bezoeken aan sobats en ontmoetingen met sobats 2013

Viering 200 jaar regiment van Phaff op kasteel van Breda.   

 

 
Op 6 december 2013 was Marianne, in haar hoedanigheid als draagster van de Antoni- waarderingspenning, door commandant 42pant-serinfanteriebataljon Limburgse Jagers& Regimentscommandant der Limburgse Jagers Luitenant-kolonel Ramon Jansen alsmede door de voorzitter stichting Regiment Limburgse Jagers, Luitenant-kolonel der Limburgse Jagers b.d. Nico Vroom, uitgenodigd om tijdens de jaarlijkse Phaffdag de viering van het 200jarig bestaan van het Regiment te vieren. Het was een extra unieke gebeurtenis temeer omdat kolonel Phaff op 23 november 1813, dus nog voordat Willem van Oranje op 30 november 1813 voet aan wal zette in Scheveningen, een Regiment had opgericht om Nederland van de Fransen te bevrijden. Het is hiermee het oudste infanterie regiment van de Koninklijke Landmacht.
Doordat 42 LBJ deelnam aan een schietserie, is de dag van de  viering dit keer verschoven naar 6 december en omdat de eerste heldendaad van het regiment in Breda op 20 en21 december plaats vond, werd Breda gekozen om het 200jarig bestaan te vieren.
                                                          
Een klein stukje geschiedenis van het regiment van Phaff.
Vrijwel direct na de oprichting heeft het Regiment in Breda gestreden om de stad te behoeden voor bezetting door Franse Troepen. Ingelijfd in de Koninklijke Landmacht op 9 januari 1814 als 2e Bataljon van Linie vocht ze in juni 1815 in Quatre-Bras en Waterloo in de definitieve slag tegen het leger van Napoleon en als 2e Afdeling Infanterie deed ze in 1830 mee aan de Tiendaagse Veldtocht in België. Als 2e Regiment Infanterie diende zij in 110 jaar van relatieve vrede, tot in mei 1940 leden van het Regiment daadwerkelijk het grondgebied van Nederland tegen de Duitse aanval verdedigden. Vervolgens werden in de periode 1946-1950 meerdere bataljons van het 2e Regiment uitgezonden naar het voormalig Nederlands -Indië om daar orde en rust te brengen. In 1950 gaat het 2e Regiment met het Bredase 6e Regiment en Nijmeegse 11e Regiment op in het huidige Regiment Limburgse Jagers. Dat mag zich gelijk inzetten in de zgn. Koude oorlog, de gewapende vrede tegenover het Warschau pact, die zelfs het 42 BLJ tot zeer nabij het IJzeren Gordijn bracht. Na de val van de Muur in 1989 gaat de huidige inzet spelen Missies in ver afgelegen landen om vrede af te dwingen in vm. Joegoslavië, Irak en Afghanistan. (bron:website LBJ)
 
 
Wij, Joop en Marianne, arriveerden op 6 december bij het monumentale kasteel van Breda.
Wat een prachtige locatie met schitterende historische gebouwen. Een hele eer om hier uitgenodigd te zijn. We werden warm welkom geheten in de grote zaal van het kasteel. Ook hier ademde nog de sfeer van zoveel jaren militaire geschiedenis.
 
Omdat dit niet de eerste keer was dat wij op de Phaffdag aanwezig waren, werd het al snel begroeten van relaties en bekenden van de Limburgse Jagers, Lt. kol. Ramon Jansen, Lt. kol b.d. Ferry Tummers, Lt. kol. b.d. Nico Vroom, de altijd charmante Frank Poeth, verzamelaar en maker van  miniatuurfiguren, soldaten en burgers uit elke tijd, de beheerders van de LBJ-website. Ook Indië- veteraan sobat Schrauwen (4-6RI.), bekend van de Tijgerbrigadereünies was aanwezig. We maakten kennis met de leden van de re-enactmentgroep van het 2e bataljon Grenadier compagnie, die, in het uniform gestoken zoals het 200 jaar geleden gedragen werd, deze dag opluisterden. Later op de dag kregen zij, als grote blijk van waardering voor hun werk, de door Ltn. kol. Jansen  Antoniwaardering toegekend.
  
Maar eerst aan de koffie met de overheerlijke Limburgse vlaai. Wij schoven gezellig aan bij sobat Schrauwen en zijn maatje. Na een toespraken van Luitenant-generaal De Kruif, overste Ramon Jansen en Nico Vroom werden wij uitgeno-digd om naar de aula te gaan. Daar werden lezingen gehouden door o.a. Luitenant- generaal de Kruif, de heer Geerdink Schafetenaar van de eerder genoemde re-enctmentgroep en Ltn. kol. Jansen.
              
Vanwege deze speciale dag werd er hierna buiten de poort van het kasteel een plaquette onthuld om de verdrijving van de Franse Troepen uit Breda te blijven herdenken. Overste Ramon Jansen onthulde samen met de wethouder Arbouw van Breda de plaquette. 
Een knetterend musketsalvo door de re-enactmentgroep maakte het geheel compleet.
Toen de kruitdampen weer waren opgelost werd de Limburgse Jagersmars gespeeld. Sinds jaren werd er weer driftig met de baret of witte zakdoek gezwaaid tijdens de Regimentsmars. Dit werd de laatste jaren niet meer gedaan,  maar  Ltn. Kolonel Ramon Jansen heeft deze traditie weer in ere hersteld. Bravo! (Marianne:  tradities zijn er om in ere te houden).
Na de wat koude onthulling bij  de kademuur wachtte ons op het kasteel een winterse lunch. Wat dat was, zeggen wij niet, maar de snert was heerlijk. Na nog een tijdje gesproken te hebben met die en geen, werd het voor ons tijd om afscheid te nemen. Wij bedanken de Limburgse Jagers dat wij deze dag mee mochten maken. Het was voor ons deze keer nog meer een hele eer.
tekst Marianne Pragt, foto's Joop Pragt
 
                                          

 

 
Sobat Gerrit van Soomeren , 5e genie veld.
Man, vader, schoonvader, groot- en overgrootvader.
                                                                        *10 april 1928 – †  1 december 2013
 
 
                                          
En als ik dood ben, treur dan niet,
Ik ben niet echt dood moeten jullie weten.
Het is mijn lichaam dat ik achterliet
Dood ben ik pas als jullie me zijn vergeten.
 
‘Ook jou naam staat geschreven in de palm van Gods hand’
 
 
Het gaat helemaal niet meer  goed met pa, Marianne, schreef Frank van Soomeren in een email aan mij. Dat het niet best met Gerrit ging was bij ons bekend. Met grote spijt heeft hij voor de reünie van september jl  af moeten zeggen. De gezondheid liet het niet meer toe. Hoe graag zijn zoon Frank en kleinzoon Jacco hem voor de derde keer weer hadden wilen begeleiden, het ging niet meer.
Al de volgende dag na de email ontving ik het droeve bericht van Frank dat pa, na bewust afscheid te hebben genomen van iedereen, in alle rust is overleden. Het was goed zo.
 
In ons blad Sepatoe Roesak mei 2013 deed ik nog uitgebreid verslag van het bezoek bij Gerrit thuis in Rotterdam. Gerrit heeft de nodige tegenslagen in zijn jonge jaren gehad. Met zijn zorgzame vrouw Bep hervond hij het geluk. Samen met kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen leefde Gerrit zijn leven na Nederlands Indie. Keerde terug in 2007 naar de gordel van Smaragd samen met oudste dochter en kleinzoon. Een reis om nimmer meer te vergeten. Nu ging Gerrit op zijn laatste reis.
 
Tijdens de zware storm op 5 december 2013 reisden Joop en ik naar Capelle aan den IJssel om het laatste afscheid van Gerrit van Soomeren bij te wonen. Er was geen ruimte meer in het programma voor ons om een toespraak te houden maar op  verzoek van de familie brachten wij de Tijgerbanner  met standaard en het Tijgerschildje voor op de kist mee. Een grote groep familie,vrienden en kennissen had eveneens  de storm getrotseerd.
Bij binnenkomst werd het muziekstuk Slavenkoor uit Nabuko gespeeld. Een diapresentatie die de hoogtepunten in het leven van Gerrit van Soomeren weergaf, bevatte ook een groot aantal foto’s van de door hem bijgewoonde Tijgerbrigade reünies.
De dominee hield tijdens de razende storm zijn toespraak en gebeden. Af en toe keek hij met een scheef oog bedachtzaam op naar het door de storm geteisterde dak.  Maar moest ook even spieken naar de naam van de overledene. Het zal een kleine verwarring vanwege de storm geweest zijn.
‘Veilig in Jezus armen’, ‘Groot is uw trouw’, ‘De kracht van Uw liefde’, ‘Stil maar, wacht maar’ waren de liederen die door de aanwezigen werden gezongen. Zoon Eric hield namens de familie een emotionele toespraak, waarbij nadrukkelijk ook de 1e vrouw van Gerrit van Soomeren werd genoemd. Ook voor haar werd een kaars aangestoken.  Kleinzoon Jacco hield daarna een bevlogen toespraak.
Bij het laatste afscheid werd het muziekstuk ‘Land of hope and Glory’ van Vera Lynn gespeeld. Begeleid door deze muziek namen wij met gepaste eerbied voor de laatste maal afscheid van onze sobat Gerrit van Soomeren. Met een respectvolle groet en droef gemoed verlieten wij de aula. Zowel onze aanwezigheid als het meebrengen van de Tijgerbanner werd door de weduwe en kinderen enorm gewaardeerd.
Helaas weer een afscheid van een fijne sobat. Een sobat die in het bijzonder met maatje Gerrit Gleijm en diens zoon, in het verleden mocht genieten van het ophalen van herinneringen en het samenzijn met zijn Tijgersobats. Wederom ging een goed mens heen.
                                                                                            
                                              Corr.adres: Endeldijk 131, 3079 VB Rotterdam

 

Joop gaat naar NNG-reünie in Bronbeek op zoek naar eigen kameraden en ontmoet sobat Henk  Zwitselaar  

 
Op 16 november gaat Joop zijn eigen makkers weer ontmoeten op zijn jaarlijkse reünie van 6IB (NNG), georganiseerd door Jac Malipaard. Juist ja, de man met de Indonesische Toko op de Tijgerbrigadereünie in Vught. Joop zegt:  “Als we dan toch van huis zijn, nemen we een hotelletje in Nijmegen, dan kunnen we in Milheze op bezoek bij onze vrienden, daarna tuffen we door naar sobat Zwitselaar in Nijmegen, overnachten we in hotel Papendal en rijden we fris en fruitig zaterdagochtend in een kwartiertje naar Bronbeek!”
 
En zo gebeurde het dat we, natuurlijk na een telefoontje, op vrijdagmiddag samen met sobat Henk Zwitselaar beneden in het restaurant van “de Orangerie”gezellig koffie drinken. Marianne gaat buiten even tussendoor op de foto voor de Checkpoint. Het hele restaurant staat met de neuzen tegen de ramen gedrukt om maar niets te missen.  De fotografe woont in Nijmegen, lekker makkelijk… en dat is dan ook geregeld. Wat zijn wij toch multifunctioneel inzetbaar! 
 
Het gaat goed met sobat Zwitselaar. Hij ziet er heel goed uit. Kijkt helder uit zijn pretogen. “Ik heb het nu wel naar mijn zin. Het was hard wennen hoor om ineens te moeten verhuizen. Spulletjes die weg zijn gedaan, die je eigenlijk had willen houden of weg had willen geven aan een ander. Maar je kan niet alles meenemen natuurlijk. Ik voel mij weer redelijk goed. Ik ben niet zo benauwd meer.
En…..kijk daar gaat mijn broer, die komt hier koersballen. We zien elkaar zo een paar keer in de week. Hij zit een eindje verderop in een verzorgingshuis”. 
We blijven lekker lang bij sobat Henk. Dat kan. Henk Zwitselaar is nog goed en is daar blij om. Omdat we al meerdere keren bij Sobat Henk zijn geweest en vanwege de nog beperkte ruimte in dit boekwerk, volstaan we met dit korte bericht. Maar we plaatsten nog wel een gezellige foto bij dit verslag. 

tekst: Marianne. foto: Joop Pragt 

 

De reis naar sobat de Nijs (2-6R.I.) 29 oktober 2013  

 
Toen wij uit Echt vertrokken gingen wij richting Breda. Het doel was sobat de Nijs, een trouw bezoeker van onze reünie. Alleen dit jaar had hij laten weten dat wegens gezondheidsredenen het niet mogelijk was om naar Vught te komen.
Een van de doelstellingen van de reünie- en nazorgcommissie 2-6R.I.  T-brigade is, sobats die niet meer in staat zijn de reünie te bezoeken, een huisbezoek te brengen. Dat natuurlijk zover als het mogelijk is. De commissie is niet altijd in de gelegenheid en de sobats hebben ook niet altijd de kracht en tijd om bezoek te ontvangen. Maar sobat Adam de Nijs (2-6R.I.) had laten weten graag visite te krijgen dus onze coördinatrice Marijke had dat genoteerd en een bezoekje ingepland. Het was mooi te doen in combinatie met het bezoek aan sobat Hovens in Echt. De plaatsen Echt en Nieuw Vossenmeer liggen niet direct bij elkaar maar het was wel op een dag te doen. Eenmaal onderweg zei Marianne dat de navigator het adres van Adam de Nijs niet kon vinden. Omdat de dochter van Adam de Nijs aan Marianne gemeld had dat haar vader ’s middags altijd een kopje soep gebruikte in het restaurant van het verzorgingshuis en dat de tijd, vier uur, echt heilig voor hem was, was het flink doorrijden. Maar waar woonde sobat de Nijs nu? De Tom-Tom liet het afweten. Die had nog nooit gehoord van het adres. Marianne werd zenuwachtig. Gelukkig bleef Joop rustig, je bent niet voor niets veteraan, toch? We bereikten het plaatsje Nieuw- Vossenmeer. Op het stratenplan bij binnenkomst stond ook het adres niet aangegeven. Toevallig passeerde een fietser. Het bleek een volbloed Vossenmeerder te zijn. Maar….ook hij wist de straat niet! Wij legden uit dat Adam de Nijs een Indiëveteraan was en vroeger, in 1944 toen hij bij de BS zat, een uniform had geregeld bij een Poolse soldaat die daar gelegerd was. Zelfs een zwarte baret met fantasie-embleem had hij toen gedragen. Het maakte de fietser niet veel wijzer. We gooiden het over een andere boeg. Adam de Nijs woonde pas in een nieuw verzorgingsgebouw. Er ging een lichtje branden bij de fietser. Er waren sinds kort nieuwe units geplaatst verderop in Nieuw- Vossenmeer. Recht door, rechtsaf, ongeveer een kilometer doorrijden en dan aan de linkerkant. Nu, makkelijker kan niet. Binnen vijf minuten waren we op plaats van bestemming. Dachten we. Geen straatnaambordje te zien daar. Ook geen naam van de zorginstelling. Wel mooie nieuwe woonunits. Joop naar binnen en als geoefend oud horecaman direct naar het restaurantgedeelte...
Allemaal mooie vrouwen van gemiddeld 80 jaar aan tafel. De naam Adam de Nijs deed iedereen opspringen.  
Zit bij de Klompen, voorbij de Bakkerij, vertelden zij. Het bleken de namen te zijn van de gangen waaraan de kamers van de bewoners grensden. Sobat de Nijs was snel gevonden.
 
De ontvangst was weer hartelijk. Wat ook bij sobat de Nijs opviel, de tv met een groot scherm van wel een meter breed. Tijdens het gesprek met sobat de Nijs bleek dat de straat waaraan het verzorgingshuis lag nog geen naam had vanwege de nieuwigheid! Dus daarom herkende de Tom-Tom hem niet. Gelukkig had Joop hem nog niet uit het raam gegooid, bij ons volgende bezoek aan een sobat zullen we hem dan maar weer gebruiken.
Omdat het zoeken nogal wat tijd had gekost kwam het heilige soepuurtje van sobat de Nijs gevaarlijk dichtbij. Geeft niet, zei sobat Adam, ik vind het heel gezellig dat jullie er zijn. Maar zo steekt de reüniecommissie2-6R.I. T-brigade niet in elkaar. 
Marianne stelde voor om samen naar het restaurant te gaan en dan namen wij ook een kopje soep. Adam de Nijs was blij met het voorstel en eenmaal aan tafel in het re staurant begrepen wij waarom. De soep was heerlijk en het was een gezellig samenzijn daar. Tot onze verbazing kwam er nog een Indië- veteraan bij ons aan tafel. Het was een Huzaar van Boreel. Ook hij sprak honderd uit net als Adam. Het werd steeds gezelliger. De Huzaar was eveneens soepfanaat! Marianne toonde op haar laptop (draagbare computer) de foto’s van de reünie en de mannen vonden het prachtig. 

De mannen bleven herinneringen ophalen en voordat wij er erg in hadden was het weer tijd om te vertrekken. We namen hartelijk afscheid en spraken de hoop uit dat sobat de Nijs er volgend jaar weer bij zou zijn op de reünie. Dat hoopte hij zelf ook en nadat we handen hadden geschud gingen beide veteranen voor het raam staan om ons alsnog uit te zwaaien vanaf de parkeerplaats. Het werd al donker en onderweg kwam de regen met bakken uit de lucht. De ruitenwissers draaiden op volle toeren en gelukkig bleef het zicht op de weg duidelijk. Weer heelhuids thuis, het was een heel fijne dag geweest.

tekst:Marianne, foto:Joop Pragt

 

Op bezoek bij het bruidspaar  Sjra en Mien Hovens 2-6RI   

 
Wij ontvingen in de maand augustus een leuke trouwkaart waarin een uitnodiging om op zaterdag 21 september naar St. Joost te komen. Daar werd het 60jarig huwelijk van Sjra en Mien Hovens- Jentjens gevierd. De kaart was opgesierd met een foto van Sjra en Mien nu, maar ook met een foto van het echtpaar 60 jaar geleden. Er was bijna geen verschil te zien. Mien is nog even mooi en charmant en Sjra nog heel galant, knap en met even volle haardos als bij aanvang van het huwelijk.   
Natuurlijk waren wij zeer vereerd met de uitnodiging. Maar helaas, er was voor die datum al een afspraak door ons genoteerd. Meestal proberen wij afspraken met Tijger- sobats voorrang te geven maar in dit geval moest het algemeen belang voorrang krijgen. De al geplande afspraak was er een die verband hield met de organisatie van de Tijgerreünie op 28 september. Na enige afwegingen hebben wij met spijt de uitnodiging door de familie Hovens moeten afzeggen. De Tijgerreünie kreeg voorrang.
Wel maakten wij de afspraak dat in een later stadium een bezoek aan het bruidspaar alsnog zou plaatsvinden. Via onze coördinatrice Marijke kregen wij een datum waarop wij naar Echt, de woonplaats van familie Hovens, konden gaan.
Zoals u weet combineren we meestal meerdere bezoeken aan sobats op een dag. Dit keer had Marijke Adam de Nijs voorgesteld.
 
Op dinsdag 29 oktober vertrokken wij echt naar Echt (Limburg). De Tom-Tom in onze auto deed uitstekend zijn best en zonder mankeren of oponthoud kwamen wij bij de familie Hovens aan. Het staat hier nu wel makkelijk geschreven maar toch was er bij vertrek vanuit Hoogvliet na twee (2) kilometer al een file! Maar Joop zou niet als beste Tijgerrijder zijn gekozen als hij niet een binnenweggetje richting Breda had gevonden. Na een half uur was de verkeerssituatie weer normaal en kon het tempo worden opgevoerd. Voor de Tijgers rijden wij de vouwen uit de pantalon en ’t  kokerrokje!
 
Precies 11uur (’ s morgens!) arriveerden wij volgens afspraak bij de familie Hovens. Mien zwaaide zelfs de deur al open toen we nog niet stil stonden. De ontvangst was hartelijk. Marianne zoende en Joop schudde (handen). In het verleden waren wij al eens eerder bij de familie Hovens op bezoek geweest dus we wisten de weg naar de gezellige huiskamer te vinden. Het eerste wat opviel was het enorme beeldscherm van de tv. Zeker wel 1meter 25! Het was wel makkelijk zei sobat Sjra lachend, je zag nu meer. Zoon Lucas kwam naar beneden en voegde zich bij het gezelschap en nam ook gezellig deel aan het gesprek. Sjra en Mien vertelden enthousiast over het bruiloftsfeest (voornamelijk Mien) wat zij hadden gevierd in het horeca etablissement ’t Heukske. Vele tientallen familieleden, vrienden en kennissen waren gekomen en het feest duurde tot in ‘ de vroege’ , of heet het ‘ late uurtjes’ .  Het was ronduit reuze gezellig geweest.
 
De koffie kwam op tafel bij de familie Hovens en Mien vertelde over de glasvezelkabel die was gelegd in hun straat en natuurlijk ook in de rest van de gemeente. De mannen die de kabels legden kwamen uit het buitenland en kregen koekjes van Mien. Ze wilden alles wel opeten, zei zij. Joop, als proever van de familie Pragt kon het beamen, de zelfgebakken koekjes van Mien Hovens waren heerlijk. Marianne moest vanwege haar allergie afslaan maar zag haar Joop genieten. 
Het werd een geanimeerd gesprek en de tijd vloog voorbij. Het prachtige fotoboek met foto’s van de geschiedenis van familie Hovens –Jentjens kwam op tafel. Het was werkelijk boeiend om te zien hoe de familie zich had ontwikkeld. Maar, er stond nog een bezoek op de lijst, we moesten naar sobat Adam de Nijs. Tot afscheid vertelde Mien nog een smakelijke mop en proestend van de lach verlieten Marianne en Joop de gastvrije familie Hovens. Zoon Lucas, Luuk voor ons, kwam aanzetten met een tas met twee kilo walnoten. ‘ Voor jullie, ze zijn heerlijk’, zeiden Luuk, Mien en Sjra Hovens.  Het is toch een apart volk die Limburgers, we blijven van ze houden. Maar nu op weg naar Adam de Nijs in Nieuw- Vossenmeer.  

tekst:Marianne foto:fam. Hovens. 

 

Kranslegging namens 2-6R.I. in Roermond

 
 
 
Ook dit jaar heeft Marianne namens de sobats weer geregeld via de stichting N.I.M. dat er een krans kon worden gelegd tijdens de  nationale herdenking in Roermond. Deze krans wordt uit gelden van
de donaties bekostigd. Op het bijgaande lint staat:  laatste groet sobats 2-6R.I.
Wij hebben dit jaar sobat Jo van den Heuvel (2-6RI) bereid
gevonden daar namens alle sobats van 2-6RI de krans te laten leggen. Hij heeft deze door hem opgenomen taak, met gepaste trots, prima uitgevoerd. Hartelijk dank daarvoor ! 

 

      foto's Joop Pragt

 

26e Nationale  herdenking Roermond, za. 7 september 2013. 
 
 
Ook dit jaar waren wij, Joop, Theo en Marianne, aanwezig in Roermond. Joop om als NNG-veteraan zijn makkers te herdenken, maar ook uit respect en eerbied voor de Indië- veteraan. Het is schipperen op zo’n dag, je wilt zowel als echtgenote van een trotse NNG- veteraan, mijn Joop, maar ook   als voorzitter en secretaris van 2-6R.I. ,T-brigade aanwezig zijn. 
Theo Eversen was zoals altijd al vroeg op het herdenkingsterrein aanwezig. Dit keer met de nieuwe Tijgerbrigadebanner. Een duidelijk herkenningspunt voor de sobats.  Bij de banner werd regelmatig gestopt en gefotografeerd. Belangstellenden namen al dan niet voor korte of lange tijd  plaats bij ons ontmoetingspunt waarbij een eervolle vermelding voor o.a. Thijs Berben en Bart Poorte. Sobats wisten ons de gehele dag te vinden. 
 
 

foto Joop Pragt

                             

Een dame kwam aangelopen, bekeek uitvoerig de Tijgerbanner en maakte er foto’s van. Het viel  Marianne op dat zij wel heel  langdurig de banner bekeek en vroeg haar belangstellend waarom zij zo’n opvallende  interesse had. Zij vertelde haar naam, L. Reij en dat zij meerdere personen kende die bij de Tijgerbrigade hadden gediend. Zo ook haar vader. Dat was Bair Bonné van 2-6RI.
Hij overleed op 9 augustus 2006. De dame werd meteen uitgenodigd om bij ons plaats te nemen en werd aan Bart Poorte voorgesteld. Het gesprek wat toen volgde, kan bij Marianne nu nog kippenvel oproepen, want Poorte heeft Bonné goed gekend.
En dat niet alleen, hij kende ook P.P.H. Smeets, gesneuveld in
Nederlands Indië. Bair Bonné en Smeets waren kameraden geweest. Mevr. L. Reij kende een zoon en dochter van  P.P.H. Smeets. Bovendien kende zij ook L.P. aan de Boom van foto’s. U begrijpt wel, die twee hadden elkaar onder het geknakte parapluutje van sobat Bart heel wat te vertellen. 
Adressen uitgewisseld en afspraken gemaakt. Natuurlijk kreeg mevr.
L. Reij meteen de uitnodiging  om als nabestaande, al dan niet als begeleider voor sobat Poorte, de reünie te bezoeken. Vanwege  gezondheidsredenen zou dat waarschijnlijk niet mogelijk zijn. Wel is er contact met Bart Poorte gebleven.  Bart ontving een foto met daarop Bair Bonné, L.P. aan de Boom en P.P.H.Smeets.Sobat Bart maakte duplo’s van die foto en verzond deze naar sobat L.P. aan de Boom en aan Marianne.

 

foto Joop Pragt

 

 

 

Hij, Bart Poorte, schrijft aan haar: “Die foto kunt u plaatsen in uw blad. Wat een blijdschap van deze mensen. Zo zie je dat de wereld klein is en dat kleine dingen groot zijn!”

 

 

 

 

foto Bart Poorte

                                                     

 

      

Commando overdracht bij de Limburgse Jagers.

 
Op 6 september 2013 had Ltn. kol.M.W.G. (Marc) Jacobs als de Commandant van 42 Pantserinfanteriebataljon Limburgse Jagers & Regimentscommandant Limburgse Jagers, de eer om o.a. Marianne uit te nodigen voor de op die dag officiële commando-overdracht
van het commando aan Luitenant–kolonel P.T.H.R. (Ramon) Jansen.
Marianne onderhoudt de  contacten met de Limburgse Jagers. Met Overste  Marc Jacobs heeft zij al menig goed gesprek gevoerd over hoe de ‘oude Jagers’ van nut kunnen zijn voor de ‘jonge Jagers’ en vice versa. Zij hebben dat beiden goed begrepen en zijn elkaar al menigmaal goed ten dienste geweest. 

foto LBJ

Marianne hoopte dat die behulpzaamheid bij de nieuwe commandant ook aanwezig zou zijn! Bij binnenkomst in de kazerne (De Ruyter van Steveninckkazerne te Oirschot konden we gelijk aansluiten bij de rij genodigden die voor ons waren gearriveerd. Bij de ingang van de receptieruimte stonden twee soldaten in ‘livrei’. Prachtig in militaire kostuums gekleed. Bij iedere ster die binnenkwam vlogen zij in een prima vertraagde houding, het was heel indrukwekkend. Binnen, de rij wachtenden was nog langer dan buiten, leek het een fonkelende hemel bij nacht met allemaal balken en sterren. Kapiteins, Majoors, Oversten, Kolonels en zelfs drie Generaals waarbij Luitenant-generaal de Kruijf, de Regimentsoudste. En daar sta je dan als Marianne. Gelukkig hoeft Marianne het verschil in rangen niet te weten en is tegen iedereen even vriendelijk. Zelfs de generaals sprak zij aan en vroeg, indien ‘t nodig zou zijn, om steun voor ‘ haar mannetjes’. Die werd toegezegd. Een duidelijk bewijs van het pro veteranenbeleid van de laatste jaren.
De ontvangst door Overste Marc Jacobs en zijn vrouw was allerhartelijkst. Marianne overhandigde o.a. de Tijgerkalender aan de Overste. De Overste vertelde ons dat hij een post in Münster (Duitsland) ging vervullen dus het contact met de Tijgers zou dan minder intens worden, maar dat zijn binding met de Tijgers wel oprecht was. Dat bleek toen wij vervolgens kennismaakten met zijn opvolger Overste Ramon Jansen. ‘ Hallo Marianne, hallo Joop, jullie zijn van het gele boekje. Leuk om nu eens kennis te maken met jullie. Marc heeft mij al duidelijk ingelicht dat jullie de Tijgers prachtig vertegenwoordigen en dat we blij moeten zijn dat wij, de Limburgse Jagers, de tradities van die Indiëgangers mogen bewaren’. Kijk, dat is nog eens een leuke ontvangst. Overste Ramon Jansen bleek dus al aardig op de hoogte te zijn en hij zegde Marianne zijn volle medewerking toe als er iets nodig was voor de mannen van de Tijger-brigade. Marianne knoopte dat direct in haar oren. Ook overhandigde zij de Overste een presentje. Het was een fijne kennismaking voor de vertegenwoordigers van de 2-6R.I. T.-brigade reüniecommissie.
 
Om 12 uur was de lunch: soep en belegde broodjes voor de geïnteresseerden onder u. De commando overdracht was om 14.00 uur. Alles naar het exercitieterrein, ook de generaals.
Na afloop van de plechtigheid werd Luitenant-kolonel Marc Jacops in een gevechtswagen gestopt en onder luid applaus uitgezwaaid.
We gaan hem missen. Gelukkig treedt overste Ramon Jansen in zijn voetsporen. Nadat wij na afloop van de plechtigheden afscheid van hem namen drukte hij Marianne nogmaals op het hart contact op te nemen met hem als er hulp nodig zou zijn voor de Tijgerveteranen. En die belofte heeft hij al snel gestand gedaan gezien zijn komst naar de reünie op 28 september in Vught en de verzorging van het vervoer van station naar de kazerne vice versa. Klasse!                               

foto Joop Pragt

 

 

Sobat  Jan van Langh (2-6RI) ging niet naar Nederlands Indië.  

 
Omdat we toch voor alle zekerheid nog een keer de reünie wilden doornemen op de kazerne maakten we voor 13 augustus een afspraak op de kazerne in Vught. En omdat we na die afspraak nog tijd over hadden om een sobat te bezoeken gingen we, in overleg met Marijke, de lijst namen af.  Het valt soms niet mee om een afspraak met de veteranen te maken. Hoewel vele sobats op hoge leeftijd zijn, staat er veel op hun agenda. Dan bellen wij een andere sobat. Dit keer hebben we meer sobats moeten bellen. Jan van Langh (2-6RI) was de eerste die meteen zei: “Ja hoor, je komt maar aan.”
                                                           
Jan van Langh komt ons ophalen bij de deur van het verzorgingshuis waarbij hij een aanleunwoning heeft.
De boel staat op zijn kop. “Sorry van de rommel en de herrie maar ze zijn hier in het huis druk aan het verbouwen. Er wordt hard gewerkt. En een herrie met dat boren is het soms!”
Jan loodst ons naar zijn appartement. Snel de deur dicht. Dat scheelt al weer een hoop herrie.
 
We feliciteren Jan eerst. Hij is kortgeleden 90 jaar geworden. Marianne had hem op zijn verjaardag al gebeld. Jan neemt het snoepertje en de speciale placemat graag aan. Daarna wil Jan van Langh  meteen de koffie aanzetten, maar wij gaan eerst eens alle kaarten bekijken die hij heeft ontvangen voor zijn verjaardag. Het is een groot aantal. “Ik ben blij dat ze u niet vergeten hebben op uw verjaardag”, zegt Marianne bewonderend over de uitstalling kaarten. “Fijn hoor”.
Marianne legt uit dat we naar de kazerne zijn geweest om de reünie nog een keer door te spreken.
 
“Gos, wat waren er de laatste reünie erg veel mensen hè”, zegt Jan. “Komen er nu nog steeds nieuwe bij?”
Zeker wel en ook van 2-6RI! Marianne noemt wat namen: “Jo van de  Heuvel, Conny van de Wiel, Pietje Renting hoopt ook nog een keer iedereen te zien. En…de aalmoezenier v.d. Broek komt ook. Haar vader was kapitein v.d. Broek van 2-6RI”.
Jan glundert: “Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Ik ben wel op de reünie in Breda geweest. Maar daar ken ik echt niemand en als daar 11 man komen dan is het al veel.
Ik kom weer samen met mijn administrateur naar jullie toe. Helaas kan ik er niet meer alleen heen. Ik moet een eind lopen eer ik bij mijn auto ben. Die staat verderop in een garage. Ik moet voorzichtig doen met lopen. Dat blijft het probleem. Dat hoofd van mij. Ik rij heel weinig.In  2015 moet ik weer voor de keuring voor het autorijbewijs.”         
 Jan van Langh is niet naar Indië gegaan. Hij vertelt aan Marianne de reden. 

 

 “Ik heb wel gewoon mijn opleiding in Vught gehad. In de Frederik Hendrik kazerne. Kapt. Welzenes heeft mij bevorderd tot sold. 1e klas en ik werd overgeplaatst naar de 3e compagnie.
 
We zijn voor een afscheidsparade naar Limburg gemoeten. Sittard. Op het voetbalveld. Toen kregen wij ons traktement. Daarna zijn we dus met inschepingsverlof gegaan. Ja en toen heb ik dat ongeluk gehad. Tijdens het inschepingsverlof ben ik in De Horn verongelukt. Ik liep een schedelbasisfractuur op. Ik weet niet veel meer daarvan en ook de dagen daarvoor zijn voor mij een zwart gat. Dan denk ik aan Prins Willem Friso. Die was meteen alles kwijt en is niet bijgekomen. Ik werd op een gegeven moment wakker in het ziekenhuis, maar ja, toen lag ik er al vier weken in! Al die tijd heb ik in coma gelegen. Ik wist totaal niet wat er gebeurd was en dat weet ik nu nog niet allemaal.
We reden op een vrachtwagen, die werd aangereden en ik werd van de vrachtwagen af geslingerd. Daarna ben ik ook nog aangereden door achteropkomend verkeer.  Hoe dat is gebeurd, dat begrijp ik nog steeds niet. Vreemd dat je dat dan allemaal kwijt bent. Later kwamen ze van het militair Rode Kruis me halen. Ik werd naar het ziekenhuis in Oosterhout overgebracht. Mijn hele militaire uitrusting lag op mijn kamer. Ik lag niet zo lang in het ziekenhuis, een week of zes. Toen mocht ik naar huis. Dus ik ben wel 2-6RIer maar niet verder gekomen dan Sittard. Toen ze van 2-6RI weer terug kwamen sprongen ze mij achter elkaar om de nek. Jantje, je blijft voor ons gewoon een 2-6RI-er hoor. Door die schedelbasisfractuur ben ik 100%  invalide geworden. Vandaar dat ik nu een invaliditeitspensioen heb.
 
1-6RI is hier in Nederland gebleven. 2-6RI werd aangevuld met 1-6RI en het vernieuwde 2-6RI is naar Indië gegaan. Ik was sergeant v.d. week toen er getekend moest worden voor Nederlands Indië. Dat was bij Kapt. Veldman. Die stelde het allemaal niet mooier voor dan het was hoor. Hij wees ons op wat er allemaal kon gebeuren. Ge moet niet denken dat ge op vakantie gaat hoor, vertelde hij.
Het was een goeie hoor. Jammer dat hij het niet heeft overleefd. Dat ongeluk met ltn. Fick, ook een Oosterhouter hè. Veldman was eigenlijk onderwijzer in Geertruidenberg. Hij had een groot huishouden. Een echte vader. Het was ook een grote kerel. Heb je een groot gezin en dan ga je toch naar Nederlands Indië. Zijn zoon Wim kan je helemaal niet vergelijken met hem. Die is heel anders.
 
Na mijn thuiskomst uit het ziekenhuis heb ik niet veel kunnen doen. Ja, kletsen en naar de bar gaan. Toen ging het weer niet goed en moest ik achterelkaar naar het ziekenhuis in Den Bosch. Daar lagen allemaal militairen…. Het was geen militair ziekenhuis hoor. Er liepen daar de broeders van Huijbergen.
Ik ben daarna op een brancard de ambulance ingeschoven en thuisgekomen kon ik ineens wel lopen. Al die tijd in het ziekenhuis kon ik niet meer lopen. Later ben ik heel dikwijls in het militair hospitaal in Utrecht teruggeweest.
 
Marianne vraagt: “Maar weet u nog wel hoe u bij 2-6RI terecht bent gekomen?” “Jazeker wel. Ik ben in 1943 ondergedoken. Eind juli, begin augustus. Ik werd opgeroepen vanuit Breda voor te gaan werken in Duitsland. Ik dook onder. Eerst ongeveer 6 weken in Dongen. Daarna gewoon thuis. We hadden een heel groot huis. Op de bovenste verdieping hadden ze een dubbele wand gemaakt. Daarachter een redelijk grote ruimte. We konden de schuilplaats van binnen dicht maken en dan zag je er van buiten af  niets meer van. We zaten daar met zijn drieën, mijn vriend Arie en nog een jongen. Die had al in de gevangenis van Scheveningen gezeten en was daar ontsnapt. Hij werd nog steeds gezocht.
 

Ik was nog net geen 18 jaar toen de oorlog uitbrak. Het was Pinksteren. Ik zat op de MULO en heb mijn diploma nog kunnen halen. De Duitsers waren toen nog niet zo streng. Later werd dat een heel ander verhaal en werden de scholen gesloten.
Ons gezin bestond uit twee jongens en twee meisjes. Mijn vader had een biljartfabriek en ik kwam in het bedrijf van mijn vader. We maak-ten biljarttafels en  had-den ook het onderhoud van de tafels. Veel mili-taire instanties waren onze beste klanten. We hadden alle kantines en officiers en onderoffi-
ciersmesses. We zaten door  half Nederland. Van Leiden tot in Woerden, Den Bosch tot Venlo, Zeeland, Den Haag en Rotterdam, Delft, de Lier, die kan-ten op. De mariniers in Rotterdam die hadden de spullen niet van de kadi, die hebben hun eigen voorzieningen. Later heb ik het bedrijf van mijn ouders voor een mooie prijs van hen gekocht. Ik kwam overal en kende heel veel mensen. In 1979 heb ik de boel verkocht. Ik ging op mijn 56e jaar met pensioen”.
Na even adem halen gaat sobat Jan verder: “Twee dagen nadat wij hier in het Zuiden bevrijd waren heb ik mij in Oosterhout vrijwillig gemeld bij de Binnenlandse Strijdkrachten. De eerste dienstplichtigen zijn pas na ons gekomen. Dat was de 7 december divisie.

 

Ik werd OVW-er omdat we er tegenaan wilden. Wij vrij, zij ook vrij.
We liepen wacht in de polders rond Oosterhout. De Duitsers kwamen over de Nieuwe Maas. We liepen samen met de Engelsen en Canadezen patrouilles en wacht. Er zijn er daar veel gesneuveld hoor. Oosterhout werd bevrijd door de English Scottish Highland Divisie.
 
Toen de jongens naar Indië vertrokken lag ik in coma, maar later heb ik met de jongens van 2-6RI daar geschreven. Met Nico de Been,  die is later naar Australië gegaan en ook met Terrez van Turnhout”.
Marianne zegt heel verrast: “Terrez van Turnhout? Meent u dat nou. Terrez van Turnhout, die was motor- ordonnans. Mijn vader (Huib Lankhuizen) heeft over hem verteld. Terrez sjouwde overal zijn motor mee naar toe, ook in het veld!”
Jan knikt met zijn hoofd en zegt:”Der was er nog een naar Australië gegaan. Die naam weet ik niet meer”. Marianne vraagt: “van de Veeken? Westerhof? Ad Conijn?”  “Ad Conijn die heb ik ook gekend, ja”. Marianne vertelt dat Ad Conijn nog leeft en nog steeds in Australië woont. “Oh, dat is fijn! Marianne, ik kan nog steeds niet met mijn ogen dicht staan. Dan val ik om. Dat komt weer door de ziekte van Lumière. Door het hele gebeuren ruik ik niets meer. Marianne zegt:” Hè, ik heb net zo’n lekker parfummetje op. Maar u heeft ook een lekker ruikende aftershave op. Heerlijk fris. Ik zou hem houden!”
 
Jan van Langh leerde zijn vrouw kennen in 1948. “Ik had eerst vier jaar verkering gehad met die ene vrouw, toen kwam er een ander in het spel en daar is zij mee getrouwd. Daarna kwam er steeds weer een ander meiske. Ik dacht:  maar Jan, je kan zo niet aan de gang blijven. Toen ontmoette ik Riet uit Breda in een café. Haar kende ik al eerder. Zij was de oudste dochter van een vaste klant.
We zijn in 1954 getrouwd. Volle bak. Grote familie en veel klanten. We kregen één kind. Een zoon. Die werd geboren met blaas en urineweginfecties. Hij is op zijn 32e jaar overleden. Dat was een enorme klap. We hadden een heel grote aangetrouwde familie, maar daar is het grotendeel al dood van. Hier is het niet zo druk. Daarom heb ik die TV gekregen. Ik wil niet op een kaartclub of zo. Dan ben je teveel gebonden. Ik wil vrij zijn. Verder heb ik mijn vrienden in het café. Daar maak ik mijn praatje mee.
 
Zo, en dan nu koffie?”,  vraagt Jan. Dat is goed.  Marianne duikt met Jan de keuken in om een kopje koffie te maken. Ondertussen vertelt Jan enthousiast verder: “Vrijdag begint de kermis! Altijd een groot feest hier. Ook vroeger al. Helaas kan ik niet meer elke dag er heen. Dat houd ik niet meer vol, maar ik ga wel om de andere dag, hoor! Gelukkig is het goed weer en dan zijn er veel mensen op de been. Gezellig. Ik houd daar wel van.
Na de koffie is het tijd om op te stappen. We willen Jan niet te veel vermoeien ook al is hij nog heel opgewekt en is het nog zo gezellig. We hebben ernstige dingen besproken, maar ook heerlijk gelachen en herinneringen opgehaald met de man die wel een 2-6RI-er is maar die niet naar Indië ging! Weer een heel ander verhaal dus.
Jan loopt met ons mee naar de uitgang. Het is nog erg warm. Jan krijgt, net als andere veteranen die wij bezoeken, een drietal klapzoenen van Marianne en een stevige handdruk van Joop.
Dag Jan, het was een fijne middag. Bedankt voor de ontvangst!

tekst:Marianne Pragt. foto's Joop Pragt 

                                     

 

                   

Naar Scheveningen maar niet naar het strand   

 
Een expositie van kunstenaar Esher in Den Haag! Die wilden wij, Joop en Marianne, echt niet missen.
Marijke, altijd weer alert, bedacht dat als we toch naar Den Haag gingen we meteen bij sobat Ernst Toorens langs konden gaan om de door hem bestelde placemats van de reünie 2012 af te geven.
Zo gezegd, zo gedaan. Een afspraak werd gemaakt en op 31 juli reden we Scheveningen in. Eerst even de parkeervergunning ophalen bij sobat Toorens (heel attent) en de auto aan de overkant van de straat geparkeerd.
 
Sobat Ernst Toorens leerden wij kennen op de reünie van 5-5RI. Ernst Toorens(87) had wel oren naar de Tijgerbrigadereünie van 2012 en schreef zich in. Na afloop van die reünie in Vught was het sobat Toorens die na thuiskomst zich meteen voor de volgende reünie in 2013 opgaf!  
 
In de knusse huiskamer, waar voorwerpen nog herinneren aan de voorbije jaren dat de grootouders van Ernst Toorens het huis bewoonden, begroeten we ook Mevr. Riet Toorens (85). We overhandigen haar het bekende snoepertje en aan sobat Toorens de placemats. De klapdeuren naar de tuin staan open en een verkoelend zeewindje blaast de warmte weg. Sobat Toorens rept zich naar de keuken om koffie te maken. Mevr. Toorens kan niet goed meer uit de voeten. Hoewel zij vroeger met veel enthousiasme het gravel van de baan tenniste.
 
Ondertussen babbelt Mevr. Riet Toorens gezellig door. Zij is geboren in Eindhoven. Sobat Ernst Toorens komt uit Sloterdijk. Ze leerden elkaar 63 jaar geleden kennen.
“Ik was telefoniste bij Philips en leerde Ernst kennen door een gesprek voor hem aan te vragen bij Foka over een spiegelreflexcamera. Het bleef niet bij een telefonische verbinding: 61 jaar geleden werden zij in de echt verbonden. 
Sobat Ernst Toorens is een goed verteller. Zijn geheugen is ijzersterk. Maar……alle aan ons vertelde herinneringen en belevenissen blijven op zijn verzoek binnen de vier muren van het huis aan de Scheveningse Badhuisweg. Dat verzoek respecteren wij natuurlijk. Er is geen opname gemaakt en geen aantekeningen gedaan.
Sobat Ernst Toorens zegt: “Ik wil voor het boekje  niet verder gaan dan ‘de mededeling’: dat ik onder andere tijdens mijn verblijf in de Oost, na mijn vertrek bij 5-5RI, toen gelegerd in Salatiga, de tweede politionele actie heb meegemaakt bij de Verbindings Afdeling T-Brigade tot na de terugtrekking uit Djocja. 

Daarna heb ik andere functies in midden- en zuid Java bekleed bij de W-Brigade onder andere bij 3-11 RI (omgeving Poerwokorto en Tjilatjap). Alsmede een ‘afsluitings’ functie in Bandoeng bij het HKAG (Hoofdkwartier Adj.Generaal.red.) alvorens naar Nederland terug te varen.  
 
Toch merken wij nog wel even op dat Ernst Toorens tijdens zijn diensttijd het plaatsje Laren op zijn kop wist te zetten met een levensechte oefening van een aanval. Op de Brink stond een verlaten kinderwagen en de mensen angstig met wit weggetrokken bekkies achter de gesloten ramen tussen de vitrages gluurden. 
Een straffe berisping viel Ernst Toorens ten deel, maar hoe dan ook, het was een heel geslaagde oefening. Sobat Toorens was zijn tijd ver vooruit! We zien vaak op TV hoe de militairen vandaag de dag dergelijke oefeningen moeten uitvoeren. Hulde alsnog voor Ernst Toorens dus.
 
We zijn inmiddels twee kopjes koffie verder en vele mooie herinneringen waarin wij mochten delen. Hoe gezellig het ook is, we hadden nog iets op ons programma staan. Esher!(Grafisch kunstenaar. red.)
Sobat Ernst Toorens veert alweer snel op uit zijn stoel. “Ho, niet zo snel, eerst de placemats betalen,” en hij doet er meteen een gulle donatie van 40 euro bij voor de kas.
Na een hartelijk afscheid van mevr. Riet Toorens die ons meteen uitnodigt voor een volgend bezoek, loopt sobat Ernst Toorens mee naar de auto. “Waar staat jullie auto”, vraagt hij. “Daar aan de overkant. Die groene met het TIJGERBRIGADE-EMBLEEM op de portier…. ,” wijst Joop nog overtuigd. Maar …..het TIJGEREMBLEEM is verdwenen! Weg! Aan de stoepkant zit het magneet nog wel, maar aan de straatkant zien we een kaal portier! Er moet een Tijgerbrigade-fan langs zijn gekomen en het magneet hebben weggegrist. En dat in zo’n chique buurt van Scheveningen. Ergens zijn we ook wel gevleid. Het tijgerembleem is zo mooi, dat het in Scheveningen het  stelen waard is.
 
Na de parkeervergunning aan Ernst Toorens te hebben teruggeven bedanken we ook hem voor de heel fijne morgen. We beloven ons verslag heel beperkt te houden en dat doen we dus ook! Wij gaan op naar de expositie van Esher.                                                                                  
tekst: Marianne. Foto's: Joop Pragt                       
 

 

       

Een langverwachte visite bij  Ad van Hooijdonk  (2-6RI.)  

 

 
 
 
Ons bezoek bij Jan Laus is wat uitgelopen en Marianne belt snel naar Ad van Hooijdonk dat we wat later komen dan afgesproken. “Och, dat is geen probleem Marianne, we zijn thuis,” zegt Ad door de telefoon. “We kijken naar jullie uit!”
We hebben al verschillende keren geprobeerd om een afspraak te maken voor een visite bij Ad maar dan was de gezondheid van Ad niet in orde en dan die van zijn echtgenote Irène niet. Maar onlangs kregen we een mailtje van Ad dat hij het zeer op prijs zou stellen als we hem nu kwamen bezoeken. Aangekomen in Bergen op Zoom is het tehuis zo gevonden en we gaan ondanks de hitte, in versnelde pas door de gangen naar het appartement van Ad en zijn vrouw Irène.
Na een heel hartelijke begroeting door Ad en Irène zitten we later met een glaasje fris in het kamergedeelte van het ruime appartement. De balkon deuren staan wijd open. Hoera het is zomer!       

 

                            
Marianne begint het gesprek met de vraag: “ Sobat Ad, hoe bent u opgegroeid?” Ad van Hooijdonk valt gelijk met de deur in huis. “Mijn moeder werd kindermeisje bij de directeur van de Suikerfabriek. Die kwam dus van de zuurkoolstamp en het slapen in de bedstee naar een eigen bed en een dienstbodekamertje. Het verschil was zo verschrikkelijk groot. Iedereen kleedde zich voor het diner. Net als in de TV-serie upstairs, downstairs. Ik snap niet dat ze niet na twee dagen daar knettergek vandaan is gekomen. Nee in tegendeel hoor, ze paste zich zo goed aan. Ze leefde zich daarin helemaal uit en vond het heerlijk. Ze kreeg verkering met mijn vader. Hij was chauffeur bij de nieuwe suikerfabriek. Keurig in uniform. Ze trouwden. Die hadden het eigenlijk wel heel goed, een vrij huis van de suikerfabriek, elektrisch licht. Dat had niemand in het dorp. Tafel werd gedekt met tafelkleden,  vingerkommetjes en servetten. Wij konden al eten met mes en vork eer we konden lopen. En dat op Stampersgat in zo’n dorp. Ik had alleen een zuster.
Van alle kinderen die bij mij in de klas zaten werd hun hoofd helemaal kaal geschoren. Dat was tegen de luizen, maar ook om kosten te sparen. Ze hadden geen centen om naar de kapper te gaan. Die groep waar ik bij zat waren echt allemaal uit de klei getrokken met vier trekpaarden.  Ze liepen ook allemaal op klompen en ze droegen ook allemaal de broekskes van de oudere kinderen.
Als je dan mij op de foto ziet staan in de eerste klas helemaal in het pak, met een pochetje, mijn haar helemaal netjes gekapt, schoenen aan. De afstand tussen de dorpse kinderen en mij was te groot. Dat merkte je met ruzie maken ook. Die jongens konden met hun klompen slaan en ik niet. Voordat ik mijn veters los had ……had ik al een paar klappen te pakken!”
                                                                                             
Ad van Hooijdonk vervolgt met te zeggen: “Over Indië heb ik niet zoveel te vertellen. Ik zat ondergedoken in het dorpje Stampersgat. Net als jou vader kwam bij ik terecht bij de BS, ik  in Stampersgat. Het was maar een klein dorpje van 1200 zielen. Je kon er met een steen overheen gooien bij wijze van spreken.  Maar in dat dorpje stond wel de grootste suikerfabriek van Nederland en die moest toen bewaakt worden. De commandant van de BS-groep, Kees Peters, voormalig huzaar 1e klas, kende mijn ouders. Achteraf bleek dat hij mijn ouders had beloofd dat hij een beetje op mij zou letten. Ik was 18 jaar.
Het front rukte op tot bij het Hollands diep, daar komt het hele verhaal van jou vader ook in beeld. We zaten daar in schuttersputten. De geallieerden hadden zich teruggetrokken in Zevenbergen. Die waren aan rust toe en die lieten ons daar dus wachthouden. Regelmatig staken er Duitsers over en die hebben we natuurlijk gevangen genomen. We verplaatsten ons naar Vught. Het front schoof op richting Wageningen.
Toen werd bekend dat binnen een week de capitulatie van kracht zou zijn.  We hebben een oude schuit met vlas dicht gemaakt en zijn, half in uniform, naar de overkant gevaren. ‘Achtung Minen’ stond er op een bord. Iemand van ons had daar een vriendin in ‘t Dordrecht ziekenhuis, die is hij zelf wezen bevrijden. Bij terugkomst werden we gearresteerd vanwege desertie (ha,wij wisten niet eens wat dat betekende) en opgesloten in het gemeentehuis van Klundert. Terwijl de bevrijding al van kracht was, zaten wij dus opgesloten en konden door de tralies de feestvierende mensen zien.
Het was een zooitje die dagen.
Ik had een verrekijker van mijn vader, hij jaagde veel. Wij kregen iedere dag granaatvuur en die boerderijen lagen daar nogal verlaten. Het vee was er nog wel. Dat lag met opgezwollen buiken door de granaatinslagen. Toen hebben wij daar gewoon de kelders leeggeroofd. Weckflessen en zo, dat vonden wij allemaal prachtig. Want die boeren hadden alles zo achtergelaten. Op een gegeven moment vonden wij een kanon en op een andere boerderij vonden wij granaten. Tussen de boerderij van Snijders en de Rode Vaart daar zaten de Belgen. Die Belgen hadden uniformen en alles en daar waren wij strontjaloers op. Tussen ons en de Belgen in hebben wij dat kanon naar een boerderij gebracht en met touw hebben we de afvuurinrichting ingesteld. Dan ging ik bovenop de dijk liggen om te kijken. Op een gegeven moment hebben we de granaten erin gestopt en toen WOEP! Die granaat heb ik niet meer gezien. De loop gedraaid, maar de  volgende granaat kwam vlak bij mij in de wei!! Toen moest ik mezelf bedekken, anders kreeg je de scherven over je heen. De volgende granaat hebben we ook niet meer gezien. Maar ohoh, toen hebben wij daarna een dot granaten over ons heen gehad ! We hebben het boeltje in de steek gelaten en zijn er vandoor gegaan naar onze boerderij. De andere dag zei iemand die op wacht zat: kom nou eens boven de dijk kijken. Daar waren de Belgen met een carrier en die haalde verd…mme ons kanon boven op de dijk. Daar konden wij natuurlijk niets aan doen. Het is goed afgelopen want wat deden ze nou, die wilden ook gaan schieten maar bij het eerste de beste schot rolde zo het kanon de dijk af!
Joop zegt: “ik bel nog even op, dat de Belgen dat terug moeten komen brengen hoor”!
 
Irène komt uit Roosendaal. Haar ouders kwamen als evacués  1914-1918 uit België. Ze komt uit een heel muzikale familie. “ Zelfs tijdens de oorlog werd er nog gemusiceerd door mijn 3 broers en ik zong en speelde banjo. Je kon je niet voorstellen dat dat ondanks de oorlog kon”, zegt Irène. “Toen kwam de bevrijding en al die Engelsen militairen kwamen in Roosendaal en kregen we al die leuke songs van o.a. Vera Lynn. We hebben half België rondgereisd met de familie. Wat een feesten waren er!”
“Pas was Willeke Alberti hier in het tehuis en toen heeft Irene samen met haar gezongen! Geweldig”,zegt sobat Ad. “ En ze hebben ruim een half uur met elkaar zitten praten. De volgende dag wist Irène niets meer ervan. Erg jammer hoor.”
 
We praten wat verder over het amusement. Marianne zegt: “Oh dan zullen de Sunshine Soldiers hier ook helemaal op de plaats zijn. Maar die gaan we eerst zelf op de reünie in september ‘uittesten’. U hoort nog van mij of het iets is”. (dat was het zeker red.)
Marianne zegt: “Ik heb wel meer van die plannetjes. Maar daar hangen zulke prijskaartjes aan, dat is voor ons niet meer doen. Net als Wieteke van Dort. Onbetaalbaar maar zo leuk.
Wat ook leuk was vorige reünie, dat Hans Goedkoop erbij was, de kleinzoon van kolonel van Langen.
“Is dat zijn kleinzoon?” ,vraagt Ad verbaasd. “Dat heb ik nooit geweten. Daar kijk ik van op.
Leeft Pietje Renting nog, Marianne, en Jo Spruyt, die is dood he? Ik zal Pietje nog eens bellen.
Ik schreef nog liedjes voor ze. Dat was zo’n geweldig duo. Op  de eerste reünie hebben ze samen nog gezongen. Pietje Renting  had speciaal daarvoor een lied geschreven”. Sobat Ad knikt nog enthousiast met zijn hoofd.
 
“Na het onderduiken kwam ik weer boven water en heb ik mij gelijk gemeld als OVW-er. Ik kwam in Vught in de Frederik Hendrik kazerne. Daar kreeg ik mijn opleiding. Ze moesten een schrijver hebben. Vele jongens die zich hadden gemeld kwamen van het boerenland en weinig van die jongens hadden MULO gehad. Ik had MULO en een typediploma dus ik werd gebombardeerd als schrijver. Na het samenvoegen van  1-6 RI en 2-6 RI hadden ze soldaten en officieren genoeg, onderofficieren te weinig, maar geen foerier. Ik werd gecontracteerd als foerier. Iets wat ik niet wilde. Ik wilde het veld in. Goed, ik werd onderofficier.
Toen we in Engeland kwamen leek het wel Luilekkerland. Die Engelsen eten 5 keer per dag. Nou, wij schoven wel aan hoor. Hoewel wij hier op het platteland niets te kort zijn gekomen. Maar ja, we waren wel jongens in de groei! We gingen naar Nederlands Indië.
Ik kreeg door de tijd heen verschillende oppassers: Chrisje Kessels, Loutje Vugts, die is later naar Australië gegaan, Jan van de Corput en Floor van Genderen. Chrisje dat was een heel goed mannetje. Hij is toen met zijn oog aan het sukkelen gegaan. Onze pelotonscommandant was 2e luitenant Kees Peters van de BS-tijd. Na anderhalf, twee jaar ben ik pelotonssergeant bij hem geworden en toen kon ik eindelijk het veld in. Als commandant van het 1e peloton heb ik een jaar meegedraaid in het veld
Op een gegeven moment was ik het zo beu om foerier te spelen dat ik mij heb opgegeven voor opleiding tot parachutist. Dat werd afgewezen door de compagniescommandant. Naderhand vertelde Kees Peters dat hij daar hand in had gehad. Hij had mijn vader  beloofd om op mij te letten.
De voordelen die je had als foerier waren a:  je had een oppasser en b: ik had tijd om te schrijven. Ik schreef in een stuk of drie, vier Hollandse kranten maar ik schreef ook stukjes, gedichtjes voor ‘het Midden’, ‘de krant’ voor Semarang en omstreken. En ik schreef natuurlijk in het Tijgerkrantje. Net als Jan Tippel en majoor de Vries. In 1948 kwamen we weer terug in Holland.
 
Mijn zoon opperde een keer: “ Pa, jullie zijn nu al 40 jaar thuis, waarom begin je geen reünie?”
Een reünie, tja, maar waar vind je weer een compagnie van wel 130 man? Via het ministerie van defensie kreeg ik de debarkatielijst van de ‘Johan van Oldenbarnevelt’, met wel  5000 namen. Ik heb als foerier lijsten moeten maken bij het leven, er zaten dus heel wat namen in mijn geheugen. Zelfs de initialen, die vergeet je niet meer.
Net als Hoogezand-Sappemeer, Zuidbroek, Scheemda, Veendam, Wildervank, Oude Pekela, Nieuwe Pekela, Stadskanaal.   Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores en Timor”, ratelt Ad van Hooijdonk rap op. Het is alsof Marianne haar vader weer even hoort.

“Goed, ik ga die lijst na en ik begin kruisjes te zetten …J.C. van de Corput enz. enz….en toen had ik er al wat hoor. Ik moet zeggen dat het geen prettig huwelijk is geweest dat eerste half jaar.
Toch kreeg ik ze op den duur bij elkaar.
Ik ben ze allemaal gaan aanschrijven, wat ze ervan vonden om weer bij elkaar te komen. Op één voorwaarde: je moet wel van te voren betalen want ik zit nu al een half jaar aan de telefoon en met een vrouw die kwaad is en weet ik al niet meer. Ik heb ze de man 5 gulden of 10 gulden laten betalen.
Omdat er geld aan te pas kwam vond ik dat het niet meer een eenmanspartij moest zijn. Dus ik heb er Johan Cats bijgehaald, de kapotte schoentekenaar, en Jan de Bot. Johan Nelis uit Huijbergen, filiaalchef van de Rabobank, werd penningmeester.

 

Op zaterdag 8 mei 1988, 40 jaar na thuiskomst, hielden wij onze eerste reünie bij van der Valk! Gerrit van Gils en Cor Farla waren hier ook bij, hoewel ze niet tot onze compagnie hoorden. Maar ze waren zo lang bij ons geweest. Kom er maar bij.
Zij wilden een bataljonsreünie gaan organiseren in Breda. In compagniesverband heb je niet zo’n lang leven. Ik heb toen alles overgedragen aan hun, inclusief het geld, onder voorwaarde dat het tijgerkrantje weer terug moest komen. We hadden toen al ruim duizend gulden in kas hoor.”Marianne vraagt aan Ad of hij het niet erg vindt dat het blad nu sepatoe roesak heet. “Welnee hoor! Op hogere leeftijd het heeft geen zin om vooruit te kijken. Bij gebrek daaraan ga je achteruit kijken. Wat zou jou vader trots zijn geweest op je, als die nog leefde. Maar ik ben ook trots op jullie. Ik ben pas 87 jaar geworden. Het is leuk dat het blad zo blijft bestaan. Ik zit er altijd al op te wachten en ik lees het ook altijd in een rrrrrrrrrrrrrrruk uit hoor”.
 
Het is een lekker lang verhaal geworden. Het was erg gezellig ook. Het vertellen zit Sobat Ad in de genen. Wij hebben weer genoten. De dag was druk en zat vol met mooie indrukken en prettige verhalen bij de veteranen van de Tijger- brigade. Het is voor ons een eer en tevens groot plezier dat wij deze mannen mogen bezoeken. Dank jullie wel!
Maar nu gaan wij op huis aan. Drie bezoeken op één dag. Wel wat veel, maar ach het is te doen. Maar niet iedere dag!

 

Jan Laus (2-6R.I.) kwijt, gezocht en uiteindelijk weer vonden.

 
Er was paniek. We waren Jan Laus kwijt. Hij belde kort met Marianne om te vertellen dat ‘het was gedaan, je hoort nog van mij’  en toen werd de verbinding verbroken.
 
Hoewel Jan Laus nooit een man was van de lange telefoongesprekken, was dit wel een heel kort telefoontje. Marianne kreeg hem ook niet meer te pakken. Geen reactie meer op de kaarten en brieven, zelfs niet op brieven die zij naar de buren stuurde. Marianne nam contact op met sobat  Arie Treffers, Korea- veteraan in ’s Hertogenbosch. Hij ontmoette Jan Laus regelmatig in het frietkot, na de zaterdagmiddagmis in de St.Jan van ’s Hertogenbosch. Arie miste Jan ook al een tijdje. (En nu missen we Arie weer! red.) Zoals het een  goede sobat betaamt, ging Arie polshoogte nemen bij het huis van Jan Laus. Daar kreeg hij te horen dat Jan was opgenomen in een verzorgingshuis in Heusden. Niet lang daarna ontving Marianne van Jan Laus zelf zijn adres! Die had weer via via gehoord dat we op zoek waren geweest naar hem. Marianne, dol van vreugde, regelde in overleg met onze coördinatrice Marijke, gelijk een afspraak met hem.
 
Dus nadat wij sobat Hans van Dijk in Rosmalen gedag hadden gezegd, gingen we meteen door naar Heusden. Naar Jan Laus. Het verloren schaap van 2-6RI.
Bij het verzorgingshuis aangekomen wist de verzorging al dat wij vandaag langs zouden komen. Jan werd gewaarschuwd en kwam naar de receptie met zijn rollator. Jan was heel emotioneel. Hij verteld: “Nu heb ik niets meer. Ik ben alles kwijt”. Marianne legde troostend haar arm om hem heen en we liepen met Jan naar zijn kamer. Eerst even rustig zitten. Het snoepertje kwam tevoorschijn en de placemat. Even wat afleiding. We kregen koffie van de verzorging. Dat was prima geregeld.
Jan vertelt dat de verhuizing snel geregeld was. “Ik was gevallen. Weet je wat het is meisje, ik kon niet meer alleen blijven. Binnen twee dagen was het geregeld”. Jan is weer emotioneel. “ Ik ben alles kwijt. Toen ik hier kwam was alles geverfd en behangen. Mijn foto’s heb ik zolang aan een spijkertje opgehangen”. De foto van zijn overleden vrouw en de foto van zijn overleden vriendin. Jan heeft het weer moeilijk. Gelukkig heeft Marianne een extra pakje papieren zakdoekjes bij zich. Jan snuit zijn neus,  hij zucht eens en dan laat hij trots de vergrotingen zien die Marianne hem heeft opgestuurd. Een waarop hij met Overste Jacops van de Limburgse Jagers staat (genomen tijdens onze reünie 2011) en een foto waarop hij met Kapt. Veuger en Sergt.Maj. Roelofs van de Tijgercie staat tijdens de reünie 2012.  Marianne zegt: “je hebt een mooie ‘hoge Pietengalerij’.”
(Inmiddels heeft Jan ook de foto ontvangen waarop hij staat met Overste Jansen en de foto waarop hij staat met Kapitein van Kemenade en Sergt.Majoor Roelofs tijdens de reünie in september 2013)
Jan vertelt iet wat verontwaardigd: “Ik sprak toen op die ene reünie een hele tijd met de overste van de Limburgse Jagers. Marianne, jij  had mij gevraagd om de overste onder mijn hoede te nemen. Die zei: Zeg maar gewoon Marc,  U verdient juist mijn respect. Maar dat doe ik niet, hij is de overste. Dan hoor ik hem niet aan te spreken met zijn voornaam. Dat hoort niet. Ik ben een goed militair. Ik bleef gewoon overste zeggen!
 

Ik heb hem nog een keer in Weert gezien. Hij had mij uitgenodigd. We hebben daar gegeten, weet je nog, jullie waren er ook. Als je hem nog eens ziet, moet je maar de groeten doen van mij. Ik heb daar toen ook met iemand zitten praten. Weet je wie het
was? Ik heb dat nooit geweten maar het was de  oud Commandant Koninklijke landmacht  generaal b.d. Leen Noordzij! 
 
Wat betreft de reünie, ik kan het niet van te voren zeggen of ik erbij kan zijn, want ik ben ook op leeftijd en elke dag is er voor mij eentje. Want als je je ogen dichtknijpt dan is het gebeurd. Maar ik kom graag!
Op het terras hier op het binnenterrein ga ik niet zitten:  het waait er te hard en er zijn  daar ook allemaal van die oude vrouwen die nog wel wat zouden willen beginnen, maar ik begin er niet meer aan. Ik zeg alleen maar goedemorgen en goedenavond. Ik ben te oud”. 

 

Marianne zegt schalks: “ Je hoeft toch niet meteen met elkaar in bed te duiken. Hoewel lekker ‘lepeltje lepeltje’ is ook heel aangenaam”.
Jan kijkt eveneens schalks naar Marianne en ze moeten dan samen smakelijk lachen. “Maar het zou toch leuk zijn om met iemand een kopje koffie te drinken hier in het huis of een kaartje leggen. Ik wist dat er nog altijd mensen waren die zouden komen”, en weer is Jan emotioneel. Marianne zegt: “we vergeten je niet hoor. Je hoort bij de
2-6RI Familie. Ik merk dat je het ontzettend moeilijk hebt met de overschakeling van je huis naar dit huis hè Jan. Het heeft tijd nodig. Het valt niet mee zo ineens te moeten verhuizen”. Bemoedigend houdt ze de hand van Jan vast.
Ze leidt hem wat af door te vragen over zijn diensttijd. 
 “Ik heb een prachtige tijd gehad bij 2-6RI. Ik heb er vanaf het begin bijgezeten”, vertelt Jan. “Ik ben vrijwillig  mee gegaan naar Indonesië wat toen nog Nederlands  Indië was. Een mooie tijd. Toen ik naar Nederlands  Indië ging was ik net 17. Bij afd. Eindhoven heb ik mij aangemeld. ‘Ik ben soldaat Laus. Ik wil mij melden als OVW-er’.
Ik zit bij de bataljonsstaf op de kazerne in Vught. Daar baal ik van. Het boodschappen doen ben ik poep en poep en poep zat”.
“Waarom drie keer?,” vroeg de luitenant. “Daardoor kunt u nagaan hoe zat ik het ben boodschappen te doen”. “Waar wil je bij dan?” “Bij de Brabanders natuurlijk. En wat denk je? Stoppen ze me bij die Limburgers! Dat boterde in het begin helemaal niet tussen Brabanders en Limburgers. Later is dat wel goed gekomen.
Er waren  een aantal onder- officieren in 1944 op de Fredrik Hendrikkazerne, daar zat ik ook, die klaar waren om officier te worden. Er werd doorgegeven: vanmiddag inhuldiging van Ltn. van Walraven, Ltn Hendrikx, Ltn.Kornuit en Ltn. van Duren.
We moesten opgesteld staan en daarbij was Luitenant van Duren en streng dat die deed. ‘KEREL, HAKKEN TEGEN ELKAAR!’
Luitenant, mag ik u wat vragen? Dat mocht. Ik ben maar soldaat, maar wilt u a.u.b. niet zo hard tegen ons roepen?  WAT ZEGT U?? Wilt u niet zo hard naar ons roepen. Wij zijn dan wel OVW-ers maar  we lopen al langer mee dan u. Nou, dat nam die niet in dank af. Grommend en grauwend bond hij in.
Het leger was toen nog leger, nu is het een padvindersclub. Ik heb nog nooit een sergeant bij zijn voornaam genoemd. Als je vroeger door de gangen liep en er kwam een officier aan moest je tegen de muur, hakken tegen elkaar en groeten.
 
Ik kreeg 1 week inschepingverlof en heb toen afscheid genomen van mijn moeder. Met een houten boemeltreintje ging ik als bataljons- ordonnance/ oppasser  op  zondagmiddag van Sittard naar Calais. Vanuit Calais heb ik mijn moeder nog gebeld. ‘Moeder, ik sta klaar om naar Indië te gaan’. Jongen, waarom moet je nou naar Indië gaan? Kijk je uit of je Joseph kan vinden? Joseph Stier, het was de vriend van mijn moeder die voor de oorlog naar Batavia was gegaan. Later, in 1947, heeft een Overste in Batavia voor mij uitgezocht of hij was overleden. Sergt. Maj. Joseph Stier uit de van Leeuwenstraat 12…. ..die is omgekomen bij de aanleg van de Birmaspoorlijn!
Vanuit Engeland gingen we naar Indië. Onderweg kregen we te horen dat alle troepen die aan boord waren van de Nieuw Amsterdam niet mochten landen in Nederlands Indië. Tot  begin maart op Morib Beach gezeten. We zijn daarna met de Sommelsdijk naar Semarang gegaan.
Ik ken Semarang nog helemaal op mijn duimpje, de Kathedraal, het weeshuis op de Bodjong, het Tijgernest, het Paleis van Justitie, de Bodjong met Toko Oen aan de rechterkant net voor de eerste straat
rechts.  Ik weet het nog precies. Ze noemden mij in Indië Johnny i.p.v. Jan. In 1947 werd ik bevorderd tot sold 1e kl. Ik kreeg vrij vervoer en mocht 3 weken naar Bandoeng. Ik ben één van de gelukkigen die iets van het land heeft kunnen zien.
Ik was oppasser bij o.a. Lt. Domminga, Sergt. Ad van Hooijdonk,  Lt.van Duren en op mijn verzoek aan Maj. Verheyen werd ik oppasser bij  kapt. Cees Peters!
We zijn 18 April ‘48, na 2 jaar en 7 maanden, teruggekeerd naar huis.”
“Het is dit jaar precies 65 jaar geleden,” zegt Marianne.
 
Sobat Laus vertelt verder: “Toen het verlof was afgelopen, had ik even helemaal geen zin in dienst. Ik heb een tijdje bij Philips gezeten. Bij  Philips kon je snel aan het werk. Die had, dat vernam ik achteraf, zelf in Indië gezeten. Ik heb enkele jaren aan de lopende band gewerkt met vanuit raam uitzicht op de Emmalaan. Potverdorie ik wil hier weg,dacht ik. Ik wil terug naar Indië. Het is er niet van gekomen.
Ik ben wel beroeps geworden en ben dat tot mijn 55e gebleven. Ik ben onderofficier transport geworden. Als korporaal 1 kwam ik uit dienst. Nooit niet meer gewerkt, ik ben er toch gekomen. Nu zit ik hier. Alles is geregeld voor mij.
Ik ben mijn vrouw kwijt waar ik twee kinderen van had. Die is overleden, ze was al ziekelijk. Toen ben ik lang alleen geweest. Daarna kreeg ik een vriendin en die is ook overleden. Met die vriendin ben ik nog teruggeweest naar Indië een paar jaar geleden. Wat een reis was dat.
Nu ben ik alleen over. Ik zit nu te wachten tot mijn tijd aanbreekt. Mijn twee zoons, Johnny en Huib zijn goed terecht gekomen.
Daar hoef ik geen zorgen meer om te hebben. In het huis bemoei ik mij niet met die familie. Ik blijf overal buiten. Ik lees hier op mijn kamer de krant met een bakkie koffie. Als het goed weer is ga ik wandelen. Ik moet wel uitkijken want hier liggen allemaal van die kinderkopjes en kunnen glad zijn. Het gaat prima. Ik blijf mijn eigen baas. Het boekje Sepatoe Roesak krijg ik ook opgestuurd.” Hij glundert: “het is wel een hele dikke!”
 
Jan vraagt of we nog koffie willen, dat slaan we af want moeten ook nog door naar Ad van Hooijdonk. “ Ah!  Sergt. Adje van Hooidonk, doe hem maar de groeten. Hij stond samen met Kapt. v.d. Broek een keer bij mij aan de deur”

“Kapt. van den Broek?” vragen Joop en Marianne tegelijk. “Zijn dochter komt naar de reünie in september!”  “Kapt. v.d. Broek is mijn baas geweest. Ik was zijn oppasser. Is de  dochter van kapt. van de Broek Groot- Majoor? Ja? Dan ken ik haar! Ik weet niet of ze mij nog kent. (Marianne heeft bij thuiskomst contact opgenomen met Luduina van den Broek. Zij is inmiddels bij Jan Laus op bezoek geweest en heeft samen met enkele sobats van 2-6RI gezorgd dat hij in september jl. is meegekomen naar de reünie in Vught). 

Het is tijd. Ad van Hooijdonk zit op ons te wachten. Jan Laus is een stuk rustiger dan toen we binnenkwamen. Hij heeft zichtbaar genoten van alle aandacht. Hij zegt: “Marianne het is een mooie dag geweest. Ik ben blij dat ik je weer gezien heb. Joop, jij ook bedankt hoor.” Drie dikke klapzoenen krijgt Jan van Marianne en van Joop een stevige handdruk en schouderklop.  Jan loopt nog mee naar de buitendeur. Hij  kan meteen even de Tijgeremblemen op de auto bekijken.
Jan steekt zijn duim op! We zwaaien nog een keer! Dag Sobat Jan!  
 
tekst: marianne Pragt
foto's: joop Pragt
                                                                                              
 

      

Op de koffie bij 3 MP IV T-brigade-veteraan Hans van Dijk.  

 
Het werd een warme dag in Rosmalen op 15 juli 2013. Wij hadden geen klagen, maar voor Hans van Dijk (91) was het wel een beetje te warm. In de schaduw van het huis en met uitzicht op de prachtig verzorgde grote tuin drinken we samen met hem een kopje koffie op het terras. Dit nadat we eerst een rondleiding hebben gekregen door het museaal huis van Hans van Dijk waar hij al 59 jaar woont
                                                         
Sobat Hans van Dijk. Een markante man. Hoewel hij zijn vrouw Meta nog iedere dag enorm mist, vindt hij na haar overlijden toch weer invulling in zijn leven. Hans van Dijk was op
2 maanden na 63 jaar getrouwd.
Zijn gigantisch grote tuin onderhoudt hij, op het grove werk na, nog zelf. Tientallen begonia’s, die hij ieder jaar weer zelf plant. “Het is net of ik in een klein parkje zit”, zegt sobat van Dijk.  Binnenshuis is hij actief met een enorme verzameling Nederlands Indië voorwerpen, emblemen en documenten. Buitenshuis met de vele bijeenkomsten en ceremonies waarvoor hij de laatste tijd veelvuldig wordt uitgenodigd.
 
“Dit is de eerste keer dat jullie hier zijn. Ik vind het leuk. We hebben wel regelmatig telefooncontact en ik ben al twee keer bij jullie op de reünie geweest, maar ik vind het ontzettend leuk dat  jullie nu hier zijn. Laatst had ik een boottocht van het BNMO, hoewel het weer niet prettig was. Regenen, regenen, maar ik heb wel vanaf de boot ontzettend genoten van de natuur. Hier een ooievaar, daar wat eenden en reigers. Ja dat was genieten. In september krijg ik het druk, een bijeenkomst van de Wapenbroeders, een week naar Doorn, de  bijeenkomst in Hattum Roermond, de bijeenkomst van de Tijgers en dan krijgen ik nog een boottocht van het ministerie van defensie ook. Maar  nu jullie bezoek! Jullie doen het goed hoor. Prima!”
Joop en Marianne krijgen er beiden een kleur van.
“Ik was blij dat de jullie de tijgerbrigade onder je hoede hebben genomen. Van mijn onderdeel is er niemand meer”.
Hoewel Hans van Dijk, zoals hij dat zelf zegt ‘in de laatste fase’ van zijn leven zit, een lekkende hartklep en hartfalen heeft, redt hij zich nog aardig met een stok of rollator.
Marianne houdt af en toe haar hart vast als Hans  van Dijk weer eens belt en vertelt wat hij allemaal heeft gedaan de laatste tijd. Menig jongere zou al moe worden bij alleen het horen van de waslijst die Hans opnoemt. Marianne zegt steeds: rustig aandoen,  maar dat komt niet in het woordenboek van Hans van Dijk voor. Hij rijdt nog auto voor de boodschappen en korte afstanden. Hans vertelt: “Ik moet er niet aan denken dat ik geen rijbewijs meer zou hebben, dan wordt het moeilijk, echt moeilijk. Het vervelende van oud worden is dat er zoveel mensen om je heen wegvallen. Maar wat ik dan ook weer heel erg fijn vindt is het contact met  Francis van Penninks - Heeswijck, (dochter  Frans van Heeswijck MP 2-6RI.) In dat kleine jaar dat haar nu ken, lijkt ze wel een dochter! En dat allemaal door de website van Sepatoe Roesak!”
 
We vragen aan sobat Hans van Dijk iets van zijn levensverhaal te vertellen. Dat is niet aan dovemansoren gevraagd. Hij schuift eens met zijn petje dat hem tegen de zon beschermt en zichtbaar in zijn element begint hij: “Ik ben geboren op 9 april 1922 in Batavia. Toen mijn ouders naar Nederland gingen heb ik hier de lagere school afgemaakt en ging ik daarna naar het Lyceum en de Algemene Handelsschool in ’s Hertogenbosch. Mijn jeugd was fijn tot in 1940 de oorlog uitbrak. Toen was mijn jeugd voorbij. Ik was 18 jaar. Vanwege die oorlog moest ik eind 1942 de handelsschool verlaten. Ik had mij gemeld bij het K.N.I.L, maar vanwege de bezetting ging de uitzending niet door. 
In 1942 ben ik in dienst getreden bij het distributiekantoor ’s Hertogenbosch en werd ingedeeld bij de uitreikgroep. In 1943 werd ik kassier waardemateriaal distributiekantoor Rosmalen. Vanwege de arbeidsinzet moest ik in 1944 onderduiken en kwam terecht bij Philips Eindhoven maar ik was ondertussen ook al druk bezig bij de  BS (Binnenlandse Strijdkrachten) en werd in 1944 ingezet bij  Gewest 17, Noord Brabant, Oost district 1 bewakingstroepen. Ik ben toen nog gewond geraakt aan mijn voet door een granaatscherf”,  vertelt Hans van Dijk op zijn praatstoel in de schaduw. “Na mijn herstel werd ik in november 1944 geplaatst bij de hulp-Marechaussee en kort daarna heb ik mij gemeld voor de strijd tegen Japan. Ik trad in 1945 in werkelijke dienst en vertrok op 20 juni 1945 als kwartiermaker voor het 1e Gezag Bataljon Indië uit Nederland.”
                           
We schuiven met de stoelen want de temperatuur stijgt en het zonnetje komt de schaduw verdringen.        

 

We willen lekker koel blijven, want er staan nog twee bezoeken op het programma en willen daar ook fris aankomen. Hoewel wij zonaanbidders zijn, blijven we nu maar  in de schaduw van het huis. Eenmaal weer in de koelte zittend, vertelt sobat Hans van Dijk (“Meta noemde mij altijd Kletsmajoor”) verder.
 
“Met de ‘Stirling Castle’ zijn we via Oostende in konvooi naar Engeland gevaren en kwamen op 21 juli 1945 daar aan. Ik zat bij de staf. Die kwam pas later met De Biaritz en daar zat ook 2-6 RI op.                                            
Ik werd dus, voor zij aankwamen, geplaatst in het USA 55camp Maveren Wells waar ik na 4 weken werd overplaatst naar het ministerie Overzeese Gebiedsdelen in London. Die heb ik geholpen om naar Nederland te verhuizen. Toen die klus geklaard was ben ik in september 1945 met een Dakota vliegtuig weer teruggevlogen naar Engeland waar ik met o.a. 2-6RI op de ‘Nieuw Amsterdam’ op 28 oktober 1945 vertrok naar Indië. 
We debarkeerden op 17 november 1945 op Port Dickson. (We mochten Indië niet in van de Engelsen) Ik ging als ingedeelde bij de Militaire Politie Staf van de T-Brigade naar Charly Beach in Seremban. Na een verblijf van enkele maanden vertrokken we met de ‘Sommelsdijk’ naar Midden Java  waar we op 13 maart 1946 aankwamen en meteen in de gevechtshandelingen terecht kwamen.
De eerste politionele actie . Wij rukten op naar Oenarang, Ambarawa en Salatiga. Nu moest alles mee: dekens, klamboes enz.  Enkele maanden later kwam ik weer terug in Semarang. Steeds weer opnieuw moesten we op patrouille door de dichte bebossing, sawavelden en alang alang (hoog riet). Doodmoe keerden we dan terug. De volgende morgen moest je weer vroeg je bed uit, om je te wassen en je kleren schoon te boenen, eten en weer op oefening. 
Ik kreeg de eerste de beste dag dat ik in de gevechtslinie lag een brief van mijn verloofde dat zij het uit maakte.
In 1946  leerde ik bij een Indische familie in Polonia Batavia, Meta kennen”. De ogen van meneer van Dijk gaan weer helemaal glimmen als hij het verhaal van die ontmoeting verteld. “We hebben gedanst. Meerdere keren. Toen moest ik weer terug naar mijn post. Ik zei: We zien elkaar wel nooit meer terug, want ik moet 500 km verder naar Semarang. Het zou een tref zijn als ik nog een keer naar Batavia kom. Drie maanden later sta ik op wacht bij een gevechtspost in Semarang en er komt een jonge dame voorbij op de fiets, met tassen vol boodschappen. Die is mij tien meter voorbij en ze stapt van de fiets af en komt zo op mij af. Ze (Meta) had mij meteen herkent.
Haar vader was vanwege zijn werk overgeplaatst naar Semarang! Ik werd uitgenodigd om eens een keer kennis te komen maken We hadden een afspraak gemaakt. Maar juist op die dag begonnen de                                                         
1e politionele acties. Niemand mocht de kazerne meer verlaten.
                                            
’s Nachts gingen we al op pad. Het duurde drie, vier maanden aleer ik weer in Semarang kwam. Ik had  een paar maanden dienst in Salatiga. De compagnies commandant, kapitein  Assink, vroeg of ik met mijn sectie terug wilde naar Semarang. Dat heb ik gedaan.  Toen heb ik dus alsnog kennis gemaakt met haar familie”.
Joop vraagt aan sobat Hans wat zijn rang was. “Op 27 november 1946 werd ik bevorderd tot korporaal en 16 november 1947 tot sergeant.  Ik heb deelgenomen aan vele acties: o.a. aan het afslaan van de aanval op Semarang.
Bij een grote bataljonsaanval richting Kendal zag ik vele van mijn sobats sneuvelen of gewond raken. Zeven  werden voor mijn ogen neergeschoten. Hierdoor heb ik een zware schok opgelopen. Ik kon het niet kwijt. Ik heb heel veel meegemaakt, maar  als je vraagt wat heb je als het ergste ondervonden, dan is het dat sneuvelen van die zeven jongens. Ze waren niet van mijn eigen onderdeel. Ik weet niet van welke onderdeel.  Ik heb toen in twee ziekenhuizen gelegen. Wat was ik kapot! 

 

 
Op 28 februari  1948 zijn we met de ‘Grote Beer’ uit vanuit de haven Tandjok Priok  Batavia  vertrokken naar Nederland,  kwamen daar op 20 maart 1948 aan en demobiliseerden eind april 1948.  
Als buitengewoon dienstplichtige met demobilisatiebestemming werd ik weer geplaatst op de Isabella kazerne in Vught.
Op 1 mei 1948 ben ik in dienst getreden bij de gemeentepolitie in
’s Hertogenbosch en trouwde bij volmacht op 28 mei 1948 met Meta. In oktober  1948 kwam  Meta met de Sibajak in Nederland. We hebben eerst in het ouderlijk huis bij mijn ouders gewoond en zijn daarna in 1954 verhuisd naar het huidige adres in Rosmalen.
     
Ik was dus  bij de gemeentepolitie ’s Hertogenbosch  terecht gekomen. Ik werkte er enige jaren. Ineens stortte ik daar compleet in. Ik weet niet eens meer dat ik thuisgekomen ben, maar Meta vertelde me dat ik het hele serviesgoed kapot had gegooid. Ik was helemaal op. Mijn lichaam weigerde dienst. Ik  heb twee jaar niet kunnen lopen. De arts stond versteld, hij begreep het niet ‘Je had 25 jaar geleden al in moeten storten’. Ik ben toen met mijn 50e jaar met pensioen gegaan.
Ik heb een hele goede bescherming van boven gehad in mijn hele leven. Dikwijls heb ik voor hete vuren gestaan hoor. Ik heb veel nachtmerries. Toen Meta nog leefde, maakte ze mij dan wakker, nu moet ik de hele nachtmerrie doormaken totdat ik zelf wakker word”.
 
 
Zweet druipt langs mijn gelaat
Even denk ik aan het koude land waar ook  ik heb gestreden
voor een vrij vaderland
Maar hier is nog steeds de ‘Bersiaptijd’
Dan denk ik weer: jongen blijf bij de tijd.
Ik ben moe, ik neem een slok zwarte koffie  uit mijn  veldfles
Wakker en alert blijven is nu het devies
Weer hoor ik dat geluid
Ik hoor fluisteren en oriënteer mij op dat geluid en haal de trekker
over en ben in gevecht en denk aan de dood
Ik zweet, gil  en mijn lichaam trilt
Wild sla ik om mijn heen
Ik voel dat ik zachtjes door elkaar wordt geschud
Plots hoor ik de stem van mijn vrouw. Ik hoor haar tegen mij
zeggen: jongen wees gerust, je droom is voorbij, rust nu maar
in mijn armen uit .
Mijn nachtmerrie is weer even voorbij.
 
                                      (Mijn mooiste gedicht … Hans van Dijk)
 
“Hoewel ik Meta enorm mis, vecht ik door tot de laatste man. Ik ga door tot ik niet meer kan. Mijn hele leven voor recht en onrecht gestreden. En dat doe ik nog.  Ik moet door. Het leven gaat door. ‘s Zomers gaat het wel. Maar ondanks dat mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen mij niet vergeten, ben ik in de winter verdomd eenzaam. Daarom bel ik jou, Marianne nog wel eens een keertje op”.
 Marianne lacht: “Jazeker, en u kletst er dan lekker op los. Net als vandaag! Maar we gaan nu door naar Jan Laus”.
“ Jan Laus, die ken ik wel. Doe hem maar de groeten. Het is een goede vent!”
Terwijl wij ons klaarmaken om verder te gaan, waarschuwt sobat Hans ons. “Je maakt er  geen flauwe kul van hè in dat boekje?!”.
“ Dat weet u toch!” zeggen Joop en ik. “Flauwe kul komt niet ons boekje voor”.
Na een stevige handdruk, een  vriendschappelijke schouderklop van Joop en drie klapzoenen van Marianne zwaaien we nog een keer naar Hans van Dijk en gaan we op weg naar Jan Laus.  
tekst:          Marianne.
foto's kleur: Joop Pragt
zwart-wit:   H.v.d.Dijk.

 

 

    

 
Cornelis Johan van Daatselaar (Joop) 2-7 RI
vader, schoonvader, opa en overgrootopa
* 26 oktober 1925   -   † 2 juni 2013
    
     
 
“Ik heb een goed leven gehad,
het is goed zo.”
 
Joop van Daatselaar. Hij meldde zich met veel enthousiasme de eerste keer voor de Tijgerbrigadereünie in 2012. Was helemaal in zijn nopjes die dag. Hij wilde heel graag bijblijven met alle nieuwtjes over zijn makkers van de Tijgerbrigade. Het ledenblad Sepatoe Roesak wilde hij ook ontvangen. Sobat Joop maakte toen meteen hiervoor een mooie donatie over. Samen met zijn oudste zoon bezocht hij vaak reünies en bijeenkomsten.
Joop van Daatselaar werd geboren in Betondorp Amsterdam. Daar heeft hij zijn hele leven gewoond. De tweede wereldoorlog had zijn grote interesse. Hij had veel DVD’s en boeken over dit onderwerp. Natuurlijk waren de tweede wereldoorlog en Indië een heel belangrijke periode in zijn leven. Een deel van zijn jeugd gegeven voor het vaderland. Joop van Daatselaar keerde in de 80-er jaren weer terug naar Indonesië. Wat een reis was dat. Reizen was zijn grootste hobby. Joop reisde graag alleen. Tevens was hij een Jazz-liefhebber.
 
Na 87 jaar ging zijn gezondheid sterk achteruit. Na twee opnames in het ziekenhuis wilde hij geen medicatie, infusen e.d. meer. Verbleef één week in een hospice, waar hij in zijn slaap is overleden op 2 juni 2013.                                         
 
De afscheidsplechtigheid vond plaats in het crematorium van de monumentale nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Marianne had contact opgenomen met de nabestaanden of het gewenst was dat er namens de Tijgerbrigade een toespraak gehouden zou worden. In overleg met zoon Sander van Daatselaar werd besloten een toespraak te houden en een gedicht te laten voordragen.
Joep Peters, enig bestuurslid 2-7RI had voor een mooi bloemstuk gezorgd. Joop Pragt hield een ingetogen toespraak en lichtte de Indië periode van sobat van Daatselaar toe. Aansluitend daarop droeg hij een toepasselijk veteranengedicht voor.
Tijdens de plechtigheid klonk  muziek van Händel : ‘Naerer, mij God, to Thee’,  ‘Het dorp’ van Wim Sonneveld en een muziekstuk van Glenn Miller.
Twee van de drie zoons hielden een emotionele toespraak. Met name Arno, de jongste van de drie, had vanwege zijn handicap een zeer speciale band met zijn vader gehad. Zichtbaar geëmotioneerd nam hij in een heel gevoelige toespraak afscheid van zijn vader.
Na de dienst was er gelegenheid om samen met de familie een kopje koffie te drinken. Een goed mens ging van ons heen.  

 

 

 Jonge tijgers vieren reünie  

 

 
De contacten met de ‘ jonge Tijgers’ zijn zo goed dat Marianne zelfs een uitnodiging ontvangt voor een ‘ jonge Tijgers’ reünie. Op 23 mei 2013 werd die reünie gehouden in de Oranje kazerne te Schaarsbergen. Het 20jarig bestaan van de Tijgercompagnie werd gevierd. U weet dat, indien mogelijk en als de omstandigheden het toelaten, de reüniecommissie 2-6R.I. T-brigade aan de verzoeken van bevriende onderdelen aandacht schenkt. Zo ook deze keer.
 
 
We lieten c.s.m. Roelofs van 11 Infanterie-bataljon Luchtmobiel weten dat we per trein zouden komen. Een chauffeur van de Charlie ‘Tijger’ compagnie zou ons bij het station opwachten en met eventuele andere reüniebezoekers per busje naar de speciaal opgerichte feestgelegenheid brengen. ’s Morgens vroeg al op weg, de trein in en naar de plaats van bestemming. Op het station was de chauffeur vergeten dat er twee ingangen/uitgangen zijn.
Marianne en Joop wachtte bij de uitgang waar zij voorgaande keren door de jonge tijgers  zijn opgehaald.  Het duurde een tijdje en nog een tijdje. Ondertussen hadden twee oudgedienden tijgers zich bij ons gevoegd. Het bleken ‘ jonge Tijgers’ van het eerste uur te zijn. Zij hadden hun plek in de burgermaatschappij voortgezet na hun tijd als beroepsmilitair. Het werd een gezellig gesprek met die jonge mannen terwijl wij op het station wachtten. Maar uiteindelijk kwam de chauffeur die boven had staan wachten en werden we in het busje op de plaats van bestemming gebracht.
Goed, wij waren binnen, dus het feest kon beginnen.

 
 
Het was even slikken, maar nu bleek weer dat alle generaties hun eigen soort van feest maken. We kwamen in een grote hal met lange tafels en banken. Het was druk, erg druk zelfs. De mannen gekleed in veldtenue, uitgaanstenue, veel in T-shirt met Tijger embleem (ja, de originele!) en burgerkleding.
                                               
Het bleek dat een flink aantal mannen hun plaats in het leger hadden omgeruild voor een plekje in de burgermaatschappij.
Het is u bekend waarom, de bezuinigingen slaan genadeloos toe. Ook in het leger. Maar het enthousiasme was er niet minder om. We zagen veel schouderkloppen en omhelzingen van herkenning. Ons viel de begroeting van compagniescommandant kapitein Ralph van Kemenade en compagnies sergeant-majoor Roelofs ten deel. We kregen koffie, werden naar de garderobe gebracht om onze jassen op te bergen en kregen een rondleiding. Toen bleek dat de huidige muziekkeuze van de jonge militairen echt wel anders is dan onze keuze voor Vera Lynn en Johnnie Jordaan!(ahum) Zelfs het geluidsniveau is tegenwoordig anders. Gelukkig bleef het dak op de hal. Kapitein van Kemenade hield een toespraak en de gevallenen werden ook op deze reünie herdacht in een opvallend indrukwekkende stilte. Respect, aandacht en waardering. Maar daarna brak eigenlijk de muziekhel los. Er zullen in de toekomst veel gehoorapparaten worden verkocht verwachten wij. Na gebruik van de warme (blauwe) hap zagen we een diapresentatie van de gebieden waar de jonge tijgers hun taak hadden gedaan. Ook erg indrukwekkend.                        
Het is anders dan Indië en Nieuw Guinea, maar ook even gevaarlijk. We werden voorzien van tijgercadeaus en we kochten ook nog wat artikelen voor onze reünie en toen was het tijd om weer naar huis te gaan. De jonge tijgers gingen gewoon door met feesten. Zij misten ons niet. Nadat we afscheid hadden genomen van de kapitein, de sergeant-majoor en enkele andere bekende militairen nam de chauffeur de eervolle taak op zich ons naar het station te brengen. Bij de juiste ingang! 
 
tekst:Marianne Pragt
foto's Joop Pragt                                                                                        

 

  

                                    
                                                                                                 Jac de Renet 2-6RI, 3e cie
echtgenoot, pap, schoonvader  en lieve opa.
*2 juli 1924    -  22 mei 2013

 

          
 
Belangrijk is niet de weg die je gaat
maar ook het spoor dat je achterlaat.
 
Jac heeft vele verdiensten voor de gemeenschap gehad. Hij schreef hier zelf over: ‘Het bidprentje eenvoudig houden, zeker wat de tekst betreft want zo goed ben ik nu ook niet geweest. Ik heb mijn best gedaan om voor iedereen goed te zijn, helaas is dit niet altijd gelukt’.
Jac was begiftigd met de Orde van Oranje Nassau, was 24 jaar wethouder in de gemeente Hunsel en  vele jaren raadslid , mede oprichter van de voetbalvereniging RKHVC, was bijna 70 jaar met deze club verbonden waarvan 36 jaar als voorzitter. Hij was de drager van de gouden speld van de KNVB, van NKS en mede oprichter en voorzitter van de seniorenvereniging in Ittervoort. Onderscheiden met het Mobilisatie Oorlogskruis. Ook het draaginsigne gewonden, Veteranen draaginsigne, het ereteken van Orde en Vrede en titel ere-Korporaal van het Medium Bataljon Bevrijding 5linie Brigade Piron zijn aan hem uitgereikt.
 
Op maandag 27 mei 2013 werd de plechtige uitvaartdienst gehouden in de parochiekerk van de H.Margarita te Ittervoort. Wij, Joop en Marianne Pragt, waren hierbij aanwezig. Onder het luiden van de kerkklokken liep het dorp Ittervoort leeg en de kerk vol. Twee dragers met twee imposante vaandels van Het Medium Bataljon (België) stonden bij de kerkingang opgesteld.
Wat een mensen, wat een indruk moet Jac achter hebben gelaten bij zoveel mensen.
Na  de uitvaartdienst vertrok de stoet naar het crematorium Midden Limburg in Baexem. Hier mochten wij in de aula ons Tijger- brigadevaandel bij de kist plaatsen. De vaandeldragers van Het Medium Bataljon Bevrijding Piron stelden zich naast de kist op als erewacht.
 
Er was een toespraak van de leidster van het damesvoetbal team. Helaas was voor ons deze toespraak niet te begrijpen vanwege het zware dialect dat gesproken werd maar de dame bracht haar speech met veel gevoel, emotie en humor. Dat was in het leven van Jac ook belangrijk.
Hierna kreeg Joop de gelegenheid een toespraak te houden en werd door hem een veteranengedicht voorgedragen. De indrukwekkende plechtigheid eindigde met een groet van het vaandel.
 
Na de plechtigheid was er een uitgebreide koffietafel in het restaurant de Oude Smidse in Baexem. De zaal zat vol! Hier kwamen we nog mevr. Netty van Haren tegen, weduwe van Jo van Haren(2-6RI).  Nogmaals, het is overweldigend te zien hoe een grote indruk Jac de Renet heeft achtergelaten bij de mensen in zijn leefomgeving. Bij ons, tijdens de meerdere bezoeken die wij aan Jac en zijn vrouw Lies hebben gebracht, eveneens! Een bijzonder charmante, innemende man die zeker wist wat hij wilde en moest worden gedaan.
Na uitvoerig te hebben gesproken met de familie namen wij afscheid van Lies de Renet.
Zij ontvangt dit boekje Sepatoe Roesak met het memorandum van Jac.  Lies, we hebben genoten van Jac. Een goed man ging heen.
 
corr..adres: Mevr. L. de Renet, Schillerstraat 8, 6014 RA Ittervoort.
                                                                                                                                        

 

Een bijzonder ontmoeting in de HEMA Rotterdam!

 
Op 20 mei 2013 hadden we wel een heel bijzondere ontmoeting in Rotterdam. Als vervent hardlopers moedigen Joop en Marianne graag andere hardlopers aan tijdens evenementen waaraan wij zelf niet deelnemen. Zo ook tijdens de Roparun 2012. De Roparun is een estafetteloop van meer dan 500 kilometer van Parijs of  Hamburg naar Rotterdam waarbij mensen, in teamverband, een sportieve prestatie leveren om op die manier geld op te halen voor mensen met kanker. Tijdens het juichend inhalen van de teams op de Coolsingel in Rotterdam werd Joop aangesproken door een mevrouw, “Zij met dat rode jasje, is dat Marianne?” Joop, heel verbaasd: “Ja en wie wil dat weten dan?” De vrouw antwoordde met een buitenlands accent: “Ik! Ik ben Nelly de Groot.”  Toen wist Joop nog niet veel. Hij riep Marianne erbij en vroeg: “Ken jij deze vrouw?”  “Nelly?????Nelly!!” Nelly dus. Nelly is de echtgenote van Niels de Groot (2-6R.I.). Zij wonen in Hamilton, Australië. Marianne heeft al vele jaren contact met hen, eerst via de chatbox van de site van het veteraneninstituut, daarna via de email. Niels en Nelly waren over in Holland en Nelly kwam ook kijken naar dit sportieve evenement voor het goede doel. Niels rustte deze dag  thuis lekker uit. 
 
 
Op 20 mei 2013 was opnieuw het onthaal van de hardlopers die deelnamen aan de Roparun en ook dit jaar waren Niels en Nelly in Holland. Een afspraak voor een ontmoeting werd gemaakt. Terwijl de teams in de druipende regen binnen kwamen op de Coolsingel gingen wij druipend van de regen snel naar de HEMA om daar met Nelly, Niels en zijn zus, te genieten van een lekker warm kopje koffie met wat lekkers en een interview.  
 
Niels, weet jij je militair registratie nog? Rap ratelt Niels op 27.06.18.004.
Waar ben je geboren? “Ik ben geboren in Rotterdam West. Ik kom uit een gezin met 6 kinderen, drie jongens en drie meiden. En een vader en een moeder natuurlijk!
                                              
Wat voor schoolopleiding ik had? Lagere school heb ik gedaan. Met een extra jaar om Frans of Duits te leren en uitmaken wat je wilt worden. Mijn vader had van de meester gehoord dat ik niet het koppie had om advocaat of dokter te worden zeg maar. Het was beter om iets met mijn handen te doen en ik tekende graag, dus ik ging naar de Ambachtsschool.  Van 1940 tot 1943. Diploma gehaald”.
Zoals u merkt kan Niels aardig doorratelen. Een kleine aanwijzing aan hem is al voldoende voor veel gesprekstof!
“In 1943 kreeg ik mijn eerste baas, hoewel, ik wilde graag reclame schilder worden. Weet je van die bioscoopreclames? Helaas kon dat niet meer vanwege de slechtigheid van de oorlog. Ik  kwam bij een technisch handelsbureau dat brandblusapparaten maakte. Die moesten overal afgeleverd worden op scholen en museums weet je wel met zo’n pomp voor het geval als er brandbommen vielen. In 1944 werd ik voor de tweede keer gebombardeerd in Rotterdam, alles kwijt. Ik liep met mijn broer in de binnenstad en toen kwam die actie met die Duitsers in november. Ik werd opgepakt en bij de Arbeidsdienst gedouwd. Vandaar naar Drenthe, een groot pak sneeuw lag daar buiten, in een kamp daar. Ons kamp werd overvallen door de ondergrondse, dat mislukte en één  jongen is daar nog bij gesneuveld. Er kwamen Duitsers bij ons in het kamp. We  moesten op knuppelwacht. Rond het barakkenkamp op wacht met een knuppel. Mijn maat werd erg ziek. Ik ben naar zijn barak gegaan en heb naast hem gezeten. Maar tussentijds werd de wacht afgelost. Toen de wacht werd gecontroleerd was ik er dus niet. Ze vonden mij daar in die barak. Ze hebben me gevangengenomen, aan een paal gebonden voor 24 uur in de sneeuw. Ik zit niet te liegen hoor, maar je wilde toch graag weten wat ik gedaan heb. Ik  ben voor de Duitse krijgsraad gekomen en ben onofficieel ter dood veroordeeld. Omdat ik niet in Duitse dienst was, ging dat niet door, maar ik moest wel naar het strafkamp Hooghalen  bij Westerbork. De dreiging kwam dat de Engelsen kwamen opzetten en hebben ze ons doorgevoerd helemaal naar het Noorden, naar Roodeschool in Groningen. Daar moesten we verdedigingswerken bouwen. Later zijn we doorgevoerd naar Delfzijl. Daar vandaan ’s nachts met boten naar Emden in Duitsland. Gelopen van Emden naar Willemshaven, van Willemshaven tussen Willemshaven en Bremen naar  Neustadtgödens.” 
 
Gelukkig neemt Niels even de tijd om zijn kopje koffie leeg te drinken want koude koffie, ook  die van de HEMA,  smaakt niet zo best. Maar hij vervolgt snel zijn verhaal.
“Daar moesten we met de Duitsers weer allemaal loopgraven maken en zo. We werden uiteindelijk bevrijd door de Engelse en Poolse soldaten die bij de Engelsen waren.
Nou krijg je het rare geval: in die tijd was er grote paniek. Door die grote paniek gooiden een hoop Duitsers hun uniform weg en omdat wij in het uniform van de Arbeidsdienst waren toen dachten ze dat wij SS-troepen waren. We werden door  de Engelsen gevangen genomen. Ze hebben ons afgevaren van Willemstad naar Den Helder. Toen kwamen wij bij het eiland Bork in het midden van de nacht en met slechte zware storm sloeg een stuk van de boot. Het was een soort van landingsvaartuig. Ik lag in een soort van reddingssloep net als die maat van me.  Ik weet er niets meer van. Mijn maat is verdronken.  Hoe ik aan boord van die andere boot ben gekomen weet ik ook niet. Uiteindelijk kwamen we in Den Helder aan. Daar lagen al die mariniers. Die begonnen allemaal te schelden naar ons. ‘Schoften!’  Die dachten allemaal dat we SS-ers waren. Ik werd gevangen gezet in Den Helder. Ik weet niet hoeveel weken. We  moesten bommenruimen op de marinewerf. Uiteindelijk hadden ze uitgezocht dat wij uitgehongerde jongens waren uit Rotterdam en werden wij vrijgelaten. 

 

                                               
Ik ben teruggekeerd naar Rotterdam en heb eind 1945 mij als ovw-er opgegeven om naar Indonesië te gaan. Waarom? Gedeeltelijk je wilde iets voor je vaderland doen! Ten tweede ook misschien het avontuur. Ik moest in Assen opkomen, werd ingedeeld bij 2-3 RI. Ik werd  brenschutter, naderhand korporaal. Vanuit Assen naar Engeland. Aldershot. Met de Sommelsdijk van de Holland Amerika Lijn naar Indonesië.   De jongens die daar voor ons waren, 1-3 RI, 1-5RI, 1-9 RI en misschien ook nog anderen, hebben ze, omdat de Engelsen ze er niet in wilden laten, naar Malakka gestuurd. Penang.
Toen wij in Indonesië in Juni 1946 aankwamen waren degenen, die daarvoor er al waren, in April 1946 al aangekomen. We hadden een hoop moeilijkheden met de Engelse troepen en de Sikhs, niet met de Gurkha’s, die zaten in Buitenzorg, meer naar boven.
We waren in Batavia, niet voor lang, toen  hebben ze ons doorgevlogen met Dakota’s naar Bandung.
We kwamen aan in Bandung.  In het vliegtuig waar we mee gekomen waren werden de Jappen naar Batavia  gevlogen. We werden onderverdeeld bij 1-5RI. De Boeaja's. (de Krokodillen)  
 
In 1947, ik was brenschutter, hadden we een actie achter Padalarang en Goenoengkatjang,  in kampong Leuwikotja.  Kees Roggeveen was mijn helper, die liep in een hinderlaag. Ik had geen munitie meer, dus Kees moest wat munitie bij gaan halen. Kees staat op en draait zich om..en wordt meteen neergeschoten. Hartstikke dood. Hij was de eerste gesneuvelde. Mijn maat Kees.
Met de 1e politionele actie gingen we, na natuurlijk een hoop patrouilles te hebben gelopen, richting  Djockja. We gingen door Midden Java heen: Adjabarang,  Poerwokerto,  Banjoemas. Toen we in Poerwokerto aankwamen,  moesten we vanwege het bevel van de V.N. stoppen en konden niet verder naar Djockja
In die tijd dat we daar waren moesten we ook veel patrouille lopen. Daarbij sneuvelden Leen van Strien en Tom Hazue. Het werd 1948. We werden verplaatst naar Semarang en onderverdeeld bij de Tijgerbrigade. Een nieuw bataljon werd gevormd:1-15 RI.(de Blijvertjes). Vanuit Semarang werden we doorgevoerd naar Oengaran in de bergen boven Semarang, de Gombel. Vandaar patrouilles gelopen naar Ambarawa en Salatiga. We mochten van de VN niet over de demarcatielijn. “Het was de dag dat we naar huis zouden gaan, we zagen de boot waarmee we naar huis zouden gaan al in de haven van Semarang liggen. “Nou gaan we naar huis.” Maar dat ging niet door. Toen hebben we de luchtlanding in Djockja gedaan. Vanuit Oengaran werden we dus in december 1948 afgevoerd naar het vliegveld van Semarang. Wij wisten niet waar we heen gingen. Toen zagen we die vliegtuigen staan en de parachutisten waren al gesprongen bij Djockja. Want wij landden na de parachutisten die al waren gesprongen en al  in Djockja waren geland. (1-15 RI is in wezen de eerste Luchtmobiele eenheid in de geschiedenis van de Nederlandse krijgsmacht  red). “Ook daar hadden we al moeilijkheden met personeel van de V.N. die daar waren voor ‘Vredesbesprekingen’ met de Indonesische Republiek. Die vonden het niet leuk dat we daar geland waren.”
Niels neemt even een hapje van het gebak. Joop en Marianne hoeven niets te zeggen want Niels heeft van te voren een flesje Australisch spraakwater gedronken. 
“In Djockja moesten wij het treinstation veroveren. Wij gingen door  lanen en een tuin in. Ik kreeg daar de  grootste verrassing van mijn leven. Zit daar in die tuin een hele blanke familie aan tafel. Een Duitse familie. Die man gaf les aan de Gadjah Mada universiteit in Djockja. Duitsers!  Ik zie nog die hele familie zitten, terwijl wij daar met bepakking en geweren in de aanslag de tuin in kwamen rennen. We hebben ze naar het station meegenomen. Daar  stond een trein van Soekarno en zat hartstikke vol met geld van de nieuwe republiek. Dus al die jongens gingen met dat geld slepen en allemaal de stad in.
De Chinezen gooiden allemaal snel hun winkels open en wat er bij die Chinezen in de winkels stond, daar heb je geen idee van, spullen die wij hadden moeten hebben, (ik liep patrouille op mijn sokken voor wij naar Djockja gingen!) Alles was gestolen bij een of andere groep Hollanders, ik weet niet hoe dat bataljon heette in Djakarta. Minister van Maarseveen kwam over en somde op wat wij allemaal moesten hebben, maar we hadden dat niet. Wij moesten bedelen om spullen! We leefden af en toe gewoon van de roof! Ik vergeet te vertellen dat voor we in Djockja landden, bij de eerste actie, wanneer het precies was, dat weet ik niet meer, moesten we van Bandung uit konvooidiensten van Djakarta en Batavia. Opeens moesten we  naar Buitenzorg.  Daar hebben we het overgenomen van de Gurhka’s en daar zijn wij afgelost door de 7 december divisie. Wij hebben onze eerste vrachtwagen gestolen van de 7 december divisie, want wij hadden er geen.” Joop zegt: “Niels, we zullen het niet verder vertellen, want anders krijg je nog een naheffing.” 
 
We nemen even pauze en weer een lekker kopje koffie. Een heerlijke  Hollandse tompouce erbij, gaat er wel  in.
Niels vertelt verder: “Van december ‘48 tot juli ‘49  is wel een beroerde tijd geweest. We lagen in Djockja, in Djockja zelf, daar heb je ook een hele stad onder de grond he. Je hebt een hoop wegen onder de grond. Daar werden we overvallen. Komen ze ineens allemaal uit die tunnels naar boven. We werden later doorgevoerd naar Sentolo en Tjepoe en hebben een heel grote actie gedaan door het Duizend Gebergte. We zaten achter generaal Soedirman aan. Naderhand heb ik met Nelly uitgevonden, want ik ben met Nelly in het museum in Djokja geweest, dat die man op een stoel werd rondgedragen. We hebben die Soedirman nooit te pakken kunnen krijgen. Het was in ieder geval een hele grote actie. Naderhand kwam ik dan in Sentolo. Daar hebben we ook nog een jongen verloren (B.de Wit red.) en  dan acties vanaf Temple, de Vulkaan Merapi, Muntilan  bij de  Boeroeboedoer
Eind juni werden we afgevoerd naar Semarang en vandaar met de boot naar Batavia. Juli 1949 gingen we met ‘de Zuiderkruis’, terug naar Nederland. Ik kwam daar weer aan in Rotterdam.
Ik ben in dienst gebleven toen ik weer thuis was. Ik wilde graag bij de MP. 

 

 
Ik werd niet aangenomen. Je mocht geen verkering hebben. Maar ik had Nelly. Zij had eerst eigenlijk geen interesse in mij. Nelly ging met haar hele familie naar Australië.
Zwaar teleurgesteld bent ik uit Dienst gegaan. Ik ben daarna Jantje Bakker tegengekomen. Ook een ouwe soldaat. Helemaal bruinverbrand. Ik zeg: Waar kom jij vandaan? Jantje zei: Ik zit op een boot. Nou dat leek mij ook wel wat. Kwam ik op een oude kolenstoker terecht. Ik heb gevaren op Zuid Argentinië, Westkust van Los Angeles. Daar kwamen allemaal van die Hollanders aan boord die daar woonden het schip bezoeken. Ik ontmoette daar een Fries van 1-9 RI die ook in Indië had gezeten. Via hem kreeg ik een job op een melkboerderij in Los Angeles Californië   Ik correspondeerde nog met Nelly in Australië en vroeg of ze ook naar Amerika wilde komen.  Maar Nelly zei: Kom maar naar Australië. Zodoende ben ik 1956 in Australië terecht gekomen. Nu 5 kinderen en 7 kleinkinderen later en daar zitten we! Ik was schilder van beroep, huisschilder, nu portretschilder. Ik kon natuurlijk niet meteen aan de slag daar in Australië. Ze verven daar onderste boven. Nelly’s vader werkte op een staalfabriek. Daar kon ik ook aan de slag en heb ik er een tijdje gewerkt. Ondertussen zocht ik naar een geschikte baan. Ik heb een tijdje bij een schildersbedrijf gewerkt en toen dacht ik, dat kan ik zelf ook.
Ongeveer 33 jaar heb ik voor mezelf gewerkt. Op mijn 64 jaar kreeg ik ineens het plan om vanaf een stijger op mijn hersens te vallen. Dat was het einde. Geen van de kinderen heeft het bedrijf overgenomen.
 
Wat heeft het meeste indruk in Indië gemaakt? Toen Kees Roggeveen sneuvelde. Hij was mijn slapie. Ja dat is wel het heftigste geweest. Dat laat je nooit meer los.
Het mooiste was toen wij op Oegarang lagen, kregen we een groep uit Holland over om ons te amuseren. Een toneel werd opgebouwd en wij lagen doodstil op het gras af te wachten wat er ging gebeuren. Een echte Amsterdammer riep: Krijge we een feessie?” Niels lacht nog heel hartelijk als hij dit verteld heeft.
Na even met Joop gesproken te hebben over zijn ervaringen op NNG en herinneringen aan Rotterdam, gaat Niels verder met het verhalen van zijn herinneringen. Het is zoveel, dat alles niet in dit boekje past. Heel geheime incidenten, waar we geen melding van maken. We hebben ze wel gehoord. Niels klapt in zijn handen! “Zo dat was het jongens.” Wij sluiten af. We maken wat  foto’s en, door nieuwsgierige blikken waargenomen, nemen heel hartelijk afscheid in het restaurant van de HEMA. Dag Niels, Dag Nelly. Tot de volgende keer?
Wij gaan de laatste lopers van de Roparun aanmoedigen en pakken dan de metro terug naar huis. Onze hoofden zitten vol. Roparun emoties en prachtige Niels verhalen.
tekst: Marianne Pragt. 
foto's Joop Pragt

 

 

Op bezoek bij Antoon Mathijssen 2-6RI

 
 
Het werd een hilarische afspraak voor 14 mei 2013. Gewoon een Babylonische spraakverwarring door de naam Marianne. Antoon Mathijssen heeft een hulp van de thuiszorg. Ze heet Marianne. Toen Marianne (van de Tijgerbrigade) Antoon belde om een keer een kopje koffie te komen drinken, dacht hij dat de thuishulp terug was vakantie en zich weer meldde. Wij zijn wel van de zorg, maar dan wel van de nazorg. Al is Marianne niet te beroerd om even koffie te zetten en een kopje af te wassen.
 

Eenmaal aangekomen in Eindhoven bij Antoon Mathijssen worden wij hartelijk ontvangen. De jassen werd aan de zeer vernuftige zelfgemaakte kapstok opgehangen. We gaan door naar de woon-keukenkamer. We gaan in het keukengedeelte zitten.  Daar staat de grote tafel en we kijken meteen de grote prachtig onderhouden tuin in. Een kopje koffie erbij en we zitten gezellig te babbelen.  We vertellen dat we gisteren bij de kazerne langs zijn geweest en bij sobat Jan v.d. Corput een kopje koffie hebben gedronken. Antoon Mathijssen merkt op: “Ik weet nog wel dat Jan van de Corput enkele jaren geleden nog op een reünie in Breda is geweest. Dat was de laatste keer dat ik hem zag. Toen zei hij tegen mij: Verdorie Toon, ik voel mij eigen niet lekker. Nee, ik voel mij eigen echt niet lekker. Ik zei: Weet je wat we doen. Ik breng jou naar huis. Samen met mijn maatje Jan van Erp heb ik hem naar huis gebracht. Eenmaal weer thuis ging het allemaal wel weer.” Marianne vertelt: “We hebben hem gisteren weer een keer thuis opzocht. Het gaat niet goed met hem.”
 
“Wel verdorie, heeft hij het opgegeven? Want als je de moed laat zakken dan gaat het vlug hoor.” We vertellen sobat Antoon van ons bezoek aan Jan van de Corput en de uitwerking van de medicijnen op zijn emoties.
“Ik gebruik zelf alleen maar druppels voor die ogen he.” Sobat Mathijssen heeft erg slechte ogen. Glaucoom. “Ze hebben me wel goed te pakken gehad met gordelroos. Maar uiteindelijk met de juiste medicijnen ben ik toch weer opgeknapt.
Ik denk toch wel vaak over dat Indië na, dat kun je misschien wel begrijpen?! We hebben afscheid genomen van Semarang. Ik weet niet of je vader erbij was, want het was zo druk. De hele Tijgerclub zat hartstikke vol. Wij waren in Semarang goed gezien. We hadden bij de 4e compagnie een paar verrekt goede zangers. Jo Spruyt was een hele goeie en Renting. De Twee Pisangs. Een van die twee had een lied gemaakt afscheid van Semarang. Dat vond ik zo verrekte mooi, ik zou dat graag willen hebben. Ik ben Jo Spruyt, hij was een maat van mij, in Eindhoven gaan opzoeken.
Ik kom daar bij zijn zoon, want die dee open en die vertelde mij dat zijn vader al lang geleden was overleden. Ik zei: “Daar heb ik niets van gehoord.” Ik vroeg hem of hij of het lied had gehoord, want er was veel van Jo Spruyt’s werk bewaard. Het lied zat er niet bij. Toen heb ik geprobeerd om Renting te bellen. Ik kreeg hem aan de telefoon, maar ik kan hem bijna niet verstaan. En hij zat altijd zo vol branie en zo. Toen ben ik hard aan het nadenken gegaan en uiteindelijk heb ik het toch zelf weer weten op te schrijven. Sobat Mathijssen staat trots op en pakt het papier met de tekst van het lied.
Trots legt hij het papier op de tafel. Dat was het lied voor de mensen van Semarang bij ons afscheid van Semarang. Misschien zullen enkele woorden wel niet helemaal goed zijn, maar toch.
 
joop vraagt of het op de melodie is op het Feijenoordlied, maar Antoon neemt het blad met de tekst over van Joop en zingt het lied nog precies op de maat. Marianne prijst Antoon Mathijssen voor zijn ontzettend goede geheugen.
“Ik heb het lied maar twee keer in mijn leven gehoord, maar het heeft zoveel indruk op mij gemaakt.
Chris Kessels zou het ook nog wel herinnerd hebben en Ceel Smulders. Helaas is Chrisje al overleden en Ceel Smulders heeft door inmenging van buiten 2-6RI de jarenlange vriendschap verbroken. Er is veel kapot gemaakt door iemand van buitenaf. Vreselijk.” Antoon Mathijssen zucht na deze woorden en kijkt triest voor zich uit. “Tja, het is het slechtste wat 2-6RI heeft kunnen overkomen. Liegen dat je een 2-6RIer zou zijn terwijl je bij anderen weer trots vertelt dat je een HUPVA-man bent. 
 
Bij jullie is er een hele vooruitgang gekomen met het samengaan met de andere onderdelen van de Tijgerbrigade. Dat geeft weer een nieuwe kijk op alles. Je ontmoet weer andere veteranen.
Van 2-6RI zijn er ook niet veel meer over”. Marianne noemt wat namen op van wat sobats. “Van den Heuvel, ja die ken ik wel. Jo van de Heuvel, zoon van de vogeltjesman. Hij vond het ook zo jammer dat de boel uit elkaar ligt”. 
 
Ik ben de jongste van 2-6RI, zegt Antoon Mathijssen. Marianne zegt: “Maar iedereen zegt dat hij de jongste is!’ Er waren er nog twee nog jonger dan ik, maar die zijn al dood. Nu ben ik dus de jongste, verklaart Antoon Mathijssen. Marianne kijkt op haar lijst en noemt op: Wim van Raaij: 20 maart 1927, Jan Laus: 27 -3 -1927, Conny v.d. Wiel: 18-6-1927. …..! Antoon Mathijssen: 24 -2- 1927!
“Ik ben dus bij verre na niet de jongste van 2-6RI. Dat is nu zeker een feit!
Ik zat bij de 3e compagnie. Maar eerst bij de staf. Daar sneuvelden er twee van ons en ben ik uit voorzorg overgeplaatst naar de 3e comp. Ze waren bang dat ik geraakt zou worden”. 
Marianne laat de grote foto zien met daarop een flinke groep 2-6RI-ers op een Britse tank. De foto is genomen op Morib Beach bij het aanleggen van het voetbalveld. Antoon herkent Cor Dudok. Wat zijn we een stuk achteruitgegaan sinds die tijd merkt Antoon op. Verder herken ik niemand meer. Oh ja en hier Verhulst en dat lijkt mij Harry Smeets. Als je mij ziet van vroeger had ik een kop met haar, maar dat zou je dus nu niet meer zeggen.
Kijk als je nu zo’n grote foto laat zien van de stafcompagnie waar ik toen bij zat, dan herken ik ze allemaal, maar deze compagnie niet. Ik werd het laatste half jaar pas overgeplaatst naar de 3e compagnie. Op patrouilles gingen wij mee op de wagen. Daar kan ik hele verhalen over vertellen. 
Met Tiny van Bussel en met Freddie Jansen werd ik daar naar toe gestuurd We moesten wagens weer mobiel maken, want wij hadden geen vervoer. Zo maakten we met onderdelen van verschillende wagens weer een wagen die kon rijden. Luitenant Quap, dat was een Indiër, hij was hoofd van de inlichtingendienst. Die woonde daar en is daar ook gebleven. 
 
En voor de inlichtingendienst daar reed een open webcarrier. Dat was een vast ploeg, van Wely, Kunzler, Max Cornelissen en ik.
Vanuit de compagnie werden ze aan een patrouille meegegeven, ze werden het voorterrein ingereden voorbij de posten en als ze wisten: hier in de buurt wonen mensen dan gingen ze eruit. Ze kregen ook altijd een tolk mee. Meestal was dat Trip, Trip was ook een Indiër.
Tijdens zo’n patrouille zei Majoor van Wely soms ineens: stop! Dan werd er uitgestapt en meestal bleef Max Cornelissen bij mij. Dan was er een kampong in de buurt en moesten wij even de kampong doorzoeken of nog iemand achtergebleven was die op ons kon schieten.
Het was voorbij Karanganjar, richting Persilan. Daar stonden we stil. Ik zei tegen Max:”Kom op, daar gaan we. Dus we gingen de kampong in. We gingen heel voorzichtig van de ene hut naar de andere. We komen bij een hut aan en ik hoor iets. Daar zit wat. Sssssssst. fluisterend: Max, hier zit wat Ja, ja, zei die, opletten! Op een gegeven moment doe ik de deur open en ga naar binnen. Ligt er daar een vrouw te bevallen! Ja, dat konden wij niet weten natuurlijk. Ik was negentien jaar. Ik wist nergens van en Max ook niet. Godverdorie, daar sta je dan. Ik voelde me eigen kleuren man. Ik dacht, Jezus mijn god, wat krijgen we nou. Ik zeg tegen Max: ik weet niet wat ik moet doen, ik heb dit niet eerder meegemaakt. Max: Ik weet een ding, er hoort warm water bij en daar ga ik voor zorgen en weg was die. Dus ik stond daar en ja wat moest ik doen, ik kon dat mens toch ook niet alleen laten. Nee, dat kon niet. Op een gegeven moment was het dat ik een hoofdje te voorschijn zag komen. Ik dacht, dat bed is hoog waar dat vrouwke op lag en zo meteen komt dat kind eruit en dat valt op grond.
Ik er naar toe en inderdaad ik kon het nog opvangen maar dat kind zat nog aan een touw! Wist ik veel.
Zij pakt achter zich een mes en ze snijdt zo dat touw door! Toen dacht ik dat kind moet gewassen en toen riep ik Max, ik moet warm water! Ja, toen kwam Max eraan! Ik heb dat kind toen gewassen en er zat nog een tuut aan dat buisje en daar heeft zij een knoop ingelegd. Wisten wij veel. Maar ja wat moesten we toen? Ik heb dat kind bij haar gebracht en toen ik naar haar keek dacht ik verrek daar komt er nog één! Maar dat was de nageboorte. Nou goed, wat moet je dan nog, want die vrouw ken daar niet blijven natuurlijk. Intussen was de rest van de patrouille teruggekomen en in overleg met Majoor van Wely werd het vrouwtje met de baby in de carrier mee terug genomen. 
Na een paar dagen ben ik naar het ziekenhuis gegaan. Ze was er nog. Ze praatte wat met een verpleegster, die mij vroeg hoe ik heette. Ze noemden me Tonny. Het vrouwtje zei dat het kindje Tonny zou heten”. Zichtbaar trots knikt Antoon Mathijssen. “Ja ja ja! Achteraf bekeken heb ik mij nog heel groot gehouden. Menigeen die vader wordt, valt nog flauw. Ik was pas 19 jaar en had meteen een stukje levenservaring erbij. Pfff. Bevallen, warm water erbij, ik weet er alles van!! Zo daar in Indonesië loopt een Tonny rond die niet weet dat zijn redder hier in Nederland woont!
Een mooi verhaal voor Spoorloos! Ik heb er pas nog aan zitten denken. Dat kind is dan al meer zeven en zestig jaar he. Als die nog leeft”. “Ha, die heeft zijn AOW”, roept Joop.
 
Er moest later een patrouille zijn en ik werd erop uit gestuurd. Serg. Merling, was de zwager van Maj. Wely. Majoor van Wely was net een week getrouwd, die ging mee en in het voorterrein hadden we een kist met die handgranaten van die Indiëgasten. Die hadden ze zelf gemaakt met bamboe en weet ik al niet meer. Die moesten wij altijd naar het hoofdkwartier brengen op Tjandi.
Normaal was het zo dat ik dat deed met Kunzler of met Max. Die sjouwden dan dat ding naar binnen en werd altijd in de garage gezet. Ik was toen net bezig om Kunzler te leren autorijden want we hadden een reservechauffeur nodig in het geval dat mij iets overkomt. En dat ben ik hem net aan het uitleggen, dus toen zei Majoor van Wely, oh, wij pakken dat wel effe. Dus die Merling en hij pakken dat kissie en sjouwden dat in de garage. Daar stond een jongen bij uit Rotterdam die hen aanwees waar het moest staan. Ze stonden daarvoor en ineens was daar godverdorie een knal. BOEM! Dat ding ontploft. Sergt. Merling en van Wely dood, die jongen was een stuk van zijn arm kwijt en blind. Ik weet niet of dat ooit goed gekomen is. En een van de voorraad, die de plaats van iemand anders had ingenomen, stond er voor en die had pech. Toen kwam de MP. Wij moesten meteen weg, want we moesten maar niet meer kijken en zo. En dat maakte natuurlijk wel heel veel indruk op ons. Daarna ben ik overgeplaatst naar de derde compagnie, als chauffeur, monteur en als hulp en zo. Manusje van alles technische dingen.
 
 
Ik had ambachtschool gehad als bankwerker, gereedschapmaker. Omdat ik bij de DAF werkte moest ik als monteur in de garage. Ik was geen monteur maar ik wist wel hoe een auto werkte.
In de garage in Semarang stond dus Lofty van Bussel, Freddie Jansen, een Limburger, en ik zei de gek. Later is die nieuwe luitenant gekomen, die van Welzenes en die bracht een eigen club mee. Een eigen chauffeur en weet ik al wat meer. Maar ook een sergeant, die werd toen baas in de garage. Ik kon niet goed met hem overweg. Later werd die meegestuurd op patrouilles. Toen was ik weer gelukkig van die vent af. Van de Steen of zo heette die”.
Joop zegt: “ik hoor dat u op de ambachtsschool hebt gezeten, wat dat betreft bent u een uitblinker”.
Mathijssen lacht en zegt : ooooh ?”
Joop zegt: “Ja, want de meeste jongens kwamen van het platteland of uit dorpen en werkten bij de boer of zo. Die hadden de lagere school gehad en daarmee was het klaar”.

 

 
“Ik heb ook nog VMTO gedaan voor ik in dienst ging”, zegt Mathijssen, “en toen heb ik ook nog de avond MTS gedaan. Dus iets wist ik er wel van het repareren”.
Joop vraagt: “Hoe kon dat? Hoe was het thuis. Over het algemeen kwamen de jongens uit grote gezinnen en moesten ze na de lagere school aan het werk, want er moest brood op de plank komen”.
“Nee”, zegt Mathijssen, “bij ons was het anders. Mijn vader die werkte bij Philips. Hij was een soort baas bij Philips. Mijn oudste broer ging eerst naar de MULO en daarna naar de MTS en HTS, die is ingenieur geworden. Is doctor geworden. Ik volgde ook de MULO, maar dat beviel me niet en ben dus naar de ambachtsschool gegaan en mijn jongste broer is loodgieter geworden. Hij heeft verschillende bedrijven gehad. Mijn vader werkte als verzekeringsagent erbij. Hij heeft tot zijn 65e bij Philips gewerkt en tot die tijd heeft die dus verzekeringen gedaan en daar betaalde hij die studies van. Mijn vader is 92 geworden”.
Marianne zegt: “Dat is een heel ander verhaal dan wat we over het algemeen horen. Vergeleken met veel andere jongens was u in een bevoorrecht positie”.
“In de oorlog zat ik thuis ondergedoken. Via een ander hebben ze gezorgd dat we bonnen kregen. We hadden drie joodse onderduikers onder de vloer. Dat was goed bij ons. Wat er van die onderduikers is geworden dat weet ik niet. Na een tijdje verliep het contact.
Ik ging naar Indië omdat we vijf jaar lang vast hebben gezeten. Wij hebben ook veel meegemaakt dat we niks konden terwijl de vijand hier zat. Ik heb het niet gezien als een avontuur. Ik ging uit volle overtuiging: Nederland vrij, zij ook vrij. Ik heb geen enkel schot gelost in Indië. Ja, op de schietbaan.
Ik moet zeggen: 2-6 kon zo met de mensen overweg”. Mathijssen steekt zijn duim op. “Dat kan je aan anderen vragen. Ik kan mij best voorstellen dat er vrijheidsstrijders helemaal niet blij waren met ons. Alleen verliep het bij ons veel vredelievender. Wij hielpen de mensen als het kon. Zoals wij tegen de Duitser waren, waren zij tegen ons. Maar die Tijgerclub bij ons afscheid, die puilde uit! Jongen wat een mensen. Sommigen mensen stonden te janken omdat we weggingen. Die voelden zich eigen gewoon veilig, want toen wij daar kwamen, toen reden de Jappen nog over de Bodjong he.
Er is een afscheidbrief van de bewoners van Semarang die stond in de Tijgerkrant.
 
Ik ging als soldaat naar Indië. Ik ben korporaal geworden met een eervolle vermelding. Dat kwam door een brand. Ik was technieker en was een aggregaat aan het verzorgen op een voorpost.
Ik moest zorgen dat er licht was ’s avonds. Dat deed ik allemaal zelf alleen. Der kwam nooit iemand bij.
Ik was op verlof geweest in Semarang en ik kom terug en daar ligt het hele zooitje in het donker. Goh, wat er is loos? Dat aggregaat loopt niet meer en wij komen der niet uit. Nou dan ga ik wel even kijken jongens. Dus ik met mijn lantaarn daar naar toe. Maar in dat hok, huisje eigenlijk, daar stond opgeslagen jerrycans met benzine. Jerrycans met olie voor auto’s en noem maar op. Dat stond daar allemaal in het hokje. Dus wat doe je als je bij dat aggregaat komt? Je drukt op ‘start’ en dan flop! Vliegt dat ding in de fik! Wat was er gebeurd? Toen ik dus die week met verlof in Semarang was heeft iemand gedacht dat de tank leeg was en heeft geprobeerd die tank te vullen. Gooide er de benzine erin en dat is overgelopen en dat is onderop de collector van de elektromotor gelopen en dat stond dus in vuur en vlam.
Ik heb meteen de jerrycans met benzine en olie naar buiten gegooid en daarmee erger voorkomen. Ze hebben me wel naar het ziekenhuis gebracht want ik had benzine langs mijn lijf gekregen. Ik ben daar drie dagen geweest en toen was ik weer terug. Ik werd dus voor de hele troep geroepen en bevorderd tot korporaal. Ik kreeg 70 cent per dag meer! Ik heb nog steeds een getypt briefje daarvan.
 
Ik ben in 1955 getrouwd. Op 15 juni. Mijn vrouw was mijn buurmeisje. We sliepen dus al bij elkaar maar wel met een muur ertussen. We kregen drie kinderen, twee jongens en een meisje.
 
In Indië schreven veel maten naar hun meisje of verloofde in Nederland. Die hadden een correspondentievriendin. Dat had ik niet he, Ik dacht ik schrijf naar Zus, mijn buurmeisje of ze met me wilde corresponderen. Nou dat wilde ze wel. Wat later krijg je dan haar foto en die zet je dan ook op je kastje. Toen ik als mooie bruine jongen terugkwam, kwamen al de meiden op mij af. Maar Zus had mijn voorkeur. Er werd gedanst en iedereen wilde met mij dansen, maar ik danste met Zus. Zij had mijn voorkeur. Het heeft nog ruim 7 jaar geduurd eer we een huis hadden. Ik heb dit huis gekocht en woon er nog steeds. Mijn vrouw is hier overleden. Na het overlijden van mijn vrouw heb ik niet meer kunnen tekenen of schilderen. Ik miste iets. En ik mis haar nog steeds.
Het mooie is dat één van mijn kleinkinderen die tekent net zo goed, nee, beter als ik. Het leuke is, dat die af en toe komt met een tekening en zegt dan: “opa moet je eens even kijken, ik wil dat en dat tekenen. Hoe moet ik dan nou precies doen. Dat kan ik dan nog wel. Dat vind ik nog leuk.
 
Ik ben met 1 -6 RI naar Vught gegaan. We zijn in Den Bosch allemaal opnieuw gekeurd. Degene die goed waren zijn naar Limburg gegaan, en daar werden we dus 2-6RI. Iedereen die afgekeurd was ging naar
1-6RI. En 2-6RI is naar Indië gestuurd.
Ik zat niet in Leijebroek maar in Ophoven. Dat waren allemaal verschillende gebouwen daar. Later zijn we met zijn allen naar Sittard gegaan.
Vanuit Sittard zijn we naar Frankrijk gegaan en dan over naar Engeland en van Engeland zijn we dus pfffffffft naar Malakka gegaan want we mochten Indië niet in. We hebben drie maanden op Malakka gezeten.
 
Op Malakka moesten de chauffeurs en monteurs van 2-6 RI naar Singapore om daar auto’s af te halen. Wij werden op het schip de ‘Malica’ gezet. Daar was die ‘rooie’, kapitein, dat weet ik nog wel. Engels kon die niet eens. Wij moesten die auto’s naar Indië brengen. De manschappen zijn op een ander schip gekomen. ‘De Sommelsdijk’.
 
In Semarang werden we weer opnieuw ingedeeld. Ik zat in het N.I.S-gebouw en jouw vader zat in het weeshuis. Daar tegenover zat de 3e compagnie. De 2e compagnie zat ook op de Bodjong.
Ik ben pas naderhand naar Karanganjar gegaan. Later ben ik ook in Salatiga terechtgekomen. Daar heb ik in een villa gelegen met Lofty van Bussel. Daar hadden we natuurlijk ook weer de garage. We hebben daar nog een auto in elkaar gezet en daarmee rond gereden. Die hebben we later nog aan de aalmoezenier gegeven. Die had er geen. Zijn jeep was kapot. Niet meer te repareren. Die hebben we toen die Ford gegeven. Alleen zaten er geen schokbrekers in. Die hadden we niet. Dus die hotste lekker over de weg!”
Marianne vraagt aan Antoon Mathijssen wat hem het meeste is bijgebleven in Indië. Wat maakte de meeste indruk? Buiten de bevalling die u heeft meegemaakt.
“Ja, dat is toch wel het sneuvelen van die twee. Die grote ontploffing. Dat Merling en van Wely dood waren en dat ik er niet naar toe mocht en meteen weg moest van de MP”.
We spreken over het tragische sneuvelen van Buijs, de gevolgen daarvan en Menno v.d. Wetering. “Kijk, bij hem was het ook meteen weg van de plaats des onheils. Gelukkig heb jij het hele voorval laten uitpluizen door defensie, Marianne, en treft Menno geen enkele blaam. Het is heel goed geweest voor van de Wetering”.
Joop waarschuwt Marianne, nu is het wel genoeg. We moeten rekening houden met de tijd. “Van mij mag je gerust blijven of kom morgen weer terug. Ik vind het prima”, zegt sobat Antoon.
Maar hoe gezellig en interessant het ook is om al die verhalen te horen, uit eerste hand vertelt, wordt het inderdaad tijd om naar huis te gaan. We bedanken Antoon Mathijssen hartelijk voor het fijne bezoek. Marianne deelt klapzoenen uit en Joop geeft een schouderklop en een ferme hand! Tot september bij de reünie Antoon!                                                                

   

Afscheid van Semarang

1.

De zon reeds achter de bergen gedaald

De maan die spreidt helder zijn licht

De palmbomen zijn in een schemer verdwaald

De heuvel raakt uit het zicht

Slechts één ding nog zie ik afstekend en groots

Dat zelfs in mijn geest nooit verdwijnt

Een rij witte kruisen, de akker des doods

Het is of een licht hier steeds schijnt

Ref.

Helden gevallen, voor vrede en rust

Graven in sneeuwwitte rij

Helden wier levenslicht werd uitgeblust

Liggen hier saam zij aan zij

Zij vielen voor u, ach vergeet hen toch nooit

En bedenk dan als gij eens uw bloemen hier strooit

Voor hun ouders, meisje, of vrouw doet het pijn

Dat zij nu niet hier kunnen zijn

2.

Het is hier heel stil, de wind ruist heel zacht

Het is of hij voor hen zingt een lied

Dan zie ik een meisje, ze staat in de nacht

Ze heeft hier wat bloemen gebracht

Zij bleef hier achter, de dood nam hem weg

Ze is nog zo jong en ze schreit

Ze staat daar te talmen en kijkt naar de steen

Waarop de maan zijn licht spreidt

Ref.

3.

Helden gevallen voor vrede en recht

Uw offer hebt gij al gebracht

Vast staat daar uw kruis in de aarde gehecht

Rust in vrede makkers, rust heel zacht

Wij dragen steeds uwe herinnering mee

En bedenken wat gij eens hier deed

En bidden tot God dat hij geve de vree

Waarop gij op aarde steeds streed

Ref.

  tekst Marianne Pragt, foto's : Joop Pragt

 

 

Een stukje nazorg in Limburg.

Nadat wij op 13 mei na het bezoek aan Jan v.d. Corput en ons bezoek aan de kazerne in Vught was het op 13 mei hoogtijd om verder op pad te gaan. Nog verder voor ons, richting het Zuiden. Naar Mientje Westerhof. Mientje Westerhof is onlangs weduwe geworden. Wij hebben aan het overlijden van Wietse, haar man, in het april/mei nummer van de Sepatoe Roesak aandacht besteed. De familie heeft in alle stilte afscheid genomen van Wietse.  Mientje kreeg hierna een fikse terugslag. Even zag het er heel somber uit, maar ondanks haar hoge leeftijd wist zij terug te vechten en krabbelde langzaam weer op.
We hadden afgesproken met Theo Eversen, de algeheel verzorger van het drukwerk voor onze commissie, dat we gezamenlijk het bezoek aan Mientje zouden brengen en daarna door zouden reizen naar Valkenburg waar we een hapje zouden eten samen met Theo.
Op naar Sittard, op naar het verzorgingshuis Hogestaete. Theo wachtte ons buiten al op. Theo met een bloemetje (heel attent), wij met een snoepertje op naar de verdieping waar Mientje woont.
Het overlijden van Wietse had als gevolg dat Mientje moest verhuizen van een ruime twee persoonskamer naar een eenpersoonskamer. Bijna identiek aan elkaar qua indeling, alleen kleiner.
Och, wat was Mientje fragiel geworden, maar toch nog even vriendelijk en hartelijk. We hebben eerst een poosje met Mientje gesproken. Ze mist Wietse heel erg, maar we moeten door hè, zegt ze.
De kinderen en kleinkinderen zijn heel behulpzaam. Die vertroetelen haar volop. Mientje was heel actief met de laptop, I-pad en msn, sms. Van de huidige techniek is Mientje niet geschrokken alleen is het nu wat minder met de interesse. Ze hoopt toch binnenkort weer actief te zijn met e-mail en I-pad.
Samen met Mientje duikt Marianne het keukentje in. Zij wijst aan waar alles staat.  

Gezellig drinken we een kopje koffie. Maar we missen Wietse. We prijzen Mientje hoe sterk ze is en dapper. Het is ontzettend moeilijk als je zo lang bij elkaar bent geweest om dan alleen verder te moeten.
Mientje vraagt hoe het gaat met de organisatie van de reünie in september. Met heel veel plezier kwam zij samen met Wietse op de reünies. Zij wenst ons veel succes met de reünie. Ze weet niet of ze erbij zal zijn nu Wietse er niet meer is. Samen thuis met de familie lukt het Mientje wel. Na nog een kopje koffie en een babbel nemen we afscheid van Mientje. Met Theo rijden we door naar Valkenburg, waar Joop en Marianne een hotel hebben geboekt om te overnachten. Joop zegt: “Dat is mijn donatie voor 2-6RI.” Want morgen gaan we op de terugweg langs Antoon Mathijssen in Eindhoven. Maar nu eerst gezellig eten in Valkenburg. Grieks! mmmmm.(dat zei Theo!)  
tekst: Marianne Pragt
foto's Joop Pragt
                                                                                                                                             

 

                                                                                     

Bij Jan van de Corput(2-6RI) langs in Breda.  op 13 mei  

 
Het gaat niet zo best met Jan van de Corput. Marianne geeft dat door aan Marijke, de coördinator nazorg. Die beslist dat we maar even polshoogte moeten nemen op de dag waarop  we naar de kazerne in Den Bosch gaan om de uitvoering van de reünie te bespreken. Daarna staat er ook nog een gezamenlijk bezoek met Theo, de verzorger drukwerk, aan  Mientje Westerhof op de planning bij Marijke. En Antoon Mathijssen. Maar de dag is te kort. Joop oppert weer een mooi plan. “Ik boek op mijn kosten een hotelletje in Limburg voor één nacht. Na het bezoek aan Mientje Westerhof gaan we met Theo een hapje eten en informatief vergaderen. Antoon Mathijssen bezoeken we de volgende  dag en reizen dan weer rustig terug naar Hoogvliet.  Hoera! Opgelost.  Wat een kanjer is die Joop toch!
 
 

We overhandigen Jan na de hartelijke begroeting, het snoepertje en de placemat. Jan van de Corput heeft het met zijn gezondheid niet makkelijk gehad. Hij heeft de laatste jaren veel af moeten zien. Jan is emotioneel door de medicijnen die hij slikt. 

We leiden hem af door hem te vragen wat voor werk hij vroeger heeft gedaan.Jan van de Corput was smid. Hij legt ons uit waar  zijn werkstukken te zien zijn in Breda. Ik heb heel zwaar werk gedaan. “Ik ware een vakman op alle gebied. Maar door de problemen met mijn gezondheid kon ik dat werk niet meer”, vertelt hij trots .  Mijn baas had toen werk voor mij  op de Trip van Zoudtlandkazerne hier in Breda. Maar ook op de KMA, in het totaal op 7 verschillende kazernes tot aan Gilze Rijen toe. Ik ben zes jaar bij hem bedrijfsleider geweest. Er zaten er bij mij die niet zo makkelijk waren, maar ze gingen bij mij niet aan het kuieren. Mijn werk was altijd goed, zowel bij het plaatwerk, constructiewerk, bankwerk, lassen, en goed doorwerken he. Op KMA heb ik nog ouderwets smidswerk kunnen doen.

 
Ik heb 4 kinderen, 2 jongens en 2 meisjes  en die hebben allemaal goed kunnen leren. Buitengewoon goed kunnen leren zelfs. Mijn kinderen waren heel goed in wiskunde. Mijn kleindochter kan nog beter leren!
Ik kom nu niet meer buiten. Ook niet meer boven. Ik slaap beneden. Ze hebben mijn bed hier neergezet. Ik ben gevallen, hoe ik naar het ziekenhuis ben gebracht weet ik niet meer”.  Sobat Jan stopt even met praten.
“Ik ben 87 jaar. Mooie leeftijd maar het gaat de laatste tijd erg achteruit. Ik heb een goed leven gehad, maar wel een leven vol zorgen. Toch heb ik altijd de draak ermee gestoken. Ook het eten gaat niet goed. Ik krijg van die maaltijden, nasi en bami, het gaat mij de keel uithangen. Karin, mijn dochter komt dan hier met haar vriend en die maken dan weer eens wat bijzonders te eten voor mij. Ze doet heel veel voor mij. Het is een juweeltje.
Ik mag ook geen trap meer lopen. Van de week ben ik toch naar boven geweest. Ik had iets op zolder liggen, ergens in een dooske. Ik moet nou op mijn tenen gaan staan om de knip van het zoldertrap weg te schuiven en dan moet ik blij zijn als ik er bij kan”.
Marianne merkt op dat Jan weer gekrompen is sinds het laatste bezoek aan hem. Hij was toen al een heel eind gekrompen. Zij adviseert hem om zich niet zo warm te douchen anders blijft er niets van hem over.
“Broeken moet ik steeds opnieuw korter laten maken”, zegt Jan lachend.  “Kijk, nou ben ik weer blij dat ik gewoon kan praten. Die medicijnen kunnen ze zo van mij in de vuilnisbak gooien. Die vervelende jankbuien! Daar heb ik nooit geen last van gehad. Het zijn die medicijnen! Als ik weer volop lachen kon, dan zag ik het wel weer zitten.
Der is ook niets meer over wat mij interesseert. Nou ben ik hier een boek aan het lezen van Ad van Gils. Hij was ook oorlogsvrijwilliger geworden.  Ik ben er nog maar net in bezig. Karin zorgt dat ze boeken haalt met grote letters. De  krant kan ik niet meer lezen, de televisie die staat bij mij bijna niet aan. Geen interesse meer. Mijn ogen zijn slecht. Beginnende staar.
Mathijssen heeft mij gebeld en Ad van Hooijdonk ook. Met Ad van Hooijdonk heb ik veel samen gewerkt in Indië. Wat leuk dat hij even heeft gebeld. Dat vind ik echt wel leuk hoor.”
Jan staat op, maar Marianne roept: “Nee hoor blijf maar lekker zitten. We praten net zo lekker zo”. Sobat v.d. Corput lacht: “Jantje is eigenwijs ook. Direct ga ik ook nog aan de marathon beginnen. Ik voel me steeds beter nu jullie er zijn”. Sobat v.d. Corput rommelt in een kast en komt met een stapeltje foto’s terug. Foto’s van de tuin, de kinderen en van Indië. De kaart van de zeereis komt ook op de tafel. “Iedere avond gaf de kapitein de coördinaten door en die schreven we dan op de kaart erbij.
Ik ben in Indië ook veel ziek geweest. Een paar keer malaria, op de ziekenzaal gelegen, ik heb een amoebe dysenterie gehad. Toen was ik weer opgeknapt en ’s maandags zou ik weer terug gaan op de post. In Persilan. Daar was Ad van Hooijdonk Foerier. Zaterdagsavonds, ik dacht dat ik diaree had. Dan hadden wij onze latrine, die lag achter over de kali. Balken en planken. Als je ’s morgens naar de WC moest dan zaten we met zijn allen met een oud tijdschrift op een balkie. Vanuit de ziekenzaal kon ik daar niet meer heen. Ik vroeg aan de verpleger of hij een pan voor mij had, want ik red het niet tot de latrine. Niks als bloed. Toen heb ik drie dagen en drie nachten bloed afgegaan, zo dun als water. Een levend lijk was ik. Het was kantje boord met mij. Daarna ben ik eigenlijk begonnen met sukkelen.
Toen ik weer aan het opknappen was, ik liep al weer een beetje in het rond, kwam kapitein Wolzak, een Hagenaar. Of ik zijn oppasser wilde worden. Zijn oppasser was afgekeurd en ging terug naar Nederland. Ik zei: Kapitein, ik dank u wel, ( ik ben rechtuit) het spijt mij wel, maar ik voel mij bij de sterren niet thuis. Op Malakka ben ik oppasser geweest van Luitenant Fick. Ik moest alles achter hem aanbrengen he. Ik waar gene dienstbode. Hij ging met mij niet kuieren.
We hadden een keer een oefening op Singapore van twee dagen en twee nachten. We waren al een dag en een nacht op stap geweest, komen wij aan zo’n bron, daar konden wij ons verfrissen, en ’s middags hebben we daar een tent opgeslagen. We moesten daar zo op de grond gaan liggen.
Maar ik heb ook de spullen van Luitenant Fick. Ik had van die grondzeiltjes en maakte ik van stokken een geraamte een dakse der boven van bamboe. Fick: En waar moete gij nou gaan liggen Jan? Nou daar kruipen we gewoon met zijn tweeën in , zei ik. Nou ik ben gewoon gaan slapen en hij is der niet ingekropen hoor. Ik had voordat we gingen slapen, me eigen gewassen aan die bron, mijn veldfles gevuld, die van Fick had ik ook voor hem gevuld, maar daar is die zich mee aan het scheren gegaan. “Jan, kunne gij voor mij nog een veldfleske halen?”
 
“Ik zeg, maar verd…..Luit , ik heb net een fleske voor je wezen halen!” “Ik heb me eigen motten scheren”, zei die toen. Ik zeg:“O, nou dat hebben wij net aan de bron gedaan! Ik zeg, je bekijkt het maar Luit! En nu wilde Wolzak mij hebben als oppasser. Nou daar heb ik gewoon voor gepast.
Ik voel me bij de sterren niet thuis.
Wolzak ook, dan hadden ze weer een avondje dan kwamen de dames uit de stad en dan kon ik gaan rennen. Nee, daar begin ik niet an. Er heeft nog iemand het aan mij gevraagd en toen kwam Ad van Hooijdonk. Die had Vugts als oppasser. En Luc Vugts dat was enen bokser en dan stonden ze soms samen nog te sparren en toen kwam Ad  van Hooijdonk vragen of ik dat ik hem wilde komen helpen.
( Als je hem ziet, vraag hettem maar) Ik zeg nou, (want anders had ik naar de stafcompagnie gemotten) Ik zeg Nou dat wil ik wel. Bij Ad van Hooijdonk was de administratie blijven slingeren want die stond zowat de hele dag te sparren, zeg maar. Zodoende ben ik daar terecht gekomen. Toen zat ik een tijdje bij Ad van Hooijdonk en toen ben ik een weekje of vijf, zes naar Bandung geweest. In de Rustende Strijder. Daar mocht ik weer wat bijkomen van alles.
 

 

 
Nou ik kom terug en toen is van Hooijdonk  overgeplaatst om beldienst te gaan doen. En toen kreeg ik een baan als oppasser bij de foerier van de 1e compagnie. Geurts. Een Limburger. Ik deed het werk en hij hoefde alleen de administratie bij te houden”.
Marianne vraagt, “wie kent u nog meer? Wie was uw maatje, uw slapie”.“Ik heb daar grotendeels alleen gezeten. Ik heb geregeld mee gemaakt dat ik in een ziekenzaal lag met malaria.
Tijdens de 1e politionele actie  hadden we een kippenhok gevonden dat aan de voorkant open was. Luitenant Peters vroeg: v.d. Corput,  kande ge daar wat van maken? Er zijn geen tenten meer. Nou, ik ben een smid maar ik kan net zo goed timmerman zijn. Ik heb het hele kippenhok eerst ontsmet, er een vloer in gelegd, van voren dicht gemaakt en luiken had ik er ervoor gemaakt. Zo tijdens de opmars naar Salatiga sliep ik toch altijd alleen. Dan had ik een petroleumlampje voor verlichting voor ’s avonds. Ik had ook in mijn tentje een vloertje gelegd , veldbedje erop en een zeiltje en ’s avonds kwamen die hele grote ratten. Oeh!”  Het formaat wat Jan v.d. Corput aanwijst is al genoeg om de rillingen over de rug van Marianne te laten lopen. “Ze liepen over de balken heen”, grinnikt sobat Jan. “En toen brak er de pest uit. We moesten allemaal de tenten en de vloeren opbreken. Toen heb ik verschillenden ratten zo aan mijn bajonet geregen.
De Rath, de Rath, ja die was er ook! Dat was er een die vast niet veel vrienden had, denk ik. Ze moesten hem niet zo. Sacherijnig en hij had de pest aan mij. Ik zat bij hem, dat was in Persilan, toen zat ik al bij van Hooijdonk.
Als er weer wat nieuws was om te ruilen, ondergoed of zo, dan ging ik altijd naar het tweede peloton. Van adjudant van de Grauw. Dat was mijn commandant. En ene goeie. Daarmee ging je met een gerust hart op patrouille. Dan kan niks gebeuren. Dat kan allemaal, maar bij hem voelde het goed.  Maar van begin af aan met de Rath, hij kon mijn bloed wel drinken. Van Hooijdonk was toen al weg als foerier en toen kwam de Rath. Toen heb ik zelf ook overplaatsing aangevraagd. Het ging niet in die groep. Conny van de Wiel, ja die ken ik ook. Ik kon met iedereen goed opschieten alleen met de Rath niet. Ik zat in de vierde compagnie. Nooit heb ik angst gehad. Er kan mij niets overkomen. Alleen dat van Kroon. Want eigenlijk had ik daar moeten zijn i.p.v. hij. ( tragisch verongelukte 2-6RI-er red)
Ik wil wel zeggen, nu zitten we hier samen zo te praten en nu gaat het goed. Daar ben ik nog blij om. Met het bed hier beneden was ik helemaal niet blij. Maar ik kan niet anders. Ik ben zo blij dat we nu zo gewoon kunnen praten”. Jan v.d. Corput wordt ineens heel emotioneel.
“Ik kan er zo kwaad om worden. Ik wou dat mij eigen eens flink kwaad kon maken en alles even kwijt was en het weer goed ging. Ik ben zo blij dat ik nu even rustig kan praten. Dat heb ik lang niet meer kunnen Het is zonde dat ik niets kan doen”.Marianne zegt: ‘ we komen juist zo heerlijk even rustig met u praten.“Hiervan schiet mijn gemoed vol hoor. Ik ben blij dat jullie langs zijn geweest”
Marianne helpt Jan v.d. Corput even zijn medicijnen in te nemen met vers water en dan wordt het hoog tijd om afscheid te nemen. We mogen sobat Jan niet te veel vermoeien.
Met de belofte dat weer een keer bij hem aankomen, krijgt hij nog drie dikke klapzoenen van Marianne en een stevige handdruk en schouderklopje van Joop. 
tekst: Marianne Pragt. Foto's Joop Pragt

 

Reünie op 24 april 2013 van de Ondersteuning Cie., Staf Cie, en verbindingspeloton 5-5RI   

 
 
Op  uitnodiging van het bestuur 5-5R.I. waarvan o.a. Jan Jansen Venneboer en Martin van Veelen deel uit maken, bezochten wij,  Joop en Marianne, de laatste reünie van de Ondersteuning Cie., staf Cie en Verbindingspeloton.
 
Op een langverwachte mooie lentedag, waarvan iedereen na een lange koude winter weer heel blij wordt, reisden wij per trein naar de Harskamp. Aangekomen op het station werden wij opgewacht door het busje dat ons naar de legerplaats Oldenbroek bracht. We werden, samen met de 63 deelnemers, hartelijk ontvangen met koffie en gebak. 
Tijdens de opening werden de overledenen van het afgelopen jaar herdacht. Hierna volgde het altijd emotionele dodenappel. Er werden 37 namen van de gevallenen opgenoemd.  Een stilte ter herdenking volgde. 
Jan Jansen Venneboer opende de bijeenkomst met een hartelijk welkom en de mededeling dat vandaag de laatste reünie zou zijn voor de Ost Cie, Staf Cie en het verbindingspeloton.  Een moeilijke beslissing. Hoewel ieder jaar de houdbaarheidsdatum steeds vooruit wordt geschoven, wordt de mobiliteit bij het bestuur en de deelnemers er niet beter op.
 
Zoals dat gaat bij het afsluiten van een bestuurlijke periode werden er toespraken gehouden, bloemen en presentjes ter waardering voor het gedane werk overhandigd. De dames van de bestuurders werden in de bloemetjes gezet. Met de mededeling dat er een regeling was getroffen om de komende 20 jaar door de Oorlogsgravenstichting iedere jaar bloemen te laten leggen op de erevelden in Indonesië en bij het monument op de Harskamp werd het relaas afgesloten.
Hierna kreeg Joop Pragt de gelegenheid om de mannen(en vrouwen) van 5-5RI een hart onder de riem te steken. Hij vertelde dat het contact niet helemaal zou worden verbroken en nodigde hen uit om in het vervolg de reünie van de Tijgerbrigade te bezoeken. Na een bevlogen pleidooi en waarderend applaus werd het officiële gedeelte van de dag afgesloten.
Hapjes en drankjes werden geserveerd en praatjes werden gemaakt. 
 
Omdat het voor ons nu de derde keer was dat wij aanwezig waren bij 5-5RI, kwamen we veel bekenden tegen. Handjes schudden, praatje maken en de flyers voor de Tijgerbrigade-reünie uitdelen. Als verrassing werd een powerpoint presentatie getoond, gemaakt door Jan v.d.Vegt over het verleden van 5-5-RI. Even  was iedereen weer terug op patrouille, in het kampement of in Semarang.
 
 
Na de voorstelling werd iedereen uitgenodigd om zich te verplaatsen naar de eetzaal voor een heerlijke Indische maaltijd.
Ook tijdens het eten werd er gezellig aan de tafels gepraat, maar uiteindelijk werd ook hier de hele zaal toch stil. Volgens ons zat iedereen te bedenken wie van de sobats de afwas zou moeten gaan doen.
 
Na afloop hebben wij alle bestuursleden hartelijk bedankt voor de uitnodiging en hebben hen nogmaals op het hart gedrukt dat zij in het vervolg op de tijgerbrigade-reünie van harte welkom zijn. 
Vervolgens werden wij per busje weer netjes teruggebracht naar het station ‘t Harde waarvandaan wij de thuisreis in een stralend voorjaarszonnetje begonnen. 
Als herinnering aan deze dag kreeg het secretariaat enkele weken later een prachtige groepsfoto, genomen op deze laatste reünie,  op A4-formaat opgestuurd. Deze hangt nu in het kantoor van de voorzitter. Het aandenken wordt zeer gewaardeerd.  
tekst: Marianne, foto's Joop Pragt

 

 

Bij Gerrit van Soomeren 5e genieveld cie op de koffie!

 
Omdat wij, Joop en Marianne, op 4 april naar Koos de Ruijter in Rotterdam gingen, belde Marianne naar Marijke (coördinator nazorg) met de vraag of het een goed idee was om meteen naar Gerrit van Soomeren van de 5e Genie Veld te gaan. Dat was het! De afspraak werd rap gemaakt.
 
Zelfs nu, op 4 april hadden we in de morgen nog sneeuw. Wel heel lichte sneeuw, maar toch sneeuw! En het blijft maar koud. De oostenwind is de boosdoener.
We gaan straks de Maas over, maar blijven eerst aan de zuidkant van Rotterdam, IJsselmonde. Precies op de minuut af, belden we aan bij de familie van Soomeren. De deur wordt meteen geopend en daar staat Gerrit van Soomeren. Die moet achter de deur hebben staan wachten.Dat kan niet anders! We worden hartelijk onthaald. “ Sobat, u bent afgevallen,” is het eerste wat we constateren als we onze jassen op de kapstok hangen. Mevrouw van Soomeren die in de woonkamer ons op wacht, roept dat het inderdaad 8 kilo scheelt!  
Eenmaal lekker gezeten in de gezellige kamer, de kanariepiet hipt vrolijk in zijn kooitje van stokje naar stokje, kopje koffie erbij, praten we verder. Gerrit van Soomeren vertelt dat hij inderdaad hard is afgevallen. Hij heeft 2 maanden vloeibaar voedsel moeten eten vanwege het laten zetten van implantaten voor het gebit. Bovendien waren er de laatste maanden heel veel zorgen, mevrouw van Soomeren kreeg een nieuwe heup en bij dochter Anja werd kanker op de nier geconstateerd. Gelukkig was het operabel, maar meneer en mevrouw van Soomeren hebben in de achterliggende periode dus wel een flinke jas uitgetrokken. Gelukkig gaat het nu weer allemaal beter.  
Over twee weken zijn ze 51 jaar getrouwd. Meneer van Soomeren heeft 60 jaar huwelijk achter de rug. Zijn eerste vrouw is jong overleden. Mevrouw van Soomeren kwam helpen met de verzorging van de kinderen en is niet meer weggegaan. Inmiddels zijn er 6 kinderen, 4 meisjes en 2 jongens, 10 kleinkinderen en 6 achterkleinkinderen.                                       
 
Meneer Gerrit van Soomeren ziet slecht. Een afwijking aan zijn ogen maakt het bijna onmogelijk om te zien. “Het is niet anders, ik ben er nog en dat is ook heel wat!” zegt hij realistisch. Zelf autorijden is voor hem voorbij, maar mevrouw van Soomeren rijdt, al is het niet zoveel meer, nog wel auto. “We hebben een mantelzorgster en beiden een alarmbelletje om de nek,”vertelt mevrouw van Soomeren, “ik ben al eens eerder gevallen Gerrit zat lekker in de tuin op een bankje. Omdat hij behoorlijk doof is, hoorde hij mij niet roepen. Gelukkig lag mijn mobiele telefoon vlak bij waar ik viel. Zo kon ik mijn dochter waarschuwen. De buurman schoot ook te hulp, maar had geen sleutel van ons huis. Nu ik in het ziekenhuis heb gelegen voor mijn heup, heeft Frank, onze zoon, geregeld dat we zijn aangesloten op een alarmcentrale. Dat geeft voor de kinderen en ons heel wat rust.” Goed gedaan Frank!!  
De kanariepiet, nieuw, fluit er lustig op los. “Je hebt er toch geen last van hè?” vraag mevrouw van Soomeren. .. “Welnee,” zegt Joop, “anders zeg ik wel: Stil zijn!”   Laat nou de kanarie meteen ook stil zijn! “Je kunt wel horen dat je een rang in het leger hebt gehad Joop,” merkt sobat van Soomeren gevat op. “Ik ben een echte Tijger hoor,” en trots laat hij de tijgerbrigade kerstkaart en een bedankkaart voor een donatie zien die Marianne hem heeft gestuurd. Hiermee is de toon gezet voor het verdere gesprek.
 
De Tijgerbrigade. Hoe kwam Gerrit van Soomeren daarbij?
“Je werd geroepen, je ging gewoon. Als OVW- er heb ik mijn taak gedaan voor Nederland. In september ‘44 heb ik een ‘werkje’ opgeknapt. Ik heb de telefoonleiding van de centrale naar de Ortskommandant doorgezaagd. Toen ben ik gevlucht vanuit Dordrecht naar Rotterdam toe. Daar ben ik in het Haagse Veer (politiebureau) terecht gekomen. Daar heb ik een nacht geslapen.
De dag daarna ben ik verder gaan lopen naar Schiedam, Vlaardingen, Maassluis. Daar heb ik een hele dag over gedaan. Bij Maassluis heb ik een kano te pakken gekregen. Daarmee ben ik de Waterweg opgegaan naar zee. Want aan de overkant, in Hoek van Holland, daar zaten de moffen! Ik heb mij zover mogelijk met de stroom mee laten drijven de zee op.  
 
Let wel: ik was toen 16 jaar! Heb toen een nacht, een dag, een nacht en nog een dag op zee gezworven. Ik had niets bij me. Ik heb me met het tij mee laten drijven. Uiteindelijk ben ik door Engelsen opgepikt en die hebben me naar Engeland gebracht. Ik heb drie weken lang in Aldershot gevangen gezeten.
Daar werden mijn antecedenten helemaal nageplozen of ik geen spion was.    
Ik ben daarna in Schotland terecht gekomen, in Manchester, waar ik een opleiding kreeg. Dat was dus in de dienst van Engeland. Bijna eind december ’44 ben ik naar Nederland gebracht.
Ik ben toen in Duitsland terechtgekomen bij de Amerikanen en daar mocht ik dan de vloer schrobben. Ik was nog maar een klein knulletje natuurlijk! In mei 1945, na de bevrijding, ben ik teruggekomen in Holland. Ik mocht met verlof. In die tussentijd konden toen de mensen, die in dienst van Amerikanen waren geweest, naar Amerika om zich daar te settelen. Ik heb mij vervolgens in Dordrecht gemeld voor de dienst, maar ja, ik was toen nog geen 18 jaar!
 
Daarna ben ik naar Gorinchem gegaan want daar zat de Genie. Die zat ook in Brabant, maar ik werd ingedeeld bij de Genie Gorinchem. Ik was in de oorlog 16 jaar en ik had Lager Onderwijs gehad en werkte op een tuinderij, in de bloemenkweek en gaf informatielessen op de scholen. Ik was eigenlijk dus een bolleboos toen ik mij aanmeldde. Bij de aanmelding werd, ongeacht je opleiding, beslist waar je heen ging. Na de opleiding in Nederland gingen we met de boot naar Engeland en daar vanuit met “de Kota Inten” naar Indië, naar Padang Padjan op Sumatra. Daar ging een gedeelte van de manschappen van boord. Daarna gingen we op 27 januari 1947 door naar Tandjong Priok in Batavia. Op Mr. Cornelis hebben wij een week tot veertien dagen gezeten. Daarna gingen we met de boot naar Semarang  en werden met kleinere boten aan wal gebracht.  
                                 
We kwamen vlakbij de Koepelkerk aan land en lopend gingen we naar Djatingalee, ons kampement. Links zat 1 RS, rechts 2-13 RI en daarna de 5e genieveld compagnie. De drie kazernes zijn er niet meer. Op die plek wonen nu oudgedienden. Met de 1e politionele actie vertrokken wij via Ambarawa naar Salatiga. Met de 2e politionele actie vertrokken wij vanuit Salatiga naar Djokjakarta.  
We hebben versperringen geruimd onderweg en met detectors de weg vrijgemaakt. Als wij met de Genie ergens kwamen was er een brug weg. Met de bewoners samen maakten we dan een nieuwe brug. Zij hielpen ons met de aanvoer van bomen en houtblokken. Met zijn allen zetten we dus een brug in elkaar. Maar het kon ook zijn dat die zelfde brug de volgende dag alweer verdwenen was. De inlanders die ons meehielpen kregen eerst te eten en dan werken. Geld kregen ze pas later op de dag en niet te veel want anders kwamen ze niet eerder terug dan dat het geld op was.  
 
We hebben het gehad met Generaal Spoor, die kwam dus op bezoek en die reed als eerste over de nieuwe brug van ons. Hij had altijd zijn hondje achter in zijn jeep zitten. Hij stapte uit en hij heeft hoofdschuddend voor de brug gestaan. Hij kon het niet begrijpen dat wij dat gemaakt hadden.  

Het gebeurde dat we gewoon met de hand nieuwe brugdelen zaten te maken. Met een handboor en ander eenvoudig gereedschap. Hij stond echt versteld daarvan. Kort daarop is hij overleden. Generaal Spoor, dat is de generaal! Ik heb hem destijds dus in levenden lijve gezien. Ik ben 6 jaar geleden, september 2007 teruggeweest naar Indië en daar heb ik ook zijn graf bezocht. Dat vond ik heel belangrijk. Dat teruggaan naar Indonesië heeft mij toch heel erg goed gedaan, maar het was ook heel emotioneel.  
Ik was samen met mijn mijn oudste dochter en kleinzoon Jacco, hun partners. Jacco heeft de hele reis uitgestippeld en alles opgezocht wat  ik daar wilde zien.  Het ereveld, de Koepelkerk, Toko Oen  op de Bodjong! We hebben alles kunnen  vinden en teruggezien, behalve de Tijgerclub. Waar mijn kazerne stond, staat nu een klein schooltje. Ik ben daar op mijn knieën gegaan en heb de grond gekust. 
In Salatiga zijn we geweest in het kerkje
waar ik destijds mijn belijdenis deed.……
Om daar weer te zijn was heel emotioneel. 
Dat was voor mij heel erg zwaar om daar 
weer naar binnen te gaan.  

 

Terug uit Indië kreeg ik eerst 6 weken verlof. Gratis met de trein overal naar toe. Ik heb in Schoonhoven nagediend bij AAT als chauffeur. Daar deed ik allemaal chauffeurswerk, o.a. in Schoonhoven, kamp Vught en Gilze Rijen. Ik bleef OVW- er en ook beroeps tot eind dec.’49. Vanuit het Rijk kreeg ik een opleiding tot machinebankwerker in Rotterdam.
                                           
Daarna ben ik in de scheepsbouw terecht gekomen. In 1956 heb ik op de scheepswerf een ernstig ongeluk gehad. Ik kreeg een mast op mijn rug. Sindsdien zat ik thuis. Zo, mag ik nu even een sigaretje roken?” vraag sobat Gerrit van Soomeren. Joop helpt hem met het draaien van een shaggie hoewel het voor hem 50 jaar geleden is dat hij een shaggie rolde, zijn handen trillen niet.
                                              
“Ik kwam aan in Amsterdam en werd door de MP naar Amersfoort gebracht,”gaat sobat Gerrit verder.
“Waarvoor was dat dan,” vraagt Marianne geïnteresseerd.
“Omdat ik aan boord zwaar arrest had gekregen van 14 dagen. Dat was in de Middellandse Zee.
Ik had theedienst aan boord van de Engelse passagiersboot, de naam weet ik echt niet meer, Daar werd aan boord een thee-uurtje gehouden. Je kreeg dan een glazen kom, dat vond ik niks. Ik nam een beker van de kant af en daar gooide ik mijn thee in over. Een officier waarschuwde me dat ik dat niet mocht doen. Dat was beledigend voor de Engelsen. Ik heb de thee terug in de glazen kom gegooid. Toen draaide ik mij om en gooide het terug in de beker. Daarvoor moest ik op rapport komen en dat heeft mij 14 dagen zwaar arrest gekost. Ik mocht mijn kajuit niet uit. Bij aankomst in Amsterdam werd ik dus door 2 MP- ers opgehaald en moest ik in Amersfoort nog 4 á 5 dagen zitten. Eind maart. In mijn tropenuniform op een open jeep. Man, wat heb ik het koud gehad.
 
Toen ik eindelijk naar huis mocht, was er niemand die mij opwachtte. Ze wisten niet eens dat ik thuis kwam. Geen versierde straat of deur voor mij! Wat wel gebruikelijk was wanneer iemand uit Indië weer thuis kwam.”
Dat weten wij maar al te goed. Dat kunt u in deze Sepatoe Roesak lezen en zien. Tijdens de reünie van 28 september in Vught willen wij er ook ruimschoots bij stilstaan.
“Als ik het boekje krijg, dan zal ik het aan Frank en Jacco laten zien. Zij hebben mij de laatste twee keer naar de reünie gebracht en hebben het heel erg naar hun zin gehad. Ik zie bijna niets meer, maar het was wel leuk om met Gerrit Gleijm te spreken. Hij is de enige nog van 5e genieveld compagnie.” Marianne heeft onlangs met sobat Gleijm gebeld voor zijn verjaardag en die vertelde dat hij zeer zeker weer naar de reünie komt. Frank en Jacco, jullie zijn dus met jullie vader, opa, ook weer van harte welkom! Gerrit van Soomeren zit op zijn praatstoel maar wij houden rekening met de leeftijd van onze sobats. We nemen hartelijk afscheid. Het is hoogtijd om op te stappen en Rotterdam aan de andere kant van de Maas te bezoeken. De kanarie maakt nog een mooie riedel ten afscheid.  

 

Commando overdracht bij de jonge Tijgers.  

Op 12 maart 2013 vond bij de Charlie Tijger Compagnie 11 infanteriebataljon Air Assault Garderegiment Grenadiers en Jagers een commando- overdracht plaats.

Omdat wij, mede dankzij eretijger s.m. E. Henderson, vriendschappelijke banden onderhouden met de ‘jonge tijgers’ ontvingen wij een uitnodiging van Kapt. M.S.Veuger om deze commando-overdracht bij te wonen. Kapitein Marc Veuger was samen met csm. Dennis Roelofs aanwezig op onze reünie in september 2012.  

Wij, Joop en Marianne, reisden per trein naar Arnhem. Na overleg met csm. Dennis Roelofs zouden wij met een militair busje naar de Oranjekazerne in Schaarsbergen gebracht worden. Weer was het koud en de voorspelling was dat er nog sneeuw zou gaan komen ook! Met ons laatste bezoek aan de Oranjekazerne op 7 december 2012 nog in ons achterhoofd, bereidden wij ons voor op het ergste. Gelukkig viel de sneeuwval mee, alleen de kou: die hield hardnekkig stand! Een ijzige wind hield de lente nog op grote afstand.
Twee jonge, frisse tijgers wachtten ons op bij het station. Snel in het warme busje en op naar de kazerne. Onderweg door het licht besneeuwde landschap werd gesproken over de binding tussen de oude en jonge tijgers. Beide jonge tijgers waren goed op de hoogte in welk verband wij aanwezig mogen zijn tijdens de commando-overdracht.
Eenmaal aangekomen bij de kazerne maakten we nader kennis met kapitein Ralph Kemenade met een kop koffie in de Tijgerkantine. Kapitein Marc Veuger drukte de aantredende commandant kapt. Ralph Kemenade op het hart om de banden met de oude Tijgers goed te onderhouden en hen zoveel mogelijk te ondersteunen. Marianne nodige Ralph Kemenade meteen uit om aanwezig te zijn tijdens onze reünie op 28 september in Vught. De afspraak werd rap in de digitale agenda genoteerd. (waar blijf je tegenwoordig nog zonder Blackberry of i-Phone?) Gewoon, bij een pen, papiertje of succesagenda!  
Inmiddels waren alle burgergenodigden aanwezig en werden wij samen met de echtgenote van Marc Veuger en hun kinderen Lars en Lisa, ouders, schoonouders, verloofde, broer en andere familieleden van beide kapiteins uitgenodigd om beneden in het Tijgerhol ons te mengen met alle militaire genodigden. Hier ontmoetten wij ook eretijger sergt. maj. Henderson weer. Een prettig weerzien.
 
Lars Veuger, het jonge zoontje van Marc Veuger, begroette iedere nieuwe bezoeker door hem of haar met uitgestoken hand en: “hallo, ik ben Lars.” Je kwam eerder niet voorbij hem. Een pittig ventje.
 
Om even voor 15.00uur was de aanvang van de ceremonie. We werden keurig naar buiten begeleid naar de overdekte plaatsen met lekker dikke legerdekens. De Tijgercompagnie stond al opgesteld. Gelukkig mochten de manschappen hun warme legerjas tijdens de ceremonie dragen. Natuurlijk moeten die stoere aangetreden manschappen wel tegen een stootje kunnen. Brrrr!  

Kareltien (de Tijgermascotte) stond op de ‘Cor Strik’ (c.cie militair gesneuveld tijdens een missie) gedenkplaats. Ontwapenend was het toen beide kapiteins de ceremonieplaats betraden, de kleine Lars enthousiast: “Papa” riep. Probeer dan als kapitein je gezicht in de plooi te houden.

Het militaire protocol werd uitgevoerd, er volgde een krachtige afscheidstoespraak door Kapt. Veuger, waarbij hij ook zijn vrouw en ouders bedankte voor alle steun door hen een mooi boeket bloemen aan te bieden. De verloofde van Ralph Kemenade werd niet vergeten. Zij ontving al bij voorbaat voor haar ondersteuning van de nieuwe commandant, eveneens een boeket. De overdracht vond plaats en de nieuw aangetreden Kapt. Ralph Kemenade sprak als nieuwe commandant de troep toe.

Na de hele ceremonie, waarbij Marc Veuger als afscheidscadeau van zijn jongens een prachtig mooi kiteboard met daarop afgebeeld de bij u bekende tijgerkop ontving en ook zijn kinderen Lars en Lisa bedeeld werden met een mooi cadeau werden wij snel weer naar binnenbegeleid. De warme koffie en cake stonden al klaar! Opa en oma hielden de beide kleinkinderen een beetje in de gaten. Oma zat met Lisa, die zich meteen op haar nieuw verworven ‘tas versierset’ had geworpen, lekker in de grote zithoek op de bank. De receptie werd zeer druk bezocht. Natuurlijk werden onze felicitaties mede namens u, tijgerveteraan, aan zowel Marc Veuger als Ralph Kemenade overgebracht. Wij hadden deze middag gesprekstof genoeg. Zeker het promoten van u de, met alle respect, oude Tijgers van weleer.  Nadat ook de bataljons overste zich bij het gezelschap had gevoegd en Marc Veuger toegesproken, werd Marc een sabel overhandigd. Zichtbaar verrast en emotioneel werd deze door Marc Veuger in ontvangst genomen. Wat een eer.  

Na de drukte van het handje schudden kreeg Joop de gelegenheid om ook het woord te doen. Joop sprak met duidelijke , luide stem de aanwezigen toe. Hij vertelde waarom wij aanwezig waren tijdens deze commando-verdrach. Hij besprak wat u als oude tijgerveteraan hebt meegemaakt, uw inzet en uw opoffering van uw jeugd voor het vaderland. Onze ontmoeting en de kennismaking met de Charlie Tijgercompagnie. Ook sprak hij zijn hartelijke dank uit voor de verleden jaar door hen beschikbare gestelde prijzen voor de loterij op de reunie van september 2012. 

Bij een dergelijke feestelijk dag horen presentjes. Daar hadden wij aan gedacht. Kapt. Marc.Veuger kreeg een ingelijste vergroting van de foto waarop hij met csm. Dennis Roelofs en onze 2-6R.I.er Jan Laus staat. (Jan Laus heeft een iets kleinere versie van deze foto opgestuurd gekregen).  Voor de nieuwe commandant hadden wij een Tijger- boxershort. ( Koos de Ruijter toonde u eerder in dit boekje een exemplaar ) en voor in de Tijgerkantine overhandigden we csm. Dennis Roelofs een in 3D tijgerkop afbeelding.         

Na het eten van een gezamenlijke nasimaaltijd was het tijd om naar huis te gaan. Wij werden netjes naar het treinstation gebracht. Ditmaal door een majoor!!  

Namens alle sobats 2-6 RI en Tijgerbrigade, wensen wij Kapt. Marc Veuger bij het uitoefenen van zijn nieuwe functie in Amersfoort Marc Veuger gaat daar op de manoeuvreschool cursussen verzorgen voor Opvolgend Pelotons Commandanten (sergeanten) en Pelotons Commandant (luitenanten) die leiding geven aan een luchtmobiel Peloton. Zij krijgen daar lessen in o.a. tactiek bij luchtmobiele operaties.  (met dank aan SM Dennis Roelofs voor deze duidelijke functieomschrijving)                                                                             
tekst:Marianne
foto's Joop Pragt

                                                                              

 

 
Wietze Westerhof, soldaat 1e klas, 2e Cie. 2-6 R.I.
Echtgenoot, vader, schoonvader, opa en overgrootvader.
* 25 mei 1921  -  † 4 maart 2013  
..........

        

.....

 
 
Als het levenslicht is uitgeblust
Wordt niet alles zwart
Er zal altijd een lichtje blijven branden
Dat lichtje in ons hart.
 
 
Van dochter Alie Roex-Westerhof ontvingen wij op 4 maart 2013 het volgende trieste bericht:
 
Hallo Marianne en Joop,

Dit wordt een hele moeilijke mail, want vanavond, om 20.00 uur,  is pap overleden.
Het ging al een paar maanden niet goed, en de laatste weken waren heel zwaar. Pa werd alsmaar zieker en accepteerde geen hulp van de verpleging! Het leven hoefde voor hem niet op deze manier. Mam ook nog aan het sukkelen, ze kon er niet mee omgaan.
Al sinds de kerst voelde hij dat hij er niet lang meer zou zijn. Hij heeft met ons zijn crematie besproken. Zijn wens is alleen vrouw, kinderen en kleinkinderen en de kleintjes
Aan zijn wens geven wij gehoor!
Alles zoals hij het wil.
 
                                       
Wietze Westerhof:  laatste van de ‘3 musketiers’.  
Tijdens ons bezoek aan Wietze en Mientje Westerhof in 2011 vertelde Wietze zijn verhaal.
“Met mijn zestiende ging ik op 13 maart 1937 op de mijn werken en op mijn 18e ging ik ondergronds in de Staatsmijn Emma. Toen in de nacht van 9 mei 1940 de Duitsers Nederland binnen vielen zat ik op een diepte van 546 meter onder de grond. Ik had nachtdienst. Via de telefoon hoorden wij dat het oorlog was. Wij naar huis.
Mijn bloed kriebelde al! Wat te doen? Ik heb eerst nog wat gesmokkeld met dynamiet. Heel link allemaal. Meteen na de bevrijding van Limburg heb ik mij aangemeld als oorlogsvrijwilliger. We trokken mee met het eerste Amerikaans leger naar Duitsland. Als bewaking. Het was bitterkoud. Wij werden teruggeroepen. Niet vanwege de kou, maar door Prins Bernhard en 2-6 R.I. werd opgericht. Kleding kregen wij bij café Bas in Amsterade. Gestoomd (de kleding!). 
Met de kogelgaten er nog in! Dan dezelfde route als de meeste 2-6R.I.ers. Naar Engeland. Hier kreeg ik mijn eerste bren. Ik werd brenschutter en later brencommandant. Na de 1e politionele actie kreeg ik een streep. Sobat soldaat 1e klas Henny van Oosterhout heeft veel over onze ervaringen in Indië geschreven in zijn dagboeken.”
 
……….De zon brandde nu op ons lijf en we zweetten. Maar, ‘vooruit’, de oversteek was eerst droog, maar het laatste stuk was er blubber en zakten we tot onze kuiten in de moerasachtige modder dat je lichtelijk vast zoog. Wietze zag ik over een heuveltje vallen met zijn kont in de modder. Ik hoorde hem vloeken en toen krabbelde hij overeind. Zo bereikten we de kampong die verscholen lag achter het geboomte. “Langzaam en voorzichtig voorwaarts” klonk het…
 
…………We kwamen nu op de smalle weg die steil op en af ging. Daar gaf ik aan Wietze de bren over. Ik kon niet meer. Mijn tong was dik en droog. Nog 3 km naar onze trucks. In de verte zag je het droge gras branden waar de granaten terecht waren gekomen. We benijdden die mortierschutters die langs ons reden met de halftrucks. Ik zat in de laatste sectie. Slof, slof, gingen automatisch onze voeten. Eindelijk, daar stonden de wagens! God zij dank!......................
 
………Ben met Wietse naar de bioscoop geweest. Wietse is soldaat 1e klas geworden. 1e streep. Hij is brenschutter. Ik hoop dat ik ook een kans maak.
                                       
………Bah, wat duurt zo 'n wacht van 12 uur lang. En dan die slaap!! Wietse en ik hadden in onze stelling een bak met  water klaar gezet, zodat we ons gezicht en ogen konden natmaken als de slaap ons te machtig zou worden. Onze stellingen waren locomotieven met kolenwagens die met zandzakken versterkt waren. De halve nacht was  het volle maan, maar om 3.00 uur werd het donker. Je ogen deden pijn van het turen in het donker. Een keer was ik aan het knikkerbollen, maar Wietse maakte me wakker. Daarna heb ik Wietse anderhalf uur laten dutten……… 
 
………Vanavond om 18.00 uur op wacht, maar alles is rustig verlopen in onze sector.  Had wel veel slaap, maar heb samen met Wietse in het gezelschap van de muskieten, die je niet met rust  laten, het 12 uur in onze bunker volgehouden. We losten elkaar om de twee uur af met rust(slapen). ……….
 
…….. Wij moesten onder dekking van de tanks en het 1e pel.  de kali over die door het brede dal stroomde. We stonden klaar om de steile helling af te glijden. Vasthoudend aan de struiken. Wietse was al tussen het struikgewas verdwenen. Ik zag de dolk van Wietse in de afdaling, greep het mes, struikelde en stak me met het mes in mijn knie. Het bloedde flink, maar vooruit. Haalde mijn maatje in en gaf hem het mes en merkte toen pas dat ik mijn eigen dolkmes uit de schede had laten vallen en het verloren was……….
 
…….Ben nog naar mijn slapie Wietse geweest en hem bezocht in het Juliana hospitaal. Hij maakt het goed en wordt door de zusters verwend. Ik moest om 18.00 uur op wacht………….
 
………. Ik ben na het eten naar bed gegaan maar werd om 11.00h wakker, badend in mijn zweet. De zon scheen juist op mijn gezicht. Karel Evertsen kwam nog of ik zijn strepen op zijn uniform wilde naaien, want hij ging vanmiddag naar de stad………...
 
Samen met Henny van Oosterhout en Carel Eversen verkregen de drie jongens uit Hoensbroek de erenaam ‘de Drie Musketiers’.

Niet alleen tijdens de acties zetten de manschappen van 2-6 RI zich in, maar ook tijdens het verlof. Toen de marine de Tijgerclub dreigde over te nemen, leerden Carel Eversen en Wietze Westerhof hen een lesje. Koppelriemen af en knokken maar. U kent allen de afloop. Vele latere tijgers wisten de Tijgerclub in Semarang te vinden.
“Aan een aantal Baroetjes van de aanvulling van 1-7 R.I. werd snel duidelijk gemaakt dat meeliften heel gewoon was,”vertelt Wietze grinnikend, “ het was niet de bedoeling om kameraden langs de kant van de weg te laten staan.
Een schot op de banden van de legerjeep was voldoende om hen dat eens en voor altijd in te prenten. (Geen namen noemen want anders komt defensie alsnog met een naheffing!) .”
 
De start van het gezin Westerhof begon eind 1943. Op een bruiloft van een nichtje, leerde Wietze zijn Mientje kennen tijdens een polonaise in een appelwei. Die polonaise wierp vruchten af want op 3 september 1948 trad het paar in het huwelijk met als resultaat twee kinderen, 3 kleinkinderen en 4 achterkleinkinderen! Mientje heeft altijd in de huishouding gewerkt, maar toen de ooievaar zich meldde, richtte Mientje zich volledig op haar eigen huishouden.
 
Wietze en Mientje Westerhof waren zeer trouwe bezoekers van onze reünies. De laatste jaren werden zij door dochter Alie en schoonzoon Ben begeleid.
 

 
   
Dochter Alie maakte de meest mooie borduurwerken voor de loterij. In 2012 zou zoon Klaas en diens vrouw Corry, Wietze en Mientje begeleiden, maar helaas liet de gezondheid van Wietze het niet toe.
Wietze Westerhof nu op zijn laatste patrouille met Henny en Carel.  
 

Henny 

Wietze 

Carel 

 
 
 
 

Een kopje thee bij Bep Clavan in Den Haag.  
 
Bep Clavan(84) is de weduwe van Carel Clavan, 2-6 RI. Zij wilde verleden jaar graag naar de reünie. Maar dat ging niet. Ze had zich ook helaas niet afgemeld. Ook niet voor het treinbusje. Een beetje ongerust belde Marianne haar enkele dagen later op. “Oh meid, wat erg! Ik was ziek. Mijn nicht zou jullie op de hoogte stellen. Oh, dat vind ik wel erg hoor. En dan die chauffeur van het busje maar wachten op Bep! En er kwam geen Bep.” Marianne bevestigt dat inderdaad het busje heeft staan wachten op nog enkele aangemelde deelnemers, die uiteindelijk toch op de dag zelf niet kwamen. Marianne zegt dat het daarom goed is om altijd even af te melden.  
                                                         
Het is weer koud. Snijdend koud. IJskoud! Gemeen koud! U begrijpt: het was dus koud!
Snel belden wij op 23 februari 2013 aan bij de portiekwoning nadat we over loopplanken (ja meid, de straat wordt helemaal gemoderniseerd)  het woonblok hadden bereikt waar Mevrouw Clavan ons al opwachtte. “Kom snel naar binnen. Konden jullie het wel vinden?” vraagt ze bezorgd. “Maar natuurlijk, anders hadden we toch nu hier niet gestaan,” merkt Joop op terwijl hij zijn jas aan de kapstok hangt. Mevrouw Clavan tikt Joop lachend op zijn arm en noemt hem bijdehand!
   
In de woonkamer van de zeer ruime tussenwoning waar Bep Clavan al 42 jaar woont, valt, naast de heerlijke warmte,  meteen de kleurenfoto van Carel Clavan op. Hij overleed op 19 mei 2008. Dat weet Marianne heel goed, want haar vader, Huib Lankhuizen, overleed een week later op 27 mei.  
Mevrouw Clavan staat er op dat we haar Bep noemen. Hoewel Marianne er wel moeite mee heeft en Bep Clavan haar steeds moet corrigeren met ‘ je, jou, jij en wij’, probeert zij toch aan de wens van mevrouw….eh… Bep Clavan te voldoen.
 “Het gaat nog best goed met mij. Ik mag niet mopperen en doe nog alles zelf. Het portiek houd ik zelf schoon en help de oude mensen in het tehuis verderop. Ik ga met ze wandelen. Anders hebben die ouwetjes (!) niets. Ik doe ook nog steeds mee aan bloemschikken, maar volksdansen niet meer. Verder heb ik veel fijne mensen om me heen. Mijn nicht Hanny komt iedere week mijn haar doen. Ik ben altijd druk bezig. 
Heerlijk. Iedereen staat ook voor mij klaar. Als ze mij twee dagen niet hebben gezien, dan gaan ze meteen bellen. Bep, moeten we wat voor je doen?
Hoewel het alweer vier jaar geleden is van Carel, mis ik hem nog iedere dag. Ik was 51 jaar met hem getrouwd, dus dan mis je elkaar. Carel was gevallen en ik dacht, wat moet ik nou doen. Hij lag op de grond en ik dacht: ik bel de politie. Nou dat waren de meest vriendelijkste agenten. Zij belden gelijk de eerste hulp.  Die agenten komen hier nog steeds koffie drinken en hun boterhammetjes eten. Die agenten lopen hier in de wijk. Ze komen hier langs en vragen of er nog iets is. Bij mij krijgen ze koffie. Ik ben een beetje de spreekbuis van de buurt hier. Er komt hier ook nog steeds een agent, die al lang weg is bij de politie. Eén keer in de week, op zondag. Alleen of samen met zijn zoontje.
   
Vroeger werkte ik bij de Gruyter als hoofdjuffrouw (weet u nog: het snoepje van de week!), en leerde ik Carel pas kennen toen hij terug was uit Indië. Door mijn broer, die zei dat hij een lieve jongen kende en hem eens meebracht op een avondje uit. Dat was Carel. Meteen raak! Het is nooit meer uitgegaan! We zijn in 1957 getrouwd. Ik heb 41 jaar bij de Gruyter gewerkt en alle opleidingen daar gekregen. Helaas hebben Carel en ik geen kinderen mogen krijgen en we wilden ze juist zo graag. Alles laten controleren, er was niets mis, maar helaas…!”  
Bij Joop brandt al een tijdje de vraag op zijn lippen: “Clavan, de voetballer uit Den Haag, speelde bij ADO. Ik ben voetballiefhebber en daarom stel ik de vraag: is die Clavan familie?” “Het was geen familie van Carel. Mensen vragen dat zó vaak. Dus beste sobats, u weet het nu: nee, het is geen familie!”
 
Bep vertelt verder: 
“Carel was marinier. Zijn militairregistratienummer was 26.04.06.006. Hij kwam van 9 RI als aanvulling bij 2-6 RI terecht. Veel namen weet ik niet zo uit mijn hoofd, maar met Huib Kers heb ik wel al lang contact. Hij was Carel zijn beste vriend. Eens in de drie maanden kwam hij vanuit België hierheen.

Dan bleef hij lekker eten. In Indië waren ze ook altijd samen. Alleen kan ik zijn telefoonnummer niet meer vinden.” Marianne geeft Bep het telefoonnummer van Huib door. “Oh ja, en Ad van Hooijdonk. Dat was ook een vriend van Carel. Wil je hem de hartelijke groeten doen? (is per e-mail gedaan)
Na zijn diensttijd in Indië ging Carel terug naar de gasfabriek hier in Den Haag, waar hij voor zijn diensttijd in Indië al werkte. Daar is hij blijven werken tot zijn pensioen
Carel en ik kwamen graag naar de reünies. Het is fijn als je weer oude bekenden ziet. In 2010 kwam ik alleen naar Vught. Ik mocht toen de kaars aansteken met de herdenking. Dat vond ik heel emotioneel en ook een hele eer. Eigenlijk moet er twee keer in het jaar een reünie komen. Het duurt zo lang een heel jaar. Maar dat is natuurlijk wel extra veel werk voor jullie. Als ik ergens mee kan helpen dan hoor ik het wel. Ik breng altijd cadeautjes mee naar de reünie voor de loterij. Maar omdat jullie natuurlijk voornamelijk door donaties bestaan wil ik ook een donatie overmaken. Geef het nummer maar. Dan zorg ik daarvoor.” Marianne bedankt bij voorbaat Bep namens alles sobats.  

Bep belooft ook een foto van Carel in Indië uit de fotoalbums op te zoeken en naar ons op te sturen. “Ik heb niets van die spullen van Carel weggedaan. Die bewaar ik. Wil je wat kijken, dat je nu gelijk er één meeneemt of er een foto van maakt? Dan kan die mooi bij het artikel in het boekje. Ik heb alles in orde gemaakt bij de notaris, maar van de fotoalbums en spullen van Carel niet! Maar dit is ook belangrijk. Ik ga daar achteraan. Want als dat weggegooid wordt, dat is zonde! Nee, ik maak dat in orde. Dat moet.”  

 
Kijk en dat is weer een mooi besluit van mevrouw…eh… Bep Clavan. Te vaak horen we nog dat er foto’s, documenten e.d. in de vuilnisbak verdwijnen. Vergeet niet, het is de nalatenschap van de Tijgerbrigade! Joop en Marianne complimenteren Bep voor haar wijze besluit.
 
Bep Clavan kan niet wachten tot 28 september 2013. Helaas is het niet mogelijk om haar thuis op te halen en weer terug te brengen, maar als zij iemand heeft die haar kan begeleiden, is dat prima!
 
Hoewel het ook bij Bep weer heel gezellig kletsen en lachen is, wordt het voor ons hoogtijd om terug te gaan naar Rotterdam. Maar eerst de kou weer in. Brrrrrr! We manen Bep snel de deur weer achter ons te sluiten en zo de warmte binnen te houden. Dag Bep Clavan, tot september hoor!
Terug in Rotterdam komt Marijke, de coördinatrice nazorg, voor een kleine bespreking over de bezoeken, op visite. Daarna eet zij gezellig mee bij ons. Pannenkoeken!.................................                     tekst:Marianne Pragt.  foto's Joop Pragt
 

2-6 RI sobat Koos de Ruijter onderscheiden.  
 

 
Op donderdag 21 februari 2013 ontving onze Rotterdamse 2-6RI sobat  Koos de Ruijter, van 1945 tot 1948 OVW- er bij het 2-6R.I. van de Tijger Brigade, het draaginsigne gewonden. Het insigne werd, op verzoek van Koos de Ruijter, door de burgemeester van Rotterdam, ing. Ahmed Aboutaleb, aan hem uitgereikt.
 
Onder het genot van een kopje koffie en grote belangstelling van familieleden en genodigden vond de uitreiking plaats. Namens de reünie en nazorgcommissie 2-6 R.I.,  T -Brigade waren aanwezig de voorzitter/secretaris, Marianne Pragt- Lankhuizen en de penningmeester Joop Pragt.  
In 1947 raakte Koos de Ruijter tijdens een grote actie op Midden Java,  als mijnenopruimer  bij 2-6 RI, ernstig gewond aan zijn arm en been. Koos zat voorop de bumper van een carrier om de weg te inspecteren op mijnen. Tijdens deze  opmars werd het commando “stoppen” gegeven.  Koos rookte langs de weg zijn sigaretje. Even later werd,  vanwege de  onveilige locatie waar de colonne halt had moeten houden, het commando gegeven om tot voorbij de bocht door te rijden. Koos klom weer terug op de carrier. Hij zat amper op zijn knieën op de bumper of de carrier reed op een mijn. Koos vloog door de lucht, zag het wegdek op zich afkomen en werd wakker in het St.Elisabeth ziekenhuis in Semarang. Niets aan de hand, dacht hij, stapt uit bed en komt tot het besef dat hij zijn arm en been niet meer kon gebruiken.
Na enige weken herstel in het St. Elisabeth- ziekenhuis en later nog een verblijf in het Oranjehotel in Bandoeng, hervatte Koos gewoon weer zijn dienst.  
Tijdens een interview bij Koos de Ruijter thuis bemerkte de interviewster, mevr. Marianne Pragt – Lankhuizen dat er nooit een aanvraag voor een onderscheiding was ingediend maar dat Koos de Ruijter er wel recht op had. Zij verzorgde alsnog de aanvraag.  
 
Met veel respect en waardering voor de inzet van onze militairen, zowel in het verleden als het heden sprak burgemeester Ahmed Aboutaleb Koos en genodigden toe. 
Hij sprak tevens de wens uit om sobat Koos weer te mogen ontmoeten tijdens de Rotterdamse Veteranendag in juni 2013.  Ter afsluiting werd er met het hele gezelschap en de burgemeester nog foto’s genomen op de trap van het Rotterdamse stadhuis.           
Marianne had voor Koos nog een toepasselijk cadeautje meegebracht. Trots als een pauw showde Koos dit presentje. Gekscherend zei hij tegen zijn echtgenote: “Laurie, zet je maar schrap! Die trek ik vanavond aan!”
Na afloop van het officiële gedeelte op het stadhuis hebben wij met Koos en Laurie en hun kinderen nog gezellig een kopje koffie en wat lekkers gebruikt in ‘Bed’. In bed? zult u denken. In bed? Zeker, want zo heet het eet-etablissement aan de Coolsingel naast het stadhuis. Het feestvarken Koos nam ter viering maar een lekker pilsje. Proost!!
 

tekst:Marianne Pragt.foto's Joop Pragt

 

Adriaan (Arie) Aalburg,  31e hupva.
6 juni 1926 – 20 februari 2013
                                                                                    
We staan niet altijd stil bij het “samen”
maar het is een groot gemis
als “samen” uit je leven is.
 
 
Op 20 februari 2013 overleed Rotterdammer Arie Aalburg, hospik van het 31e HUPVA.
Als vertegenwoordigers van de Tijgerbrigade waren op 27 februari 2013 aanwezig Joop en Marianne Pragt, tijdens de afscheidsplechtigheid in de aula van het crematorium ‘de Ommering’ te Spijkenisse.
 
Arie Aalburg werd op 6 juni 1926 in Rotterdam geboren. Maakte de 2e wereldoorlog bewust mee. Hij werd in één van de laatste razzia’s in Rotterdam opgepakt en weggevoerd naar Duitsland om daar gedwongen te gaan werken. Als 18jarige jongen maakte hij het bombardement van Stuttgart mee.
Arie Aalburg werd als dienstplichtig militair, lichting ’45, ingedeeld als hospik bij de 31e  HUPVA.  
De korte opleiding voor 31e Hupva bestond, naast exercitie, schieten en Maleis, ook uit een meer specialistische training zoals, EHBO, draagbaaroefeningen, spalken, verbinden etc. Op 28 december 1946 vertrok Arie Aalburg naar Nederlands Indië.
 
Na aankomst in Batavia werd 31e Hupva ondergebracht in een kampement. Op 10 februari 1947 werd men overgebracht naar Semarang op midden Java en ingedeeld bij de T- Brigade.
Vanwege een ernstige oogziekte kwam Arie Aalburg, bijna blind, vervroegd terug naar Nederland. Een periode van herstel volgde.
Hij trouwde in 1952. Kreeg twee kinderen en later volgden er kleinkinderen. Arie heeft ruim 40 jaar als gasfitter en onderhoudsmonteur gewerkt bij Shell Pernis. Hij en zijn vrouw vierden in november 2012 hun 60 jarige bruiloft.
Arie Aalburg mocht ruim 86 jaar worden.                 

 

 

Bij veteranendochter Francis Penninks-Heeswijck op bezoek.  

 
Op 16 januari 2013 bezochten wij sobat Pieter Renting en Conny v.d. Wiel van 2-6 RI. Op deze besneeuwde winterse dag stond nog een extra bezoek gepland. Dochter van de helaas overleden MP sobat van Heeswijck, Francis Penninks – van Heeswijck, zocht enige tijd geleden contact met Marianne Pragt – Lankhuizen. Zij belde Marianne nadat zij op het internet de website van 2-6 RI had gevonden, op zoek naar gegevens over haar vader. Na een intens telefoongesprek volgden verschillende e-mails waarbij Francis ook een aantal prachtige foto’s van haar vader stuurde. Marianne raadde Francis aan om contact op te nemen met sobat Frans Mulken 2-6 RI, MP voor meer informatie. Tevens adviseerde Marianne haar om in september zeer zeker naar de reünie te komen, omdat daar o.a. Hans van Dijk, een sobat van het onderdeel MP aanwezig zou zijn.
Aan beide adviezen gaf Francis gehoor. Francis wilde graag afspreken om ons alle documentatie te laten zien die zij van haar vader had. Die afspraak werd dus gemaakt. 

 

Omdat deze dag met enige vertragingen was verlopen en de afgesproken tijd om bij Francis te arriveren uitgelopen, was eerder al contact met haar opgenomen of het nog wel geschikt was om het bezoek door te laten gaan. Het was geen probleem. Laat in de middag kwamen wij aan in een besneeuwd Veenendaal bij een prachtige woning. Wij werden warm en hartelijk ontvangen in de moderne en stijlvolle hal. Ontdaan van onze winterse uitdossing, gingen wij de eetkamer annex keuken in.
Op de grote tafel lag al een hele stapel documentatie klaar. In het woongedeelte knapperde het haardvuur warm uitnodigend.
We begroetten André Penninks, de echtgenoot van Francis. Hij is onlangs met pensioen gegaan en zat lekker gemakkelijk de krant te lezen.   Met een heerlijk kopje koffie er bij, door André gezet, barstte Francis al meteen los met goed onderbouwde informatie en vragen over haar vader en 2-6 RI. Wat een enthousiasme.                 
Op verzoek van Marianne schreef Francis zelf een verslag over haar vader, Frans van Heeswijck (2-6R.I. MP) 

 

 
 
 
 
 
 
 
Mijn vader, Frans van Heeswijck, maakte deel uit van 2-6RI als MP’ er. Hij is in oktober 1945 met de ‘Nieuw Amsterdam’ vanuit Southampton naar Indië vertrokken. In mei 1948 is hij met de ‘Johan van Oldenbarnevelt’ in Nederland teruggekeerd.  

 
Hij is op 15 juni 1924 in Heeze geboren. Voor WO II waren zijn ouders al overleden. In de oorlog leert mijn vader in Haps mijn moeder, Truus Koster, kennen. Zij was daar met haar familie geëvacueerd bij familie. Vader en moeder kregen verkering. Vanuit Indië schreef vader dagelijks een brief aan haar. Bij thuiskomst werd hij liefdevol opgenomen in het gezin van mijn moeder in Driel. In 1949 zijn zij getrouwd.
In Driel blijven zij wonen en krijgen samen tien kinderen. Hier gaat zijn grote wens in vervulling: de opening van een eigen schoenenzaak in 1954. Samen hebben ze hard gewerkt voor hun gezin. Op een gegeven moment waren er drie schoenenzaken. Hij was een betrokken vader, de steun en toeverlaat voor ons. Wij dachten dat hem niets kon overkomen en dat wij nog jaren samen hadden, maar dat heeft niet zo mogen zijn.
 
Toen ik klein was ademde onze huiskamer Indië. Dit kwam door alle mooie spulletjes die vader had meegenomen, zoals de hutkoffer, het leren fotoalbum met de foto’s, het boek ‘Tussen sawahs en bergen’, de batik doek met kris erop, een rekje met zilveren lepeltjes, een zilveren schaaltje, een theeservies, het gouden hangertje om de hals van moeder, de trouwringen. Centraal in de huiskamer hing het schilderij dat hij ook had meegenomen. Dit schilderij hangt nu in mijn huiskamer.
                                     
Ik heb nooit goed met vader over Indië kunnen praten. Misschien omdat ik aanvoelde dat het te gevoelig voor hem was. Op 15 juni 1996, zijn laatste verjaardag, heb ik hem het boek ‘Semarang’ gegeven. Ik had hierover op de radio gehoord. Hierin staat het verhaal van 2-6RI. Hij heeft het op die dag met veel interesse en herkenning doorgebladerd, maar zei vervolgens dat hij niet meer naar Indonesië zou gaan. Alles was toch niet meer zoals het was. Misschien voelde hij al aan wat er met hem ging gebeuren. 29 december 1996 overleed hij na een kort ziekbed.
 
Nadat mijn moeder in december 2006 was overleden, zijn de Indië- foto’s bij mij terecht gekomen. Ze waren uit het album gehaald en het was een hele stapel. Ik wist niet wat de chronologische volgorde was. Ik wist eigenlijk helemaal niets van die periode. Steeds dacht ik, dat komt nog wel, ik zal een keer tijd nemen om het verhaal compleet te krijgen. Het liet me niet los. Steeds liet ik de foto’s door mijn handen gaan en probeerde er een ordening in aan te brengen. Totdat ik op 15 augustus 2012 een artikel in de Volkskrant las van een zoon van een 2-6RI’er. Zijn vader had ook niets verteld. Ik pakte hierna weer de foto’s op. Ik las achter op een foto ‘Morib Beach’. Deze naam heb ik toen op internet ingegeven en ik ontdekte een foto die veel leek op een foto van mijn vader. Onder die foto stond de internetsite www.sepatoeroesak.nl
 
Op deze site ging een wereld voor mij open. Ik las het verhaal van Marianne’s vader. Hij was gelijk met mijn vader vertrokken. Ook bekeek ik alle foto’s en zag verschillende foto’s die ik ook had. Ik heb vervolgens Marianne gebeld en haar mijn verhaal verteld. 
 
Zij nodigde mij meteen uit voor de reünie op 29 september 2012. Ik ben gegaan en ben daar nog steeds zo blij om. Ik had alle foto’s netjes in een album gedaan in de hoop dat iemand mijn vader zou herkennen. Marianne verwees mij naar Hans van Dijk, omdat hij ook MP’ er was geweest. Ik stelde me voor als dochter van Frans van Heeswijck en zijn reactie was meteen: “Die ken ik”. En dan begint een hele ontspannende middag vol met verhalen. De onderlinge sfeer voelde zo goed. Ik heb zo’ n respect voor die ‘jongens’ gekregen.

                

Inmiddels ben ik al een paar keer bij Hans van Dijk op bezoek geweest. Hij heeft mij veel verteld over zijn tijd in Indië. Ik heb ook al zijn aandenkens mogen bewonderen. We bellen elkaar nu regelmatig.
 

Op dezelfde internetsite vond ik ook de naam van Frans van Mulken. Hij had een foto geleverd van een militaire parade in Sittard op 16 juni 1948, aangeboden door deze gemeente ter gelegenheid van de thuiskomst van de militairen.          
Ik herkende zijn naam. Ik koesterde nog een brief van hem, gedateerd 2 januari 1997. Hij had deze aan onze familie geschreven na het overlijden van mijn vader. Die brief heeft toen veel indruk op mij gemaakt. Ik vroeg me steeds af of hij nog leefde, omdat ik hem, ook na 15 jaar, wilde bedanken voor de mooie woorden die hij had geschreven:  
“Frans is drie jaren lang mijn ‘slapie’ geweest. Samen hebben we lief en leed gedeeld. Samen schreven we brieven – en dat waren er vele – naar ons ‘meisje’ zoals dat toen heette. Samen baden we voor een goede afloop als we aan een spannende militaire actie begonnen. Je zou er een heel verhaal van kunnen maken. Hij was niet bang, ging altijd recht door zee en was eerlijk en betrouwbaar.” 
Aan de hand van het adres op de brief heb ik het telefoonnummer van Frans van Mulken kunnen achterhalen. Ik heb hem in augustus jl. meteen gebeld. Het was een emotioneel gesprek. Frans was ook MP’ er en wilde graag zijn verhalen over mijn vader met ons delen. Hij vertelde dat vader ook bij de parade in Sittard aanwezig was.
In oktober jl. ben ik met mijn oudste zus bij hem in Sittard op bezoek geweest. Hij heeft veel over zijn tijd samen met onze vader verteld, maar ook over hun kameraden. Het was een persoonlijk verhaal. Mijn zus heeft hiervan verslag gemaakt. Frans vertelde dat het de eerste keer was dat hij zijn verhaal vertelde. Het verbaasde hem dat hij zich alles nog zo goed kon herinneren. Wij hebben nu regelmatig contact met Frans, vooral via de e-mail. Wij gaan hem zeker weer opzoeken.  
Zowel Hans van Dijk en Frans van Mulken vertelden dat zij bij mijn ouders in Driel op bezoek zijn geweest. Toen ik een klein meisje was heb ik hen dus al ontmoet. Ik weet nog wel dat we in Geleen altijd op bezoek gingen bij Jan van de Cruijsen. Ook een MP’ er.
Wat ook verrassend voor mij was dat ik op de internetsite mijn vader ontdekte op de grote groepsfoto van 1990! Frans van Mulken vertelde dat hij er ook was samen met Jan van de Cruijsen. Ze staan voor mijn vader op de foto.
 
In 2004 zijn wij met mijn moeder en haar hele gezin naar Hattem in Roermond gegaan. Moeder kende alle namen van de overledenen op de gedenkplaat van de Kapotte Schoen. Mijn vader heeft haar dit vast allemaal geschreven. Daarna zijn we naar de Kapel in ’ t Zand in Roermond gegaan. Moeder wilde daar graag naartoe.
In augustus 1948 had zij daar samen met vader een tegeltje besteld met de tekst ‘Uit dankbaarheid voor een behouden thuiskomst’. Mijn ouders waren nooit naar het tegeltje gaan kijken. Na een speurtocht door haar kinderen langs de duizenden tegeltjes in de kapel, vond mijn oudste zus het bewuste tegeltje. Dat was voor ons allen heel emotioneel. Wij hebben daarna nog geluncht in het cafeetje tegenover de kapel.                        
                                               
Inmiddels heb ik alle foto’s ingescand. Deze zijn nu bij Marianne. Ook heb ik nog een doos met Indië- documenten die wij vonden na het overlijden van mijn moeder. Ik heb Marianne beloofd deze ook in te scannen, maar dat zal nog even tijd vragen.
Het is zo een heel verhaal geworden. Als dochter van mijn vader voel ik dat het voor mij heel belangrijk is dat het Indië- verhaal van mijn vader een plaats krijgt. Voor mijn vader was dat bij leven denk ik nog te moeilijk. Het geeft mij nu zoveel rust dat ik nu meer weet en misschien nog meer ga weten. Ik ben hier zo dankbaar voor. En dit allemaal dankzij www.sepatoeroesak.nl.
                                                                                                                                     Door Francis Penninks-van Heeswijck  

 

Verder, op weg naar sobat Pieter Renting.

 

En weer trotseerden wij de winterse omstandigheden. We rijden van sobat v.d. Wiel door naar sobat Renting in Eindhoven. We hadden al telefonisch laten weten dat we iets later zouden zijn als afgesproken. En het werd nog wat extra later, omdat onderweg onze TOMTOM het liet afweten. Snoertje kapot. Joop, die zich niet snel laat weerhouden, schoot onderweg een reparatiewinkel voor telefoons in en kocht een nieuw snoertje.
Niet veel later arriveerden wij, en dit keer niet op tijd, bij sobat Renting. Oplettende lezers van ons boekje Sepatoe Roesak zullen zeggen: “Hé, daar zijn ze de vorige keer ook al langs geweest.” En dat klopt. Marianne heeft, zoals tijdens dat bezoek aan sobat Pieter Renting beloofd, een nieuwe onderscheiding 'Orde en Vrede' voor hem aangevraagd. Dat is gelukt en vandaag gingen we deze bij hem langsbrengen. Zoon Jos en schoondochter Myranda waren ook aanwezig. Snel maakten zij een kopje koffie voor ons.
                                           
Marianne haastte zich met het doosje, waarin de onderscheiding zat, naar de keuken, naar zoon Jos. "Jos, aan jou de eer om je vader opnieuw te onderscheiden met dit tweede ereteken." In de kamer krijgt sobat Pieter van Marianne een aardigheidje: een grote doos met extra lange lucifers! (zie sepatoe roesak dec.2012 red.) Pieter Renting moest hier hartelijk om lachen. Pieter Renting laat ons niet eerder aan het woord dan voor hij nog een donatie van 40 euro geeft voor de kas. Waarvoor wij hem heel hartelijk bedanken.
Gezellig aan het kopje koffie vraagt Pieter Renting, niets vermoedend, of er al iets bekend is over de onderscheiding die Marianne zou aanvragen. Ha, dat komt even mooi uit. Het sein voor zoon Jos om op te staan en zijn vader toe te spreken. Met  eerbied overhandigt Jos zijn vader de onderscheiding. Zichtbaar aangedaan bekijkt Pieter Renting zijn ereteken Orde en vrede met de jaargespen. Hij is zo enorm dankbaar.
 

Meneer Pieter Renting vertelt:"Ik had het eigenlijk allemaal afgesloten. Indië. Na jullie bezoek is alles in een stroomversnelling geraakt. Maar wel leuk hoor. Ik durfde eerst het boekje waarin het verslag van het bezoek stond niet te lezen. De kinderen hebben het eerst bekeken en zeiden: ‘het is goed Pap’. Na 65 jaar ben je bang dat je misschien iets romantiseer. Hoewel ik weet dat ik de feiten niet verzin, omdat ik het zelf heb beleefd, was ik daar toch een beetje bang voor."Marianne stelt hem gerust. Ze heeft geen onwaarheden gevonden in de verhalen die Pieter Renting tijdens het vorige bezoek heeft verteld.
“Dat bezoek hè, hoewel ik er in eerste instantie heel erg tegenop zag, is het een heel fijn bezoek geweest. Het voelde heel eigen. Net als nu!” zegt sobat Renting. Joop en Marianne haken meteen daarop in. “Zo is dat ook op de reünie. Wij zouden het fijn vinden als u dit keer ook aanwezig zou zijn.  
 
                                     
Wellicht willen zoon Jos en Myranda u wel begeleiden. U bent van harte welkom. Schuift u dan aan bij sobat v.d. Wiel. Hij heeft Jo Spruijt ook goed gekend.”
Hoewel we zo graag nog veel langer hadden willen blijven, moesten we dit keer het bezoek korter houden dan het voorgaande. We moesten nog door naar Veenendaal. We beloven het boekje Sepatoe Roesak waarin het verslag van ons bezoek met de onderscheiding komt te staan, ook weer naar dochter Isabel in Oregon U.S.A. te sturen. .Met een heel blij gevoel, niet alleen vanwege de donatie,  nemen we hartelijk afscheid van de familie Renting. Met enige welkome wegaanwijzingen betreffende de te volgen route, vertrekken wij. Buiten zwaaien we nogmaals sobat Pieter Renting gedag. Een blij mens zwaait terug.
tekst:Marianne Pragt. Foto's Joop Pragt 

 

Wintersbezoek aan Constant ( Conny) v.d. Wiel, 4-2-6 RI

Het sneeuwt.
Het sneeuwt hard, maar toch gaan we deze dag op pad naar drie adressen. De eerste op het lijstje wat wij doorgekregen hebben van Marijke, onze coördinatrice nazorg, is sobat C. v.d. Wiel van 2-6 RI. Gelukkig zijn wij nog van het ‘ijsbloemen-op-de-ramen-tijdperk’. We zijn wel wat gewend. Maar het sneeuwt wel erg hard. Prachtige winterse landschappen zoeven we voorbij. Kleumende paardjes staan in de sneeuw en de schapen lijken ineens geelgoor in de wit besneeuwde velden.
We arriveren precies op tijd bij de omzoomde plek waar de familie v.d. Wiel verblijft. Mevrouw Joke v.d.Wiel haalt ons op en begeleidt ons naar het huis. Wat een prachtig bosrijke omgeving, wat een rust en wat een mooie woning. Knusheid straalt ervan af. Een warm welkom door sobat Conny v.d. Wiel valt ons ten deel.
Eenmaal gezeten aan de grote tafel, in de oergezellige woonkamer, komt sobat v.d. Wiel meteen met een hele stapel foto’s te voorschijn. “Oh waarom hebt u ze niet mooi ingeplakt?” vraagt Marianne verbaasd. “Och ja, waarom niet,” vraagt meneer v.d. Wiel zich af.  Joop zegt: “Marianne, jouw vader had ook zijn foto’s niet ingeplakt, maar op een stapeltje met een elastiekje erom in een oude schoenendoos.”
Mevrouw Joke v.d. Wiel komt met de koffie gezellig bij ons aan tafel zitten. Marianne overhandigt haar meteen het meegebrachte snoepertje.
 
Constant van der Wiel, militairregistratienummer 27.06.18.000, zat als sniper bij de verkenningsgroep 4-2-6 RI. Net als het overgrote deel van 2-6RI ging hij als OVW- er vanuit Vught naar Sittard. Van daaruit naar Calais. De plas water over naar Wockingham Reading, kamp Aldershot, Southampthon om enige tijd later met de ‘Nieuw Amsterdam’ naar Nederlands Oost Indië te vertrekken, maar landde aan het eind van de reis eerst op Malakka, Morib beach.
 
Conny v.d. Wiel is slecht in het onthouden van namen. W. Peeters, Cats, Ad van Hooijdonk (foerier) en Helmons zijn de namen die hij toch nog wel weet zo. “Ook Jo van de Heuvel (die kon staande slapen) en Nicolai, evenals Jo Spruijt.
De eerste dode was soldaat van Weert,”vertelt Constant. “Die is niet gesneuveld maar vermoord! Dat blijft je bij! En dan de eerste gesneuvelde in Semarang. Dat kwam heel hard aan. De eerste!” Marianne zoekt op haar laptop even op wie dat is geweest. Van Genderen wordt ineens herkend. “Ja, dat was de eerste gesneuvelde. Maar er was er ook eentje die was overgelopen naar de tegenpartij. Dat was een hele toestand. Ons werd ingeprent dat wij het land moesten veroveren en de ploppers er uit moesten, maar onderhand werd er onderhandeld om ons eruit te wippen!”
 
De laatste grote actie heeft hij niet meegemaakt. “Nee, want ik moest toen der tijd foto’s maken van het kampement, waar ik de naam niet meer van weet, en toen ben ik uit een boom gestort. Ik werd met een gebroken arm getransporteerd naar het St. Elisabeth ziekenhuis. Daar heb ik een half jaar moeten oefenen met die arm. Weer terug werd ik ingedeeld bij KNIL waar ik een ‘zwaar vervoer’ opleiding heb gehad. Vervolgens ging ik weer terug naar Tjandi. Toen werd ik getransporteerd naar Batavia en heb ik bij de KW3 gezeten. KW3 is een doorgangskamp om naar huis te gaan. Mijn arm was nog steeds niet goed. Ik heb daar een half jaar gezeten en toen waren ze me kwijt.
 

Mijn vader kreeg thuis bericht dat ik vermist was. Mijn vader zei dat het niet kon want hij had net nog post van zijn zoon. Op een zeker moment had ik een vrachtje naar de haven van Batavia toe en daar lag de ‘Johan van Oldenbarnevelt’. Ik vroeg wie er op dat schip zaten. Nou dat waren er van 6 RI. Ik zeg: dan moet ik ook mee! Uiteindelijk moest ik heel snel mijn spullen bij elkaar rapen. Zo ben ik dus thuisgekomen. Als ik niets had gezegd, had ik er misschien nu nog gezeten! ” grapt sobat Constant.  
 
Tijdens de oorlog in Nederland deed hij hier en daar klusjes, werkte op een grote boerderij voor eten. Hij heeft eerst een tijd bij Philips op de bedrijfsschool gezeten, maar door de oorlog werd dat stopgezet. Na thuiskomst vanuit Indië heeft hij de bedrijfsschool afgemaakt. “Ik ben in feite overal geweest, ik heb alles meegemaakt, maar het contact met de jongens op zich was altijd maar beperkt. Het was altijd maar effe. Ik heb patrouille gelopen bij de demarcatielijn, zat bij de Boeloe gevangenis, was bij de actie op het vliegveld Kalibanteng. Daar heb ik ook de Mitchell zien neerstorten. Ik heb op het hoofdkwartier bij het wachtpeloton gezeten, bij de elektriciteitscentrale en de watercentrale. Mij schoven ze van de ene kant naar de andere. Waar ik nou precies bij gelegerd was, weet ik eigenlijk niet. Maar ik weet wel dat er KNIL- mensen waren. Zij hoorden bij de inlichtingendienst. Daar heb ik een tijd bij meegelopen.”  
Ondertussen bekijkt Marianne ook de prachtige foto’s. Zij herkent jongens van de vierde compagnie. “Cats was in Semarang mijn sectiecommandant geworden,” vertelt Constant verder. “Peters, luitenant Peters, die kende ik eerst als soldaat 1e klas. Hij was van de douane. In Vught kregen we daar instructie van. In Engeland is hij sergeant geworden en in Semarang sergeant-majoor. Daarna ben ik hem kwijt geraakt. Van Hooijdonk kende ik ook als sergeant.”
Mooie foto’s, geweldig mooi. Marianne ziet steeds bekende gezichten op de foto’s. Joop probeert ze allemaal te fotograferen. Marianne trekt haar brutale ‘sepatoe sepatoe’ aan en vraagt of ze de foto’s mag lenen om in te scannen. Samen met sobat v.d. Wiel bekijkt zij de foto’s en herkent veel gebouwen. Joop bekijkt ondertussen met mevr. v.d. Wiel, de familiefoto’s.
Constant v.d. Wiel laat een foto zien waar hij wordt afgevoerd per brancard na de val uit de boom.
 
 
“Met sergeant Cats waren we tijdens een patrouille de weg kwijtgeraakt. Maar door mijn sniper cursus wist ik gelukkig de weg terug. Ik was ook nog chauffeur bij generaal Wilkers, hoofd van de medische dienst. Hier staan we bij de privéauto van de generaal,  daar hadden we mee geschnabbeld (taxi mee gespeeld).” De naam van Wely, sergeant-majoor, schiet meneer v.d. Wiel ook weer te binnen. Jack van Veen, een bren- carrierchauffeur wordt herkend. Jo Spruijt ook. “Maar die is ook al overleden,”zegt meneer v.d. Wiel. “Later is hij sergeant geworden. Hij zat in het entertainment.
Kijk en dat ben ik , die spiering.” Marianne zegt: “Inderdaad, er zat niet veel vet op ! Met windkracht drie mocht u zeker niet meer naar buiten.” Sobat v.d. Wiel verklaart: “Het was altijd bloedheet, er werd heel veel gesport en meerdere keren per week grote patrouilles van 20 tot 25 kilometer gelopen. Ook over die spoorbielzen.” Nou dat zou je nu niet meer zeggen. Het lopen gaat niet best meer bij sobat v.d. Wiel. “Anderhalf jaar geleden kon ik helemaal niet meer lopen, een binnenwaartse hernia. In België ben ik bij een therapeut weer opgeknapt. Niet dat ik nog heel veel kan lopen. De vierdaagse zit er niet meer in.”  

Conny v.d. Wiel werd geboren in Eindhoven. Hij leerde zijn vrouw Joke pas na Indië kennen. “We werden met de bus thuisgebracht vanuit Rotterdam. Ik was de allerlaatste die uit de bus kwam. We hebben wel een uur door Eindhoven gereden. Ik woonde helemaal aan de zuidkant. Toen ik bij huis kwam zag ik haar in de straat langs de kant staan. Die moet ik hebben!

                        
De verkering is één keer uitgeweest.” “Ik had een beetje meelij met hem,” bekent Joke v.d. Wiel schalks. Gelukkig is de verkering weer aangegaan en ze trouwden in 1954. Kregen 5 kinderen, 3 jongens en twee meisjes, waar van één zoon militair is (groot-majoor) en de andere zoon een kinderopvangbedrijf heeft. De familie is uitgebreid met 4 kleinkinderen en 4 achterkleinkinderen.
Mevrouw v.d. Wiel is 82 jaar. Ze is nog fit. Dat komt, zegt zij, omdat zij altijd een volkstuin heeft gehad. Enige tijd geleden is zij gevallen op een steen. Ze heeft daarvan een opduvel gehad. Helaas is dat de reden geweest om de tuin op te geven. Mevrouw heeft nu hier bij hun huis zelf de tuin ontworpen. Ze gaat ook bowlen, 1x in de week.  

 

Ondertussen wordt foto na foto bekeken. De Bodjong, de parades. “Het is te lang geleden,” zegt meneer v.d.Wiel. “Het is denk ik wel 20 jaar geleden dat ik deze foto’s heb gezien. Er zullen er wel veel dood zijn. (We hebben op onze lijst nog 45 echte 2-6 RI- ers).Eén uit Eindhoven die had een apie onder zijn jas meegenomen. Ik weet zijn naam niet meer. Jo Spruijt die was met zo’n klein mannetje samen, Renting.  Als er een uitvoering was of wat ook, dan liep hij altijd voorop. Druk mannetje. Jo van de Heuvel, daar heb ik eens mee op wacht gestaan. Op de demarcatielijn bij die bunkers stonden we op wacht en hij stond gewoon te slapen!!!” Volgens Constant v.d. Wiel heeft Johan Cats in Vught de schoen getekend en in Nederlands Indië de Tijgerkop getekend. Hij kon zo enorm goed tekenen. Meneer v.d. Wiel is blijverrast te horen dat onze Tijgerbadge nog steeds gebruikt wordt. Erg leuk, hij moet lachen dat we nu contact met die (jonge) Tijgercompagnie onderhouden.
 
“De 7 december divisie kwam ons eigenlijk aflossen,” herinnert sobat v.d. Wiel zich. “We hebben die jongens meegenomen op patrouille. Ze moesten het nog allemaal leren. Ik wist niet dat 5-5 RI ons gebied heeft overgenomen. Maar toen zat ik al in Bandoeng ” Marianne zegt dat er nu ook jongens van 5-5RI bij ons op de Tijgerreünie komen.
 
“Het is dit jaar 65 jaar geleden dat wij terugkwamen in Nederland. Toen ik thuis was gekomen heb ik mij voorgenomen:  ik sluit het af. De knop om. Mijn broer is doodgeschoten in de oorlog. Daar heb ik altijd hartzeer van gehad. Ik dacht: die ga ik wreken. Allicht sprak het avontuur ook mee. We zijn nog teruggeweest naar Indonesië. Meester Cornelis op Bandoeng. Als je daar bent, dan komt er wel wat terug,” mijmert Constant.
Na zijn dienstijd heeft sobat v.d. Wiel bij Philips de bedrijfsschool afgemaakt en het diploma gehaald voor machinebankwerker en is dat 11 jaar geweest. Daarna is hij voor zichzelf begonnen. Zelfstandige in de C.A.S.( centraal antenne systeem).
Kocht daarna een machinefabriek, maar die werd met de crisis weer verkocht. Ging toen in de zonnewering tot aan zijn 65e jaar. Tijd voor pensioen. Het bedrijf werd aan de zoon verkocht.
“Achteraf voel ik me gebruikt als militair, zondermeer. Ze zijn niet recht door zee geweest. Het was een stinkend spelletje. Er zijn er een hoop gesneuveld ook van 6 RI en waarom? Als er een actie was lag je dikwijls onder vuur. Maar je moest toch ook weer terugtrekken en dan zat je ’s nachts weer te wachten tot zij terugkwamen. Het was allemaal niet nodig geweest Nee. Helemaal niet. We werden onderbetaald. Arm als de mieren. We zijn er onderdoor getrokken bij het leven. Nederland heeft nooit zulke goedkope knechten gehad,” foetert meneer v.d.Wiel.
   
Familie v.d. Wiel is nooit naar een reünie geweest. Sobat v.d. Wiel heeft op zoveel verschillende plaatsen gezeten. Marianne en Joop drukken familie v.d. Wiel op het hart dat, ondanks als je niemand zou herkennen op de reünie, iedereen toch wel met elkaar in gesprek komt. Ook de dames. Niemand blijft alleen zitten, want het is fijn om elkaars ervaringen te horen. Zeker omdat iedereen in het zelfde gebied gelegerd was. En dat werkt! Joop nodigt meteen de zoon, de groot- majoor, uit om met zijn ouders mee te komen. Zij hebben dan een chauffeur en de eerste aanspraak.
Oh, dan komt nog een belangrijke vraag van Marianne. Of Constant v.d. Wiel wel zijn gewonden draaginsigne heeft gekregen. Dat heeft hij niet! Toen hij van boord ging, wilde hij naar huis. Geen gezeur meer. We vertellen van Koos de Ruijter, die alsnog zijn gewonden draaginsigne krijgt uitgereikt. En van sobat Pieter Renting, die straks zijn ereteken voor orde en vrede weer krijgt.
Nu, zoveel jaar later, zou Constant v.d. Wiel ook zijn gewonden draaginsigne wel willen hebben.
Marianne belooft, net als bij Koos en Pieter, haar best te doen en een aanvraag in te vullen.
 
Hiermee sluiten wij ons bezoek af. Met twee bezoeken nog te gaan en de sneeuw op de weg is het tijd om gedag te zeggen. Met de bundel foto’s veilig opgeborgen in de tas, gaan wij de besneeuwde wereld weer in. Met hartelijk dank aan de familie v.d. Wiel voor de gastvrije ontvangst!
 
   
 
bovenste rij: staand v.l.n.r. 3e Luitn.Kees Peters,5e Joke Wanroy, 6e Floor van Genderen.    
  2e rij: 1e Leo Bakker, 4e Ceel Smulders
onderste rij 4e Goort Helmons rechts Paantjes, ( Albert Haan, Jan en Piet v. Par, gebroeders Kats staan ook op de foto)   
 
                                                                                      

 

 

Voor een kopje thee naar John en Mientje Kamerling.  

 
 
 
 
Hoewel er op 14 januari 2013 weer een fiks pak sneeuw was gevallen gingen we toch op pad. Niet ver. Gewoon bij ons in Hoogvliet. Bij John Kamerling. Hij is Tijgerveteraan maar ook oud-collega van Joop Pragt. John maakte voor ons o.a. de Tijgerkopjes voor de loterij en het prachtige houten bordje met de gouden letters 2-6 RI, Tijgerbrigade.
Glibberend en glijdend arriveerden wij bij het ons al bekende adres. 

 

We worden hartelijk ontvangen door John en zijn vrouw Mientje. We noemen elkaar bij de voornaam. Dat mag. Oude collega’s en vrienden doen dat. Het huis van John en Mientje is tiptop in orde. Overal heeft John zijn sporen als handwerk vakman achtergelaten. Zelfs een mooie houten houder voor de mobiele telefoon ontbreekt niet.“Alles wat zijn ogen zien, maken zijn handen,”vertelt Mientje. “John is altijd bezig. Hij kan echt niet stilzitten.”
                 

 
 
Wie is John Kamerling?
John werd op 16 december 1926 in Rotterdam geboren.
Hij was een ‘late’ leerling. December geboren, dan moest je vroeger wachten tot het nieuwe schooljaar begon, dus John was al 7jaar toen hij naar school ging.
“Toen ik 21 was ben ik op 30 juli 1948 met de ‘Zuiderkruis’ naar Indië gegaan,” vertelt John. Hij is heel informatief en kan uitstekend vertellen. Wij hebben werkelijk uren zitten luisteren en kijken, want John draagt ook prachtige voorbeelden aan.
John Kamerling, soldaat 1e klas, militair registratienummer 28.12.16.543. Dienstplichtig militair 411 Garde regiment Grenadiers. 2e compagnie. Opgekomen 4 maart 1948.
Laten we maar eerst beginnen met het verloop van zijn militaire indeling: Lichting 48-1, ingedeeld bij W-Brigade, T-Brigade. Actiegebieden: Semarang, Salatiga, Kopeng, Porwokerto, Boemiajoe, Adjibarang, Tegal, Brebes.
 
“Ik kwam aan in Indonesië in Salatiga. Eerst via Priok maar daar kon het schip niet landen, we gingen door naar Semarang. Op 24september 1948 met landingsboten aan wal en dan door naar Salatiga. Daar was het opleidingskamp. Een héél groot kamp. Mooi hoor, mooie gebouwen, alles prima geregeld. Na onze tropentraining gingen we door naar Soemowno. Daar lag een omvormkamp. Kon je een heel bataljon in kwijt. Het was een Jappenkamp geweest, niet voor burgermensen, maar voor hen zelf. Dat was pico bello allemaal, met een groot zwembad. Wat gebeurt er? We moesten weer allemaal opleidingen doen. Echte opleidingen, pief paf poef. Waren in groepen verdeeld, een linker, rechter en middengroepje.”
Joop zegt: “Ik kom toch nog even terug op toen de oorlog afgelopen was, was jij 16 jaar.” “Begin januari 1945, ik kwam uit de Waalhaven, daar was een basis, daar ging ik altijd kijken, want werk was er niet. Maar vlak daarnaast was een kolencentrale geweest. De kolen vielen er wel eens overheen. Net 16 jaar ging ik al die kolen ophalen. Ik werd weggejaagd, maar ik dacht: Dag! Ik moet kolen hebben. Op een gegeven moment word ik op mijn schouder getikt, twee van die stoute jongens achter me, met die zwarte pakken aan. Hé, wat is dat? Stond je te spioneren? Nee, helemaal niet, ik moet kolen hebben. Hoe kan dat dan? Wat doe je voor werk? Ik heb geen werk. Oh, dan ken je je melden, bij het arbeidsbureau, morgenochtend. Ik kom thuis, vertelde dat zo. Ja, ik moest een koffertje meenemen. Oh, nou ik zie wel. Ik ben gevangen gehouden in het Feijenoordstadion. Avonds om 11uur gingen we in die houten wagonnetjes en werden we afgevoerd. En dan kon je twee dingen doen: Je kon tegen zijn, dat waren we natuurlijk allemaal, niet werken, dan kreeg je niet te eten, of wel werken, dan ging je buiten het kamp en kreeg je wel te eten. Ik zat wel in Dachau. Ik was 16 jaar. Ja. (met een zacht stemmetje).
 
We gingen met groepjes van 13 man, veel van hen zijn overleden. Door honger of tuberculose. Het is nog een wonder dat ik dat niet heb gekregen. Het eten was…..maar ik heb het overleefd.”
 
“En je jeugd, hoe was die?”vraagt Joop.
“Wat mijn jeugd was? Ik heb maar heel weinig jeugd gehad. Die heb ik gegeven aan het vaderland. Ik heb gewoon lagere school gehad. Hoe ging dat vroeger? Als je vader smid was, dan werd jij ook smid. Zodoende ben ik metaaldraaier geworden. Ik ging naar de ambachtsschool. Ik heb daar twee maanden gezeten. Er was geen stroom. De stroom was op. Ik was 14 jaar en ging van school en ging werken. Het was in de oorlog! Toen ben ik naar Industria op Hillegersberg gegaan. Je raad nooit wat voor een kapitaal ik toen verdiende! De kinderen kunnen het zich niet voorstellen, Jullie waarschijnlijk wel. Negen cent per uur! Toen ik goed mijn best deed, kreeg ik een dubbeltje. Ik werkte als leerling draaier, zat achter een revolverbank, nee, niets van pief paf poef hoor, kleine dingetjes maken, boutjes moertjes en op een gegeven moment, dat was januari 1945, was er geen stroom meer. Dus leerlingen en knechtjes moesten er allemaal uit. Alleen de ouderen, de vertrouwden, die mochten blijven. Toen is het gebeurd dat ik gepakt werd en naar Dachau afgevoerd. Wij werden bevrijd door de Amerikanen in Duitsland.
 

Ook zijn vrouw Mientje heeft het zwaar in de oorlog te verduren gehad. Mientje is van half Joodse afkomst. Mientje vraagt: “Hoe oud was mijn vader nou toen die werd weggehaald? Het was op 11 november 1944.” John kan even niet zoveel vertellen. Heel veel emoties komen weer terug.
Mientje verteld verder: “Mijn vader werd dus ook weggehaald en mijn moeder en ik uit het raam hangen, want we woonden driehoog en toen schoten ze zo naar boven toe, die moffen. Hij kwam onderweg op de Coolsingel zijn twee broers tegen. Hij bleef bij zijn broers. Ze keerden, net als zo veel anderen, niet meer terug. Mijn moeder had 4 kinderen en de vijfde was op komst toen mijn vader werd afgevoerd. Er stierven ook nog een broertje en een zusje in de oorlog.”
 
John hervat zich weer en gaat verder met zijn verhaal. “Bij de Amerikanen ging ik werken, niet voor geld of sigaretten maar voor voedsel. Wat die jongens aten, waren voor ons godenmaaltijden. We hadden een tijdelijke pas. Een Duitse. Toen mochten we niet naar huis, maar we moesten van Duitsland naar Oostenrijk. Bregenz. En daar moesten we in een kamp.  
                                   
Daarvandaan gingen we naar Zwitserland, maar mochten weer niet naar huis. Weet je waarom? Anders zou de markt hier overvol zijn met al die duizenden en duizenden mensen en dat wilden ze niet. Dat moest met stapjes gebeuren. Van Zwitserland gingen we naar Frankrijk, Parijs. Toen gingen we naar Tours, dat is nog verder, daar hebben we 14 dagen gezeten, en toen mochten we stapje voor stapje naar Holland toe. Amersfoort. Je mocht niet naar huis, nee, je moest in het kamp en ging je weer helemaal door de molen, alles openmaken, alles wat je nog gejat had (en ik had nog al wat gereedschap gejat) maar dat was niet erg, als het maar geen Hitler-dingen waren. Die mooie dolken daar waren ze nogal gek op. Dus gelukkig had ik die niet en dan ga je naar huis. Nou, blij natuurlijk. Ik was 14 dagen thuis toen ging ik werken. 
 
In 1947 werd ik opgeroepen. Zo jongeman, ben jij die en die? Ja, dat ben ik. Heb jij in Duitsland gezeten? Dat zie je toch. (laat zijn arm zien) Oh, waarom, had je niet kunnen onderduiken? Toen: Je moet naar Indië. Je had geen keus. Ik had er niet de pest over in, ik vond het meer een avontuur. We kwamen in Amersfoort en daar werd gezegd, jongens jullie gaan naar Indië en jullie komen als een man weer terug. En inderdaad, ik ben als een vent weer teruggekomen.”
 
Hoe ging je nou naar Indië toe.
“Met het Zuiderkruis. Dat was een mooie boot hoor.” Joop houdt niet van varen maar komt toch weer terug op de Zuiderkruis. “Met welke onderdelen zat je op de Zuiderkruis naar Indië toe.” “Nou, het hele bataljon. Hoofdzakelijk grenadiers. Op 30 juli 1948 vertrokken en in 1950 weer teruggekomen. Na iets meer dan 26 maanden. We waren het zeegat nog niet uit of er waren jongens zeeziek. We waren in augustus al Indië, want wij hebben de oude koningin nog meegemaakt. Weet je wat er gebeurde, het was met de hele rataplan opstellen op de binnenplaats en daar stond de grote baas die stond wat te brabbelen wat niet te verstaan was. Toen ging het van hiep hiep hoera en de pet van de grote baas ging als enige de lucht in. We hebben ons rot gelachen.”
 
Mientje vraagt aan John: “Weet jij nog dat we op die reünie waren. En dat jullie stonden te praten over een begrafenis van één van jullie. Toen kwam er een jongen op je af. Hij was zijn vader kwijt geraakt in Indië en hij had gehoord dat jij foto’s van de begrafenis van zijn vader had. Jij beloofde hem dat jij de volgende keer de foto’s mee zou brengen. Je bent toen de keer daarop met hem apart gaan zitten en heb de foto’s laten zien. Heel emotioneel
 “Oh ja, Jan van Tiel was zijn vader,” zegt John. Het was inderdaad heel emotioneel.
       
 
Het ergste was nog dat was een actie en het regende kogels om je heen. We hadden een gesneuvelde, toevallig een hospik, maar dan stoppen we. Je moet afbreken en weg. Nou, we hebben gehold. Wat was nou het geval, Jan van Tiel lag in een greppeltje en wij waren met een man of vier de laatsten en was het  rennen, rennen. We riepen nog: “Jan, kom op!” Hij roept nog: “Ja ik kom!” Wij moesten verder, verder. Je loopt dan heel hard hoor. Gelukkig door een halfdroge sawa, want een natte sawa kan je niet door hoor. Nou, dan ga je consolideren. Jongens zijn we er allemaal? Nee, Jan die is er nog niet. Jan is al door, werd er geroepen.  Maar Jan die lag daar nog! Dan kom je op een plek waar we altijd stonden te tellen, vraag je: hé waar is Jan. Als ik geweten had..., want het ergste was, hij zat in mijn groep. Ja, dat was het allerergste nog. Ik zat aan de linkerkant van die  berg. Maar omdat iedereen zei: hij is al door en hij roept nog: ja, ik kom…!” John puft en slikt even. “Ja, dan moet je die jongen nog over zijn vader... hij was met de handschoen getrouwd….! Ja… ja.  

                 
 
Na even pauze te hebben genomen gaat John verder met vertellen. En vertellen kan John.
“Op 4 april 1949 een actie. Hierbij was de tegenstander veel sterker dan wij, want wij moesten terug trekken. Stoppen. De tegenstand was te groot en ze schoten tikketikketikketikke mitrailleurvuur.
10 april 1949. Weer actie. Malahajoe. Dat was een kampong, in de bergen. Aan de voet daarvan was een irrigatie systeem. Een heel groot meer. Het leek wel het IJsselmeer, En daar had je een sluis, die konden ze met de hand bedienen want als het achterland droogviel, deden ze die sluis weer een beetje open. In de natte tijd moest die sluis dicht. Die sluis moest natuurlijk bezet worden want denk erom als ze die hadden laten springen, dan waren we weggespoeld! Want het was een plas! Wat gebeurt er nou, daar komt commandant sergeant majoor, ik weet zijn naam effe niet, alles controleren.  Er kwamen van die trucks met ongeveer 15 man erop en die werden uitgeladen. Wat gebeurt, een van de jongens laat zijn geweer vallen. Het laten vallen van een geweer was een doodzonde! Dat ken je toch niet maken, je geweer laten vallen op straat. Die sergeant majoor komt net aanlopen. Wat doet die? Hij pakt dat geweer op. Kijkt die knul aan. Hij zegt tegen die knul, hoe heet jij? Sergeant majoor ik heet Janssen! Hoe komt dat? Omdat mijn vader zo heet. Nou, meteen gebrul van de lach. Die sergeant majoor kijkt hem aan, draait zich om en loopt lachend weg! Kijk dat zijn nou de leuke dingen.
12 april 1949 gaan we opnieuw beginnen. Opnieuw een actie, want we moesten dan ding toch bezetten. Met betere toestanden gingen we er naar toe. Maar wat gebeurt er, op een heuvel ongeveer 200meter waar de jongens allemaal zaten voor we zouden aanvallen, was het ineens pief paf poef, dus wij allemaal plat. En goed plat. Dat was geen geintje.  Die hospik sneuvelde en toen braken we af. Dat was van Tiel, die ik daar achtergelaten heb.” Toen zijn we op 2 mei terug gegaan en hebben we alles goed bezet. Ze hebben al die tijd daar gezeten. Die zijn daar blijven zitten tot het laatst aan toe. Er is daar nooit meer wat gebeurd.
 
John leerde Mientje beter kennen toen hij terugkeerde uit Indië. Ze hebben twee kinderen, vier  kleinkinderen en vier  achterkleinkinderen. Op 29 april 2013 zijn ze zestig jaar getrouwd.
Hoe was het toen je weer thuis kwam. “Nou vreemd, heel vreemd, alle muren kwamen op mij af. Want daar was het zo ruim en wijds. Het is wel eens gebeurd dat ik uit bed donderde ’s nachts, dan lag ik weer te schieten. Ik zou emigreren, ik wou weg. Wat bij mij de meeste indruk heeft gemaakt zijn natuurlijk de gesneuvelden geweest. Want het was wel eens kantje boord hoor. Met een Amerikaans schip, de Generaal Greely, ging de hele rattaplan weer terug naar Nederland. In de Merwedehaven in Rotterdam gingen we van boord af, en wat stond daar? Niets! Helemaal niets. Alleen een vrouwelijke hospik, die gaf je een prikkie om te kijken of je tropische ziektes had en dan werd je met zijn allen in een ouwe bus gezet en er ergens uit geknikkerd. Ik werd er gauw uitgeknikkerd want ik woonde in Rotterdam. Zo werkte dat.”
 
John vertelt dat zijn onderdeel geen reünie meer organiseert. Te weinig mensen. Verleden jaar was hij graag naar de Tijgerreünie gekomen, maar omstandigheden lieten het niet toe. Dit jaar hoopt hij samen met Mientje wel de reünie te bezoeken. De mortiergranaat, die John heeft nagemaakt, nemen wij zeer zeker mee zodat u ook zijn werk kunt bewonderen. Intussen is het licht in de kamer al aangedaan, heeft de sneeuw zich buiten al aardig opgehoopt. We moeten echt naar huis terug voordat we ingesneeuwd raken. John moppert dat hij nog heel wat meer verhalen heeft te vertellen. Wij nodigen hem en zijn vrouw Mientje uit om bij ons thuis de rest te vertellen.
Wij bedanken John en Mientje voor de gastvrije ontvangst en gaan op naar de hutspot met jus en rundvlees! 
 
tekst:Marianne Pragt. foto's Joop Pragt                                                                                                                        

 

    

Fotoalbums en boeken ophalen bij Ger Walenboer  

 
 Op zaterdag 23 februari 2013 reden wij naar Ger Walenboer in Naaldwijk om, zoals hij telefonisch met ons had afgesproken, de fotoalbums en boeken van zijn vader Lodewijk Walenboer op te halen. Het werd niet even aanbellen, de boeken aanpakken en weer wegwezen.
We werden gastvrij ontvangen met koffie en koek (Joop!). Tijdens het kopje koffie spraken we met Ger en Thea Walenboer hoe het nu is, zo enige tijd na het overlijden van sobat Walenboer. Toen bleek dat ook de vader van Thea kortgeleden was overleden. Dat was eveneens een veteraan, marinier,  in hart en nieren. Dat waren dus twee verdrietige gebeurtenissen achterelkaar voor het sympathieke echtpaar.  

 
Op het ene gesprek volgt het andere en voor je het weet bemerk je weer hoe snel de tijd toch gaat. Ger haalt een enorm grote tas met boeken en albums te voorschijn en laat ze aan Marianne z
Interessante leesboeken plus twee albums met veel geweldige foto’s uit de diensttijd van sobat Lodewijk Walenboer. Ger draagt het allemaal over aan Marianne. Tijdens het doorbladeren komen we ook nog enkele persoonlijke foto’s tegen. Die wilde Ger wel terug hebben. “De rest is voor jou, Marianne, ik weet dat jij er een goede bestemming voor weet en er voor zorgt dat het bewaard blijft voor het nageslacht. Daarom heb ik er vrede mee dit stukje geschiedenis van mijn vader af te staan!”
Marianne is vereerd met dit vertrouwen in haar.  De foto’s zijn geweldig mooi en informatief omdat bij iedere foto wel iets staat vermeld.
Later thuis, ziet Marianne dat op iedere foto aan de achterzijde nog meer uitgebreide informatie over de foto staat. Prachtig historisch materiaal. De komende tijd zal Marianne alles digitaliseren en archiveren alvorens het materiaal aan, hetzij een archief of een museum, wordt overgedragen. Dit historisch materiaal wordt en is veilig gesteld. Wij zijn Ger Walenboer heel dankbaar dat hij met ons contact heeft opgenomen.
 
 

    

Op bezoek bij sobat Jan van de Broek, 1 RS  

 
Net in de drukke aanloop voor de kerstmis werd Marianne gebeld door Roel van de Broek. “Marianne, er is een hersentumor bij mijn moeder geconstateerd en ze heeft niet lang meer te leven. Mijn ouders zouden het heel fijn vinden als jij nog een keer bij hen langs zou willen komen.”  Een afspraak werd gemaakt.  Roel is samen met zijn ouders de laatste twee reünies in Vught aanwezig geweest. Afgelopen reünie in september was het problematisch voor mevrouw v.d. Broek. Zij had ernstige twijfels over de gezondheid van haar man.Maar haar man juist wilde alles op alles zetten om de reünie weer mee te maken. Na bemiddeling tussen Marianne en zoon Roel werd de knoop uiteindelijk toch doorgehakt. Roel nam vrij en bracht zijn ouders naar Vught. Een bijzonder fijne dag werd toegevoegd aan de vele herinneringen. 
 
Op 3 januari 2013 ontvangt zoon Roel ons bij zijn ouders thuis. Natuurlijk wordt er eerst geluisterd naar het verhaal van mevrouw v.d. Broek. Heel emotioneel verteld zij dat ze niet lang meer te leven heeft. Ze is enorm blij dat we bij haar en haar man langskomen. Ook de gezondheid bij meneer v.d. Broek laat het afweten. De longen. Hij werd net na de reünie weer met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Marianne spreekt eerst met mevrouw v.d. Broek over de  hersentumor. Omdat deze niet operatief behandeld kan worden, wordt gehoopt dat de ontwikkeling van de tumor heel langzaam zal gaan. Meneer v.d. Broek zegt:”Ik denk wel eens, ik ben 87 geworden en zij is 85 geworden. Wat wil je nog meer?”
 
Joop begint met het vraaggesprek terwijl Roel een kopje koffie voor ons maakt. Roel verzorgt zijn ouders 24 uur per dag en 7 dagen in de week. Zo heel af en toe gaat hij een weekendje terug naar zijn eigen huis.
 
Meneer v.d. Broek begint te vertellen. “Ik ben een paar jaar ondergedoken geweest. Ik ben drie jaar in Indië geweest. Voor 10 maanden werd ik uitgezonden, maar ik heb haast 3 jaar vol gemaakt. Dan ben je uiteindelijk 5 jaar weggeweest. Kom je terug in Nederland dan krijg je een trap in je lendenen. Ik kreeg een paar schoenen en een stelletje ondergoed en dat was het.”
“U hebt dus ook ondergedoken gezeten? ”vraagt Joop. “Ja, in Groningen,” vertelt v.d Broek.  “Ik begon in Limburg met onderduiken. In Venraij werd ik opgepakt  en in kamp Havelte vanwege de Arbeitsinzet achter slot en grendel gezet.                                     
Toen ik van de Arbeitsdienst terug kwam, werd ik opgehaald om met transport naar Amersfoort te gaan. Dat is om een of andere reden niet door gegaan. Toen de oorlog in Nederland was afgelopen ben ik vanuit het hoge noorden terug gegaan naar Rotterdam.
 
Ik werd opgeroepen om in dienst te gaan. In Hulten ben ik opgekomen,” vertelt sobat van de Broek. “In die periode waren er allemaal dienstplichtigen. De vrijwilligers waren al weg. Mijn militair registratienummer is 26.02.28.019. Dat vergeet je nooit meer. 
We hebben enkele maanden een opleiding gehad van ‘Jan lik me vessie’. We hadden nog geen schot gelost. Ik werd kok omdat mijn vader een eigen slagerij had dus ik moest maar kok worden. In het begin was er blikvoer en aardappelpuree. In 1946 vertrok ik  met de Sibajak vanuit Rotterdam naar Nederlands Indië. We zaten met ongeveer 1100 man aan boord. Er waren jongens die al bij Hoek van Holland zeeziek waren en dat bleven ze tot we in Sabang. van boord gegaan zijn gegaan. Daar hebben we een dag gebivakkeerd en toen door naar Batavia. In Priok werden we  opgedeeld. Ik bij 1 RS, de Stoottroepen.   We zijn met ‘de Tasman’ naar Semarang gegaan. Ik ben ook een tijdje sectiecommandant geweest bij 1 RS. In Nederland was ik al korporaal geworden en ben dat daar in Indië ook gebleven

 
Ik heb bij1 RS gezeten en bij 1-15 RI. In o.a. Semarang zat ik in het N.I.S. gebouw ( Nederlands Indische Spoorwegen). Van het moment dat ik bij de 1 RS kwam, zat ik dus bij de Tijgerbrigade. We hebben nog een keer een actie gehad en kregen we van 2-6 RI eigen vuur.”
 “Oeps,” zegt Marianne, “dat hebben we al meer gehoord. Alsnog sorry, namens 2-6 RI.”
“Je wist niet wie er schoot, maar je schoot terug,” vertelt Jan verder. “Je hoort zondermeer wie er schiet, want een Lee Enfield heeft een specifiek geluid en een Hollandse junglekarabijn heeft haast bijna een repeterend geluid. In Soerabaja zaten ze in de stelling met jungle karabijn en Brens. In de Tijgerclub ging ik dansen. Nog een prijsje gewonnen ook. Ik weet niet meer hoeveelste prijs het was, maar ik had een briefopener.” “En je schreef nooit naar huis,” zegt mevrouw v.d. Broek, “waar had jij dan een briefopener voor nodig.” We moeten allen erg lachen om haar verontwaardiging.
“Ik kwam met de ‘Zuiderkruis’ terug naar Nederland. Dat was een Liberty schip. We gingen met groepen die waren uitgediend. Repatten. Weg. Ik was terug in Holland en ging naar de slagerij bij mijn ouders. Kon daar gelijk beginnen. Totaal 45 jaar heb ik in slagerijen gewerkt. Ik was dertien toen ik begon in de slagerij. Toen kwam het onderduiken en Indië, dus ben ik er 5 jaar tussenuit geweest. Ik werkte bij verschillende slagerijen, o.a. bij Rensen in Utrecht en een slagerij in Brabant. Steeds heen en weer van en naar Rotterdam.
 
April 1950 ontmoetten Jan en Willy elkaar. Dus na de diensttijd. Ze leerden elkaar kennen tijdens een personeelsfeestje in de ‘Blauwe Zaal’ bij het beursgebouw in Rotterdam.
Mevrouw Willy van de Broek was een traditionele huisvrouw. Thuis als de kinderen, 2 zonen,  uit school kwamen. Met een pot thee en kaakjes.“En er is nog een kleinzoon,” vertelt mevrouw v.d. Broek trots. “Sommige kleinkinderen zijn lief, maar deze is heel lief. Een schatje.”
Meneer v.d. Broek krijgt een hoestaanval. Marianne vraagt of alles nog wel lukt met meneer en mevrouw v.d. Broek en of ze al hulp hebben. Roel heeft al veel geregeld. Aanvraag voor huishoudelijk verzorging en verbouwing van de badkamer. Marianne zegt dat mevr. v.d. Broek haar altijd kan bellen als er hulp nodig is en het niet lukt. Meneer v. d. Broek is heel tevreden over de hulpverlening van het Veteraneninstituut. “Een goede organisatie in Doorn. !!! Er wordt tegenwoordig heel veel gedaan voor de jongens.” “Ja hoor,” zegt mevrouw v.d. Broek, ”veel meer dan een paar jaar geleden.”
 
“Op herhaling kwam ik weer in contact met mijn ouwe maten. Dat was de eerste keer in Oirschot,”vertelt sobat Jan. “Oh, daar ben je weggelopen, weet je nog,” vraagt mevrouw v.d. Broek. “Met een bakkerswagen ben je toen weg gepiept. Hij wilde zo graag weer naar mij,” zegt mevrouw v.d. Broek. “AAAAAAHAAAAAA!” roepen wij met zijn allen. “Daar komt de aap uit de mouw!” Jan legt uit: “We hadden toen nog verkering. Ik wilde gewoon terug naar haar.”
Joop vraagt: “Wanneer dacht u, nou zou ik de jongens nog wel eens willen zien.” “Eigenlijk nooit,”zegt Jan v.d. Broek. Maar mevrouw Willy v.d. Broek corrigeert hem: “Jawel Jan, we gingen toen alsmaar naar Plaswijk toe. Dat waren kringavonden van de BOSS (bond oud strijders stoottroepen). We zijn ook een keer in Delft naar een reünie van oud-militairen geweest en in  verzamelgebouw ‘Rustenburg’ op Rotterdam zuid, was ook een of andere samenkomst van oud-militairen.” “Dat werd georganiseerd door iemand uit Hoogvliet,” weet mevrouw v.d. Broek. “ Iemand van de blijvertjes. Dus van 1-15 RI.” Bij Marianne gaat ineens een lichtje branden. “Ooooh, dat was ene meneer Brouns.                                                                                                                                                            
Ook toevallig, zegt Marianne, het is echt al jaren geleden, maar ik ben toen bij de meneer Brouns op bezoek geweest. Hij woonde aan de Aveling in Hoogvliet en had het boek Djokjakarta voor mij. Ik mocht het boek ophalen in ruil voor een fles jonge jenever.” Jan v.d. Broek vertelt verder: “Ik vond die reünie niets. Maar op een gegeven moment kwamen wij in Nuth in Limburg, bij Thjeu Schepers, daar zijn we vele keren geweest, tot het niet meer ging.”  Meneer van de Broek heeft vele  jaren  in de evenementencommissie gezeten van 1 RS. Hij weet wat er bij komt kijken om dingen te organiseren, zoals een reünie. “Ik werd daar voor gevraagd. En dan weet je het wel?” Marianne knikt instemmend. “Samen met mijn vrouw Willy organiseerden we boottochtjes, naar musea en noem het maar op. Dat gaat nu niet meer. De mensen zijn te oud. Besturen worden opgeheven. Van 1 RS horen wij niets meer. Alleen zo’n kaartje met m’n naam erop. En dan komen jullie hier.” Jan v.d. Broek wordt erg emotioneel.  
“Marianne, we zijn enorm blij dat jij ons, de oude Tijgers, weer de gelegenheid biedt om bij elkaar te komen,” zegt Jan. Marianne vertelt dat zij het heel erg vind dat mensen de reünie moeten afzeggen om wat voor reden dan ook. Juist nu, op deze hoge leeftijd is het zo belangrijk om elkaar nog eens te zien. U wilde ook zo graag nog een keer naar de reünie.” Roel zegt: “Daarom vond ik het juist zo fijn dat jullie nog een plaatsje voor hem konden regelen. Ik breng die ‘ouwetjes’ wel hoor. Dat is voor mij geen probleem.” 
 

 
Joop vertelt dat dit interview het eerste interview is dat wij doen bij een sobat buiten 2-6 RI. 2-6 RI is een kindje van Marianne. Doordat haar vader bij 2-6 RI was. “U bent de primeur voor ons. U weet, wij zijn in 2010 gaan uitbreiden naar een reünie en nazorg voor de gehele Tijgerbrigade. Met alles respect,  u behoort tot een uitstervend ras. Wij zijn hiervoor bij de directeur van het veteraneninstituut geweest, meneer Frank Marcus. Hij juichte het idee toe en Marianne kreeg alle medewerking en toestemming om de reünie voor de Tijgerbrigade te organiseren. U bent nu twee keer op onze reünie geweest. Nu Roel ons belde, met de mededeling dat u, mevrouw van de Broek, ernstig ziek bent en u ons graag nog een keer wilde zien, hebben wij meteen een afspraak gemaakt. En hier zitten we dan in Rotterdam.”
                                               
Er wordt zo over Rotterdam nog gepraat en over en weer gegrapt en gegrold, maar dan komt Marianne nog met een indringende vraag.  ”Wat is u het meeste bijgebleven in Indië, wat heeft bij u het meeste indruk gemaakt.” Jan v.d. Broek zegt nadenkend:”Dat ik zo fijn opgevangen ben door de burgers. De vriendschap. Ik heb in de keuken gestaan en met Javanen gewerkt. Originele Javanen. Als ze pikten was het: ik neem een kopje mee want jij heb er toch elf. Een keer in de keuken heb ik er een paar met een eind hout, ik vond het zonde van mijn handen, flink op der sodemieter gegeven. Dan zeiden onze jongens naderhand wel van: jij wordt nog wel eens een keer kapotgemaakt in de kampong. Nooit gebeurd. Als zoiets zou gebeuren zou het door ploppers gebeuren of tijdens een actie, maar nooit in de kampong. In de kampong werd ik met open armen ontvangen. Want dan was het Johnny Datang. Het was ook dat kindertjes bij ons aan poort stonden met blikjes voor eten. Ach, ze stonden zonder schoentjes aan, geen kleren of vier maten te groot of met een gonje–baaltje (jute-zak). Ik was foeragemeester op een half track en naast de keuken had ik twee bavianen aan de ketting   .Er is natuurlijk ook veel goed gedaan door de Nederlandse soldaten daar. Ik was met een dokter samen en ging, als ik vrij was, als hulp met hem mee naar de kampong. Dan ging ik de Rode Kruisposten af en gingen we de mensen verbinden. Verband erop en pisangblad. Naderhand werd het verband eraf gedraaid en daar werden baadjes (katoenen jasjes) van gemaakt. Er was grote armoede.” Meneer van de Broek moet weer erg hoesten. Als wij vragen of het niet te vermoeiend is, dan ontkent hij dat steeds, maar we willen het niet op ons geweten hebben dat iemand toch vermoeid raakt van ons bezoek. We vinden dat wij er een punt achter moeten zetten. Mevrouw v.d. Broek zegt: “Jullie moeten straks ook even achter in zijn museum kijken hoor. Vroeger was het hele huis een museum, nu alleen in de achterkamer nog.”  We gaan kijken en zijn overdonderd door de grote hoeveelheid houtsnijwerk, krissen, wajangpoppen en veel meer. Jan van de Broek staat te glimmen als wij bewonderend om ons heen kijken. Wat een prachtige verzameling heeft u!

                                                       
Het één na het ander wordt uitvoerig bekeken en Joop knipt een paar mooie foto’s. Het is imposant. Meneer v.d. Broek krijgt weer een hoestaanval en mevrouw v.d. Broek zit alleen in de keuken. Het is nu hoogtijd om te vertrekken, hoewel Jan v.d. Broek nog wel uren wil doorvertellen. Het is mooi geweest. We gaan!
 
Na ons bezoek heeft Roel nog enkele malen contact opgenomen met Marianne. Hij had hulp nodig voor zijn ouders. Marianne heeft die ingeroepen via het Veteraneninstituut. Van daaruit is de familie v.d. Broek fantastisch geholpen.     
        
Op 6 februari belt Roel. Zijn stem klinkt niet zoals altijd. Het is geen fijn nieuws wat hij heeft. Zijn moeder en sobat Jan v.d. Broek zijn ‘meissie’, Willy v.d. Broek- van Galen is ’s morgens overleden. Een brief waarin wij ons medeleven betuigen is door de familie ontvangen. Er is inmiddels weer enige malen telefonisch contact geweest.  
      
 
  Willy v.d. Broek- van Galen 
  * 2 december 1927             † 6 februari 2013
                                                                                       terug naar index