen om mij, voorzitter/secretaris Marianne, uit te nodigen voor de beëdigingceremonie van 42 Bataljon Limburgse Jagers. Als Kolonel- Antoni gewaardeerde heb ik een sterke binding met de Limburgse Jagers. Dus met plezier aanvaarde ik de uitnodiging.

Marijke, onze coördinator nazorg, merkte op dat het handig was om meteen op de terugweg de doos met loten van het V- fonds, af te geven bij familie Westerhof in Sittard. Dan kon Theo Eversen, onze onvolprezen verzorger drukwerk, na zijn vakantie de doos ophalen bij Wietse en Mientje Westerhof. (iedereen heeft een V- fondslot bij de uitnodigingsbrief reünie ontvangen) Goed idee van Marijke!

Joop had een nog beter plan: “Als we na de beëdiging in de buurt van Kerkrade een overnachting in een hotel zouden nemen en dan de volgende morgen naar Sittard zouden reizen en bovendien daarna op onze terugweg ook nog Sobat de Renet zouden kunnen bezoeken, zou Joop de hotelkosten als donatie doen.” Joehoe! Het werd even bellen met Wietse en Mientje, sobat de Renet en natuurlijk een hotel (veteranenhotel Atlas in Valkenburg) en het plan lag klaar om uitgevoerd te worden.

Hoewel het 13 juli niet bepaald een zonovergoten zomerdag was, meer eerder een dag van hoosbuien, hadden we er goede moed in dat alles uitstekend zou verlopen.

Zoals vele voorgaande keren wanneer de Limburgse Jagers iets organiseren, was ook vandaag alles natuurlijk tot in de puntjes georganiseerd.

Bij aankomst bij de Rodahal in Kerkrade werden wij opgevangen door militairen en begeleid richting het raadhuis. Ontvangst met koffie en heerlijke Limburgse vlaai. Joop liet deze gelegenheid niet voorbijgaan om weer eens lekker te snoepen van dit lekkers!

Gelukkig was er ruimte voor wat zon tussen de buien door en het zag er naar uit dat we de paraplu niet nodig zouden hebben. Voor de genodigden was er een grote koepeltent opgezet. Eenmaal buiten op het grote plein stond het bataljon al opgesteld. Met veel ceremonieel bij het binnenbrengen van het vaandel, waren er toespraken van o.a. burgermeester Jos Som van Kerkrade en overste Marc Jacops.

Helaas bleef het niet droog en werden niet alleen de 24 beëdigde Limburgse Jagers maar ook het gehele bataljon ingezegend. Op http://youtu.be/Rjh2IzTeNtI  kunt u het beeldverslag van de ceremonie bekijken.

Na afloop van de ceremonie was er een prima verzorgde receptie in de Rhodahal. De beëdigden werden door familie en vrienden uitbundig gefeliciteerd met hun beëdiging.

Wij zijn inmiddels in de loop der jaren al aardig ingeburgerd bij de Limburgse Jagers. We  benutten de receptie om met menigeen een praatje te maken, waarbij Marianne weer vol hartstocht voor “haar mannetjes” pleitte. Bij het leggen van nieuwe contacten vloog de tijd voorbij. We hadden weer prachtige, waardevolle ontmoetingen en heerlijke bitterballen gegeten. Na afscheid te hebben genomen van o.a. overste Marc Jacops en hem te hebben bedankt voor het gastvrije onthaal werd het voor ons tijd het hotel op te zoeken.  
 
tekst:Marianne/foto Joop Pragt

In het hoge Noorden op de koffie bij sobat Chris Scholtens  11 juli 2012

   

Na een goede nachtrust en een heerlijk uitgebreid ontbijt verlieten wij op 11 juli het hotel en gingen op weg naar Winsum. Vanuit Haren is dat niet zo heel ver. Ook vandaag was het weer knudde met een rietje. Regenbuien trekken over het Noorden van het land. Troosteloos. Maar we reizen lekker droog en zien  heel wat van het uitgestrekte, vlakke landschap. Winsum, het zit nog net niet dichtgeplakt achter krantenpapier, maar het zit er niet ver van af. De plaats van bestemming is Verzorgingshuis Winkheem.

Chris Scholtens is blij dat wij hem ook eens opzoeken. Hoewel hij in de middag naar het ziekenhuis moet, naar de oogarts en gelijk voor een nieuw gehoorapparaat, heeft hij zichtbaar plezier in de visite. Het aan hem overhandigde snoepertje houdt sobat Chris Scholtens apart voor de aardige  verzorgsters. Marianne duikt samen met sobat Chris het keukendeel van het appartementje in en maakt kopjes koffie.  

Sobat Chris Scholtens verhuisde vanuit Vledder, meteen vanuit het ziekenhuis, naar Winsum. “Ik heb een paar dochters hier wonen.” Het appartement is niet groot, maar alles is voorhanden. Sobat Chris Scholtens loopt heel moeilijk. Tobt met de gezondheid, heeft suikerziekte, een spierziekte, is kortademig en ook erg doof. Telefoneren gaat heel moeilijk. In de kast staan veel prijzenbekers als bewijs van deelname aan talloze toerritten die Chris met veel plezier maakte. Autorijden deed hij heel graag. Net als fietsen. Niet een klein stukje, maar ritten van vele tientallen kilometers.

Sobat Chris Scholtens werd in 1924 geboren te Bierum. “ Nou ja, ik was er wel bij, maar kan het mij niet herinneren,” grapt hij. Volgde de ULO.  Tot zijn pensionering woonde hij in Bierum. Chris Scholtens maakte de oorlog mee in het hoge noorden. Hij moest zich melden voor de arbeidsdienst, werd wel goed gekeurd, maar sobat Chris stoorde zich niet aan de oproep. Later moesten alle mannen die in 1924 geboren waren zich melden voor de Arbeits Inzet in Duitsland. “Maar ik was al ondergedoken, ik kreeg o.a. etensbonnen van de ondergrondse. Wat ik nooit zal vergeten is dat op 17 september 1944, een mooie zondag, mijn moeder mij naar Loppersum bracht. Aangekomen op het nieuwe onderduikadres hadden de mensen de radio aan en daarop was net het bericht van die luchtlandingstroepen bij Arnhem. Chris Scholtens verhaalt verder: “Met de bevrijding kwamen alle onderduikers weer boven water. En we hadden hier heel wat NSB- ers. NSB- vrouwen uit Venlo.Die moesten zogenaamd bewaakt worden in een schoolgebouw. Eerst stonden we op wacht met een stok, later met een geweer. Door die bewakingstroepen kwam je intensiever in contact met de Binnenlandse Strijdkrachten.

Wij werden op 21 april 1945 bevrijd en kort na 5 mei heb ik mij in Delfzijl dus opgeven voor oorlogsvrijwilliger. Het leek mij wel wat die gezagsbataljons. We zouden een opleiding krijgen in Australië, althans, dat werd zo voorgespiegeld. Nou dat sprak mij wel aan! Maar het duurde nog tot december voor ik een oproep kreeg.

Het was niet alleen vaderlandsliefde, maar ook het avontuur. De eerste tijd liepen we nog gewoon in onze burgerkleding. In Assen moest ik opkomen. Daar lag 2-9 R.I. Ik werd opgeleid tot soldaat, infanterie. Mijn eerste verlof was kerstverlof. Voor het eind van 1946 vertrokken wij vanuit de Johan Friso- kazerne in Assen met de boot naar Engeland. ’s Nachts lagen we stil omdat we in een mijnenveld terecht kwamen. We kwamen terecht in Wockingham Reading. Daar heb ik nog een foto van waar ook A.Ros (2-6R.I.) uit Den Haag op staat. In Reading was een voetbalclub die speelde tegen een profclub uit Zaanstreek en daar gingen we met zowat het hele bataljon naar de wedstrijd kijken.

Tijdens de oversteek naar Nederlands Indië kwamen we in een storm terecht. Alsof we in een notendopje zaten, zulke hoge golven! Ik kwam bij 2-6 R.I. terecht, maar later ook bij 5-5R.I. en 1-15 R.I. Maar wacht eens, ik heb alles opgeschreven, dat kan ik wel terugvinden allemaal. Ik weet niet of ik het zo kan pakken…………….” Marianne helpt sobat Chris met het pakken van het dagboek. Chris Scholtens zegt, terwijl hij steunend gaat zitten: “Ik liep vroeger al moeilijk. Eigenlijk achteraf bekeken, vind ik zelf, had ik niet goedgekeurd mogen worden. Ik werd later toch nog brenschutter. Toch een gewichtig iets.”

Marianne is verbaasd dat hij een dergelijk goed gedetailleerd dagboek heeft bijgehouden. Volgens sobat Scholtens stelt het niet veel voor. “Hoeveel sigaretten we kregen en al wat meer. Maar niet belangrijk.” Namen duikelen over elkaar heen, van Lievoort, van Dis, van Bussel, Clavan, (zijn zoon was voetballer) Ros uit Den Haag, Patist uit Roosendaal, 2e luitenant Ham, Joost van Oostenrijk, Leo Kwaspen, Piet Voogt, v.d. Hurk.

Sobat Chris Scholtens verteld dat hij beide politionele acties meemaakte, hoewel hij tijdens de 1e politionele actie in het hospitaal lag met malaria. “Ik ben ook nog een keer gewond geraakt, aangeschoten door eigen vuur in Karanganjar. Daar was het. Ik lag daarom ook nog een keer in het ziekenhuis in Semarang. In het St. Elisabethziekenhuis. Daarna ging ik naar het Tijgernest om weer op te knappen.  Ik vloog tijdens de 2e  politionele actie van  Semarang naar Djokja,”  vertelt sobat Chris verder. In 1949 keerde sobat Chris Scholtens met het Zuiderkruis weer terug naar Nederland. “Ik had een debarcatielijst van 2-6RI. Daarop staat Theo Oomen (2-6R.I.) met telefoonnummer. Hij woonde toen in Roelofsarendsveen. Hij heeft alles losgelaten, alle foto’s weggedaan. Voor hem was Indië voorbij.

O ja, een paar weken terug kreeg ik een kaart van van de Wetering. Jullie ontmoeten hem nog wel eens. Doe hem maar de groeten van mij. (Dat hebben wij per email gedaan)  Men van de Wetering. Volgens mij was hij in dienst André van de Wetering. Hoe dat nou precies zit, weet ik niet. Toen hij mij de eerste keer belde had hij het nog over Karanganjar. Hij had toen verkering in Semarang. Zijn dochters zijn daar twee jaar geleden heen geweest. (Een verslag hierover plaatste Marianne op verzoek van Men v.d. Wetering in de Sepatoe Roesak dec. 2009. red)  Ik heb zijn vrouw Elly nooit ontmoet. Menno en zijn vrouw kwamen regelmatig in de buurt van Vledder. Ik heb hem en zijn vrouw wel eens uitgenodigd om te overnachten. We hadden ruimte genoeg. Dat hebben zij nooit gedaan. Jammer”.

“Ik werd in Vledder opgebeld door Joost Oostenrijk,” zegt sobat Chris. “Joost was een week in Vledder op vakantie geweest. Wat jammer dat hij niet langs is geweest.  Ik weet nog dat hij 24 november jarig is. Stuurde hem ook nog een kaart. Maar ik kreeg geen gehoor meer.” (Marianne heeft destijds uitgezocht wat er loos was. Ging zelfs naar het laatst bekende adres. Na een lange speurtocht bleek dat Joost van Oostenrijk was opgenomen in de verzorging, daarna was opgenomen in een palliatieve zorginstelling en net enkele weken voor het einde van de zoektocht was overleden. Het enige positieve aan dit verhaal is, dat de zoon van Joost van Oostenrijk contact heeft opgenomen met sobat Chris Scholtens.)

Joop spreekt over de geschiedenis van 2-6 R.I. die bewaard moet blijven. Dat Marianne over minstens vier verschillende dagboeken beschikt om gegevens op te zoeken voor verhalen in het boekje, maar ook voor nabestaanden die op zoek zijn naar informatie. “ Uw twee fotoalbums en het dagboek, heeft u er een bestemming vooor? 

Wat ik vaak hoor en lees wij: ouderen praten niet over Indië en kinderen vragen niet over die tijd. Wij vragen u er wel naar”. Bij sobat Scholtens is het net zo. “Maar als je het interessant genoeg vindt mag je het best meenemen hoor,” zegt sobat Chris. Marianne is dolgelukkig. Zodra ik het heb gedigitaliseerd stuur ik het u gelijk terug,”zegt zij blij.

“Ik vroeg mijn zoon of hij vanmorgen ook hier bij de visite aanwezig wilde zijn, maar hij ging liever fietsen. Die liefhebberij heeft hij van mij,” zegt sobat Chris. “Hoewel het nu giet van de regen. Vanmiddag gaat hij wel mee naar het ziekenhuis.”

Terug in Nederland hield Chris Scholtens eerst verlof. Zijn aanstaande vrouw had hij overgehouden aan Indië. Zij was zijn correspondentievriendin uit Pancras. Hij woonde eerst vier jaar in Enkhuizen voor zijn werk. “Daar ben ik in 1953 getrouwd”, zegt hij met een glimlach. Na vier jaar pleegde zijn baas zelfmoord, diens vrouw nam de zaak over, de zaak ging naar de ‘hoelahoela’. De ouders van Chris Scholten hadden een dorpsmanufacturenwinkeltje. ( stoffen- meterspul- en knopen). De vader van sobat Chris werd ziek. Chris kwam in de zaak van zijn ouders. Later heeft sobat Scholtens de zaak overgenomen. Na 30 jaar was het vanuit het vak mogelijk om te saneren. Voor zijn 60e jaar was sobat Chris al met pensioen.

Het spul, (de winkel, niet de familie) verkocht en Chris Scholtens en zijn vrouw gingen  in Vledder wonen. Mevrouw Scholtens overleed in 1990. Sobat Chris bleef drie jaar alleen. Had daarna vijf jaar een vriendin. Helaas is die ook overleden. Sindsdien is hij alleen. Hij heeft altijd met heel veel plezier in Vledder gewoond. Sobat Chris kreeg 4 kinderen, 1 zoon en 3 dochters en 3 kleinkinderen, allemaal dames!

Tijd om afscheid te nemen. Sobat Chris Scholtens moet eten. De afspraak voor het ziekenhuis moet doorgaan. We beloven dat het verslag van vandaag in het kerstnummer komt. Sobat Chris is daar zeer mee in zijn nopjes. We drukken sobat Chris op het hart dat hij ons altijd kan bereiken met vragen of mededelingen. Zijn dochter kan dan bellen of hijzelf schrijven. Met drie dikke kussen van Marianne en een stevige handdruk van Joop zeggen wij sobat Chris gedag.

Het dagboek behoedzaam opgeborgen in de aktetas

                           (Het dagboek is na kopiëren meteen retour gezonden. )  
 tekst Marianne/foto Joop Pragt                                                                       

Teruggekomen van een korte van vakantie lag er bij het secretariaat een rouwbrief tussen alle post.  

 
Na een korte ernstige ziekte is op 19 oktober 2012 te Winsum Groningen overleden onze sobat Chris Scholtens op de leeftijd van 87 jaar.
De begrafenis had al plaats gevonden op donderdag 25 oktober vanuit de kerk te Vledder. Na de begrafenis was er gelegenheid tot condoleren in Hotel Brinkzicht.
 
Wij waren ontsteld. Helaas konden wij niet aanwezig zijn bij de begrafenis. Een brief met uitleg waarom en met onze oprechte deelneming is naar familie gezonden. Eveneens is, na overleg en goedkeuren van de familie, het tijdens ons bezoek aan sobat Chris opgenomen gesprek met hem op cd gezet en aan zijn
zoon Hink gestuurd.
                                          
Hallo Marianne,
De CD een paar dagen terug ontvangen.
De kwaliteit was best goed. Wel een vreemde gewaarwording om onze pa zo te horen, zag hem eigenlijk zo zitten in zijn kamer in Winsum. Het was echt pa die ik hoorde praten, zoals hij ook altijd was. Heel erg bedankt voor de CD.
mvg.
Hink Scholtens

 

 

1952- 2012
B.Poorte en M.Poorte-Strokap 60 jaar getrouwd!

 

 
Op dinsdag 10 juli herdachten kinderen, klein- en achterkleinkinderen dat Bart Poorte en Marie Poorte-Strokap 60 jaar geleden in het huwelijk waren getreden. Gelegenheid tot feliciteren was van 16.00 tot 19.00 uur bij de 
Poort van Twente te Rijssen.
Ook aan het secretariaat werd een uitnodiging toegestuurd na al enige vooraankondigen per email te hebben ontvangen van de bruidegom.
Rijssen ligt niet naast onze deur en het tijdstip van de receptie was voor ons ook niet gunstig. Misschien weer een combinatiebezoek mogelijk? Maar wie, want Bart Poorte is op Chris Scholtens na, de meest noordelijke sobat
Het was wikken en wegen voor Marijke, Joop en Marianne.
Joop bracht de oplossing. “We gaan en wel voor een paar dagen!  Ik boek een hotelletje, dat dan mijn donatie is aan 2-6 RI, we gaan naar Bart Poorte en de volgende dag naar Chris Scholtens in Winsum Groningen. Dat zijn twee 2-6R.I.- vliegen in één klap. Op de terugweg naar huis bezoeken we meteen mijn 2 Nieuw Guinea- sobats in Leeuwarden en Emmen”.
Marijke, onze coördinatrice,  werd op de hoogte gebracht van ons voorstel, zij stemde volmondig in met het plan.
Dus zo gezegd, zo gedaan.
 
Op dinsdag 10 juli gingen we met onze koffer op pad richting het Hoge Noorden. Wat is Nederland toch mooi. Hoewel het weer zich niet van de allerbeste kant liet zien, was het volop genieten. We kwamen redelijk vroeg aan in Rijssen en wij namen alvast polshoogte en een kopje koffie op het terras van zalencomplex Hof van Twente, alwaar de bruiloft gevierd zou worden.
We hadden nog tijd genoeg om het centrum van Rijssen te bezoeken. Na gezellig te hebben gewinkeld tussen de hoosbuien door, keerden wij terug naar het zalencomplex Hof van Twente.
 
Op de parkeerplaats daar was het al aanzienlijk drukker geworden. Bij de ingang van het complex kwam een gezellig geroezemoes al tegemoet. Na binnenkomst in de zaal zat het bruidspaar in een bloemenhulde.
Namens alle sobats 2-6RI Tijgerbrigade brachten wij onze gelukswensen over aan dit speciale bruidspaar. Want 60 jaar bij elkaar, dat is niet niks. Dat is een hele tijd.
Niet alleen wij wilden graag dit feit memoreren, een druk bezette zaal die maar voller en voller werd naarmate de receptie duurde, wees erop dat vele anderen het bruidspaar Poorte een warm hart toedragen. Onze komst namens 2-6R.I. werd bijzonder op prijs gesteld.
 
Zelfs zo hoog, dat wij ook uitgenodigd waren om deel te nemen aan de familiemaaltijd later in de namiddag. Ondanks alle drukte kwam sobat Bart geregeld bij ons aan tafel zitten. Hij had zelfs geregeld dat er voor Marianne een speciaal kippeneivrij gebakje was! Marianne werd meegenomen naar de keuken en sprak met de kok het menu door. ( Marianne heeft een ernstige –dodelijke- kippeneiallergie) Geen risico werd er genomen. Het was een tot in de puntjes verzorgde receptie. Sobat Bart had van te voren duidelijke afspraken met de bedrijfsleider gemaakt en daarvan mocht niet worden afgeweken.”Ik wil het zo hebben en zo moet het worden gedaan.” Bart Poorte ten voeten uit. Joop belde ondertussen even met hotel dat wij later zouden arriveren, de kamer moest dus wel voor ons gereserveerd blijven.
Na de ontzettend druk bezochte receptie bleef de familie Poorte achter met alleen de door hen speciaal genodigden en werden die verzocht plaats te nemen aan de tafels in de eetzaal. Wij sloten als laatste aan.  Voor ons werd gedekt tegenover het bruidspaar. Ongewild kregen wij een ere- plaats.
Het aanbod van plaats te wisselen met twee familieleden werd nadrukkelijk van de hand gewezen. Daar zaten we dan!
De maaltijd was voortreffelijk, ook hier was het weer uitstekend verzorgd. Op speciaal verzoek van Marie werd na de al zo goed verzorgde maaltijd tevens nog eens mooie plakken rollade geserveerd! Dat was weer iets dat Marie speciaal wilde. En ook dat werd gedaan.
 
Joop hield na het hoofdgerecht een korte toespraak. Hij memoreerde aan onze visites bij Bart en Marie Poorte thuis. De kleine jongen (een flinke kleinzoon van meer dan 100kilo) en de oorlogsverhalen maar vooral het veteraanzijn van sobat Bart. De eer en het  respect wat hem maar ook zijn vrouw Marie toekomt. Want veteraan ben je niet even, maar voor altijd. Echtgenotes kunnen daar een aardig woordje over meespreken.
 
Nadat Joop tussentijds nog twee keer het hotel heeft laten weten dat wij echt toch nog zouden arriveren zaten we nog gezellig aan een uitermate heerlijk nagerecht. In een prettige, bijna huiselijke sfeer tafelden we nog na met koffie. Aan alles komt een eind, dus ook aan deze bijzonder fijne dag. De gasten vertrokken huiswaarts, wij richting Groningen naar ons hotel.
Na het bruidspaar nogmaals heel hartelijk te hebben bedankt en te hebben laten weten dat wij het een eer hebben gevonden dat wij met de familie aan het diner mochten deelnemen beëindigden wij, na dikke klapzoenen en handjes schudden, deze dag. Het is mooi geweest. Om 23.45 uur arriveerden wij in ons hotel. Ons bedje was al gespreid!

tekst:Marianne/ foto:Joop Pragt

Zaterdag 30 juni 2012 Nederlandse Veteranendag  Den Haag. 

 
Als vertegenwoordigers van de reünie- en nazorgcommissie en Joop als NNG- veteraan kunnen wij natuurlijk Veteranendag in Den Haag niet overslaan. En dat hebben we dus ook niet gedaan. Met vele duizenden andere veteranen togen wij naar het Malieveld. Mooi droog weer. Dat hebben we al eens anders meegemaakt. Op het grote scherm op het Malieveld konden de plechtigheden die plaats vonden in de Ridderzaal worden gevolgd.
Wij bezochten de grote ontmoetingstent voor de Landmacht in de hoop enkele bekende veteranen te ontmoeten.  

Dat lukte! Niet lang na aankomst liepen wij Sobat Jo van den Heuvel (2-6R.I.) tegen het veteranenlijf. Hij was dit keer weer samen op pad met zijn maatje de vliegenier uit WO2. Ook tijdens de Landmachtdagen 2012 in Oirschot hadden wij beiden ontmoet.Na een gezellige babbel, gingen zij op zoek naar een pintje en wij zochten verder naar bekenden.  

 
Joop vond enkele NNG- makkers. Ook daar werden natuurlijk de nodige gesprekken mee  gevoerd. Altijd een prettig weerzien tussen de makkers.
 
Wat later liepen wij op het Malieveld KTZ b.d. Frank Marcus, directeur veteraneninstituut, tegen het lijf. Met hem hebben we een ook een prettig gesprek gevoerd. Ook hadden wij een onverwachtse ontmoeting met de minister van defensie Hans Hillen. Wij hebben, namens de vele sobats die bij ons reageerden, hem hartelijk bedankt voor de kerstkaart die met de feestdagen 2011 naar iedere veteraan was gestuurd. Ook 2-6 R.I- sobat Ad Conijn in Australië ontving zo’n kaart. 

 

Tijdens een telefoongesprek begin dit jaar met Ad liet deze weten dat ook hij de kaart had ontvangen en het zeer waardeerde een kerstwens te krijgen van de Nederlandse minister van defensie.  Dit gegeven hebben wij met minister Hans Hillen besproken. Minister Hillen was aangenaam verrast  te horen hoe zijn kerstwens bij vele sobats was ontvangen.   

We bleven maar “beroemdheden” tegen het lijf lopen want meteen om de bocht liepen wij generaal de Kruijf tegemoet. Door een eerdere ontmoeting van ons met hem in Roermond was er snel een leuk gesprekje.
Het kon niet op want ook voormalig generaal van Baal zag ons. Met hem en zijn vrouw hadden wij al eerder ontmoetingen.  De herkenning was snel en een geanimeerd gesprekje kon er ook weer bij.  

 

Vervolgens bezochten wij de stand van de Oorlogsgravenstichting. Daar gaven wij aan de medewerkers onze complimenten betreffende hun geweldige inzet. Ieder jaar weer leggen zij, op bestelling van Marianne, een indrukwekkend grote krans op het erekerkhof in Candi. Dit steeds gelijktijdig met onze reünie in september in Vught.
Er ontstond ook hier weer een fijn gesprek. Een grote foto van een der gesneuvelde NNG- makkers van Joop was daartoe aanleiding. Over een tot nu toe onbekend gebleven makker op dezelfde foto beloofden wij navraag naar te gaan doen.        (inmiddels heeft Joop de naam doorgegeven.)
 

Op een dag als deze mogen wij graag met vele veteranen spreken. En we hebben dat zeer zeker gedaan. Hilly van het Veteraneninstituut, Indië  veteranen C.van Veelen uit Ridderkerk, Joop Ruitenbeek uit Hierden, Arie Treffers uit ’s Hertogenbosch en Willy de Groot uit Groningen. Ook N.N.G. veteranen Jan Hut, de Kinderen en Ton Ravenstein, het is een kleine opsomming van vele veteranen die wij spraken.

 
 Dit alles omlijst door een heerlijk zonnetje en een defilé met kleurige muziekkorpsen vanuit het hele land, een fly-over van de luchtmacht, militairen strak in het uniform en veteranenorganisaties vertegenwoordigd door vele deelnemers, die dikwijls in traditioneel veteranenkostuum (baret,donker colbert, grijze pantalon) in het defilé meeliepen. Het getuigde weer van enorme klasse en inzet zoals sommige (zeer) oude veteranen de tocht volbrachten!
Kortom, een zeer goed verzorgde en voor ons uitermate geslaagde veteranendag 2012!                                              
 

Landmachtdagen 2012 in Oirschot.

 
Op zaterdag 12 mei 2012 zijn wij, Joop en Marianne, te gast geweest bij de Landmachtdagen op de Generaal-majoor de Ruyer van Steveninckkazerne in Oirschot. Niet alleen als gast maar ook als bestuur van de reünie- en nazorgcommissie 2-6 R.I. T- Brigade hadden wij enkele noodzakelijke ontmoetingen voor de organisatie van onze reünie op 29 september 2012 in Vught. Tijdens dit bezoek aan de kazerne in Oirschot kregen wij een kijkje in de wereld van Nederlands grootste krijgsmachtdeel.
Wij reisden dit keer weer per trein. Bij het station Eindhoven zouden wij met bussen vervoerd worden naar de kazerne. Aangekomen bij het station zagen wij enkele militairen die de bezoekers gedienstig de weg wezen naar de gereedstaande bussen. Terwijl wij luisterden naar de instructies werd ik op mijn rug getikt. Daar stond Sobat Jo van den Heuvel, veteraan van de 4e compagnie 2-6 R.I. T- Brigade. Blij verrast werd hij door Marianne en Joop begroet. Op onze vraag of Sobat van den Heuvel ook naar de kazerne ging, antwoordde hij bevestigend. Hij was de dag ervoor ook al aanwezig geweest. Hij heeft daar aan schoolkinderen meerdere lezingen gegeven over zijn ervaringen tijdens zijn missie in Nederlands- Indië. Wat een prachtig initiatief. Met veel verve vertelde Sobat v.d. Heuvel hoe hij deze dagen zijn verhalen heeft gedaan. Meteen vertelde hij ook over Menno v.d. Wetering, die helaas niet aanwezig was. Menno was naar Lourdes. Wel hingen er vaandels waarop Menno was afgebeeld. Overste Marc Jacops (Limburgse Jagers) had eerder Marianne benaderd met de vraag of zij enkele 2-6 R.I. ers wist die in tenue op de foto wilden (en konden!) met een jonge militair. Menno v.d. Wetering was een van de vijf veteranen die Marianne voor deze taak had opgegeven. 

Tijdens de busreis naar de kazerne hadden Marianne en Jo van den Heuvel heel veel te vertellen en aanwezige medereizigers legden hun oortjes stilletjes te luister tijdens het fijne gesprek.
Aangekomen op het kazerneterrein begeleidde Sobat Jo van den Heuvel Joop en Marianne naar de post waar andere sobats deze dag hun lezing zouden geven over hun missie. Wij maakten kennis met Aalmoezeniers en begeleiders. Na over en weer informatie te hebben uitgewisseld zijn wij de lunch gaan gebruiken. Sobat van den Heuvel vervolgde zijn weg, wij de onze. Niet dat we elkaar deze dag niet meer zagen. Verscheidene malen troffen wij Jo van den Heuvel aan. Iedere keer ontstond er weer leuk gesprek met Sobat Jo en andere veteranen die hij begeleidde, o.a. de oudste Nederlandse vliegenier- veteraan 
(“ik vloog nog tegen Duitsers”). Ook met hen hadden wij leuke gesprekken. ( niet met de Duitsers maar met de veteranen) 

We brachten ook een bezoek aan de afdeling waar het inloophuis voor militairen ‘De Treffer’ uit Eindhoven informatie verstrekte. Met de vertegenwoordigers raakten wij in een gezellig gesprek. Al met al heel informatief.

Nadat wij onze contactpersonen hadden bezocht en afspraken hadden gemaakt ten behoeve van onze reünie hebben wij ons bezoek verder besteed met het uitgebreid bezichtigen van alles wat deze Landmachtdag in Oirschot te bieden had. En dat is heel veel! Het was een prima verzorgde dag concludeerden wij na afloop. Complimenten aan onze overste Marc Jacops (hij was bezoeker van onze reünie) voor de uitstekende organisatie landmachtdagen Oirschot.

foto's Joop Pragt

 

 

Te gast op de reünie van 5-5 R.I.  

 

Dinsdag 17 april 2012 waren Joop en Marianne, als bestuurders van de echte reünie- en nazorgcommissie 2-6 R.I. T-Brigade, uitgenodigd om de reünie van Ost cie/staf cie en het v.p. van 5-5 R.I. op legerplaats Oldebroek  in ’t Harde bij te wonen. Dit in het kader om kennis te maken met de 5-5 R.I.-ers maar ook om bekendheid te geven aan de grote 2-6R.I. Tijger- Brigade reünie.  
Een afvaardiging van 5-5 R.I. (waaronder o.a. Jan Jansen Venneboer en Martin van Veelen als bestuursleden) was ook 28 september 2011 op onze reünie in Vught aanwezig. Kleine herinnering: Jan Jansen Venneboer, secretaris 5-5 R.I. was degene die toen de pluche Tijgerkop, de hoofdprijs in de gratis Tijgerloterij, in de wacht sleepte!
 
We reisden ditmaal met de trein, want het was toch wel een hele afstand met de auto. De trein spoorde lekker door terwijl wij ons ochtendkrantje, het AD, lazen. Aangekomen op station ’t Harde werd wij opgewacht door enkele militairen en met een busje naar de legerplaats gebracht. Prima verzorgd.
 
Bij binnenkomst werden wij voorzien van een naambadge zodat iedereenkon zien wie we waren. Meteen werden oude bekenden begroet. Ook 5-5 R.I.-ers met wie alleen telefonisch- of e-mailcontact wordt onderhouden, begroetten wij uiterst hartelijk. Leuk om een gezicht bij een naam te hebben.
 
In de uitermate gezellige officierszaal met prachtig lederen clubfauteuilles werden wij voorzien van koffie en gebak en onderwijl werden in ontspannen sfeer gesprekken gevoerd met mede reünisten.
Net als bij onze reünie werden er toespraken gehouden met o.a. een herdenking voor de gevallenen en overleden sobats. Huishoudelijke mededelingen werden gedaan en een  bespreking van een nieuw 5-5R.I. fotoboek.
 
Hierna was er tijd om gezellig te praten, herinneringen op te halen en bekenden te spreken. We liepen hier adjudant Boes en korporaal Mara Kelders tegen het lijf. Ook bij 5-5 R.I. vervullen zij onmisbare taken. Tevens werden warme hapjes rondgedeeld en borreltjes gedronken.
 
Joop kreeg de gelegenheid om namens bestuur 2-6R.I. T-Brigade een uitleg te geven over het houden van de T- Brigade reünie. Duidelijk wist Joop de bezoekers van de reünie te vertellen wat onze doelstellingen en initiatieven zijn.
Dit alles met een ietwat schorre stem. (We waren de  afgelopen zondag bij de marathon Rotterdam geweest en hebben enthousiast de vele hardlopers luid toegejuicht en opwekkende bemoedigingen toegeroepen)
Enthousiast waren ze bij 5-5RI ook. Met als gevolg al enkele aanmeldingen voor onze reünie op 29 september 2012. Wij hebben na een voortreffelijke maaltijd onze gastheer Jan Jansen Venneboer bedankt voor de fijne ontvangst in ’t Harde.

tekst: Marianne 

 

Bezoek aan sobat Schurink  26 maart 2012  

 
Na verschillende pogingen om een afspraak te maken voor een bezoek aan Sobat Schurink in Enschede lukte het dan toch op 26 maart 2012. Een bezoek!
Dit keer reisden we per trein. “Ik kom jullie met de auto bij het station afhalen. “Geen probleem!”zei Sobat Schurink. Ter herkenning ga ik met een “huis aan huis krant” in de stationshal jullie op staan wachten.” Prima geregeld dus.
                                    
Om 11.35uur arriveerden wij op het station. In de stationshal was het geen probleem om Sobat Schurink met krant te vinden. Ook zonder de krant herkende Marianne de veteraan al van grote afstand. Sobat Schurink werd vergezeld door  zijn oudste kleinzoon, Jurrie Bakker(42).
Gezellig kletsend liepen we naar de auto. Onderweg ging het gesprek meteen over het stadion van F.C. Twente, voetbal en alle bezienswaardigheden onderweg.
Aangekomen bij de seniorenwoning werden wij verwelkomd door een keurige mooi gekapte dame, mevrouw Schurink. Aan haar werd meteen ons snoepertje overhandigd. “Dat komt mooi uit,” zegt mevrouw Schurink, 
“ik hou wel van snoepen.”  

 

foto Joop Pragt 

 
Helaas is het met de gezondheid van mevrouw Schurink iets minder, twee nieuwe heupen, een beschadiging aan het ruggenmerg. Met de trein of auto naar de reünie zit er voor haar niet meer in. Sobat Schurink zelf is nog goed gezond en fietst iedere dag een flink stuk. Kleinzoon Jurrie zorgt samen met opa voor de koffie. Zo aan de koffie steekt mevrouw Schurink lekker een sigaretje op. Meneer Schurink is 17 jaar geleden gestopt met roken. “Maar”, zegt hij, “ meeroken is nog slechter voor je dan het zelf roken. Wij rijden nog regelmatig met de auto. Ik doe de auto niet weg. Zodra ik achter het stuur zit te bibberen dan pas doe ik mijn auto weg. We rijden niet ver weg meer, maar het is een stukje vrijheid. Ik heb wel vrij reizen met openbaar vervoer voor hier in de stad hoor.”
 
Mevrouw Schurink vertelt dat zij 2 dochters hebben en 4 kleinkinderen. Ze zijn dit jaar, 16 juni, 62 jaar getrouwd. De jongste kleinzoon (16) is doordeweeks bij opa en oma, de school is te ver weg van zijn huis om steeds heen en weer te fietsen. “Die jongen kan heel goed leren. Hij komt straks ook thuis,”zegt een trotse oma.  
Sobat Schurink ( 88 jaar) vertelt dat hij geboren en getogen is in Enschede. Volbracht acht leerjaren aan de lagere school, toen brak de oorlog uit. Hij heeft naar eigen zeggen “behoorlijk” de tweede wereldoorlog meegemaakt. Aardappelen stelen, groente stelen, bomen omhakken.. Enschede lag half in puin.
Hij werd opgepakt tijdens een SS- razzia. Werd te werk gesteld in Alstätte-Ahaus, dat is een klein dorp in Duitsland nabij de Nederlandse grens. Moest daar tankgrachten delven, maar weigerde dat. Als je zo graag tankgrachten wil hebben dan graaf je die zelf maar!  Sobat Schurink wist te ontsnappen door bovenop de trein te klimmen. Vanwege het slechte weer, hagel, ijzel en storm keken de moffen niet op de trein. Ze hadden eens moeten weten  dat die rit er meer mensen op de trein dan in de trein reisden!.Ging daarna werken in een grote spinnerij. Hij bemachtigde een ausweis zodat hij niet meer opgepakt kon worden en kwam terecht bij een klompenmaker.
 
“Dat was een goede mof. Zijn motto was: Eerst eten en dan werken. Ik heb nog nooit zo’n grote braadpan gezien. Die grote pan zat vol met aardappelen en spekjes en stond al klaar. Ja ja, dat was een goeie mof. Later dook Heini, de zoon van de klompenmaker, onder op zolder van klompenmakerij. Heini moest in het leger naar Rusland.”
“Je zegt niks he? ”vroeg de klompenmaker. “Ik weet van niets. Ik weet niets van een zoon”, was het antwoord van Schurink.  Ook toen er 2 SS-ers navraag kwamen doen naar der Heini hield Schurink zich van de domme. Die SS -ers kwamen binnen met de Hitlergroet “Heil Hitler”. Waarop Schurink zei:”Bij ons zeggen we gewoon goedemorgen! Met Heini is later alles goed afgelopen. Toen was de oorlog afgelopen. Er werden puinruimers gevraagd en ik kon een beetje autorijden. Op een oude T -Ford werd het puin geladen, we hadden toen nog geen kiepwagens. Het puin werd buiten Enschede weer uitgeschept. Maar ik had het al snel gezien. Dat werk zette ook geen zoden aan de dijk. Ik ga in het leger.”
 
11 mei 1945, de dag na de bevrijding is Schurink samen met maatje, Karel Wilmink uit Oldenzaal, zich gaan aanmelden als O.V.W.-er. Goedgekeurd.”Je krijgt nog wel een oproep”, werd er gezegd.  Die oproep kwam pas in 1946. “Als ik mij niet had gemeld als OVW -er had ik niet opgeroepen geworden als dienstplichtige. Ik kwam uit een oorlogslichting, die hoefden niet in dienst. Ik kwam op bij 2-9 R.I.  in de Johan Willem Friso kazerne in Assen.  Drie maanden onder een rot kapitein in opleiding geweest. Oh, wat een eigenwijze kerel was die kapitein. Ik heb wel eens gedacht, ik schiet je nog eens dood joh. Maar de opleiding in Assen stelde niets voor. Exercitie en nog eens exercitie. Van daaruit door naar Wockingham, Engeland. Reading. Daar kregen we verder opleiding en onze uitrusting.
 
In Nederland was er nog niets. Ja, ouwe afgedankte Canadese pakken! De een te groot, de ander te klein.” In Reading was een overdekte rolschaatsbaan herinnert Sobat Schurink zich nog heel goed. Hij kon goed rolschaatsen.
 
“In 1946 vertrokken we met 2 bataljons op de Kota Baroe rechtstreeks naar de rede van Tandjong Priok in Nederlands- Indiё. Die kapitein ging mee. Hij ging dus mee als 2-9 R.I. voor aanvulling van 2-6 R.I. Kapitein Vaessen! Dat ze die niet doodgeschoten hebben! De rotvent! Dat was een goochemerd.  Oh God oh God wat een kerel. Daar kan ik je verhalen over vertellen!
Onderweg bij Aden in de storm gezeten. Droog brood eten hielp tegen zeeziekte. Neptunus aan boord bij de evenaar. De vliegende vissen die zomaar over het dek kwamen en dolfijnen bij de boot maakten grote indruk. We bleven drie weken in Tandjong Priok  om te acclimatiseren.
 
We werden  ingedeeld bij de eerste compagnie 2-9 R.I. en later in Semarang werd ik ingedeeld weer in de eerste compagnie maar dan bij 6 R.I. En we hadden geluk, later ook weer bij de 1e compagnie van 2-6 R.I. Mijn maatje Karel Wilmink uit Oldenzaal werd gelukkig ook weer  ingedeeld bij 1-2-6 R.I. Vanuit Tandjong Priok gingen we naar het N.I.S. gebouw in Semarang. Maar ze hadden daar geen tampatjes, met als gevolg
3 maanden op de grond slapen! Dat was het Nederlandse Leger. Als wapen hadden we nog de Lee Enfield. Later kregen we de…eh…. Gatverdakkie..hoe heetten ze nou ook alweer…… Amerikaanse handmitrailleurs,…de  Tommy guns!  En stenguns van de Engelsen. Als je die neerzette gingen ze al af, maar als je moest schieten deden ze het niet. man oh man.  Brens hadden we ook. En dan op patrouilles he, 20- 30 kilometer door de sawahs en door de kalies en weet ik al wat dan niet voor ongein.  

 

 

 

In 1948 ging 2-6 R.I. terug naar Nederland en werd ik ingedeeld in Oengaran bij het X-bataljon. Er was nog geen naam voor. Alle vrijwilligers van de eilanden, wat dan Indonesië was,  werden teruggeroepen en moesten naar Oengaran.  
Later werden dat de Blijvertjes. Dat hebben we ook wel geweten hoor. Dat bij de Blijvertjes het bataljon van de gestraften zou zijn is niet waar. Nee hoor, geen gestraften. Onzin. Dat is niet juist. We moesten gewoon onze tijd volmaken. Wij kwamen later, dus mochten ook pas later vertrekken. Nee, allemaal kameraden die 2 politionele acties meemaakten. We konden en moesten op elkaar vertrouwen.  

In 1949 ging ik met de Zuiderkruis weer terug naar Nederland. ‘De Blijvertjes’ zijn gaan  varen ja. Degene die achterbleven waren de dienstplichtigen. Die namen onze taken over.  

 
In Oengaran waren ze allemaal weg. Ook de Chinezen. Die hadden alles achtergelaten. Toen kwamen we in een villa, Karel en ik. Gadverdakke, moet je es kijken wat een mooi bed daar staat, zei ik. Zulke dikke planken. Maar weet je wat we doen? Dat die kerel is weggelopen, dat moet hij zelf weten.  We gaan daar de kampong in en vragen naar een timmerman die er twee bedden voor ons van kan maken. Van de grote planken,  precies uitgemeten zo hoog, zo breed.  En dat bed van die Chinees werd in stukken gezaagd.
Wij gingen naar Djockja met het vliegtuig. (De 2e politionele actie) . We kwamen terug in  een groot kamp even buiten Batavia. Overste Scheers,onze bataljonscommandant zei toen: “Ja, ik heb hier een klacht van een Chinees dat ze zijn bed in stukken gezaagd hebben”. Hier moesten we met zijn allen hartelijk om lachen, maar het verhaal gaat nog verder. Sobat Schurink vertelt:”We hebben al die tijd in Djockja en Solo gezeten, zeg ik tegen overste Scheers, potverdikke nog aan toe”.  

“Ja,”  zegt die, “wat moeten we ermee”. Ik zeg:”Laat die kerel maar komen hoor!  En daar kwam die Chinees aan.” 
Mevrouw Schurink neemt weer deel aan het gesprek, ze zegt:” Hedde jij een kist van laten maken he?”.   “Ja”, lacht Sobat Schurink, “die staat hier nog in de schuur. Die hebben wij nog!”
Wat een verhaal. Van het bed van de Chinees is dus ook een repatriëringkist gemaakt en staat nu nog steeds in de schuur bij Sobat Schurink! 

De Chinees wilde hebben dat het voor de krijgsraad kwam. Want dat had hij al aangekaart.  “Nou,” zeiden kolonel van Langen, de brigadecommandant, en overste Scheers, die was advocaat, meester in de rechten: “Der gebeurt niks van”. Schurink zei toen: “Dat kan ook niet, want we moeten naar huis.”.  Zegt overste Scheers  tegen die Chinees: “U kunt doen en laten wat u wilt, maar u blijft met uw vingers van mijn jongens af!.”  

Hiier worden de emoties even te machtig voor Sobat Schurink. Na een korte pauze hervat hij zijn verhaal weer.
   
“Nou en toen hij zei ‘je blijf van mijn jongens af anders moet je maar afwachten wat er met je gebeurd.’ Want die Chinees sprak perfect Nederlands …die Chinees..  eh… en daar stond ik bij. Ik ga…….”Weer een emotioneel breekpunt. We geven Sobat Schurink de tijd om bij te komen
 
Joop spreekt over de kameraadschap en voor elkaar door het vuur gaan. Hij kan de emoties van Schurink heel goed begrijpen. Dit wijst nu de verbondenheid aan van die je hebt in de groep. In het leger. Dat mensen elkaar zo steunen. Dat ze zo goed zijn voor elkaar. –klopt- Dat je zegt: “ wij zijn mannen voor elkaar” – juist zo. “Wij staan pal voor elkaar”  Schurink: ”ja één voor allen en allen voor één! juist-   -,ja zo is het juist-
 
Joop: “ dan zit je zo bij elkaar . En dan zeg je potverdorie. Want juist door zo’n situatie van deze jongens die in Indiё zijn geweest blijven die zo lang aan elkaar hangen.- Ja ja- . zo is het.
Want ze hebben alles met elkaar meegemaakt daar mevrouw, ze hebben echt vreselijke dingen meegemaakt. En als je dat zo hoort he, ja. Dat was mijn maatje door dun en door dik. 
Mevrouw Schurink: “ Ja, ja  dat had hij ook.”
Joop: “Die jongens hebben elkaar gesteund dat begrijpen ze tegenwoordig niet meer..
Die jongens gingen allemaal voor 2, 3, sommigen voor 4 jaar weg. En die waren alleen maar op elkaar aangewezen. Tegenwoordig is het zo, dan kruipen ze ’s avonds achter de computer en dan tikken ze naar huis: slapen de kinderen al en al wat meer. Maar jongens in Nederlands- Indiё moesten zes weken te wachten op een kaartje. Zes weken, dan  kwam er eens een kaartje binnen.
 
En als er dat iets aan de hand was, dan steunden de mensen elkaar en dan zeiden ze:”Dat zijn mijn mensen, dat zijn mijn jongens. Daar moet je niet aankomen. En als je dat wil doen, dan doe je dat maar, maar ik zal ze redden”.
Schurink (inmiddels hersteld) :”ja zo was dat zeker en zo was overste Scheers ook.”
Joop: “En dat gevoel dat hebben die jongens nog steeds zo”.
Schurink: “Jajajajaj. Jaaja. Zo is het. Kom niet aan mijn jongens want als die het horen dan ben je nog niet jarig. Kan het zijn dat je de avond niet meer haalt. ‘t Was wel zo hoor.”
Joop: “ Wij zijn bij elkaar geweest en wij zijn de jongens. Het klinkt misschien een beetje potsierlijk, maar zo is het. Wij zijn de jongens van stavast. Wij zijn er voor elkaar.”   Schurink. “Dat was wel zo hoor”
 
“En nog steeds mevrouw, we maken het steeds weer mee bij iedereen waar we komen.
Dat blijkt ook, na dik 6o jaar geleden, nog komen de jongens bij elkaar en nog is  die ontroering er als ze elkaar weer ontmoeten. 
‘Potverdorie hoe is het nou met jou’. Hoe is het nou met  jou.
Ja dat is het. Ik vind dat mooi, ik vind dat prachtig. En dat is ook in Roermond.
Schurink: “Je was op elkaar aangewezen. Je moest op elkaar kunnen vertrouwen. Een oogje in het zeil houden. Ik heb nog steeds het idee als ik ergens binnenkom, dan kijk ik nog steeds waar is de uitgang en het liefst zit ik ergens tegen een muur. Er kan dan niemand achter je komen staan. Ik overzie graag alles. Het is nog steeds een soort van indekken. Het is vreemd hoelang dat in een man blijft zitten.”  Joop beaamt dat. “Alleen overzie ik nog steeds niet de winnende cijfers in de lotto!” Een beetje humor verzacht de emoties.
 
We gaan weer terug in het verleden met sobat Schurink.
De man blijft herinneringen ophalen. Fantastisch. Zou het aan de mensen uit het oosten van het land liggen? Ook sobat Poorte uit Rijssen kan zo veel verhalen!
 
Salatiga, Ambarawa, de Koffiepot, daar moesten we slapen onder dekens, want daar was het ’s nachts heel koud. Salatiga kwamen we net te laat voor de Chinezen. Er waren er velen vermoord. Woningen, winkels, hele wijken werden afgebrand. Die hebben heel wat moeten doorstaan. Ja,” vertelt Schurink, “daar kwamen wij net iets te laat”.
 
Het verhaal over de Chinezen brengt ons weer terug naar de repatkist die nog in de schuur staat bij Sobat Schurink.
Schurink: “Die kist was allang in huis en ik moest nog thuiskomen. Die kist hè. Ik weet nog, je kreeg zeg maar zes handdoeken, zes onderbroeken,  vier sokken, vijf van dit en zes van dat. En dan bleek dat je nog maar drie handdoeken had. Van de zes onderbroeken had je er nog maar twee.
Dan was het wel zo, dat de ouwelui daarvan de rekening kregen. Schandalig toch, Dat noemt zich dan het leger. Wij mochten niets houden. Toen wij het leger in gingen was er niets. Wat een ellende. We hadden niets in het begin. Jeeps moesten we stelen van de Engelsen.
 
Schurink maakte de luchtlandingen mee bij Djokja tijdens de 2e politionele actie. Een historisch moment van een historische operatie. Hij zat in het eerste vliegtuig dat bij Djokja aankwam. Hij hoefde niet te springen hoor. Hij zat niet bij de parachutisten.
 
“Maar we hebben Soekarno uit zijn bedje gehaald hoor.
Er was al een tijdje wat rumoer dat er wat te gebeuren stond in Djokjakarta.
Maar dan zouden we 120 kilometer moeten lopen. Wat een end lopen.
Een dag van te voren waren we allemaal bij elkaar. We mochten de stad niet meer in. Maar er werd verder niets verteld.
 
’s Morgens om zes uur op appel. Ik zeg tegen mijn maatje:’Kijk nou, daar staan vliegtuigen’. We konden zo op het vliegveld kijken. Wat moeten we met al die dingen? Wie weet gaan we wel met het vliegtuig. Hoeven we niet te lopen. Ik had nog niet eerder gevlogen. Nou allemaal in drietonners. Hupla. Volle bepakking, slings der over en alles. Dat kon der ook nog wel bij. Bij het vliegveld allemaal uitstappen, die gaat daar heen en die gaat daarheen. Zo’n kleine dertig man met volle bepakking.  

Ik dacht: “Als dat ding van de grond afkomt dan hebben wij geluk gehad hoor. Der zaten allemaal KLM-piloten op. Op Dakota’s. Opstijgen. Hupla, daar gingen we. Inclusief luchtzakken.  Landen, der uit, formeren, compagnie klaar en afmarcheren naar Djokja. Dat ging hard, heel hard. Soms in looppas.  Ze waren overal de boel aan het opblazen. Toen kwamen we in Djokja en daar zagen we zo’n naald, zo’n lange naald. Wat dat nou precies moest voorstellen weet ik niet. (red. Gedenknaald voor Sultan Hamengkoe Boewone VII)  Daar staan kolonel van Langen en overste Scheers. Kolonel van Langen zei:”Die verdomde OVW -ers. Ik kan ze niet bijhouden”.
 
Ik was bij de arrestatie van Soekarno. Ik stond voor zijn paleis. Ik zag hem afgevoerd worden. We mochten geen foto’s maken. Niets. Ik zei nog tegen mijn maten: die heeft een prettig leven gehad. Dat zie je zo. Als je mij vraagt wat op mij de grootste indruk tijdens Indiё heeft gemaakt, moet ik zeggen dat die  luchtlandingen een wel erg grote indruk maakten op mij.
 
We kwamen aan bij het station in Djokja. Ik zei tegen mijn maat: moet je kijken, een grote trein vol met allemaal bankbiljetten. Dat geld was toen geen stuiver meer waard, maar toch pakten we nog een stapel ervan en gingen een kampong in. Tegen zo’n man met kippen zeiden we dat we kip wilden kopen. En teloor. Die kosten hoop geld zei de man. En wij pakten een stapel van dat geld en gaven dat aan die vent. Oh, das een hoop geld. En dat terwijl wij maar een kip kochten. Dat beest werd geplukt en gekookt en de hele compagnie at soep.
 
We spreken over de techniek die zo snel verandert. Telefoons, internet, computers.
“ ’t Is niet meer bij te houden. En allemaal maar met die telefoon bezig. Zelfs in de tweede kamer zitten ze tijdens vergaderen nog met die dingen,” zegt sobat Schurink.
Onderwijl is de jongste kleinzoon, Djan Kőzi (16),  ook thuis gekomen en komt bij ons in de kamer zitten. Met interesse luistert hij mee en neemt ook deel aan het gesprek.  
 

Na afloop van hun tijd in Nederlands -Indiё vroeg plaatsgenoot, en maatje  voor het leven Karel Wilmink: “Wat dacht je ervan, doen we nog Korea?” Maatje Wilmink vertrok naar Canada. Sobat Schurink ging naar Nederland.
 
“Ik vertrok met de Zuiderkruis naar Nederland en kwam aan in Rotterdam. We kwamen zo uit Indiё van boord  en gingen de bussen in naar huis. We werden overal in het land gedropt.  
Ik was een van de laatste. Toen ik aankwam in de straat dacht ik: Jee, wat moet dat volk hier allemaal. Maar dat volk was uitgelopen om Sobat Schurink een welkom thuis te wensen. Niet alleen het ouderlijk huis was versierd, de hele straat was in versierselen getooid. Wat een thuiskomst!”
 
Schurink ging na thuiskomst werken bij de filmdrukkerij!
De filmdrukkerij heeft niets te maken met speelfilms, maar met sjablonen en verf in meerdere kleuren  om o.a. stoffen voor gordijnen en japonnen te bedrukken. Hij was voorwerker. Vijfendertig jaar in trouwe dienst en nu een goed pensioen. (Gelukkig wel. Ze melken ons leeg! Zegt sobat Schurink)
Daarna werkte Sobat Schurink nog alleen in zijn eigen huis. Toch ging hij later, via zijn vrouw, nog 18 jaar werken in de horeca. In Goor. In de keuken van een restaurant, casino en dancing. Hij in de keuken en zij vijf jaar in de garderobe, bij de dancing, eigenlijk van alles. Een heel fijne tijd. Wel druk, maar erg leuk. “Ik ben thuis de man die kookt. Ik doe alles. Overhemden strijken, eten koken, noem maar op.  
Ik hoef niet meer terug naar Indonesiё.  Ik heb alles gezien en meegemaakt en zie geen reden om nog een keer terug te gaan. Ik zou der niet meer kunnen leven. Ik kan niet meer tegen de hitte. Ik moet er niet aan denken.”
 
Sobat Schurink kan zeer onderhoudend vertellen over al zijn belevenissen. Roep maar Suezkanaal, Reading, eten, vertier, Djokja, Neptunus, amusement of welke term dan ook met betrekking op het verblijf in Nederlands Indië, Sobat Schurink haakt er meteen op in. Prachtige belevenissen, verhalen en voorvallen.
Zouden wij alle verhalen hierin dit boekje zetten, kunnen we een vervolgverhaal van enkele feuilletons maken. We laten het voorlopig bij dit uitgebreide verslag van dit bezoek.
Wij hebben het een zeer boeiend en soms emotioneel bezoek gevonden met de meest uitlopende herinneringen en verhalen. Sobat Schurink ook. Hij gaf aan een donatie aan de kas voor
2-6 R.I. te willen overmaken. Iets wat wij natuurlijk van harte toejuichen. Het nummer staat in dit boekje.
Wat ons ook trof was dat de kleinzoons bij het gesprek bleven en zo geïnteresseerd waren in de verhalen van opa. Jongens, heel hartelijk bedankt daarvoor.
Mevrouw en meneer Schurink, bedankt voor uw gastvrijheid!

tekst:marianne

Overleden 29 februari 2012: Chris Kessels (87jaar)   

   
 

 
 
Sterven doe je niet ineens,
maar af en toe een beetje
en alle beetjes die je stierf,
’t is vreemd, maar die vergeet je.
Het is je dikwijls zelfs ontgaan,
Je zegt ik ben wat moe,
Maar op ’n keer dan ben je aan
Je laatste beetje toe. 
 
 
Soldaat in alles, dapper, strijdbaar en verantwoordelijk.
Opgegroeid in armoede, vanuit Limburg begonnen aan een Brabants leven.
 
Zijn liefde ontmoet die kon wachten, terwijl hij zijn gedwongen verblijf in Duitsland verwerkte door naar Indië te gaan. Indrukken om nooit te  vergeten, verhalen om te vertellen naast beelden die je liever vergeet. 28 jaar hard werken bij Philips. Daarna werkzaam bij de politie waar hij veel heeft meegemaakt.  Om zijn persoon en houding genoot hij respect. Als vader en echtgenoot zorgzaam en verantwoordelijk, met liefde die sporen nalaat in  kinderen, die nu met veel liefde verder gaan. Kleinkinderen vol herinneringen mocht hij zien opgroeien, waar hij zijn zoon Hans te vroeg moest missen.
De laatste jaren met verdriet de weg naast zijn Willy gegaan, vol vertrouwen haar nu achterna,op zijn eigen dappere manier.
 
Op dinsdag 6 maart 2012 te Heeze namen wij als commissie reünie en nazorg 2-6R.I. T-brigade afscheid van Sobat Chrisje.
 
Tijdens de mooie dienst klonk bij binnenkomst ouverture no.1Music for the Royal fireworks                         
Gevolgd door een welkomstwoord door de begeleidster van de afscheidsceremonie.  Dochter Mieke droeg een mooi gedicht voor waarna het ”Wie sjoeen os Limburg is” door de volle gedenkruimte klonk.
 
Vervolgens  kreeg de penningmeester van de reünie- en nazorgcommissie 2-6R.I. –T-brigade, Joop Pragt, het woord. In zijn toespraak memoreerde Joop onze bezoeken bij Chrisje thuis. Het overhandigen door Chrisje van het mooie bordje voor de herdenkingen in Roermond, het samen zingen van Limburgs volkslied en het Feyenoord lied. Ook haalde Joop de militaire ervaringen van Chrisje in Nederlands Indië aan. Vanzelfsprekend werd ook de binding die Chrisje later bleef houden met de sobats van 2-6R.I. aangehaald. Ook de tot aan zijn dood toe gehouden koffieochtenden met sobat Antoon Mathijssen en sobat Ceel Smulders werden vermeld. Joop eindigde de toespraak met een toepasselijk veteranengedicht.
 
Harry, zoon van Chrisje, vertelde aan de aanwezigen de vertaling van het muziekstuk “Terang Bulan” waarna het muziekstuk werd gedraaid. Meneer Molenaar, tafelgenoot van Chrisje, hield een vriendschappelijke toespraak gevolgd door toespraken van de kleinkinderen Willemien en Rian. Hierna klonk in de druk bezette aula het lied Old Soldiers never die.”
 
Harry en Chris Kessels junior spraken met warmte en dankbaarheid over hun vader. Tot slot bedankte Harry Kessels allen voor hun aanwezigheid.
 
Tijdens de Overture no.1 Music for the Royal Fireworks namen wij, bedroefd, met een waardige laatste groet afscheid van onze Sobat Chrisje Kessels.  

 
Tevens bracht Marianne een groet namens Ad van Hooijdonk. Door persoonlijke omstandigheden kon hij tot zijn grote spijt niet aanwezig zijn bij dit laatste afscheid. 
 
Na de plechtigheid raakten wij in de koffiekamer in gesprek met enige bezoekers die allen een eigen herinnering of verhaal over Chrisje konden vertellen. Oud collega’s van de politie, maar ook Sobat Mathijssen en Sobat v.d. Heuvel.
En, wat wij heel fijn vonden, ontmoetten wij Mevrouw Toos van Bussel-Wouters, de weduwe van Sobat Tiny van Bussel.  Zij bezocht deze afscheidsdienst samen met haar zoon.
Sobat Jan van Erp was ook aanwezig en met hem hadden wij eveneens een kort gesprek.
Wij luisterden geduldig en aandachtig  naar ieders  verhalen en konden niets anders dan het nogmaals bevestigen:
Een goed mens is heengegaan!
 
Na een gesprek met Harry Kessels, waarin wij uit hebben gelegd dat in dit boekje een verslag komt over zijn vader en dat wij Chrisje op onze reünie in September tesamen met alle andere overleden sobats van het afgelopen jaar zullen herdenken, was het tijd om te gaan. Marianne had voor die avond een eerder gemaakte afspraak voor de musicalvoorstelling Soldaat  van Oranje.
Wetende dat Chrisje ook in de oorlog naar Engeland is gegaan leek het haast wel een laatste eerbetoon aan:
ons aller Chrisje”.

tekst:Marianne  foto Chrisje: Joop Pragt. foto bij de kist:Harry Kessels

Bij Sobat Piet Leijs in Zevenbergen aan de tafel.  

   

Vanuit Lepelstraat naar Zevenbergen is niets. Op tijd arriveerden wij bij Sobat Piet Leijs. Het tehuis waar hij woont ligt in een nieuwbouwcomplex waaraan nog volop wordt gewerkt. Het belooft een prachtige woongemeenschap te worden. Of is het zelfs al. Na ons te hebben gemeld bij de receptie konden wij naar boven. Wat een ruimte daar en wat een licht.
 
De deur bij Sobat Leijs stond al op een kier. Toch maar even aangebeld. De deur zwaait verder open en we worden gastvrij onthaald. Een zeer ruime hal met brede deuren geeft aan dat deze appartementen ook berekend zijn op rolstoelgebruikers. Sobat Leijs is daar nog lang niet aan toe. We gaan naar de ruime kamer annex keuken en nemen plaats aan de grote tafel. We drinken daar samen een kopje koffie.
 
De reden waarom Sobat Leijs in dit appartement zit, is dat hij enige jaren geleden een TIA heeft gehad. De arts heeft hem aangeraden om hier te gaan wonen. Voor alsnog heeft Sobat Leijs geen nadelige gevolgen ondervonden van de TIA. Het gaat best nog goed met hem. Lopen iets minder, maar verder geen klagen. Hij trouwde in 1952 en meneer en mevrouw Leijs  kregen 3 kinderen, 1 jongen en 2 meisjes. Zij zorgden voor zes kleinkinderen waarvan 1 verloren aan een treurig ongeluk in de wieg.  Als laatste bijgekomen zijn de twee achterkleinkinderen. Foto’s van de achterkleinkinderen staan op de vensterbank.
 

 

foto Joop Pragt

 
Sobat Leijs is in Steenbergen geboren. Woonde in Klundert. Werkte als jongeman in een houtzagerij (heeft gelukkig al zijn vingers nog).  Ging vanuit de BS ( Ordedienst) als OVW-er naar Willemstad. Daar ontmoette hij het meisje wat zijn toekomstige vrouw zou worden. Vanuit Willemstad vertrok sobat Leijs naar Sittard en vervolgens met 2-6R.I. naar Calais.
 
Hij werd sergeant bij de 4e compagnie, 2e peloton. Hij was een van de negen jongens van 2-6 R.I. vanuit Zevenbergen. Alleen Sobat Piet Leijs is daarvan nog in leven. Hij heeft gesmokkeld met zijn leeftijd. Hij was eigenlijk te jong, maar een jaartje erbij, och, wat gaf het. Dat hebben meerdere jongens in die tijd gedacht, want we betrappen nog menige Sobat op dit jaartje smokkelen.
 
Sobat Leijs vertelt ons veel. Over de thee die ze mee hadden op de patrouilles. Die was niet te drinken na een tijdje. Klappermelk bracht uitkomst. “We stuurde gewoon een inlander de boom in om klappers te plukken. De klapperbomen stikten soms van de rode mieren. Niet van die kleintjes die we hier hebben, nee, enorm grote beesten!,” vertelt Sobat Leijs.
 
Over ruzie in die club met de Franse naam. “Nee, die naam weet ik niet meer. Maar het was op de Bodjong” zegt Sobat Leijs.  “We kregen daar ruzie met een stel oud kolonialen. Zij verweten ons:’Jullie betalen de inlander veel te hoge lonen en betalen te hoge prijzen. Jullie gaan straks weg en wij blijven met de ellende zitten”.
Joop haalt aan dat voor het grasmaaien bij hen op de Tangsi in N.N.G. ook inlanders werden ingehuurd. Na een dag werken werden zij uitbetaald. Vervolgens zag je hen voor weken niet. Dan was het geld op, het gras weer gegroeid en meldden zij zich weer voor het werk. Het dagloon van ons was voor hen een riant inkomen. “Ja, inderdaad,” zegt Sobat Leijs, “zo ging dat bij ons ook. Vandaar dus de ruzie met de kolonialen. En terecht natuurlijk”.
 
Sobat Leijs verteld ook over Kalibanteng, het vliegveld en de B25. Hij was die dag op het vliegveld toen het ongeluk met de B25 gebeurde. “Een vreselijk ongeluk, de gehele bemanning dood. Wij waren allemaal erg onder de indruk van dit gebeuren.’’
Op mijn vraag of Sobat Leijs net als mijn vader eens mee geweest is op verkenningsvlucht met de B25 moet hij ontkennend antwoorden.
 
De Bodjong werd al genoemd. Natuurlijk ook Toko Oen. Daar was het eten duur. Dat kon Jan Soldaat niet betalen. “Ik weet op een buitenpost kwam een oude Atjeeër. Die verkocht Chinese maaltijden om een centje bij te verdienen. Dat waren heerlijke maaltijden. Ook deed hij de was voor een paar centen.”
Mijn vader, Huib Lankhuizen, vertelde hetzelfde verhaal. Hij had het over een half-Chinese man. Sobat Leijs wist niet meer welke buitenpost het was. Ook in mijn vaders verhaal is de naam van de buitenpost niet vermeld. Wel dat het lekker eten was!  Sobat Leijs vertelt dat hij Indië een prachtig land vond met goede mensen.
 
Bij thuiskomst in Nederland kreeg hij net als iedereen
6 weken verlof. Daarna ging hij aan de slag bij de spoorwegen. Kort daarna ging hij daar weer weg en kwam voor een paar jaar bij een bedrijf dat aan spoorbouw deed.
Vervolgens een jaar bij de suikerfabriek in Dinteloord om daarna bij Bottemade zuivelfabriek terecht te komen. Sobat Leijs bleef daar 23 jaar.
Het bedrijf ging samen met Nutrica, waar hij nog 12 jaar in de voedingsfabriek werkte waar o.a. babyvoeding van Nutricia werd gemaakt.  We krijgen interne informatie over wat er met over de datum zijnde voorraad potjes gebeurde, maar daar vertellen wij u niet verder over.
 
Sobat Leijs ging op 61 jarige leeftijd met pensioen.
Heeft, tot zij stierf, toen de verzorging  van zijn vrouw op zich genomen. Nu leest hij veel, puzzelt graag en maakt zijn loopje in de buurt. Praat nog weleens met een medeveteraan. Telefoneert regelmatig met Ad van Hooijdonk.
 
We vragen of Sobat Leijs zijn veteranenspeld draagt. “Die heb ik niet”, is zijn antwoord. “Nooit gehad, net als alle onderscheidingen, ook nooit gehad”. Ik heb de speld met de B van Bernhard. Meer niet. Ik heb geen veteranenpas. Ook de Checkpoint ontvang ik niet.  Die krijgt ik via een bevriende veteraan.”
 
Wij bieden Sobat Leijs aan om te regelen dat hij zijn veteranenspeld krijgt, de veteranenpas en de Checkpoint. Dat wil Sobat Leijs wel. We beloven de volgende dag meteen het veteraneninstituut te bellen voor hem. En dat is ook meteen gedaan. Eveneens als de boekjes, die Marianne heeft over Klundert in de oorlog, zijn opgestuurd naar Sobat Leijs.  
 
Met de uitgebreide ledenlijst erbij kijken we naar maatjes van Sobat Leijs die nog in leven zijn.  Zoals hij al eerder aangaf, hij is de enige van 8 uit Zevenbergen die nog in leven is. “Maar Arie v.d. Bos, leeft die nog? Ik ken hem nog van na die Indië tijd. Hij had een kwekerij. Hij kwam nog wel eens hier in Zevenbergen” “Arie v.d. Bos? Uit Den Briel? Ja die leeft nog, We hebben onlangs nog contact met hem gehad.” Meteen worden de adresgegevens uitgewisseld. Kijk dat is weer een fijn stukje nazorg. Contacten herstellen tussen de sobats.
 
Dan een klop op de deur en een dame met een dienblad komt binnen. De geur van vers gebakken patat met kroket komt onze neuzen blij maken. “Dit is mijn zus,” zegt Sobat Leijs. “Zij woont hier in een aanleunwoning.”
We maken snel even kennis en gaan er dan als een haas ervan door. Sobat Leijs achterlatend met zijn kroket en patat. Eet smakelijk. Ook wij gaan op weg naar de maaltijd.
 
Sobat Leijs, bedankt voor uw gastvrijheid en verhalen. Wij hebben het een leuk bezoek gevonden
                                                                                       Door Marianne

 

Op bezoek bij Sobat Schetters  29 februari 2012  

 
Op 29 februari hadden wij een afspraak op de kazerne in Vught i.v.m. komende reünie.  Volgens onze coördinatrice Marijke was dat meteen een mooie gelegenheid om op de terugweg een Sobat te bezoeken. Het kostte wat moeite om telefonisch een afspraak te maken met een sobat. Bij  Sobat v.d.Corput kwam die dag de werkster, weduwe Mientje Wijers kreeg wat dames op bezoek, Sobat van Heugten gaf geen gehoor, Sobat v.d. Linden slaapt veel en dan, eindelijk, is daar Sobat Schetters. Na overleg met zijn vrouw of “dat vrouwke”(Marianne) op de koffie kon komen, spraken wij af dat wij in het begin van de middag in Lepelstraat (Noord Brabant) zouden zijn. Dat gaf ons mooi de gelegenheid om nòg een Sobat op de terugweg te bezoeken. Dat werd Sobat Leijs. Hij woonde ook op de route en was die middag thuis. Een afspraak om later in de middag bij hem langste gaan was snel gemaakt.
 
Wonderwel hebben wij steeds goed weer als wij op pad gaan voor de sobats.  De voor die dag voorspelde mist was gelukkig uitgebleven.  Op de minuut precies waren wij in Lepelstraat. Wij werden bij de deur al opgewacht door sobat Schetters. Hij verwelkomde ons in zijn woning. Mevrouw Schetters werd begroet en kreeg het bekende snoepertje overhandigd. Zij begon aan de voorbereidingen van de koffie. Sobat Schetters bracht de koffie binnen. “Nee, Marianne je hoeft niet te helpen hoor. Het gaat zo goed.
Geen koekjes he?”  “Nee,alleen koffie hoor, meneer Schetters.”  
Heerlijk genietend van een lekker vers gezet bakje koffie kwam het gesprek op gang.

foto:Joop Pragt

 
 “Met de gezondheid hebben we geen klagen”, zegt mevrouw Schetters. “Nou ja, de gebruikelijke ongemakken die gaan spelen als je wat ouder wordt”. Sobat Schetters heeft een operatie aan zijn meniscus achter de rug en is weer prima hersteld. Hij fietst iedere dag een half uurtje. Houdt van voetbal (kijken) en snooker. Mevrouw Schetters puzzelt en patience graag.
 
“Nou moet je eerst eens vertellen Marianne, jouw vader, die was toch ook van de 4e compagnie?” vraagt sobat Schetters. “ Jazeker, mijn vader was van de 4e compagnie,”zegt Marianne. “ Die rooie?”  “Ja inderdaad dat was mijn vader.” Opgewekt zegt sobat Schetters: “Hij was een goeie vent. Hij heeft mij en mijn maatje gered van ‘14 dagen streng’ op Malakka. Het was met wachtlopen. Wij hadden geleerd:  het maakt niet uit of je hangt, ligt of staat als je maar op wacht bent. Daar dacht kapt. v.d.Broek wel anders over. Gelukkig heeft Sgt. Lankhuizen zich ermee bemoeid en van het hele voorval is nimmer meer wat gehoord”.
O, hier wordt het duidelijk dat het niet over mijn vader gaat, maar over Sgt. Lonkhuizen, ook een rooie en ook uit Klundert. Om het makkelijk te maken.  
 
Sobat Schetters werd geboren in Steenbergen op 20 april 1925. Het gezin Schetters bestond uit 14 kinderen. Schetters werd knecht bij een landbouwer. Hij ontmoette op zijn 17e jaar mevrouw Schetters (toen nog geen Schetters!), zij was 14 jaar. De familie zei dat ze nog maar even moesten wachten met de verkering. “ Maar in September dit jaar zijn we 63 jaar voor de wet getrouwd”, vertelt mevrouw Schetters lachend. “Voor de kerk trouwden we een maand later.”
 
Sobat Schetters en zijn vrouw kregen 9 kinderen: 4 jongens en 5 meisjes, die zorgden weer voor schoonzonen en schoondochters en zij waren goed voor 17 kleinkinderen en 6 achterkleinkinderen. Een familiefoto hangt aan de muur. Een geluk dat het een grote foto is.
 

 
Via de Orde Dienst heeft sobat Schetters zich in 1945 aangemeld als O.V.W.-er. Hij begon bij 1-6 R.I. onder luitenant Peters en werd ingedeeld bij het stafpeloton, de  2 inch mortieren. 
 
Onderweg naar  Nederlands- Indië zat op de Nieuw Amsterdam ook de MARVA. De dames zaten een dek hoger dan de manschappen. Je moet de kat niet op het spek binden. De jongens wisten toch wel welk vlees ze in de kuip hadden. “Een spiegeltje gaf een pracht uitzicht onder de rokken”, lacht sobat Schetters schalks. “Wij waren ook niet van gisteren hoor.
In het vorige boekje stond het verhaal van Kroon toch? Ik was daar ook met dat ongeluk met de bermbom.  Ik zat net aan de andere kant van hem. Hij heeft de klap opgevangen. Tragisch.
 
Van Weert was onze eerste dode. Op Malakka was dat. Hij had zich ingelaten met een inlands vrouwke. Dat kostte hem zijn leven. Adat. Later verloren we o.a. De Lepper,  Veldman en Fick.
 
Bij terugkeer in Nederland kreeg ik eerst 6 weken verlof en vrij reizen met de trein. Ik ging overal heen,” vertelt sobat Schetters. “Daarna was het aan de arbeid. In de suikerfabriek in Steenbergen, maar dat verdiende maar f 28,80 in de week. Ik bleef er een jaar. Werd toen boerenknecht vlak bij huis en verdiende f 37,- in de week. Wel een verschil.”
 
De familie is verschillende keren verhuisd. Tijdens de watersnoodramp raakten zij alles kwijt. Met  hard werken en aanpakken zorgde sobat Schetters voor zijn gezin. Iedereen moest goed leren. Hij kocht 6 hectare eigen grond voor groenteteelt en ook wat vee. Werkte vervolgens in de vatenfabriek aan de lopende band. Op zijn 62e jaar was het genoeg. Pensioen! Uit met dat werken.
 
Een heel opmerkelijk iets wat sobat Schetters vertelde is, dat er een 2-6R.I, boodschappentas is geweest. Helaas is de tas niet meer meegegaan met de vele verhuizingen.
Wie kan ons meer vertellen over deze tas met klep. De  tijger en de kapotte schoen waren erop afgebeeld. Wie oh wie?
 
Hoewel sobat Schetters nog wel uren had kunnen doorgaan met het ophalen van herinneringen, moesten wij toch afscheid nemen. Sobat Leijs zat op ons te wachten.
Wij willen graag op tijd aankomen op onze afspraken.
 
“Ah sobat Leijs,” zegt sobat Schetters, ” die ken ik wel goed. ……..doe hem maar de groeten straks.” Met die belofte was het echt tijd om op te stappen. We bedankten mevrouw Schetters hartelijk voor de gastvrijheid. Sobat Schetters liep naar de kast, haalde zijn portemonnee tevoorschijn en gaf ons een donatie voor de kas. “Jullie doen zoveel voor ons. Dan kan je weer een beetje vooruit.! En nu vooruit, der uit, naar sobat Leijs.”
                                                                                      
                                                                                       Door Marianne

Op bezoek bij de jonge Tijgers in Schaarsbergen. 15-2-2012  

 
Naar aanleiding van ons bezoek van 7 december 2011 voor de 7 dec. divisieherdenking op de Oranje kazerne in Schaarsbergen, hebben wij afgesproken met compagnies sergeant-majoor  Eric Henderson.  Het betrof de uitnodiging langs te komen bij 11 Infanterie–Bataljon Luchtmobiel. Dit ter kennismaking en om de onderlinge band met de oude en jonge tijgers te versterken.
 
De afspraak was dat wij per trein zouden reizen. Bij het station werden wij opgewacht door een militairbusje met twee jonge Tijgers.  Onderweg naar de kazerne spraken wij over u, de oude Tijgerveteraan. Over uw inzet en uw ervaringen. Over uw reünie. Dat het bij de jonge Tijgers nu nog niet speelt, zo’n reünie, maar over een aantal jaren zal er ook bij hen de hang zijn om te weten hoe het met hun makkers is vergaan in het leven na de uitzendingen. Hun belangstelling voor u, de oude Tijgerveteraan, was uitermate groot.
 
Dat bleek duidelijk bij aankomst op de kazerne in het gastvrije gesprek met de compagnies sergeant-majoor Eric Henderson. Met een kopje koffie erbij werd er over en weer informatie uitgewisseld over de oude en jonge Tijgers en wat wij voor elkaar zouden kunnen betekenen in de toekomst.
Marianne opperde meteen dat het leuk zou zijn om de nadere kennismaking in ons boekje te vermelden.
Dat het Tijgerembleem  nog voortleeft bij de jonge Tijgers. 
 
De compagniescommandant kapitein Marc Veuger, had zich ondertussen bij ons gevoegd. Ook hij liet zijn betrokkenheid merken door deel te nemen aan het zeer geanimeerde gesprek.
 
Tijdens ons vorige bezoek (7dec. divisie herdenking) hadden wij al de eer om de mascotte Karelkie te mogen zien. Wat toen opviel was de wel erg kleine Tijgerbadge die Karelkie op zijn sjabrak droeg. Marianne dacht meteen aan de prachtige Tijgerbadge, een kopie van de originele badge op ware grootte, die goudsmid Sanne van Boekel voor de reünie- commissie had gemaakt. Die badge zou bij Karelkie niet misstaan.
 
Bij dit bezoek had Marianne dus die badge meegebracht en kreeg zij de eer om samen met Joop de badge bij Karelkie op te spelden. 

Kapt.M.Veugel, Marianne en Sergt.Maj. E.Henderson  

 
Na het opspelden van de Tijgerbadge werden wij uitgenodigd om deel te nemen aan de maaltijd. Zo, in de Tijgerkantine, tussen de manschappen. Boterhammetje met hamburger. Ook tijdens deze leuke lunch kwamen voortdurend de ervaringen van u, Tijgerveteraan, en uw jonge navolgers ter sprake. Het effect van de uitzendingen, missies en uw ervaringen van uw tijd in Nederlands Indië. Er werd geen onderwerp geschuwd.  
Onderwijl vroeg Marianne geregeld of zij niet te veel beslag legde op de tijd van beiden heren. Dat was absoluut niet het geval. Er was ruimschoots tijd uitgetrokken voor dit bezoek.
Weer terug op de kamer van sergeant majoor Henderson kwamen er heel spontaan links en rechts verschillende Tijgerpresentjes voor de Tijgerloterij op 29 september 2012 te voorschijn.
Uiteindelijk is het een fiks pakket met verschillende artikelen geworden, allemaal met het logo van de aan u welbekende Tijger! 
Het werd zoveel dat besloten werd het per post naar het secretariaat te zenden omdat we anders met dat grote pakket in de trein zouden zitten. Kijk, dat is meedenken.
Omdat toch enkele militaire werkzaamheden voor het weekend moesten worden afgehandeld werd daarna besloten dat wij verder contact zouden onderhouden. De kennismaking was goed verlopen.
Met een tevreden gevoel konden wij beiden heren bedanken voor hun gastvrijheid en hun  belangstelling in u, de oude(re) Tijgerveteraan!. Wij werden weer keurig netjes met het busje naar het station gebracht en stapten zo de trein in naar Rotterdam. Een productieve dag kon worden afgesloten. Op naar huis.  
                                                                                     
Naschrift:
De C/Tijger compagnie is de tweede Jager-compagnie in het Bataljon. Dit gegeven en de karakteristieken die de Jagers van oudsher hebben meegekregen, hebben er toe geleid dat er in 1993 bij de nieuwe taakstelling van het 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel voor de compagnie een nieuwe mascotte werd gekozen; de JAVA tijger.
 

 
Omdat de toenmalige Jagerbataljons gevochten hebben in Nederlands Indië, was het geen toeval dat de tijger als mascotte werd gekozen. Vele huidige tradities zijn rond deze TIJGER opgezet. De indrinkplechtigheid van nieuwe leden van de compagnie is hiervan een voorbeeld. Ook het feit dat ieder lid van de Charlie-compagnie niet alleen Jager is, maar intern ook als "Tijger" aangesproken kan worden, geeft aan dat de Tijgertraditie bij de Charlie-compagnie levend gehouden wordt.
Binnen de tradities van het Regiment draagt de C/Tijger compagnie ook zorg voorde uitvoering van de jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei op de Grebbeberg.

      

Laatste afscheid van sobat Jo Princen, 4e cie 2-6 R.I. 
Op woensdag 4 januari waren wij aanwezig bij de crematieplechtigheid van Jo Princen uit Nijmegen in Crematorium Jonkerbos in Nijmegen. Hij overleed op 31 december 2011. 

 

 
Buiten wachtten wij Maurice, de kleinzoon van Jo Princen op, om hem de Tijgerbadge, het 2-6 R.I. bord en de 2-6 R.I. stropdas van mijn vader aan te geven. In overleg met de familie en Maurice brachten wij deze attributen mee om bij de kist van Jo te leggen.
 
Na aankomst in de wachtruimte bij de aula werd het snel een drukke bedoeling. Familieleden die elkaar begroetten, condoleerden, maar ook met elkaar nieuwjaarswensen uitwisselden Het leek even meer op een gezellige drukke nieuwjaarsreceptie dan een crematie.
Toen de hostess van het crematorium ons binnen noodde werd er echter een plechtige stilte aangenomen door alle aanwezigen.
 
Jo Princen was 63 jaar getrouwd met An. Jo groeide op als 6e kind in het gezin dat uit dertien kinderen bestond. Na de lagere school ging Jo naar de schildersopleiding, kreeg een baan als schilder en later kwam hij bij Phillips te werken.
 
De oorlog brak uit en Jo is enkele jaren in Limburg ondergedoken geweest. Hij was actief in het verzet. In 1945 vertrok hij als O.V.W. er voor drie jaar naar Indonesië. Terug in Nederland leerden Jo en An elkaar kennen. Ze trouwden en werden de trotse ouders van twee dochters, Wil en Ans.
 
Jo was een man van weinig woorden, rustig. Hij kon prachtige tekeningen en schilderijen maken. Voor veel mensen heeft Jo iets moois gemaakt. Jo bleef graag op de hoogte van nieuwe dingen. Computers hadden dan ook zijn interesse.  
Jo leefde voor zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen. Toen achterkleinkind Eline werd geboren was opi erg trots. Als zijn gezin het maar goed had, dat was voor hem voldoende.  
Na  de plechtigheid brachten wij namens de sobats 2-6 R.I. een waardige groet bij de kist. Tijdens de dienst was geen ruimte voor een toespraak. De reeds door ons op papier gezette toespraak namens 2-6R.I. werd later aan de familie overhandigd.  

Achterkleinkind Eline bracht na de plechtigheid trots de onderscheidingen van Jo Princen op een kussen de koffiekamer in.  “Ja, ik weet dat mijn Opi een soldaat is geweest. Een veteraan. Mijn opa is ook een veteraan.”  

Jo Princen, soldaat 4e compagnie bezocht trouw de reünies. Afgelopen september 2011 voor het eerste samen met kleinzoon Maurice. Een trotse opa hebben wij gezien.
Jo was uitgekozen om het present te roepen tijdens het dodenappel, wat hij als een hele eer beschouwde. Eerder viel Jo in Weert de eerste beurt om tijdens de herdenking de vlag te hijsen. Jo Princen: wij hebben van hem genoten op onze reünies. Wij zullen hem tijdens ons eerstvolgende reünie waardig gedenken.  
Jo Princen was o.a. drager van het ereteken voor orde en vrede met jaargespen en het draaginsigne Veteranen
                                                                                     
Reactie:
05-01-12 21:47:28
Hallo,Ik wil bij deze u bedanken voor het aanwezig zijn bij de crematie van mijn opa Jo Princen. Ik weet zeker dat trots hij zou zijn op de speciale tekens die u op zijn kist geplaatst heeft, mijn dank hiervoor. Ik heb uw site al diverse malen door gelezen en vooral het verhaal van mijn opa diverse malen bekeken. Nooit zullen we weten wat hij allemaal heeft mee gemaakt, wellicht ook maar beter zo. We zullen hem echt missen .....Super bedankt !!
Patric Schipperheijn, trotse kleinzoon van Jo Princen  

    

                                                                               terug naar index