Bezoeken aan sobats in 2015 deel  1

Een bijzondere ontmoeting tijdens de veteranendag Den Haag.

Op 27 juni 2015 waren Joop en Marianne natuurlijk ook weer aanwezig op de veteranendag in Den Haag. Het liep allemaal alleen heel anders dan gepland. Joop belandde (onwel geworden) met o.a. een ambulanceverpleegkundige tussen de veteranenkunstwerken in de expositie- tent op het veteranenplein. Met zoveel vakkundige en liefdevolle zorg was Joop weer snel het mannetje en zijn we rustig in de grote ontmoetingstent gaan zitten met een hapje eten en een glaasje fris.  

fotoMariannePragt

Nu zijn wij niet verlegen en hadden daarom al snel contact met een veteraan die naast ons heerlijk zijn maaltijd zat te nuttigen. ‘Slamat makan’ sobat! Dan komen de standaard vragen: wie bent u, welk onderdeel was u bij? We kregen een verrassend antwoord.“Ik ben Jan Wilkens en kom uit Frankrijk. Ieder jaar kom ik naar de veteranendag. Ik reis hiervoor 1000 kilometer en het kost mij 1000 euro. Maar ik heb het er graag voor over om zo deze dag iedere keer weer mee te kunnen maken. Nee, ik zou niet meer terug naar Nederland willen hoor. Ik ben in 1973 naar Frankrijk verhuisd en ik heb het daar heel goed. Ik ben getrouwd, heb drie zoons en vijf kleinkinderen.
 
Ik ben onder legernummer 290407063 in 1948 opgekomen in Vught zijnde 6-7 RI.  Later op Java werd dit het 424e bataljon Infanterie. Ik heb gediend op Sumatra en later op Java. Eind 1950 zijn wij als haast de laatste weer naar Nederland teruggekomen. Hier werden wij ontvangen met spandoeken met de leuzen ‘MOORDENAARS WELKOM THUIS’. Dat is zo heel in het kort mijn ervaring.” Ineens schiet Joop overeind. “Even wachten, ik ben zo terug!” Komt later terug met Piet! Piet Boukes, 2-13RI. “Ik zag hem ineens verderop lopen. Gezellig, kom erbij zitten!” “Kijk nou, wacht even want nu ben ik zo terug,”zegt Marianne en brengt Pieter Paulusma, 1 RS, mee terug! Jan Wilkens kijkt het zo eens aan en moet toch wel lachen. Dan zwaaien we nog enthousiast naar Jo v.d .Heuvel, 2-6RI en zitten we ineens met een heel clubje aan de lange tafels. Pieter Paulusma raakt in een zeer geanimeerd gesprek met Jan Wilkens  
Pieter was voor zijn werk veel in Frankrijk. En ja hoor, precies in de omgeving waar Jan Wilkens ook goed de weg kent. Nog leuker! Gegevens worden uitgewisseld. Marianne zit gezellig te kletsen op het houten bankje. Wat geweldig. Uiteindelijk breekt de club op, ieder gaat zijn eigen weg op het Malieveld. Wat een leuke ontmoeting! Natuurlijk is Jan Wilkens ook welkom bij ons. Hij heeft meteen de Sepatoe Roesak van april/mei per email opgestuurd gekregen bij thuiskomst.
 (“beste mensen het was voor mij echt een verrassing om jullie uitgebreide mail te ontvangen, zo snel na onze ontmoeting. Ik heb er alle tijd voor genomen om  te lezen. Ik kom hier zeker op terug met een leuk verhaal.   
veel groeten en tot schrijvens, Jan  Wilkens,  France.’)            

 

 

Veteranendag Rotterdam 25 juni 2015

 
Ook dit jaar waren wij ook weer aanwezig op de van Genthkazerne in Rotterdam. Ieder jaar ontvangen de Rotterdamse veteranen van hun burgemeester de uitnodiging om aan het Toepad een voor hen georganiseerde  veteranendag deel te nemen. Daar wordt met graagte ieder jaar door ruim 500 veteranen aan deelgenomen. De dag begint met een 'meet en greet',  daarna komt het officiële gedeelte. Burgemeester Ahmed Aboutaleb, Generaal Oppelaar en Cdt Brigggen spraken de ruim 5oo aanwezigen toe. Hierna was er een optreden van  de marinierskapel. Het  uitbundige zonnetje zorgde voor een  mooie weerkaatsing op de koperen blaasinstrumenten. Vanzelfsprekend hebben wij weer vele gesprekken gevoerd en bekende veteranen begroet zoals Koos de Ruijter, 2-6RI, en Gerard Hegge, hij diende op Sumatra zijn diensttijd uit. Herman Plaats, 5-5RI en zijn vaste  begeleider Frank van Hulst. De 99jarige veteraan Schoenmaker was er dit jaar ook weer bij. Zoals dat ieder jaar het geval is, was het ook dit jaar: er was weer voor een heerlijke rijstmaaltijd gezorgd die met smaak werd verorberd. Daarna was er nog eens tijd om bij te kletsen, een dansje te wagen op de klanken van de marinierskapel die tropische klanken de appelplaats liet klinken.

 

foto'sJoopPragt

 

 

Landmachtdagen 13 mei 2015 Wilhelminakade, Rotterdam. 
 
Dit keer waren de landmachtdagen voor ons een thuiswedstrijd! Wij waren er uiteraard bij. Een stukje met de metro. Een stukje wandelen naar de Cruise Terminal. Mooi weer. Veel publiek. Tijdens deze dag stond de moed en toewijding van veteranen hoog in het vaandel. Het effect van hun militaire inzet en de positieve rol in en voor de samenleving stonden volop in de aandacht. Maar ook 70jaar vrijheid werd deze dag niet vergeten. We ontmoetten o.a. sobat Mindermans, Breur, de Boer, Wilms, van Dijk en ook zeer verrassend: Wim van Raaij.  

foto'sJoopPragt

 

 

Menno en Elly van de Wetering2-6RI,  65 jaar getrouwd.

k
Er valt een kaart in de bus bij het secretariaat. Geen vreemd iets. We ontvangen regelmatig kaarten. “Lieve familie en vrienden. Op 10 mei a.s. zijn wij 65 jaar getrouwd. Wij zouden het erg leuk vinden als jullie dat op die dag met ons willen vieren.” De afzenders zijn Elly en Menno van de Wetering. De datum komt perfect uit, omdat we dan toch in de regionen van Eindhoven zijn. Dus we gaan.
In het hotelletje in Valkenburg pakken we onze koffer in om later die dag in een ander hotelletje in Eindhoven weer uit te pakken.  Tijdens het ontbijt wachten we op de wegenwacht die naar onze rammelende auto komt kijken. We begroeten de wegenwachter op de parkeerplaats bij onze ‘rammelkast’.
Tijdens een klein testrondje op de parkeerplaats is het euvel heel snel gevonden. “Meneer, uw linkervoorwiel zit bijna helemaal los!”Dat is schrikken. De auto was twee dagen geleden nog bij de garage geweest. Vakkundig zet de monteur het wiel stevig vast. We kunnen naar Eindhoven. Niet voordat wij de monteur een Tijgersleutelhanger hebben gegeven voor zijn levensreddende montage!
Lang leve de ANWB!  
Het is een prachtige zomerdag. Mooi weer om een bruiloft te vieren. Dat dachten meerdere bezoekers in de Leemer Hoef in Waalre. Het was al een gezellig geroezemoes onder de grote parasols bij de zitjes toen wij het parkeerterreintje opreden. Niet iedereen op het grote terras was bruiloftsgast, maar veel wel!Daar staan Menno en Elly, wijst Marianne terwijl Joop vakkundig de wagen parkeert. We stellen ons op in de rij van gasten die het bruidspaar komt feliciteren. Groeten links en rechts al wat bekenden. Voetje voor voetje schuifelen we naar voren. Tjonge, wat zijn er veel mensen die Elly en Menno een warm hart toedragen! We naderen het bruidspaar. Blij verrast begroeten de twee echtlieden ons. “Och Marianne en ha Joop. Wat fijn dat jullie er ook bij zijn. Dat hadden we niet verwacht!” “Maar Menno, je weet toch dat we een  speciale band hebben. Dan laten we zo’n jubileum niet zomaar voorbij gaan hoor.” 

fotoJoopPragt

 “Neem lekker wat te drinken in de schaduw. Goh, wat leuk dat jullie er zijn.” Met een lekker drankje en hapje is het goed toeven op het terras. We komen met verschillende gasten in gesprek en ineens is daar Jo v.d. Heuvel, 2-6RI. En kijk, ook Liduina v.d. Broek, krijgsmachtaalmoezenier en dochter van Kapt. v.d. Broek 2-6RI. Het wordt een heel gezellige, feestelijke middag met sprekers, optredens van danseressen en een muziekband. Ook de inwendige mens werd niet vergeten. Een groot Indisch buffet werd opgemaakt in de zaal. ‘Daar gaat mijn lijn,’ kreunde Marianne. Joop schepte gewoon nog eens op. Na nog in de vroege avond lekker koffie te hebben gedronken, namen we afscheid van een vermoeid maar oh zo dankbaar bruidspaar.   

 

 

 

Bij Bokkenrijder Vic Brouns, 4-6RI, is het goed aardbeien eten. 

 
Met een rammelende auto komen we aan in Maasbracht. “We moeten straks echt de Wegenwacht erbij halen,”, zegt Marianne angstig na het korte ritje van Ittervoort naar Maasbracht.“Eerst naar sobat Brouns, die zit op ons te wachten,” zegt Joop terwijl hij gedecideerd uitstapt.
We hoeven niet meer te bellen. Ook hier zwaait de deur al open. “ Kom erin, fijn dat jullie er zijn,” zegt mevrouw Annete  Brouns. “Vic moet even de fiets wegzetten. Hij heeft net nog een lekker eind gefietst. Het is goed warm en dan is een eindje fietsen lekker verkwikkend. Hier in huis is het lekker koel. Willen jullie echt geen koffie?”  “Nee, nog niet hoor!” 
 
“Marianne, we zijn naar de Regiodag 2015 voor militaire en dienstslachtoffers gegaan in Schaarsbergen. We hebben niemand op het station in Arnhem kunnen vinden die ons naar de bus zou brengen! We  zijn maar weer terug naar huis gegaan!  Weet jij daar iets vanaf?”
“Nee, maar dat is het BNMO,”merkt Joop op, “u bent gewond geweest?” “Nee en ja, ik heb PTSS 10%,”zegt sobat Vic Brouns. “Het kwam er tien jaar geleden toch uit. Uit onderzoek bleek dat ik een shock zou hebben gehad.”“En daar helpen geen pilletjes van de arts tegen,” valt mevr. Brouns kittig in.  “Ik weet ook wel wanneer dat gebeurde,”gaat sobat Vic verder. “Dat was de eerste dag van de 2e politionele actie. 18 december 1948. Toen zijn we de demarcatielijn overgetrokken. Ik was sergeant en had van die grote mitrailleurs bij me en die hebben we op die kleine paardjes geladen. We waren een kilometer of 15 in het TNI-gebied gelopen en toen liepen we tegen de Siliwangi divisie op. Die waren onderweg naar West Java. Nou, dat hebben we geweten. We hadden een peloton infanterie met een luitenantje bij ons om ons te beschermen. Die stuurde ons eerst naar voren. Ja, ik wil wel verder naar voren gaan, als jullie met me meegaan. Uiteindelijk deed die dat dan wel. Maar je kon je hoofd niet boven de grond steken. Het was een hel! De paardjes werden meteen gedood. Die lui wisten precies waar we zaten. De kogels vlogen in het rond. Op een gegeven moment kregen we het bevel: terugtrekken! Toen was  die luitenant al gelijk weg naar achter en de hele infanterie achter hem aan. Rennen! Nou, dat lukt je niet snel met zo’n zware mitrailleur, die laat je niet zomaar achter. Die heb ik  nog een eindje  meegesleept en toen ging het niet meer. Ik heb toen alles losse stukken eruit gehaald en de rest weggegooid. We zaten nog 10 a 12 kilometer van de demarcatielijn waarvandaan we waren vertrokken.
Alles was weggelopen. Wij moesten voor ons eigen zorgen. Eentje was er gewond die hebben we toen meteen terug gestuurd. Een man er bij om hem te beschermen. Op het lest had ik er nog maar eentje over. In een kampong gingen we via weggetjes met bamboeomheiningen afgezet. Die ander was totaal de weg kwijt! Ik zei hem:‘Ik ga eerst de weg over, jij volgt!’ Op een moment dat het stil was met schieten, ben ik over de weg gesprongen en tegen zo’n omheining terecht gekomen, zodat die mijn val brak. Het schieten begon weer. Op een volgend stil moment heb ik hem weer geroepen, wel tien minuten lang, maar hij kwam niet meer. En dan moet je gaan! Toen ben ik gaan kruipen tot ik in een slootje terecht kwam. Ik ben toen door dat slootje teruggekropen tot waar de achtergebleven troep zat.
Dat was 18 december 1948. Dat vergeet je niet meer! Later wilde de compagniescommandant dat ik een verslag zou indienen tegen die luitenant die weggelopen was. Daar ben ik dus niet aan begonnen.  
Ik zat bij 4-6RI, dat klopt. Ik ben vijf jaar in dienst geweest.”
“Maar u bent eerst ergens geboren”, zegt Joop. “Ik ben geboren in Thorn en daar gebleven tot mijn 18e 19e jaar. Mijn ouders waren boer. In al die dorpen waren het boeren. De bakker en de slager waren zelfs ook nog boer. Ik kom uit een gezin van negen kinderen.  Na de lagere school heb ik MULO gedaan. Ik heb een jaar gewerkt in Roermond op het bureau van de voedselcommissaris van Limburg. Dat was een organisatie die moest er op toezien dat de boeren vee leverden aan het Duitse leger. Dat was een hele administratie hoeveel vlees er aan de Duitsers moest worden afgedragen. Ik moest eigenlijk naar de Arbeitsdienst. Toen ben ik dus in Steenwijkerwold ondergedoken bij een boer en heb daar ook gewerkt voor de kost. Tot september 1944 heb ik daar ondergedoken gezeten, tot we waren bevrijd. Wij waren dan wel vrij maar langs de grens waren nog steeds gevechten met de Duitsers. Het was nog heel onrustig. Een hoop van de bewoners zijn toen naar België getrokken, mijn broer en ik bleven. We moesten voor het vee en kippen zorgen die er nog waren. Dat heeft nog een half jaar zo geduurd. Toen zijn de Engelsen weer verder opgerukt. Ik was net iets te jong voor de binnenlandse strijdkrachten. Toen werd het kantoor van de voedselcommissaris gesloten, want dat had geen functie meer. Ik was al een beetje een vrijbuiter en dus heb ik mij vrijwillig gemeld voor Engeland. Daar kon je toen der tijd naar toe voor een officiersopleiding. Dat was in Brentwood, daar heb ik mijn eerste opleiding gehad. Daarna een anti-tankopleiding in Wales, Malbrouth.
Dat heeft 1 jaar geduurd en vervolgens ben ik terug gegaan naar Nederland. Toen was ik al militair. Ik had toen de rang van korporaal.
In Nederland heb ik wat rondgezworven van de ene kazerne naar de ander. In september ben ik naar  Maastricht gegaan, de Tapijnkazerne en daar werd de 2e divisie opgeleid. Dus het werd 2-4-6 RI, de ondersteuningscompagnie. Het was eigenlijk anti-tank, mortieren, carriers en pioniers . Met anti-tanks konden we daar niets doen, ze hadden geen tanks. We kregen mitrailleurs. Watergekoelde mitrailleurs.”  “Hoe kwam u op het idee om naar Indië te gaan,” vraagt Joop.“Och, ik wist toch dat ik dienstplichtig was en de 2e Palmboom divisie was al opgekomen. Het leek me wel wat!“
 
“In de herfst kwam dus de lichting op van de 2e Palmboomdivisie. Daarbij zijn we toen opgeleid en gingen daarmee naar Indië. Eerst met de trein naar Rotterdam. Het waren gesloten treinen. Dan kon niemand eruit. De MP bewaakte de treinen. Niemand mocht eruit. De overtocht was met de ms Sloterdijk. Beneden helemaal leeggemaakt en volgehangen met hangmatten. Daar moesten we slapen. 1000 man. Het stonk er! En dat is nog zacht uitgedrukt. Port Said aangedaan, daar handelden ze in die kleine bootjes. Vervolgens zijn we doorgegaan naar het eiland Pouloé, net boven Sumatra. Daar hebben we een paar dagen in Sabang gelegen. Van daaruit zouden we naar Celebes gaan maar dat ging niet door en gingen we naar Tandjongpriok. Daar hebben we 3 weken in tenten gelegen. Om te acclimatiseren. En vervolgens begon de 1e politionele actie. We zijn met de Sommelsdijk naar Semarang gegaan. Ik was toen sergeant. Vanuit Semarang zijn we opgerukt tot Weleri, Toereng en door richting Solo tot waar de demarcatielijn lag. Daar kregen we dus die vuurdoop. Het was er bloedlink. Ik was pelotonsergeant. Ik was streng, maar rechtvaardig. Toen werd het patrouille lopen langs die demarcatielijn.
Opeens komt mevrouw Brouns de kamer binnenlopen met schaaltjes aardbeien! “In plaats van koekjes toch iets lekkers,” zegt ze triomfantelijk. “Nou, wat een leuke verrassing! Heel apart!”
Meneer Vic vertelt verder:“Ik heb zoveel geluk gehad. En het is zo: niemand gaat voor zijn tijd! Maar ik had wel veel geluk. Ik heb zoveel in de penarie gezeten.  

 
 
foto'sJoopPragt
 

 

Maar we hebben ook veel gelachen hoor. Zo’n 35 van die jonge knullen bij elkaar! Er zat van alles tussen. Och Sjenkse Faassen, was een knechtje bij de fietsenmaker. Het was in Maastricht in de opleiding. Vrijdag mochten we naar huis ja en zondagsavonds moesten we weer terug zijn. Sjenkse kwam nooit ’s zondagsavonds terug! Hij moest op rapport komen waarom hij niet terugkwam. Dan zei die: “Ik mocht van mijn moeder in het donker niet langs het kanaal fietsen.”Marianne moet lachen: “Geweldig, in opleiding tot soldaat en dan mocht die niet langs het kanaal fietsen.”“Ja, maar het was wel zo dat die dan zoveel had gezopen, dat die gewoon niet terug kon komen,” lacht Vic Brouns. "Ja, we zaten met een bont gezelschap bij elkaar hoor. Er was verder niets te doen eigenlijk hè dan patrouille lopen en kaarten. Zwikken! We hadden nog een heel ouwe radio waar muziek op kwam. Stukken van fanfare of zo, dan leefde iedereen op en mocht niemand wat zeggen.
 
Indië, het is een prachtig land, mooi land, de mensen zijn aardig maar onbetrouwbaar. Ze vertelden altijd precies wat zij dachten wat jij wilde weten. Als wij de weg vroegen naar een kampong dan zeiden ze: tia tia, zo, zo. Ze wisten dat wij er belang bij hadden dat het korter was dan dat het werkelijk was. We hadden baboes, djongossen in dienst die voor ons werkten. Die luitenant van mij had een heel grote textielfabriek hier in Tilburg. De zaak was verdeeld en hij wilde beroepsmilitair geworden. Het gebeurde een keer dat er ’s nachts, terwijl er toch 2 man op wacht stonden, geweren en mitrailleurs zijn gestolen. Daar is toen de krijgsraad aan te pas gekomen. Er werd geoordeeld dat er te weinig mensen op wacht hadden gestaan en de luitenant werd hiervoor verantwoordelijk gesteld. Dat hij beroepsmilitair wilde worden kon hij toen wel vergeten. Daar  was hij uiteraard helemaal kapot van. Hij was pelotonscommandant en ik pelotonsergeant. Ik werkte dus veel met hem samen. Hij begon toen te drinken. ’s Avonds ook. Als die dronken was begon die te schreeuwen dat hij terug wilde naar die fabriek. Hij was helemaal de kluts kwijt. Toen ben ik in die tijd eens een paar dagen met verlof in Semarang geweest. Daar belde onze compagniescommandant Pest mij op om te vertellen dat de luit dood was. Het is allemaal raar gegaan. Tijdens schietoefeningen, op wilde zwijnen jagen, is het misgegaan. Na afloop is bij het instappen die bren mitrailleur afgegaan. Naar mijn idee is het zelfmoord geweest.
Eind februari 1950 ben ik met de ‘Impire Brent’, een Schotse boot die emigranten naar Australië had gebracht, teruggekomen in Nederland. Ik kwam aan in Amsterdam en ben met de bus naar huis gegaan.
Toen heb ik wat rondgelopen, rondgezworven door Nederland. Ik had geen geld en geen werk. Op een gegeven moment had ik een liefje in Den Haag. Haar vader werkte bij de belastingen. Ik dacht dan ga ik naar Den Haag toe en ga ik daar werken. Als ik geen oproep zou krijgen dan wilde ik emigreren naar Australië of Nieuw Zeeland. Dat ging niet door want ik had geen bewijs dat ik ergens gewerkt had of een vak had gehad. Dus ik ben bij de belasting blijven hangen. Met het meisje ging het af en ik had weer een ander meisje, een ‘blauwtje’(indo). Via een kennis bij het ministerie kon ik worden overgeplaatst in Limburg. In Heerlen. Daar ben ik gebleven tot ik overstapte naar Weert en via Weert ben ik overgeplaatst naar Sittard en op mijn 59e ging ik met de VUT. Ik was al eerder weg want ik had al een hartoperatie gehad en een pacemaker. Ik heb later nog een openhartoperatie gehad in Houston. Inderdaad via de toen bekende‘luchtbrug’. Ik heb daarna nog een paar fikse aanslagen op mijn gezondheid gehad, maar ik ben er nog!”
“En ik werkte in een manufacturenzaak en daar had hij mij gezien,” vertelt mevrouw Annet Brouns, “maar ik had toen een ander vriendje.” Ondertussen genieten we nog lekker van de aardbeien en nee, we hoeven geen koffie. “We gaan gewoon lekker verder tussen de ritsen, knopen, garen en het band,”zegt Marianne.
“In 1956 zijn we getrouwd , dus volgend jaar op 29 augustus zijn we 60 jaar getrouwd. Ook dat nog, ja. We hebben drie zonen en ook al kleinkinderen. We zijn een heel muzikale familie, niet alleen de zonen, maar ook de kleinkinderen. Dat hebben ze van mij,”zegt mevrouw Brouns trots, “ik zit al 40 jaar op het koor.
We praten nog verder over de operaties, vele misverstanden en  miskleunen die meneer en mevrouw Brouns hebben meegemaakt in de gezondheidszorg. “Je moet wel je mond opendoen,” raadt sobat Vic ons aan. “Maar goed, we zijn er nog en nu praten over we over wat anders.”
 
“Wat is het mooiste, leukste wat u van Nederlands Indië hebt onthouden?”vraagt Marianne. “Tja, moeilijk te zeggen, maar we hebben er veel gelachen hoor.”
“Die blauwe auto die hier staat, die is van u,” vraagt Joop. “Ja inderdaad. Ik rijd nog zelf. Kleine stukken. Boodschappen en zo.”
“Wij komen u beiden regelmatig tegen bij veteranenbijeenkomsten en dergelijke. Mooi van u dat u dat nog steeds kan doen.” “Volgende week woensdag gaan we naar Rotterdam naar de landmachtdag.” “Oh, wij ook!” roepen Joop en Marianne. “Moet je nou eens luisteren wat er hier is geweest,”zegt sobat Vic. “Ik werd door iemand opgebeld. Die vroeg of ik in Oirschot militairen een onderscheiding wilde opspelden. Dat heb ik niet gedaan. “Oh, dat weet ik. Dat was overste Jansen van de Limburgse Jagers,” zegt Marianne. “Ik had uw naam en o.a. die van Menno v.d. Wetering en Jo v.d. Heuvel daarvoor doorgegeven aan hem.” “En ik heb het niet gedaan,” zegt Vic Brouns beteuterd. Ik ben maar zo klein en dan bij die grote kerels die onderscheiding opspelden, daar kan ik niet bij! ” “Oh, dat maakt toch niet uit. Ze vinden het een hele eer om van een oudgediende hun onderscheiding te krijgen en zeker een van de Limburgse jagers, want de Bokkenrijders, 4-6RI, zijn Limburgse Jagers!” jubelt Marianne.“Ja, achteraf heb ik daar wel spijt van hoor,”verontschuldigt sobat Vic zich nogmaals. “Nou, als er nog eens zoiets is dan geef ik u weer op hoor,” belooft Marianne. “De jonge militairen zijn trots op jullie. Jullie hebben elkaar heel wat te vertellen.”
“Ik praat niet zo makkelijk over Indië hoor,”antwoord sobat Vic. “Nou, u hebt toch al heel wat zitten vertellen,” merkt Joop op. “Och die verhaaltjes die ik vertel, dan vraag ik mij af, geloven ze dat wel?
Ik heb een keer meegemaakt bij de eerste politionele actie dat wij op een post waren. We stonden ’s morgens op, Haverkamp van de mortieren en ik. We gingen buiten plassen. En dan zien we daar een kabeltje lopen
Dat kabeltje liep naar zeker 100 grote  3inch mortiergranaten die in een bamboehut lagen opgeslagen. Ik heb het kabeltje kapot getrokken. Je moet er niet aan denken wat er gebeurd had kunnen zijn als dat ding afgegaan was. Dan zat ik hier niet meer”….”En dan hadden wij u herdacht in Roermond,” vult Marianne aan. “Weer geluk gehad! Ja, net als met die carrier. We moesten iedere dag in konvooi rijden om eten te halen. Dan was de weg opengebroken en achter zo’n bergje, daar zaten ze dan. Ze schoten je zo voor de flikker. We reden om de beurt, korporaal van der Staaij uit Den Haag en ik. Hij was aan de beurt. Hij zat in die carrier en werden er drie doodgeschoten. Die korporaal zat dus op mijn plaats, daar vooraan waar ik ook altijd zat. En dan had ik een brenmagazijn naast me staan. Daar is een kogel ingekomen en die heeft het brenmagazijn helemaal opengescheurd. Dus weer geluk!”
“Maar ik wil wel er even tussendoor zeggen, dat de aardbeien héérlijk zijn hoor,” zegt Joop tussen zijn pleidooi door om maar vooral de verhalen door te vertellen aan de jongere generaties.
“We moesten die route vaak rijden met die brencarriers,”gaat sobat Vic verder. “Je moest dan ook over die houten bruggen. Je wist nooit of ze doorgezaagd waren of niet. Dan kon je wel zeggen tegen iemand: joh, ga jij eens kijken of die brug wel goed is, maar dat deed ik niet. Ik ging altijd zelf.”“Later hebben de jongens mij dat eens op een reünie vertelt,” zegt mevrouw Brouns. “Houd hem ere! En dat doe ik ook!” 
 “Er is een boekje, ‘onze Jan in Indië’.  Die man,(Gerard van der Lee (87)red.) heeft eigenlijk nu pas een boekje geschreven over die tijd,”zegt Vic Brouns.“Er zijn daar zoveel dingen gebeurd dat niet mooi was, maar het was oorlog. De vijand deed eveneens vreselijke dingen. Schieten of geschoten worden. In de Sobat stond verleden jaar dat er nog steeds 136 jongens vermist zijn. Er zijn krijgsgevangenen gemaakt, gedood en in de kali gegooid. Bij de krokodillen. Ook dat is gebeurd. Er is over en weer van alles gebeurd. Dat die advocaat die de weduwen vertegenwoordigt en geld eist, dat klopt toch ook niet. Straks komen ook hun kleinkinderen om geld vragen. Niet alleen daar, maar ook door de Duitsers, moeten we die ook nog schadeloos stellen dan?”
“Hoe vind u het dat u veteraan bent,”vraagt Marianne. “ Ik ben er toch  trots op. Ik denk nu wel meer terug aan Indië. Ik ben nooit meer teruggeweest hoor. Van collega’s die wel terug zijn geweest, hoor ik ook dat er zoveel veranderd is, dat je het haast niet meer herkent.
 
Alles wordt voor ons wel moeilijker hoor. We hadden eerst een heel grote tuin, een moestuin. Nu wil natuurmonumenten het hebben. Het wordt te zwaar. Ik heb de kracht niet meer. Ik ga nog wel zwemmen. Vanmorgen ook weer. Ik zwom eerst nog 20 banen maar nu niet zoveel meer. Ik ben van de winter achteruit gegaan.”
“Hoe vind u ons bezoek,”vraagt Marianne nieuwsgierig. “Heel leuk. We wonen hier nu 10 jaar maar we krijgen maar geen contact met de buurt. Maar dat is overal zo tegenwoordig, denk ik.”
“De familie is dood, kennissen zijn dood, als je ouder wordt heb je dat. Ik ben altijd van ‘kom maar es even een kopje koffie drinken’, maar dat gebeurt niet.” Vic Brouns merkt op:”Ik weet nog een makker in Haelen. Hij krijgt nog geen boekje van jullie. Hij komt niet meer buiten. Hij zit maar te zitten en kijken naar de foto van zijn vrouw. Het is een beetje sneu allemaal.”“Nou, dan zullen we daar eens verandering in brengen. We sturen hem in het vervolg ons blad hoor. Geef het adres maar op van die meneer Peeters!” zegt Marianne gelijk. Samen zitten meneer  

fotoJoopPragt

en mevrouw Brouns op de bank met het telefoonboek en telefoonklapper. Na een hilarische zoektocht en wij genietend van dit tafereeltje komt het hele adres. Heerlijk.
Het wordt tijd, tijd om naar het hotel te gaan! Morgen hebben we samen met onze superdrukker Theo een drukke dag. Het boekje moet worden gemaakt. Wij hebben bijzonder genoten van het bezoek bij Anette en Vic Brouns! Er is heel wat afgekletst. Kom op! We gaan, naar onze rammelkast! We worden buiten voor de deur uitgezwaaid! We zwaaien terug. Marianne zit met kromme tenen!       

 

Een tussenstop bij Lies met breuk.

 
 

fotoJoopPragt

Het is weer zover. Het boekje voor april/mei is volgeschreven. We gaan naar Theo om hem te helpen met knippen, plakken, snijden en vouwen. Maar onderweg maken we nog even twee tussenstops. De auto, de dag ervoor net naar de garage geweest, maakt toch nog een vreemd rateltje. “Geen probleem, kom maar terug als het erger wordt!”  Bijna traditioneel gaan we even bij Lies de Renet, weduwe van Jac de Renet (2-6RI)in Ittervoort langs. Lies zat goed in de lappenmand. Een ongeluk met de fiets. Ze kreeg geen voorrang van een auto, kwam ten val en brak haar schaambeen. Nu kan je tijdens een val van alles breken, maar een schaambeen is toch wel opvallend. “Gelukkig gaat het nu wel weer een beetje, maar ik heb toch een poosje geen kant opgekund. Een heel gedoe allemaal, maar ik heb goede hulp gehad van  buren hier in het dorp en van mijn zoons,”zegt Lies. We kletsen een poosje over van alles en nog wat met Lies. Ze vindt het gezellig dat we weer aankomen tuffen.  
Wij vinden het trouwens ook gezellig. Helemaal op de hoogte van alle nieuwtjes die de dorpsbewoners bezighouden, stappen we een uurtje later weer in onze ‘rammelkast’. Tot het volgende boekje Lies!   

 

 

Harry Hoogwerf, 1 RS. Hij is niet dood. Hij leeft! 

 
Op 27 april, Koningsdag, waren wij, Joop en Marianne, door de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb uitgenodigd op het stadhuis van Rotterdam. Tijdens deze bijeenkomst mocht Marianne haar enkele dagen eerder uitgereikte onderscheiding Lid in de Orde van Oranje Nassau dragen. We komen later in gesprek met Joop v.d. Hor, o.a. columnist, auteur en ook drager van een Koninklijke onderscheiding. Maar ook heel vroeger een buurjongen van Marianne. Tijdens het gesprek heeft Joop v.d. Hor het over Harry Hoogwerf uit Pernis. Verbaasd kijken wij op. Harry? Die is toch dood? We krijgen geen bericht meer van hem. De e-mails die wij hem regelmatig stuurden komen terug. “Ik heb hem onlangs geïnterviewd voor de krant i.v.m. Bevrijdingsdag.”zegt Joop van der Hor. We zijn aangenaam blij verrast dit te horen.
Enkele dagen later, 30 april, staan we bij Harry Hoogwerf (1 RS) voor de deur van zijn kamer in ‘t wooncomplex in Pernis. Onaangekondigd. Een goodiebag, de Tijgerplacemat en enkele voorgaande ‘sepatoe roesaks’  hebben we bij ons. “Hallo Harry!” “He, Joop en Marianne, wat leuk dat ik jullie weer zie zeg.” “Nou, anders wij wel Harry. We dachten dat je dood was! We hoorden helemaal niets meer van je.” We kennen Harry Hoogwerf van de inloopmiddagen voor veteranen bij ons in Hoogvliet. We zijn al eens eerder bij hem thuis geweest. En ineens was het stil rond Harry. “Goh,wat zijn wij blij dat je er nog bent Harry.” 

 

fotoHarryHoogwerf

fotoJoopPragt

Harry Hoogwerf is van 1RS. Hij zat vanuit Pernis in het verzet in de regio. Maar daarover later. Nu praten we gewoon lekker even bij en Harry laat zijn tekeningen zien. Harry kan subliem tekenen. Hij maakt gedichten, die hij laat bundelen, hij is enorm kunstzinnig.  En hij is blij. Blij dat we hem komen opzoeken. We vertellen honderduit over de Tijgerbrigade, de  veteranen en de bijeenkomsten. Harry vertelt over zijn zoon en over het interview dat hij had met Joop v.d. Hor. Het wordt een fijn uurtje in Pernis. Maar het is ook etenstijd. Hoewel Harry de soep al voorbij heeft laten gaan omdat hij liever met ons praat, moet hij,  maar ook wij eten. Wij maken ruimte voor de bediening maar beloven: we komen snel weer even bij je aan hoor, Harry!
 
En dat hebben we ook zeker gedaan. Op Heyplaat bezochten wij op 6 oktober de expositie “De Aanval”. Een imposante expositie over de bange meidagen 1940 in Nederland met daarbij vooral aandacht  voor de strijd in Rotterdam. Een felle strijd is hier in de eerste dagen van mei 1940 geleverd. Ook interessant: www.destrijdomdemaasbruggen.nl
Na afloop waren we dicht bij Pernis. We hebben meteen Harry maar weer even bezocht. Trots heeft hij zijn nieuwe scootmobiel laten zien. “Zo kom ik weer wat verder dan alleen hier in en om het huis. Ik heb weer een stukje vrijheid terug zo.” Goed gedacht sobat Harry.Tot ziens. 
 
Samen met veteraan Gerard Hegge, Joop en Marianne was sobat Harry  op 12 november jl. ook aanwezig bij de onthulling van de vredesbank op Heijplaat.  De vredesbank is door leerlingen en leer-krachten van basisschool de Klaver beplakt met vele mozaïeksteentjes  n.a.v. het project Jonge Vrede.
 

 

 

Het verhaal van de verteller Wim Arts, 2-2RVA toch nog verteld

 
Twee dagen na ons bezoek is sobat Arts overleden. 
 In overleg met de familie plaatsen wij alsnog het verslag van ons bezoek.
 
Via de zoon en dochter liet sobat Arts ons weten dat hij heel graag wilde praten met ons. “Toen ik zo slecht lag in het ziekenhuis, iedereen heeft rond mijn bed gestaan en de artsen konden niets meer voor mij doen, dacht ik aan Indonesië. Ik was echt een heel eind weg. Maar ik heb geknokt om weer terug te komen.  En ik ben er weer! Dit is de vierde keer dat ik zo doorkom,”vertelde hij.
Een afspraak werd gemaakt, maar meneer werd weer met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Eenmaal weer thuis en gezien de zeer broze gezondheid van sobat Wim Arts zijn wij, in overleg met onze coördinator Marijke, op 9 april j.l. voor één enkel bezoek afgereisd naar Limburg. 

fotoJoopPragt

Er werd op ons gewacht. De deur gaat meteen open na ons bellen. Mevrouw Betsy Arts laat ons binnen in de ruime woning. In de huiskamer zit sobat Wim Arts op de bank. We begroeten hem hartelijk. Hij is zichtbaar blij en opgelucht dat we er zijn. “Ga jij maar hier zitten Marianne, dan kan ik je goed zien”, wijst sobat Arts naast zich op de bank. “Ik heb oogproblemen. Maculadegeneratie.”(Een ingrijpende oogaandoening waarbij het gezichtsvermogen in het centrale scherpe zien achteruit gaat. red.)
 
Sobat Arts begint met zijn verhaal:“Ik ben geboren in Merselo, (bij Venraij.red.) en kom  uit een gezin van elf kinderen.Ik was op vier na de oudste. Nu ben ik de oudste. Er zijn van elf nu nog vier over. Het was altijd heel gezellig en druk. Mijn moeder kon mondharmonica spelen. Dinsdagsavonds was de Bonte Avondtrein. Tot mijn 6e jaar woonde ik in Merselo en daarna verhuisden we in 1932 naar Heide, ook weer een klein dorpje. Daar ben ik ook naar school gegaan. We hebben 10 jaar in Heide gewoond. Na de lagere 
school wilde ik fietsenmaker worden, maar ik moest in de Arbeitsdienst.  
Toen ben ik weer teruggegaan naar de boerderij thuis en dan hoefde je niet! Dan kon je gewoon blijven werken op de boerderij. We hadden ongeveer 17 ha grond. Het was een gemengd bedrijf.
Na de oorlog was alles weg. Later kregen we daar nog vergoeding van het Rijk voor. In de oorlog kwamen de mensen wel om eten en zo. Die hadden niet zoveel te eten.  Hier was vroeger de Peel. Daar zaten die boeren allemaal. Wij mochten zelf boter maken en kaas en we hadden nog alles van het land maar wij kregen geen melk en boterbonnen. Ook nog huisslachtingen deden we nog zelf. Ze kwamen dan het vlees keuren, er kwam dan stempel HSL(huisslachting)op. We kregen geen vleesbonnen. We deden het vlees zelf inpekelen en worst maken.
Tijdens de oorlog kwam hier altijd een man uit Rotterdam. Dat was een suppoost bij Feyenoord. Na de oorlog kwamen hij ook nog altijd. Die was ondertussen familie van ons geworden. Hij kreeg het eten altijd voor niets mee. Maar hij wilde graag iets terugdoen. Hij bracht sieraden in een doek mee. Mijn vader vertelde hem dat hij die wel weer mee naar huis kon nemen. Wij deden aan zoiets niet mee. Na de oorlog is hij hier een schuur wezen bouwen. Als dankjewel. Als vergoeding voor alles. We hadden hier eten genoeg. Nooit misbruik gemaakt van de ellende van anderen. 
In 1944 zijn wij bevrijd en in 1945 kregen wij ter ondersteuning een tractor en daar heb ik altijd op gewerkt. Bij de Heidemij en zo. Dat heb ik gedaan tot begin 1946, toen moest ik op 7 mei in dienst. Ik was al 25 jaar. Wij waren de eerste dienstplichtigen. De 7december divisie. Op 8 oktober zaten we op de Bloemfontein naar Indië. Ik vond dat toen niet leuk, maar ja, je moest. Ik was nog nooit ergens anders geweest. Ik woonde achter in de Peel! We wisten niks. We kregen een tientje per maand om kleren te kopen. Ik werd gekeurd in Helmond. In een ouwe school. Op de vraag wat ik wilde doen, zei ik, doe maar chauffeur. Want ik had op een tractor gereden. Ik had geen rijbewijs of niks, dat niet. In mei 1946 moesten wij opkomen in Ede, op de Elias Beekmankazerne. Daar lag allemaal Infanterie en wij waren van de Artillerie 2-2-2 RVA.  Wij hebben daar onze eerste opleiding gehad. Ik ging uiteindelijk in oktober, na 6 weken inschepingverlof, als soldaat naar Indië. Er waren jongens bij die hadden toen nog nooit geschoten. Daar was geen tijd voor geweest. We vertrokken dus met de Bloemfontein naar Indië.
De reis? Vreselijk. Een ruim met 200 man in bunkbeds 10 hoog. Iedereen sliep daar, ook de mensen die zeeziek waren en zo.”
“Je begrijpt wel wat er dan gebeurde als er iemand 10 hoog lag en zeeziek was. Ik heb de eerste nacht mijn boeltje ingepakt en ben in een sloep gedoken. ’s Anderdaags ging ik eten halen, ontmoette ik een kok die bij ons in buurt ook kok was. Hij zei je moet je gaan melden bij de boordbewaking. Kan je boven slapen. Ik hoefde geen piepers te jassen en zo. Zo kwam ik er goed langs.
Het eten,och dat was wel goed, maar je moest in de rij gaan staan ’s morgens en als je klaar was met eten, dan kon je in de rij weer aansluiten voor ’s middags. We aten van borden verdeeld in vier vakken. Anders schoof je maaltijd van je bord. ’s Morgens kreeg je zo’n Buchan, dat is een  hele zoute haring. Voor ene keer is dat wel lekker , maar als je dat iedere morgen krijgt……. Dan gooiden we ze overboord en zeiden,ga maar met je vriendjes spelen. Maar we kregen eten genoeg, daar ging het niet over.
 
Toen kwamen we dan in Indië aan, daar  verwachtten we wel goed eten. Maar dat viel wel even uit. Daar hadden ze van die zakken gedroogde aardappelen, puree, als je zat te eten bleef dat allemaal aan je gehemelte zitten. Je kon het haast niet doorslikken. Toen kwam daar zo’n hoge Piet, ene van de gezondheidsdienst, en wij pakten snel die borden met aardappelpuree en smeerden het zo tegen de muren. Stukadoren! Wat doen jullie nu? Zo slecht is het eten. Hij nam er een hapje van en zei: ‘Weg met  die rommel’. Daarna stond er een complete rijstmaaltijd op het programma.
We kwamen aan in Tandjong Priok. We werden gelegerd in Buitenzorg, West Java. Daar hebben wij ongeveer een jaar gezeten. Toen kwamen de politionele acties. Wij naar Semarang, midden Java, ter ondersteuning van de infanterie van de Tijgerbrigade. Van Semarang gingen we naar Salatiga. Hebben daar heel lang gezeten. Toen kwam de laatste actie via Malang, Magelang en zo naar Djokjakarta. Daar hebben we gelegen op dat vliegveld Magoewo

foto's W.Arts

Veel kan ik daar niet over vertellen, ik was chauffeur van dienst en daardoor altijd veel in de stad geweest. Ik bleef bij de wacht. Ik reed voor de officieren, voor de keuken, de post en foerier.
Een week moest je bij de wacht slapen en paraat staan. Dat ging in een wisseldienst. Zodra de andere er was, had je vrij. In die vrije tijd gingen we voetballen tegen elkaar of tegen een ander onderdeel. Moet je weten, ik was met mijn 17e jaar keeper bij Ysselsteyn in het 1e elftal.
We moesten een station, wat voor de helft van TNI was en waar wij aan de andere kant zaten, op een morgen daar dat zaakie innemen. De wapens innemen en hun naar huis sturen. Daar kregen wij toen achttien kogeltjes voor de stengun voor! Daar moest je nog voor tekenen ook! En de lege hulzen inleveren. Dat was het leger van Nederland. Ik wil maar zeggen, dat is een lachertje.
 
Ton van Duivenvoorde, Jan Asselman, Henk van Zijns, Kas Zegers, Wim Jansen, Joep v.d. Haken en Wim Vullings dat waren zo een beetje mijn maatjes. Wim Vullings is daar overleden. Hij kreeg Malaria Tropicana en buikvliesontsteking. Ik was slippendrager op zijn begrafenis. Ik heb ook Malaria Tropicana gekregen. In het Julianaziekenhuis heb ik moeten vechten voor mijn leven. Een halfbloed verpleegstertje heeft mij erdoor gesleept. Vechten, vechten, je moet vechten. Als je de eerste vijf dagen doorkomt, dan red je het. Ze mochten me niet verschonen en ik kreeg van die ijsdekens vanwege de hoge koorts.
 
Mevrouw Arts, die heel stilletjes heeft mee zitten luisteren zegt ineens:“Hij praat heel veel de laatste tijd over Indië en hoe dat ging allemaal. Het is net of die het nou allemaal wil vertellen.” “Wat ik meegemaakt heb, is eigenlijk niets,”vervolgt sobat Arts. “Niet zo gevaarlijk als de jongens die op patrouille moesten. Maar het is mijn ervaring van 3 jaar en 3 maanden in Indië. Wij waren in Djokja, zaten bij het voorterrein van het sultanaat. Daar mochten wij niet komen, ze hadden daar zelf een wacht. Wij moesten het een beetje ‘mee bewaken’. Plotseling kwam er een hard dat  sultanaat uitlopen. Er kwam een luitenant achteraan die tegen ons zei: Je moet ze doodschieten! Het was zo’n pemuda of pelopper. Ja, wij deden dat niet. Toen pakte hij het geweer van zijn wacht en schoot die pelopper zo neer. Een jonge knul nog. Dat vonden wij wel een rotgezicht. In 1990 zijn wij teruggeweest naar Indonesië. In Djokja. Ik vertelde daar over het voorval. Een van de omstanders beaamde het voorval. Het klopt! Die luitenant was ik! Ik ben nog met hem op de foto geweest.” 
Hoe vond u het mevrouw, toen u met uw man naar Indonesië ging?” vraagt Joop. “Nou, een prachtig land. Drie weken zijn we daar geweest en het was werkelijk prachtig. We zijn op alle plaatsen geweest waar Wim ook gelegen heeft toen hij daar in dienst was. We zijn op de ere begraafplaatsen geweest. Als je daar voor een graf staat met een bekende naam, dan doet je dat toch wel wat,” vertelt mevrouw Arts. “Via de oorlogsgravenstichting zijn we bij thuiskomst er achter gekomen waar Wim Vullings was begraven. Wij konden zijn graf niet vinden. Bleek dat hij op Mentung Pulou was herbegraven.   Zij hebben alsnog een bos bloemen uit mijn naam bij het graf gelegd. Ik kreeg er nog foto’s van opgestuurd. Ik heb toen meer gezien van Java als toen,” vult sobat Wim Arts aan.
 
“We waren vorige week 56 jaar getrouwd. Twee dagen voor Pasen. Wim woonde aan het begin van de straat en wij helemaal aan het einde,” vertelt mevrouw Arts wanneer we vragen hoe ze haar man heeft leren kennen, mijn vader was medeoprichter van Ysselsteyn. Hij was kleermaker en had een winkel met manufacturen. We kenden elkaar dus al langer, maar ik was nog een schoolkind. 
Toen Wim terugkwam uit Indië was ik ook een volwassen vrouw. Ik was kleuterleidster. We hebben vijf jaar verkering gehad. Het huis waar we nu in wonen heb ik 1990 gebouwd en het staat in de groentetuin van mijn ouderlijk huis. Dat witte huis daar.”“Ah, we zitten dus nu in de knollentuin,” merkt Marianne op.
“Toen ik trouwde kwam de pastoor van de parochie waar ik werkte op de receptie en gaf mij ene brief met een geldcadeau en in de andere hand zat mijn ontslagbewijs. Als je getrouwd was, mocht je niet meer werken. Je moest voor de kinderen zorgen.”“En is dat gelukt?”vraagt Joop. “Jajaja, vijf kinderen hebben we. Eentje is er gestorven. Zeven kleinkinderen hebben we nu.” Trots vertelt mevr. Arts alle namen van de kleinkinderen en welke schoolopleiding ze volgen. Knappe bollen allemaal.
“Waarom bent u zo laat getrouwd,” vraagt Joop. Sobat Wim vertelt:“Ik ben altijd een natuurmens geweest. Ik was altijd met mijn verrekijker te vinden in de Peel. Later in het weekend altijd met de kinderen. Er was en is zoveel te zien. Ik was jeugdleider bij de voetbalclub en bestuurslid, ik zat in de gemeentelijke jeugdraad. De loslopende jeugd wat bij elkaar gehaald, een jeugdhonk opgezet. Ik was te druk bezig om te trouwen!"

fotoJoopPragt

In die tijd was ik burgerchauffeur bij het ministerie van defensie bij de gravendienst. Omdat ik een militair rijbewijs had mocht ik op een militaire wagen rijden. Ik werkte hier op het Duitse Friethof (kerkhof, red). Gesneuvelde Duitsers werden in het hele land opgegraven en hier op het Duitse herbegraven. Er liggen hier zo’n 32.000 Duitsers. Daar heb ik 18 jaar gewerkt en daarna ben ik bij het mobilisatiecomplex gaan werken. Een stukje verderop. Alles bij elkaar heb ik daar zo’n 29 jaar gewerkt.
Nadat ik toen een hartinfarct heb gehad met hartstilstand, werd ik voor 50% afgekeurd. Ik heb toen nog 2 jaar gewerkt. Daarna ben ik in  de WAO terecht gekomen en  werd helemaal afgekeurd. Maar Marianne, ik ben op zoek naar een 5-6RIer, een Zwarte Panter,en ik denk dat die Hendrix van 2-6RI mij meer kan vertellen daarover.” “Ja, dat zou kunnen,”zegt Marianne,“maar die zijn we kwijtgeraakt. Hij is verhuisd of zit ergens in de verzorging en ik kan hem nergens meer traceren. Ik heb vele tehuizen in Venraij en omgeving gebeld om hem te vinden. Maar op een gegeven moment houdt het voor mij ook op.  Zonde, want ik zou ook graag contact met hem willen hebben. Jammer dat de familie geen adreswijziging meer heeft doorgegeven.”  “Het gaat om een fotoalbum wat bij de winkel van Sinkel binnenkwam,”zegt Wim Arts. “Ik heb dat ingekeken en zou graag willen weten van wie dat album nou is. De heemkundegroep is er ook mee bezig. Die heeft nu het album om te digitaliseren, maar ik wil het wel terug!” En alsof hij om het hoekje van het huis heeft staan luisteren gaat de bel en daar staat de man met het fotoalbum! Algehele verbazing bij ons allemaal. Daar komt ook onze placemat met het tijgerlied! “Die heb ik laten maken!” zegt Marianne. Zij geeft haar visitekaartje aan de man van de heemkundegroep. Je weet maar nooit waar het goed voor kan zijn. Hij gaat er weer snel vandoor. Wij maken ook aanstalten om weg te gaan. Het bezoek is best vermoeiend geweest voor sobat Wim Arts. Hij moet rusten en wij willen nog langs het Friethof. De voormalige werkplek van sobat Wim Arts.
Op 11 april overleed Wim Arts op 89jarige leeftijd.  

 

 

Vier generaties v.d. Broek aan de muur in ‘s Hertogenbosch

 
“Fijn dat het nu wel is gelukt,” zegt Marianne als we op 23 maart bij Harry v.d. Broek 1RS in de kamer zitten. Eerder was door een verkeerd begrepen afspraak een bezoek spaak gelopen.
“Ja, dat had ik toen verkeerd begrepen. Ik was gaan wandelen en jullie stonden voor de deur,” zegt de ruim 94jarige. “Het komt nu wel goed uit,” zegt Marianne, “want straks gaan we naar nog een veteraan hier in ’s Hertogenbosch.” 

 

foto's JoopPragt

Harry valt meteen met de deur in huis en laat een foto zien waarop hij op de motor zit. Dat was in 1939, hij was toen dienstplichtig. Mobilisatie! “Ik ben geboren in Den Dungen, die boerderij,”vertelt Sobat Harry en wijst op een groot schilderij met daarop …een boerderij! “In het kleine hokje aan de linkerkant. In de bedstee! Ik was de oudste. Er kwamen later 2 broers en 1 zus bij.  Die zijn al overleden, Ik was, ben en blijf de oudste en de boerderij staat er nog steeds. Op het moment zit het museum erin.” (www.brabantsleven.nl)
                                          
“Waar ik naar school ging? Ook in Den Dungen. We schreven nog met griffel en lei.  Na de 7klassen lagere school moest ik meehelpen op de boerderij. Ik heb verder niks kunnen leren. Er was geen geld. Het kon toen niet. Maar ik kon heel makkelijk leren.
Het was een grote boerderij, gemengd bedrijf. Een paar honderd kippen, we hadden varkens, koeien en ook paarden voor het land te bewerken. Alles was toen nog handwerk. Maaien met de zeis, weet je wel. Achter de ploeg lopen. Ik heb het allemaal gedaan. Ik heb ook veel gelopen, vroeger samen met mijn opa naar een stuk moerasland waar we gras gingen maaien met de zeis.”
“Moest u dan niet op zondag naar de kerk?” “Jazeker, dat was ook nog. Ik had wel boer willen worden, maar dan had ik niet hier gebleven. Dan had ik naar Canada toegegaan. In Nederland was er toen al geen werk voor een boer.
Ik werd dus opgeroepen voor militaire dienst, de keuring, toen was ik net iets te licht, want je moest 50 kilo wegen. Ik moest hard werken en ben altijd maar een spilleke geweest,”vertelt Harry lachend. “Later kreeg ik een herkeuring en had ik net genoeg en werd ik opgeroepen in 1939 bij de mobilisatie.
De Isabellakazerne in Den Bosch was de wielrijderskazerne. Toen moesten we naar Gouda, daar hebben we een opleiding gehad. Daar leerde ik motorrijden. Er was een plein daar kregen we rijles.  Daar stonden die motoren en moest je erop gaan zitten. De instructeur: “dat is de rem dat is het gas en dat moet je doen. Rijden maar!”Dan moest je rustig rondjes en achies rijden. Een hele week lang. Van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat alleen maar rijden. En moest je met je motor zo zien te laveren dat je niet omviel. Het was een strenge winter toen. Alles lag onder de sneeuw, allemaal bevroren greppeltjes. Aan het einde van week hadden we allemaal ons rijbewijs. Toen dat klaar was gingen we met het veldleger, ik had een zware motor, een BSA, met een zijspan eraan met zware mitrailleur erop. De anderen hadden de kistjes met munitie erop. Waarom ik werd uitgekozen voor de motor? Het was het regiment wielrijders.
 Ik ben officieel van het regiment wielrijders. Kom maar eens mee naar de hal.. “Kijk, hier het bord: “Snel en vaardig, kalm en waardig.”Harry zegt het met trots.  

“Kijk, ik heb 41 keer de vierdaagse gelopen,” en v.d. Broek wijst naar de vitrine waar alle medailles in hangen. “Sinds mijn 82e, na een onverwachte hartoperatie, heb ik de vierdaagse niet meer gelopen. Ik heb als militair de vierdaagse gelopen. De eerste paar keer in groepsverband en later individueel. Dat was dus 40 kilometer. Met bepakking hè!  Toen ik 55 was ben ik als burger mee gaan lopen. Toen ik 65 werd ging ik de 30 kilometer lopen. En hier in deze zelfgemaakte letterbak heb ik van alles verzameld. Kijk hier is de echte Tijgerbadge, het OVW-teken, flesjes met pilletjes om het water te zuiveren, een afgesabbeld fluitje, scherpschutterembleem, kogelhulzen, patronen, losse flodders en   veel meer.” Het is een indrukwekkende verzameling.
“U schildert ook nog,”zegt Marianne. Harry v.d. Broek laat zijn schilderwerkjes zien. We bekijken ook nog wat kunstwerkjes van de kleinkinderen. Want die zijn net zo kunstzinnig als opa. Harry schildert tijgerwelpen, poezen, Kerstmannen en kerstbomen. Marianne krijgt meteen een aantal mee! “Ik maak er nog meer voor de reünie. Leuk als prijsjes,”zegt Harry v.d. Broek.
Er hangt een grote foto met vier generaties v.d. Broek aan de muur. “Hé, dat is uw zoon die afgelopen keer met u op de reünie was.”“Ja en mijn kleinzoon gaat trouwen met Linda! Mijn achterkleinzoon is nu drie maanden. Mijn zoon is ook in dienst geweest. Twee sterren generaal,”zegt Harry trots.
“U was soldaat toen de oorlog uitbrak,”vervolgt Marianne. “Ja, we zijn krijgsgevangen gemaakt en ik werd afgevoerd naar de Harskamp. Na een week moesten we aantreden. Degene die iets te maken hadden met land en tuinbouw mochten naar huis. Ik heb daarom altijd vrij rond kunnen lopen, doen en laten wat ik wou. Tot die gliders naar beneden zijn gekomen.  Vijf  Canadezen en vijf Amerikanen. Vlak in de buurt bij ons. We hadden toen al twee onderduikers uit Amsterdam in huis, die tien hebben we ook onderhouden. Zodoende ben ik toen in het verzet terecht geraakt. Dit jaar was van die groep de laatste Amerikaan, 87 jaar, nog op de bijeenkomst hier.
Op een gegeven moment hoorden we dat de Duitsers wegwaren uit Berlicum. Zijn we gaan kijken met ons drieën. Bij een kapotgeschoten brug werden we aangehouden door de Canadezen. Die zaten daar op post. We konden niet meer terug, te gevaarlijk. Werden we in een klooster ondergebracht. Daar zijn we nog weggelopen en terug gegaan naar Den Dungen, daar waren de Amerikanen. Intussen was alles in de omtrek bevrijd. De Amerikanen heb ik zelf niet meer gezien. Die waren verder getrokken.
Toen waren we dus bevrijd en ben ik naar Den Bosch gegaan. Daar werden we opgevangen. Ik heb mij gemeld bij commando Brabant. Beneden Leeuwen. Vervolgens hebben we tegen de Duitsers gevochten aan de overkant.  De Duitsers zaten toen nog bij Tiel. Wij moesten patrouilles lopen. Stak je hoofd niet boven de dijk want anders……!”
“Het  gekke was, er stonden in dat grasland een hoop van die wilgen en als je daar ’s nachts naar keek was het net of ze begonnen te lopen en naar je toe kwamen. Tot de overgave hebben we die Duitsers met de compagnie nog achtervolgt later naar dat kamp, Westerbork, dat was net bevrijd door de Engelsen. Ik heb gezien wat daar lag. Verschrikkelijk jongens als je dat dan zag. De mensen die nog leefden, dat waren gewoon bonenstaken. We hebben de Duitsers achterna gezeten tot het Zwarte Woud in. Toen hebben ze gecapituleerd en zijn wij weer naar huis gegaan.
In Beneden Leeuwen zijn ze begonnen met het oproepen van militairen. Ik kon dus twee dingen doen, in dienst gaan of naar huis gaan. Nou,ik ben dus in dienst gegaan en werd opgeleid voor Indië. Ik was toen oorlogsvrijwilliger. Omdat ik al in dienst geweest was, kreeg ik de rang korporaal, later korporaal 1e klas. We zijn als 1RS afgereisd naar Engeland, Wockingham. Daar werden we nog verder opgeleid. Na een opleiding van enkele maanden zijn we met 1000 man en vrouw met de Alcantara naar Indië toegegaan. De Tijgerbrigade is later pas in Indië ontstaan. We mochten niet aan land bij Semarang, daardoor hebben we nog een half jaar op Port Dickson, Charley Beach op Malakka gezeten. We hadden daar een verdere tropenopleiding voor Indië. Uiteindelijk zijn we in maart 1946 met de Sommelsdijk naar Semarang gebracht. Daar zijn we dus gebleven, van daaruit hebben we steeds patrouille gelopen overal naar toe. Links en rechts. Dan kwam later 6 RI er bij, die hebben de hele zaak van ons overgenomen en zijn wij in 1948 met de Zuiderkruis naar huis gegaan. Ik heb de tweede politionele actie niet meegemaakt, want toen was ik al weg. Omdat wij er al drie jaar zaten en werden afgelost.  

Indië was een mooi land. Later ben ik nog teruggegaan. Ik heb toen in Nijmegen een KNIL opleiding gehad. Daarom ben ik ook nog een paar maanden KNIL geweest en ben ik in 1949 op Sumatra geplaatst. Palem Pandjang. Toen ik daar eenmaal gehuisvest was, kon mijn vrouw ook overkomen.  Er waren huizen genoeg, er stonden er genoeg leeg. Later zaten we in de bergen. Daar hadden we een mooi huis. Alleen mijn vrouw die vond het een beetje angstig. Ik was in 1948 getrouwd toen ik terug kwam uit Indië. Ik kende haar al in Semarang, toen kreeg ze altijd brieven van me. Eenmaal weer terug in Nederland kwam ik haar hier Den Bosch weer tegen. Ze was al vroeg wees en wilde best wel mee naar Indië.  Zodoende is ze een jaar in Indië geweest. We zijn in Indië gebleven tot we eruit moesten. Wat mijn bedoeling was? Ik had alles bij me. De bedoeling was om niet meer terug te komen. Ik wilde daar een plantage beginnen. We konden wel blijven maar dan moest je Indonesiër en militair worden. Dat deed ik niet. In 1950 kwamen we terug in Nederland. Ik ben gewoon in het leger gebleven. Ik was beroeps maar ook nog steeds oorlogsvrijwilliger. Ik ben in Indië bevorderd.” 

“Tijdens een actie daar zijn we in een hinderlaag gelopen. De verkenningspatrouille die er eerst op uit was gestuurd heeft die patrouille helemaal niet gelopen. Bartje Koster, de groepscommandant, en van der Roeffen, die was hospik, zijn daar gesneuveld. Ik heb dat peloton daar weggehaald en veilig teruggebracht. Ik werd toen bevorderd tot korporaal 1e klas en tijdelijk sergeant. Later in Nederland moest ik daar toch weer een opleiding voor volgen. Ik heb al die cursussen gevolgd van sergeant, sergeant 1e klas, sergeant-majoor. Tijdens een van die cursussen heb ik nog een pluim gekregen. Ik ben tot aan mijn middel door een sloot gelopen tot aan de groep die de ‘vijand’ was en daar heb ik hun jeep meegenomen! 
Ik ben dus beroepsmilitair gebleven en met mijn 55e als adjudant de dienst uitgegaan.  Nee, ik heb daarna verder niets meer gedaan. Iedereen die dat wilde heb ik geholpen als ik tijd had en kon. 
 
We hadden 1 kind, de eerste is doodgeboren in Dungen. Daarom doe ik ook niks meer aan het geloof, allang niet meer en om alles wat er afgespeeld heeft. Ik heb het kindje zelf moeten begraven achter de kerk.(Vroeger werden doodgeboren kinderen niet op het kerkhof begraven, in gewijde grond, maar weggestopt 'achter de heg'. Zonder naam, want ze waren nog niet gedoopt. De vader moest zelf de kuil delven om zijn kindje te begravenRed.) “Ik moest het zelf begraven, Het was een heiden! Dat kind heeft toch nog niets gedaan?! Ja,zo was het vroeger. Tegenwoordig hebben ze wel een kerkhof voor die kinderen. Later kregen we nog een dochter, Margo, en een zoon, Ron dat was een nakommertje. 
 
Ik heb dus na mijn dienst niet meer gewerkt. Ja vrijwilligerswerk. En dat doe ik hier nu ook nog. Als er een lamp ingedraaid moet worden of zo, maar ik ga niet meer op de trap, dat is te gevaarlijk. Ik help waar ik kan. Ik verveel me niet hoor. Ik heb zoveel hobby’s. Ik ga hier nog wel naar de bijeenkomsten voor de Stoottroepen. Ik zit dan helemaal alleen te koekeloeren. Bij de Tijgerbrigade-reünie vond ik het wel hartstikke leuk. De saamhorigheid sprak mij erg aan. In september hoop ik er weer bij te zijn hoor!” “En wij gaan naar nummer 10 van dit Tijgerrondje,” zegt Marianne gedecideerd terwijl ze naar de klok kijkt. “U kunt nog wel uren praten, maar er wachten nog anderen.” We nemen hartelijk afscheid en beloven met de tijd de tijgerschilderijtjes die sobat van de Broek gaat maken op te komen halen nog voor de reünie!
Op 18 augustus zijn wij de door sobat Harry geschilderde  Tijgersschilderijtjes  wezen ophalen. We spraken ook over de presentatie van het boek ‘Militaire ooggetuigen’. De strijd in mei 1940. Op het veteraneninstituut werd dat gepresenteerd. Sobat Harry heeft hiervoor ook zijn verhaal verteld. Bij deze presentatie was naast sobat Harry o.a. ook luitenant generaal b.d. Ted Meines aanwezig. Het boek met isbn 978-90-820800-5-6 is voor veteranen tegen gereduceerd tarief aan te schaffen. We zijn maar wat trots op onze sobat Harry.
 
 

 

Een Stotersbezoek met nog een aangenaam staartje

 
We rijden van sobat Harry v.d. Broek in Den Bosch naar het laatste adres op ons Tijgerlijstje.  Ook in Den Bosch. Naar sobat Fons van Bergen. Het is een kort  stukje rijden.“Tegenover het pompstation van Shell, dan kan je het makkelijk vinden,”was de laatste instructie van hem. En ja hoor, helemaal gelijk. We gaan snel naar boven in het grote appartementencomplex.“Zo sobat Fons van Bergen, daar zijn we dan! Wat een prachtig appartement en wat een uitzicht!” “Maar kom, gaat u toch zitten,” zegt sobat van Bergen,“oh nee, eerst koffie.” Marianne helpt even in de keuken en dan zitten we genoeglijk aan de koffie. En nu het bijbehorende praatje!
 
“We komen net van meneer v.d. Broek vandaan. Hij is ook van 1 RS. Meneer van de Broek wordt dit jaar 95!”“Oh, dan is die ouder dan ik,”merkt sobat van Bergen op. Ik ga die man dan eens opzoeken. Hij woont ook hier in Den Bosch zeg je?” “Bel elkaar eens op! Hier is zijn telefoonnummer en adres!” “Ik ga hem beslist opzoeken!”zegt van Bergen. “Maar nu uw verhaal,”zegt Joop gedecideerd.
 
“Ik ben geboren in Meerssen, Limburg, 4 kinderen. Mijn vader werkte voor van Nelle in Rotterdam. Hij was een soort van vertegenwoordiger. Hij moest de klanten opzoeken. Toen de bevrijding kwam, waren wij eerder bevrijd dan hij. Waarschijnlijk heeft die toen geen salaris gehad tot na de oorlog. Het was dus geen vetpot. Ik weet het laatste jaar voor ons was heel moeilijk. Toch kon ik studeren. Ik zat op 5HBS. 10 mei 1940 brak de oorlog uit. Dat jaar kon ik geen examen doen met al die ellende. Ik ging wel een keer naar school en daar stonden een paar overvalwagens, een hele drukte. Ik dacht ik had er niks mee te maken, maar toen ik langs zo’n overvalwagen moest, STOPPEN! Fiets afgenomen en ik moest de overvalwagen in. En ik had helemaal niks gedaan, het was in die tijd dat Beatrix geboren is en er iets op school gebeurd was.  Ik wist van niets, ik werd meegenomen. Toen hebben ze me naar de mijn Maurits meegenomen en daar moest ik voorlopig blijven zei die Duitse officier. Ik kreeg wel een vrij mooie baan, wel een gevaarlijke baan. Treinmachinist. Maar ik moest onder het rijden van de wagentjes ze loskoppelen en de wissel omdraaien. Er moesten twee karretjes die kant op en dan weer twee karretjes de andere kant op. En dan moest ik iedere keer met mijn hoofd tussen die  karretjes. Daar heb ik al die tijd gewerkt tot ze mij uit de mijn hebben gezet en ik mocht weer naar school als ik een brief tekende dat je na je eindexamen je meteen weer bij de Duitsers zou melden. Ik heb getekend. Toen ik thuis kwam zei ik tegen vader  wat er gebeurt was en dat ik had getekend. ‘Stommerik, dan zit je straks in Duitsland!’Nee, want we moeten de dag van het examen naar school komen en dan ga ik gewoon niet! Toen heb ik ondergedoken gezeten .  
 
De dag na het eindexamen in 1941 ben ik wel weggegaan en heb ik  een jaar in België ondergedoken gezeten. Dat was wel de zwaarste tijd van mijn leven. Ik ben begonnen in Januari, toen was het echt koud natuurlijk, toen kon je eigenlijk niet  buiten slapen, maar wel vaak gedaan, zomaar in het veld geslapen. Je moest elke avond zorgen dat je ergens onderdak kwam en wat te eten kreeg. Maar heb ik heel veel geluk gehad met de priesters en pastoors van daar. Van mijn priester had ik een rijtje namen opgekregen bij wie ik kon aankloppen. Meestal kon ik dan maar een weekje blijven. Zij liepen ook gevaar om mij te verbergen.

 

foto'sJoopPragt

 

Op 6 juli was ik vrij diep in België afgezakt. Ik kreeg toen het idee: ik ga de Amerikanen tegemoet. Af en toe liep ik ook met Duitsers mee, ik kletste dan maar wat in het Duits en dachten ze dat ik ook bij hen hoorde. Soms liftte ik weer stuk mee, ik wilde naar het water, de rivier om over te steken. Maar dan kreeg ik weer een lift net de andere kant op. Toen heb ik maar besloten, want Bergen vond ik zo’n mooie naam, om daar te blijven. Ik ben op 3 september bevrijd geworden in Bergen(B), dat heette toen Mons. Het hele zware  bombardement meegemaakt van 2 september.
De Amerikanen hadden er ’s avonds een soort bijeenkomst en ik zat er ook bij. Die kapitein zei tegen mij: jij spreekt aardig Engels. Spreek je ook goed Duits? Daardoor kon ik met de Amerikanen mee naar Nederland. Ik heb maar een paar keer iemand van die Duitsers moeten ondervragen. Alles boven sergeant werd door anderen ondervraagd. Die Duitsers waren erg makkelijk. Ze waren blij dat de oorlog afgelopen was. Je merkte snel genoeg of ze iets wilden vertellen of niets.
Op 13 september hebben wij Maastricht veroverd. Op 17 september kwam ik mijn eigen dorp binnen! Ik heb toch twee dagen moeten zoeken waar mijn ouders zaten, Die zaten ergens in een kelder en de Duitsers zaten in ons huis. Ze hebben onze vijf kippen ook nog gestolen.“Potverdorie,” zegt Marianne, “we gaan ze terughalen.” Joop roept: “Ik ga ze bellen. Gelijk!” Even een grapje tussendoor moet ook kunnen.
“Ik ben tot Sittard meegegaan met Amerikanen en toen stopte het allemaal,” gaat sobat Fons verder.“Toen ben ik vanuit Broek Sittard met de Amerikanen meegegaan Duitsland in. Op 4 oktober 1944 ben ik voor de eerste keer gewond geweest. Er viel een granaat vlak bij ons en we stonden appel, bij een grote vrachtwagen, en die sloeg om. We konden gelukkig allemaal goed wegkomen, maar ik had allebei mijn trommelvliezen gescheurd. Ik werd naar een Amerikaans Veldhospitaal gebracht. Maar ik hoor vrij slecht! Heel slecht.
“Maar toen u vanuit België en Duitsland met de Amerikanen terugkwam naar Nederland en in Sittard eindigde, wat deed u toen?”vraagt Joop.
“Ik werd OVW-er en ben bij de Stoottroepen gekomen.” “Waarom bent u oorlogsvrijwilliger geworden?” “Omdat we een aardrijkskundeleraar hadden die was helemaal weg van Indonesië. Die had daar gewerkt. Op 55jarige leeftijd werd je al afgevoerd in Indonesië. Je was dan al te oud. Die leraar zei: ‘Als je ooit de kans krijgt om naar Indonesië te gaan dan moet je die pakken!’ En dit was mijn kans! Ik ging met 1RS naar Indonesië Onze opleiding kregen we in de Harskamp!
Maar in Indonesië kreeg je pas je echte tropenopleiding. Met hele bepakking en dan moest je lopen. Meestal 25 kilometer. Dat heb ik heel braaf niet volgehouden. Ik woog zelf 45 kilo en dan met een bepakking van 25 kilo. Als wapen hadden we een Lee Enfield. Het is niet mijn rotste tijd. Mijn rotste tijd is als onderduiker in België geweest.
 
December 1944 waren wij bij prins Bernhard. Ik ben lijfwacht geworden bij prins Bernhard. Ja, met de Stoottroepen dan. Bij prins Bernhard dat ging heel goed met mij. Hij vond het heel interessant wat mijn vader gedaan had. Dat werd allemaal gecheckt of dat wel klopte. Omdat ik de enige was die goed Engels sprak trok hij naar mij want iemand moest aan de telefoon zitten en mensen ontmoeten als hij er niet was. We zijn bij elkaar weggaan in maart 1945. Dat was toen de koningin terugkwam. Toen moest ik ook mee. In Antwerpen hebben we ons vast gereden. Toen konden we niet meer verder. Ik moest de prins dus verdedigen. Er kwamen een hele hoop officieren aanlopen en daar ga je natuurlijk niet op schieten. Dat was het einde van prins Bernhard. Ik heb later nooit meer persoonlijk contact gehad. Wel was hij er toen we naar Indonesië gingen. Toen was hij op het schip en ook toen we terugkwamen. Beide keren herkende hij mij.
Ik heb nooit een militaire rang gehad. Gewoon soldaat en later soldaat 1e klas.  Ik zeg nu wel gewoon soldaat. De koningin die belde vaak en dan moest ik de telefoon opnemen. Ze noemde mij nooit bij naam, maar altijd kortaf: soldaat! De prins stond dan vaak te blazen en te zuchten als hij haar aan de telefoon had. Hij vertelde: ‘Ze is geen makkelijke.’Hij heeft mij liegen geleerd. Als hij ’s morgens vroeg tegen 2.00 uur 2.30uur thuis kwam was hij stomverwonderd dat iedereen van de officieren al op bed lag.” 
“Hij zei dan: “Als moeder belt, zeg dan maar dat ik heel vroeg vertrokken ben.” Zij belde altijd rond half 9 en dan lag hij nog te pitten. Als zij dan vroeg waar hij zo vroeg heen was, zei ik: Ja, dat kan ik niet zeggen als gewoon soldaat!
   
Mijn vrouw werkte op Ceylon. Ze heeft lang in Ceylon gewerkt en heeft daar al die mensen die uit de Jappenkampen kwamen geholpen met opknappen. Dat was klaar. In Batavia was voor haar niets te doen. Ze gingen met een groep van vijf officieren naar Semarang omdat ze daar wel hulp nodig hadden. Ze werden ondergebracht in de Deventer school. Ze heeft toen twee ziekenhuizen moeten inrichten. Het Julianaziekenhuis en het St.Elisabethziekenhuis. Daarna kreeg ze een ooglijdershospitaal. Daar was zij de aangewezen persoon voor. Daar heeft ze ook weer een hele tijd gewerkt. Mijn vrouw had in haar werk veel contact met de jongens van de RI- onderdelen. Als het goed klikte kwamen ze ook bij ons thuis.
Zij was de eerste vrouwelijke officier. 1e luitenant. Ze had 2 sterren. Hoewel ik in de Checkpoint las dat de eerste Nederlandse vrouwelijke officier er was in 1953 was zij al officier in Augustus 1946! Ik heb haar ‘soldiers paybook’ als bewijs. Zij was 8 jaar ouder dan ik en ze hapte eerst niet. Dat wordt niets, zei ze. We zijn vriendelijk met elkaar omgegaan, samen uit en zo. Tot zij weer terug naar Nederland ging en ik nog moest blijven.Toen haar moeder overleed vroeg ze mij of ik met haar naar de begrafenis wilde. Dat heb ik gedaan en is het toch wat geworden. Ik ben op 21 december 1949 getrouwd en alle drie de kinderen zijn in Indonesië geboren. Wij zijn vertrokken met de Zuiderkruis toen de jongste prinses (Marijke, later  Christina. red) geboren is. (18-02-1947 red.) 

Wij stonden klaar om op de boot te gaan. Die boten die wij gehad hebben dat is iets vreselijks geweest. Ik heb in Nederland twee maanden bij Hagemeijer gewerkt.  Ik verdiende daar 90 gulden per maand. Omdat een overname niet lukte, kreeg ik later maar 70 gulden.                                          fotoAlphons van Bergen

Die kapitein die mij meegenomen heeft naar Nederland, dat is mijn beste vriend geworden. Hij heeft mij aan mijn eerste baan geholpen. Na een lange tijd kreeg ik ineens een brief dat hij een heel goede baan voor mij had bij CALTEX. Door hem kwam ik weer in Indonesië. Ik heb op Pakan Baroe gezeten op Sumatra. Daar was de oorlog ondertussen wel een beetje voorbij, maar toch werd er nog steeds geschoten op Nederlanders. Ik rookte niet, maar we kregen van Caltex altijd wel veel sigaretten. 
De werkster in ons huis liet ik naar die Indonesiërs gaan en zij vertelde hen als ze niet meer zouden schieten, dat ze dan sigaretten zouden krijgen. De eerste twee maanden dat we er zaten zijn vijf van onze jongens weggegaan omdat ze het te gevaarlijk vonden.
Ik verdiende bij Caltex erg goed. Maar ook niet zo geweldig hoor. Het pensioen moest in Indonesisch geld. We moesten een briefje van honderd doormidden scheuren, de ene helft ervan was voor je pensioen en de ander voor jezelf. Maar toen ik mijn pensioen kwam ophalen, hadden ze daar nog nooit van gehoord.  Ik heb  dus geen pensioen en ook geen AOW. Ik heb tot 1998 altijd in het buitenland gezeten. Uiteindelijk kreeg ik wel de jaren die ik nu in Nederland zat tot mijn 65e. Ik heb het toch nog goed hoor!
Mijn tweede zoon heeft altijd in Jemen gewerkt tot voor kort toen het zo onrustig daar werd. De ambassadeur vond het beter dat hij wegging.
Ik ben bij Caltex begonnen in 1956 en in 1963 weggegaan.
Toen ben ik voor m’n eigen gaan werken. Ik had veel ervaring met Caterpillar (hele grote tractoren,machines. Red.) toen ik nog in Singapore had gewerkt voor Caterpillar. En toen dacht ik, dat kan ik ook zelf gaan doen.  Het geld dat ik leende van een heel goede vriend, had ik al heel snel terugbetaald. Dat liep heel goed. Ik deed hoofdzakelijk de onderdelen. Het bedrijf heette MIHAMA. Mi van Michiel, Ha van Hans, Ma van Maurice. De zonen. In Japans betekent dat dank je wel, Daar kwam ik pas later achter. Tot 1998 heb ik dat bedrijf gehad.
Wat ik zo de hele dag doe? Ik ben haast altijd met de computer bezig.
Als ik de krant lees en ik zie iets ga ik dat meteen opzoeken op de pc. Dan kan je tenminste ergens over praten. Hier zitten allemaal van de hoogopgeleide mensen en dan moet je toch een beetje proberen mee te komen.” Marianne vraag sobat Fons haar een mailtje te sturen dan heeft zij zijn e-mailadres ook in haar bestand.
 
“Op een eerdere reünie heb ik Pieter Paulusma ontmoet. Jan Jacobs ken ik ook. Ook een van 1RS. Verder zijn er niet veel meer van 1RS. De laatst Tijgerreünie was heel gezellig. Ik zat toen bij een meisje die er met haar grootvader was. Zij voetbalde bij een vrouwenelftal. De Graafschap! Ze was toen in verwachting van haar tweede kindje,”vertelt Fons. “Oh,” zegt Marianne, “dat is de kleindochter van sobat Bart Poorte (1-15RI)!” Marianne schrijft ondertussen de namen en adressen op van de 1RS-ers die zij in haar bestand heeft staan. Drie!
“Mijn beste vriend in dienst is doodgebleven. Puck Gemmikke. Die is niet meer teruggekomen. Die heeft een mortiergranaat op zijn hoofd gekregen. Gelukkig is die granaat niet ontploft, want ik lag naast hem.
Hier in huis ben ik de oudste. We hebben iedere dag hier iets. Sjoelen, borrelen, elke dag iets. Maandag doe ik de was. Bed opmaken. Ik heb wel 2 keer in de week een heel fijne hulp. Maar ik heb het prima naar mijn zin in dit ruime appartement. Mooi uitzicht. Gewoon geweldig.”
 
Dat is ook nog zoiets. Toen wij terugkwamen naar Nederland kreeg je een adres van iemand waarvan je naar de ouders moest gaan om precies te vertellen wat er gebeurt was. Ik moest naar de vader van Puck Gemmikken.  Dat was een heel lastige  vent. Die had al gehoord dat zijn zoon iets verkeerd had gedaan. Toen ik daar kwam kreeg ik een scheldkanonnade van hem. Jullie hebben hem vermoord! Toen hoorde hij ook nog dat hij naast mij gesneuveld was! Toen was het helemaal van waarom ben jij niet gesneuveld. Later heb ik hem een beetje tot de orde kunnen roepen. Met zijn vrouw was helemaal niet meer mee te praten. Hoewel, die is later ook bijgedraaid en kwam heel veel naar de reünies.
Het mooiste wat ik herinner van de diensttijd? Mijn vrienden. Zeer zeker ook dat ik mijn vrouw daar heb ontmoet! Dat had ik zeker het eerste moeten zeggen. We zijn altijd veel weg geweest Ook sinds we hier wonen zijn we veel weggeweest. Maar ja, nou is mijn vrouw er niet meer en dan wordt het heel anders hè.
Onze aalmoezenier was Konijn. Er kwam een keer een bericht dat alle militairen in Indonesië naar de hoeren gingen, geen enkele uitgezonderd. Toen ben ik naar Konijn gegaan en heb dat goed besproken met hem. Die wist heus wel wie er naar de meisjes gingen. Ik zei: Waarom ga je niet naar Nederland en praat eens met die man die al die praatjes de wereld in helpt. Dat heeft die toen gedaan en er zijn excuses voor aangeboden: ‘ik had er niet bij moeten zeggen niemand uitgezonderd.’
Maar dit soort berichten lazen ook onze ouders thuis natuurlijk.  Natuurlijk gingen er mannen naar de meisjes. Konijn wist dat. Als ze wat van plan waren moesten ze naar Konijn,dan kregen ze condooms. Hij had pakken van die dingen. Die hij nooit gebruikte.” “Aalmoezenier Konijn,die schreef ook in het tijgerkrantje,” merkt Marianne op. “Inderdaad! Hij is in Floris overleden. Een heel heel fijne vent overigens.”zegt sobat Fons.
“U hebt tientallen jaren in het buitenland gewerkt,” zegt Joop.“Je kan zeggen dat ik in het buitenland heb gezeten vanaf dat ik met de Stoottroepen naar Indonesië ging, maar daarvoor ook al. Als je België en Duitsland mee zou rekenen en ik ben in 1998 teruggekomen.”
We praten nog wat en sobat Fons pakt nog even zijn onderscheidingen erbij. Prachtig. “Ja, en met certificaten hoor! Zo hoort dat. Kijk hier heb ik ook nog de brief aan mw. Marianne Pragt waar ik eindig met ik hoop van u te horen!” “Nou, dat hoort u nu zeker,” antwoordt Marianne adrem. “Ik had er  expres al lieve Marianne bovengezet in de hoop dat je snel langs zou komen!”verklapt sobat Fons guitig. “Maar nu ga ik u drie klapzoenen geven. We gaan naar huis en sluiten de Tijgertournee af! Tot straks in september hoor!”reageert Marianne.
Kort na dit bezoek belde zowel sobat Fons van Bergen als Harry v.d. Broek om te vertellen dat zij bij elkaar op bezoek zijn geweest en samen naar een veteranenbijeenkomst in Den Bosch zijn geweest! Dat maakt mij zo blij!  
Op 18 augustus gaan we van sobat v.d.Broek1RS, nog even door naar sobat Fons van Bergen. We gaan  boven koffiedrinken heeft sobat Fons bedacht. In de ruime, gezellige eetzaal met prachtig uitzicht, vertelt hij dat hij een fijn contact heeft met sobat Harry v.d. Broek. Ze gaan samen naar bijeenkomsten van de wapenbroeders en bij elkaar op bezoek. Hoera, missie geslaagd.  

fotoJoopPragt

 

 

Keurig in het pak bij Piet van Schaijk ,GBI bat ./AAT. 

 
Nadat we op 25 maart snel bij Jo v.d. Heuvel waren vertrokken en onderweg nog wat tegenwerking van het verkeer kregen, belde Marianne AAT-er Piet van Schaijk op dat de geplande afspraak wel later zou worden en vroeg of er een andere afspraak gemaakt moest worden? “Nee, dat hoeft niet hoor. Kom maar door!” stelde sobat van Schaijk ons gerust. Met gierende banden, twee wielen door de bocht en piepende remmen wist Joop de wagen in recordtijd bij het appartementencomplex van familie van Schaijk te parkeren!”
“Hè, hè, daar zijn we dan. Het nichtje van de familie zorgt voor de inwendige mens. “Ze is als een dochter voor ons” Een schat van een meisje!Maar voor jullie nu gaan zitten moeten jullie eerst hier kijken. We worden naar de wand gedirigeerd waar een papier aan een schilderijlijst hangt. Een Koninklijke felicitatie voor ons 65jarig huwelijk! Oh, daar wisten wij niets van, maar alsnog van harte gefeliciteerd. Wat geweldig zo’n brief van het koninklijk huis hè. 

fotoJoopPragt

fotoP.van Schaijk

fotoJoopPragt

“Ik ben geboren in 1925 in Helmond. Een rasechte Helmonder dus. Mijn vrouw ook. Mijn vader was metselaar. Die had tegen mij gezegd: ‘Dat moet je nooit worden.’ In Helmond ben ik naar de lagere school gegaan. Omdat je voor je14e jaar nog niet mocht werken, maar pas op je 14e, ben ik na de lagere school naar de bedrijfsschool van Philips gegaan als bankwerker. Ik kon aardig goed leren. Dat heb ik anderhalf jaar gedaan. 
Maar ik kon niet aarden in Eindhoven en ging terug naar Helmond. Daar ging ik op de ambachtsschool, afd. bankwerker. Die opleiding heb ik bijna afgemaakt. Maar ik wilde graag bakker zijn. Ik ging op een bakkerij aan het werken. Toen kwam het gedonder met de Duitsers. Ik moest stoppen omdat ik bakkerseczeem kreeg. De Duitsers deden een toevoegsel van iets in het meel waar ik dus niet tegen kon. Ik ben bij mijn vader aan het werk gegaan. Die was ondertussen aannemer. Ik ben later vanwege het gevaar om opgepakt te worden bij een kennis van de familie in zijn garenfabriek aan het werk geweest. Uiteindelijk lagen alle bedrijven stil en heb ik in 1944 mezelf in Helmond gemeld als oorlogsvrijwilliger. Ik werd ingedeeld bij het GBI, de eerste groep.
In Tilburg werden wij tijdelijk bijeengebracht en uiteindelijk met auto’s naar Oostende, in België, gebracht waar we met de boot naar Engeland gingen. In Londen werden we per trein overgebracht naar een kamp waar de Australiërs hadden gezeten die met de Engelsen hadden meegevochten tijdens WO2. Hier kregen wij onze eerste uniformen. Ondertussen was de groep uitgegroeid tot ongeveer 1200 man voor het Gezagsbataljon Indië. Tijdens de opleiding in Engeland had ik een meisje. Door haar had ik een aardig woordje Engels geleerd. Daar kwamen ze achter en moest ik de jongens Engelse les geven. Dat was handig als ze gingen stappen.”
“Na een paar maanden zijn wij op 3 oktober 1945 ingescheept op de ‘Sterling Castle’, een troepentransportschip,voor de reis naar Australië. Aan boord hadden wij 1500 Australiërs die hadden meegevochten met de Engelsen. Zij gingen naar huis. Wij kwamen op 30 oktober 1945 aan in de haven van Sidney. Daar wilden ze ons niet meer hebben op Australisch grondgebied. Ze waren voorstanden voor een vrij Indonesië en wilden daarom geen Nederlandse troepen meer toelaten. We zijn toen uiteindelijk met heel veel moeite ’s nachts van het grote schip overgegaan naar een kleiner,de ‘Moreton Bay’ en gingen op 12 november 1945 op weg naar Nederlands Indië. Maar ook daar mochten we niet in. We moesten toen doorvaren totdat we na 54 dagen eindelijk op het eiland Penang van boord konden. Daar kregen we onze eerste opleiding in het Greenlane kamp. Op 30 januari werd van hogerhand besloten om  het GBI te ontbinden. We werden verdeeld over verschillende brigades. (T-.U-.V-.W-). Ik kwam terecht bij de T-Brigade die op Malakka was opgericht.”
 
“Ik heb in de haven van Semarang gewerkt. Bij de loodsen met het verdelen van de spullen. Legerspullen in kisten. We moesten goed opletten, want die inheemsen stalen als de raven. Ik heb daar ook auto leren rijden. Ik reed met de Jeep. Op een vrije zondagmiddag ging ik naar de bioscoop. Een klein Indisch ventje stond te kijken naar de affiches. Wil je mee naar de film? Ik mag er niet in, was het antwoord in het vloeiend Nederlands. Maar met mij wel.  Ik heb hem meegenomen, maar ik moest beloven dat ik hem later thuis zou opzoeken.

fotoP.vanSchaijk

Zijn ouders waren wat blij om over Nederland te horen, de oorlog en al het andere nieuws.Ik ben hen blijven bezoeken tot ik met Amoebe dysenterie naar het ziekenhuis werd gebracht.Twee dagen daarna kreeg ik ook malaria. Ik kreeg rijst en melk. Na een week in het ziekenhuis moest ik eruit. Omdat ik speciaal eten moest hebben en dat niet bij mijn onderdeel kon krijgen, ben ik naar die familie gegaan. Zij hebben mij met toestemming van mijn commandant verder verzorgd. Later vertrokken ze naar Nederland, Den Haag, Laan van Meerdervoort.
Ik ben ze toen ik weer terug was in Nederland nog eens wezen bedanken."
                                                     
“Ik kon aardig voelballen in het bondselftal GBI, later ook nog bij de
T-Brigade. Semarang was het enige stad met voetbalstadion en wielerbaan. Ik had bijna nog langer gebleven in Nederlands Indië. Het werk beviel me wel. Op een gegeven moment ben ik gepromoveerd (bevorderd,red.) tot sergeant. Wij konden 1948 terug naar Nederland.”
 
“In Semarang bij de T-Brigade, heb ik de broer van mijn vrouw  leren kennen. We zijn aan elkaar blijven plakken, ook in Nederland. Nou, logisch dat ik dus ook zo mijn vrouw leerde kennen.
Nee, we hebben geen kinderen. Maar we hebben wel kinderen financieel ondersteund in hun opleiding. Drie kinderen in Indonesië waren dat. De eerste werd bakker! De tweede, ook een jongen, werd een Indonesische militair. Die is bij de Marine gekomen. De derde was een meisje. Het waren kinderen uit verschillende gezinnen. Ze waren geen familie van elkaar. Het was niet onze bedoeling om in het leven van die kinderen te komen. We hebben alleen gefinancierd. Geen contact. We hebben ze anoniem gesteund tot ze zelfstandig in het leven konden staan. De contacten liepen via een meldpunt. We hebben dit gedaan uit ons hart.”
Hier gaat het gesprek helemaal door elkaar! We hebben het over trauma’s en de vrouw achter de veteraan. De vrouw achter de veteraan is zo belangrijk! “Ik heb geen trauma’s, geen dromen. Geen last van. Gelukkig niet!”zegt sobat Piet. “Nu uw verhaal, want daar komen we voor,”zegt Joop. “U kwam uit dienst, u heeft toen getwijfeld of u beroeps zou worden. U bent het niet geworden en toen bent u de textiel ingegaan.”“ “Ja, in de confectie,”beaamt sobat Piet. “Bij Ben Hazenberg. Hij zei tegen mij: Piet, ik ben er van overtuigd dat jij alles kan verkopen als jij in een winkel staat. Als je nou eens alleen maar kostuums gaat verkopen. We hangen er een stuk of vijftig bij jou thuis in een kamer. En van daaruit ga je mensen benaderen. De boer opgaan!” Mevrouw van Schaijk zegt er tussen door: “En ik was thuis, ik kon net zo goed verkopen als hij! Ik heb ook altijd in de confectie gezeten. We deden het dus samen. We waren zelfstandig!”
“Hebt u nog een maatje 52 hangen?”vraagt Joop bij de hand! Meneer van Schaijk gaat onverstoord verder:”Toen ik ongeveer zestig werd zijn we gestopt. Ik ging zoals dat heette ‘in de sanering’ tot mijn pensioen! Ja, dat klopt. En daarna hebben we allemaal leuke dingen gedaan. Heel veel.
Zelf ben ik teruggeweest naar Indonesië. Nee, mijn vrouw ging niet mee, die vond er niets aan.” “Nee, ik amuseerde mij hier wel hoor,” zegt mevrouw van Schaijk. “Ik deed veel aan tennissen en bridgen. Altijd leuke mensen om ons heen gehad. Fijne relaties.”
Sobat Piet vult aan: “Ik rij geen auto meer, mijn rijbewijs verliep en  besloten we het maar niet meer te verlengen. Ik heb heel veel gereden, maar ik vond het te gevaarlijk worden. Toch mist het autootje wel hoor!
We hebben veel gebridged. We waren goed.”
“Dat is altijd mijn euvel geweest: als ik iets deed, dan deed ik het ook goed, dan wilde ik de beste zijn. Ik heb heel veel prijzen gewonnen. De partner waar ik altijd mee hebt gespeeld komt nog wel eens hier. Ze vraagt steeds of ik toch nog eens kom bridgen. Ik doe het niet meer. Ik zat in stichtingen. Dat is mijn euvel, ik bemoeide mij te veel met alles en voor je het wist zat je in zo’n bestuur. Zo ook in de Stichting ‘geen woorden maar daden’! En dat heeft niets met Feyenoord te maken!”lacht van Schaijk!
We bekijken de prijzen die gewonnen zijn met bridgen, maar dan is het echt tijd om op te stappen. We hebben nog een afspraak staan. De avondmaaltijd wacht op ons. Ook dat moet op zo’n drukke dag gebeuren. We nemen vandaag voor de derde keer afscheid van een sobat. Een leuk gesprek met een hecht echtpaar! Tot ziens hoor. We zullen er een mooi verhaal van maken voor het boekje.
 

 

Een rasechte carnavalskraker in Eindhoven 

 
We  rijden op 25e maart van Mook naar Eindhoven. Daar wacht Jo van de Heuvel, 2-6RI op ons. Jo legt, sinds Guus Schouten is overleden, ieder jaar de krans in Roermond. Voorgaande jaren voor 2-6RI, nu ook voor de gehele T(ijger)brigade.
Jo heeft al jaren de verzorging voor zijn vrouw. “De verzorging voor haar is intensief maar ik ga toch er tussenuit hoor,”vertelt sobat Jo. “Ik kan niet de hele dag opgesloten zitten. Laatst hadden we de jaarlijkse Stotersborrel. Dit keer in Duitsland.  Het was dit keer 70 jaar geleden sinds dat het opgericht is. Ik ben ook een Stoter. Ik ben er dus iedere keer bij. Ze waren op oefening in Duitsland. Je hebt daar een heel oefendorp van de Engelsen en ik heb daar als partizaan ook mogen meedoen met de oefeningen en schieten met losse flodders.” Jo komt met foto terug de kamer en zegt:”En dit is de meest beruchte streek die wij uitgehaald hebben met carnaval. Hier heeft de regering voor op zijn kop gestaan. Alsjeblieft”. Op de foto staat een echte tank. “Gepikt,” vraagt Joop. “Ja,” zegt Jo breed lachend. 

foto's:Jo 

v.d.Heuvel

“Gepikt! Een heel orkest erop! Een sergeant die ervan wist moest voor het gerecht komen. Een heel gedoe man! We hebben met 4 man de boete betaald die hij kreeg opgelegd.” “Ik was destijds prins Carnaval. Als we het hadden gevraagd had het nooit gemogen. We hebben zoveel leuke herinneringen aan de carnaval.”
 
Joop komt ter zake: “Waar bent u geboren?” “In Helmond.”
 “Op 6jarige leeftijd naar Eindhoven gekomen. Mijn vader werkte bij Philips. Ik ben in Eindhoven naar school gegaan. We hebben daar een jaar of twee, drie gewoond  en toen naar Stratum toegegaan. Daar wilde mijn vader een winkel beginnen. In vogels, dieren noem het maar op dus. Een vent uit Helmond kwam op de fiets iedere keer de kanaries brengen.“  Marianne herinnert zich ineens het gesprek bij Pietje Renting  (2-6RI). Die had het ook over die winkel! “Dat kan.
Af en toe kwam hij wel eens in “Oud Eindhoven” met zes oude maten een kaartje leggen hè . In Indië zat hij in het zangduo “De Pisangs. Een emotioneel manneke. We haalden wel eens grapjes met hem uit.  Met ‘de taaie’, de Korte, die ken je wel hé, en van Schendel, Ko Nagtzaam, zijn maatje, Corputje, ook een heel aardige man. Nou ja dat waren allemaal west Brabanders, die zochten elkaar steeds op hé.
 
We hadden hier in Vught als I-6 RI een korte opleiding gehad en toen zijn we naar Limburg toegegaan, in Sittard daar in dat klooster, Leijenbroek. Toen werd het  II-6RI. Daar kwamen de Limburgers en Brabanders bij elkaar. De eerste Stoottroepers die zich in september 1944 hebben opgegeven die zijn naar Beneden Leeuwen gegaan. Dat is Stoottroepen gebleven. Ons kader, o.a. v.d.Broek, Chris Peeters, die kwamen allemaal van die kant uit en hadden voor de oorlog al bij de douane gezeten of al militair waren of zoiets. Alleen die van de Broek, het was een doodgoeie man, een goed militair, maar alleen niets waard in het veld.” Nu ‘kegelt’ Jo zijn vrouw eerst even naar bed. Ze krijgt last van haar rug. “Dank je wel voor het lenen van je mannetje hoor!” roept Marianne haar nog na. 

fotoJoopPragt

“Als kind mocht ik dus mijn vader dan helpen met die kooikes maken, zagen, boren en zo weet je wel. In 1938 of 1939 denk ik kon hij hier op de Leenderweg een herenhuis huren. Dat was van de apotheker geweest. Dat is toen verbouwd als winkel. En ik was nooit ene gemakkelijke geweest en ik was toen elf en naar het internaat in Reusel gestuurd.  Ik kreeg een fietske en ik kwam in het zaterdags naar huis of vader of moeder kwamen naar mij. Daar heb ik tot mijn veertiende gezeten. Toen brak de oorlog uit
De eerste anderhalf jaar ging het wel, toen werd het moeilijker, minder eten, alles werd strenger. Mijn vader werd teruggeroepen bij Philips, daar werken of naar Duitsland. Aan voer voor de vogels en duiven  kregen wij heel weinig. Ik ging iedere week met het fietske op houten banden naar België. Tabak smokkelen. Ik ben één keer gepakt.
Na tien uur mocht je niet meer buiten komen. Maar wij gingen wel. We gingen dan het land op, suikerbieten jatten, aardappelen rooien, we kwamen niks te kort.
Ik kwam veel in Limburg, in het Leudal. Daar had ik een tante Marie wonen. Daar kwam ik voor dat ik zes jaar was ook al. Als bij ik haar was dan ging ik met haar samen hout sprokkelen of hazelnoten plukken, altijd met een tas. Er was daar een boom over een beek en daar ging mijn tante over heen. Ik moest op haar wachten tot ze terug was of tante Marie roepen als er mensen kwamen. Tja, d’er zaten daar onderduikers! Maar ik mocht natuurlijk niet weten. Later wist ik dat wel, want ik had daar een tas gevonden met allemaal belangrijke papieren. Ze konden mij toen er niet meer buiten laten.
 
Toen ik achttien was, kreeg ik een oproep voor de Arbeidsdienst. Maar daar ging deze jongen niet naar toe! In Den Haag had ik een andere tante wonen en bracht ik altijd shag heen en zij zorgde dat ik uit Naaldwijk weer fruit meekreeg. Toen heb ik ook tot twee keer meegemaakt dat die locomotieven beschoten zijn in de buurt van Utrecht. De wagons waren niet zo belangrijk, de locomotieven die de treinen moesten trekken waren dat wel. Ik ben bij tante Marie ondergedoken. Half augustus 1944 hoorden we via een geheime radio dat de bevrijders bij Leopoldsburg en in de buurt van Mol waren. Ik ben toen teruggegaan naar Eindhoven, want zo lang zou het nu niet meer duren. In september landden de parachutisten daar. Ik trof de eersten in het park. Daar zat een hele sectie Amerikanen. Toen hoorden we dus dat de Engelsen in de buurt van Aalst - Waalre zaten. Nou dan gaan we ze tegemoet hè. Maar toen kwamen wij bij het Eindhoventerrein ‘verrek’ daar liepen de Duitsers. Die waren allemaal vlug aan het inpakken en gingen de hei in richting Leende. Kanonnen, alles stond er nog. Ze lieten alles achter. Ik leerde een paar Schotten kennen uit Edinburg. Die reden van Leopoldsburg naar Arnhem, Nijmegen om munitie en voedsel te brengen. Zij kwamen op een gegeven ogenblik ook bij ons thuis en dan kiepten ze zo een paar kisten der af. Met corned beef, de andere keer een kist met boter en zo. 
Eind oktober begin November heb ik me als OVW-er opgeven in Eindhoven. Hier hebben zo ongeveer 22.000 duizend man zich opgegeven.  We deden bewaking. In de buurt van Waalwijk. Met Poppeltje, maar dat bleek later Helmons te zijn. Die dat vliegtuig dus neerschoot (zie sepatoe roesak december 2012 red.). 
Brabant en Zeeland waren dus bevrijd hè, toen werden wij opgeroepen of je in dienst wou naar Indië.
We kwamen in Vught, de Frederik Hendrikkazerne, terecht. Daar kregen we onze eerste opleiding. Je moest exerceren en schieten, maar dat hadden we al gedaan. En met granaten hadden we ook al gegooid. Daarvandaan gingen we naar Sittard. Hebben we nog wat patrouilles gedaan daar aan de grens en zo. Alles was toen al vrij tot aan de Rijn. Wat viel er nog te controleren. Uiteindelijk zijn we met de trein naar Calais gegaan. Een trein, zonder ramen en met houten banken. Daarna overvaren naar Engeland. En alles op ene schoen.” “Een  schoen???” “Ja,ik had maar ene schoen aan, aan de andere voet had ik een ontsteking. Met de jeep ben ik naar Reading gebracht. Ik werd ondergebracht in zo’n nissenhut.Heb ik toch veertien dagen in het ziekenhuis gelegen! Nou, toen ze het open hadden gesneden kon ik weer alles, lopen, dansen, rolschaatsen. Ik kwam overal toen. Nederlandse jongens in uniform waren graag gezien! 
 
Eenmaal weer terug in het kamp werden we naar de boot gebracht en met de Nieuw Amsterdam met totaal 6200 man naar Indië. Daar waren ook MILVA’s bij. Op het bovenste dek! Nee, daar mochten wij niet komen. Nee! Niet dat ik niet wilde hoor! Oh oh!”
Sobat Jo gaat onverstoorbaar verder met het vertellen van zijn belevenissen. “Eerst een dag op Tricomalé gelegen, dan door richting Indië, maar dat werd dus Malakka. In Port Swettingham werden wij gedumpt, overgebracht naar zo’ n Jappenkamp op Morib beach. Toen leerden we kapitein v.d. Broek ook pas beter kennen. Dat kamp lag eigenlijk in een moeras. Daar waren wel wegen in gemaakt maar met boomstammen. Wij noemden het de “knuppeltjesweg”. Daar lagen wij in de Japanse barakken. We hadden geen stretchers, we sliepen op de houten vloer. We konden niets aan etenswaren bewaren, die grote klapperratten haalden alles weg. We kregen opleiding van Brits Indiërs of van Ghurka’s. De eerste nacht dat we op wacht stonden, moesten we rug aan rug staan. Je ziet en hoort dan van alles. Vuurvliegjes waarvan je denkt dat de vijand er aan komt, dan weer een schreeuw van een kip die door de apen gegrepen werd. Je denkt dan: ze zijn er een stel aan het vermorren hè.
 
We hebben daar een tijd gezeten eer we naar Semarang gingen. We hebben kapitein v/d Broek ook nog eens goed te pakken gehad. We hadden een slang, kapot geslagen en op zijn bed gelegd. Nou, we moesten allemaal op appel verschijnen en aanschouwen hoe gevaarlijk het hier wel was! Toen we op de Sommelsdijk stapten naar Semarang ben ik mijn plunjezak nog kwijtgeraakt. Al mijn spullen kwijt. Op een of ander manier is die eraf gevallen. Hij kwam tussen de wal en het schip terecht.  
Op Malakka had je niets en daar zijn we er ook een kwijt geraakt. Die is vermoord.  Later komen we in Semarang aan. We komen op de Bodjong, in het weeshuis. Dan moet je dus die Engelse posten gaan overnemen. Wij kwamen met ons peloton te zitten op de krachtcentrale. Die bewaking moesten we van die Engelsen overnemen.  We hebben heel wat meegemaakt hoor. Wij hebben contact gelegd met de V-brigade, daarmee hadden we een groter gebied te bewaken. Tijdens die opmars waren er jongens heel wat dikker geworden, Er was een kantoortje dat vol met roepia’s lag. Honderd roepia’s was al een heel pakket geld! Natuurlijk werd er weer gekletst en kwam de MP alles ophalen.”  

fotoJoopPragt

fotoJ.v.d.Heuvel

fotoJoopPragt

 
"Ik was 2e verkenner. Cor van Schendel was onze eerste. Ik had een Lee Enfield en een Schmeitzer.” “Dat was een goed wapen,” zegt Joop. “Nou, schieten op wilde zwijnen. Schijnwerpertje erop, 9mm, een kruisje onderop (dumdumkogels red.).Geheid raak hoor.” Sobat Jo is niet stil te krijgen. Hij gaat rustig door. “Januari 1947 Heb ik een ongeluk gehad. We moesten naar boven en dat weigerde ik. We waren dan altijd in het nadeel. Ze zagen je zo aankomen. Dan nog dat hoge gras overal om je heen. Maar ze gingen toch naar boven toe en ik most toch mee, de jongens als getuigen. Op een gegeven moment hoor ik metaal op metaal en ik laat mij eigen meteen vallen. Mij hebben ze toevallig dan niet geraakt, Toen ben ik schijnbaar ergens op gevallen ik had wel een bultje in mijn onderbuik /lies alsof er iets klem zat , maar ik had er geen last van. Eind januari hebben we onze post verlaten en zaten we bij het waterkrachtstation net voorbij Salatiga. Er was rotzooi bij de ‘Koffiepot’ maar ik kreeg last van die bult.  Ik zeg tegen de hospik Guus Schouten: er zit toch iets niet goed hoor. ‘Ga maar naar Semarang, laat het maar opereren.’Ik naar het ziekenhuis in Semarang. Ik kreeg een bedje toegewezen. Die nacht brachten ze 2 dooien en zeven gewonden van de ‘Koffiepot’.
 
Als je uit het ziekenhuis kwam dan mocht je naar het Tijgernest ,daar ben ik een paar dagen geweest, ik voetbalde gewoon, Op een gegeven moment komen ze me halen en zeggen:Jo, je mot naar het slachthuis. Ik zeg: Wat mot ik daar doen! Je mag overmorgen naar huis toe! De rest was al terug gekomen vanuit Salatiga. De laatste drie weken heb ik dus niet meegemaakt. Waar mijn spullen zijn gebleven weet ik ook niet . Er gingen wel geruchten dat er veel van ons verkocht is. Kapitein Wolzak, met wie ik ook voetbalde, het schijnt dat die ook een hoop wapens heeft verkocht.”
 
“Ik hoor je over voetballen,”zegt Joop. “Je kon lekker voetballen?”
“Ja, 4e klasse RPC. Ik was snel met voetbalschoentjes aan op het veld. Ik kon lekker snel lopen. Ontiegelijk snel! Ik kwam bij het compagnieselftal, bataljonselftal, daar kwam ik allemaal in terecht.
Daaruit kwam je in het brigade-elftal! Ook kapt. Wolzak. Ik ging nogal
es met hem trainen.” Jo maakt een drinkbeweging, “dan kwamen we ’s morgens pas terug. Daar ben ik dan mee met zo’n Dakota mee naar Bandung gevlogen. De wedstrijd spelen en dezelfde dag weer terug. En we zijn een keer met zo’n Catelina naar Soerabaja gevlogen. Daar zaten we met 16 man in. Ook hier was het een wedstrijd voetballen en ’s avonds meteen weer terug. Bij ons vandaan zijn er toch ook nog een paar bij Eindhoven terecht gekomen hoor.  Ik moest toen te veel op pad. Vogels opkopen. Want dat dee ik dus voor dat bedrijf. Daar kreeg ik een kwartje voor. Het gebeurde wel eens dat ik ging voetballen en dat ik een stel vogels in mijn wagen had. Ik had toen al een autootke. Hier in de buurt was het wel allemaal op de fiets.
 
Wat ik verder nog allemaal heb gedaan toen ik weer terug was? Ik ben begonnen met parfum! Uit Amsterdam Cohen. Daar moest ik het vak parfum leren. Dat werd het niet. Iedere dag op en neer naar Amsterdam rijden! Nee! Toen ben ik in de elektriciteit terecht gekomen, dus kabels, stekkers, en al wat meer voor autogarages. Ik was vrij, ik reed in Zeeland, Brabant overal. Tja, was het ook niet. Kwam ik in de kippen terecht!  Op de supermarkten. Heb ik ook weer een tijd gedaan. Op een gegeven ogenblik trof ik in een bar iemand hier uit Eindhoven, er zaten nog een paar heren, de ene stelde zich voor als Heinrich, hij was net begonnen met het opzetten van  cursussen typen voor kinderen.  Scheidecher, kende ge dat?” “Tuurlijk,” zegt Marianne." Nou daat ben ik ook bijgekomen. Dat was goed verdienen hoor." 
“U was eigenlijk vertegenwoordiger,” vraagt Joop. “Ja, juist, vertegenwoordiger van allerhande. Nooit vast. Free Lance en als het me niet aanstond dan stapte ik weer op. Ik heb in de kippensoep gezeten. Dat viel niet mee om dat van de grond te krijgen.”
“Uw vrouw, waar komt uw vrouw in het plaatje binnenwandelen?” “We kennen elkaar nou 38 jaar wel dacht ik,”zegt prater Jo. “Eerst een poos ‘stage’ gelopen. Ik zat drie jaar in België. Daar heb ik demonstraties voor stoompannen  gegeven. Zij deed dat ook, met haar ex-man. Hier in Nederland. Zodoende kenden we elkaar al. Op een gegeven moment kwam ik haar weer tegen in een bar. En zie hier, nu nog steeds samen.  

Hier moeten we het echt bij laten. Hoewel sobat Jo nog veel meer zou willen en kunnen vertellen moeten we het hierbij laten. Maar als er iemand met zoveel Brabantse gezelligheid zo smeuïg kan iets kan vertellen, dan is het sobat Jo wel. We nemen afscheid. We zien elkaar vast wel snel op een of andere veteranenbijeenkomst Jo!

 

 

Het bos ingestuurd bij Jan Janssen , 5RS, in Mook 

 

De paden op, de lanen in… en weer terug, verder tot een slagboom midden in bos, terug en opnieuw beginnen, Weer het bos in en weer uit en weer in en uiteindelijk komen we bij een boerderij terecht waar een oud dametje bewegingloos achter het raam naar buiten staart. Marianne vraagt bezorgd: “Ze zal toch niet dood zijn?” terwijl Joop nog eens de TOMTOM raadpleegt. “Ze beweegt echt helemaal niet meer”, zegt Marianne weer bezorgd. Joop gaat onverstoord door met spoorzoeken. “Bel Jan Janssen maar op hoor! Ik zie door de bomen het bos niet meer!” Gelukkig krijgen we snel antwoord.“Oh, jullie staan net aan de andere kant van de weg, dat gebeurt wel meer door die TOMTOM’s. Mijn zoon Daan wacht jullie wel buiten op”, zegt
Nelly Janssen, Jan’s echtgenote. Joop start de wagen weer en als wij wegrijden, draait er een autootje het pad op en is het dametje achter het raam verdwenen.
 
We worden als de verloren zoon binnengehaald! Als we vertellen waar we uiteindelijk waren gestrand, zegt Nelly Janssen: “Oh dat is het huis waar Wolters woont. Maar dan reden jullie ook langs het huis waar Wijers woonde.(Jan Wijers, 2-6RI ) Bij dat lange witte huis dat een heel eind van de weg af staat en dan het derde huis. Dat is het huis van Jan Wijers. Maar ga snel zitten, dan krijgen jullie eerst koffie hoor!” Gezellig, zoon Daan en dochter Helma zijn ook  van de partij. Het is een knus samenzijn!
 
Mevrouw Elly vertelt: “Jan heeft met de grootste groep soldaten in Vught gelegen. In de Isabellakazerne. Ze zijn opgekomen in wat nu de Limoskazerne heet, de generaal Snijderskazerne in Nijmegen. Die groep waar Jan bij heeft gezeten, die is altijd bij elkaar gebleven.
Kerstkaart sturen en zo. Met de 1e juni bij ons en dan stond iedereen op de stoep. Allemaal tafels buiten, stoelen zelf meenemen en ’s middags ging onze dochter Helma chinees (eten!) halen. Van die groep van veertig man hebben we er nog maar drie over!
 
Wij waren al getrouwd voordat Jan naar Indië ging. Ik heb die hele situatie meegemaakt. Indië was een deel van ons en nu nog. Carel Meulemans  in Amsterdam, Wijkerse en Ossendrijver in Leusden.” “Die is blind”, zegt Marianne. “Ja, we worden er niet jonger op. Jan wordt volgende maand 90! Zelf ben gelukkig genezen van een dwarslaesie door tumor in mijn rug en verder mogen we niet klagen.
“Ik ben in Mook geboren,”vertelt Jan met zijn zware bromstem. “Ik ging hier, lopend, naar school. Er was toen nog geen bus. Er was van alles te doen onderweg als je jong bent. Alles is spannend. Appeltjes en peren pikken en zo. Na school kwam ik als veertienjarige bij de gemeente, boompjes poten! Van ’s morgens 7 tot ’s avonds 6. Ik wilde geld verdienen! Ik was de oudste uit een gezin van vier  kinderen.” “En toen kwam de dienst,” zegt Marianne. “Och kind, daar is nog een heel leven aan voorafgegaan,” zegt Nelly Janssen. “Ik moest in de arbeidsdienst! Na drie weken mochten we naar buiten toe. Ze gingen naar het café, maar ik ging met dat pakkie aan naar het station. Naar huis, in Mook! Zonder papieren of ausweis. Ik ging hier in het bos werken. Daar had ik wel angst om dat ik gepakt zou worden.
 
 Zoon Daan heeft zijn koffie op en gaat er vandoor. “Tot ziens”, zeggen we. “Dat denk ik niet”, zegt Daan.( Maar daar zal die nog raar van opkijken). “De kinderen wonen hier op enkele aanleunende percelen in het bos. Heerlijk zo de kinderen vlakbij! Daan kan alles maken, echt alles,” zegt Jan. “En Helma ook zo dichtbij. Als er iets dan zijn ze er zo. We hebben twee kinderen, 5 kleinkinderen en we hebben ook al vier achterkleinkinderen. Als iedereen er is, dan zit het hier echt helemaal vol.”  

fotoJ.Jansen

fotoJoopPragt

fotoJoopPragt

“Was jouw vader ook in Indië, Marianne?”vraag Helma. “Mijn vader zat bij 2-6RI, de kapotte schoen! Hij was oorlogsvrijwilliger en ging in oktober 1945 al naar Indië. Eerst op Malakka, daarna Semarang, Ambarawa, Salatiga, Persilan, Setoegoer, Karanganjar en omstreken”. “Daar heb ik ook allemaal gezeten,” zegt Jan. “En Djokja?” “Nee, want toen waren zij al weer thuis!” “Ze hebben er ruim 2,5 jaar gezeten.” “Nou, die hebben het zwaar gehad hoor,” zegt Jan.
Er volgt een gesprek over wat er allemaal voor verschrikkelijke dingen gebeurde. We houden dat voor ons. “Wij kunnen en mogen daar nooit over oordelen. Wij waren er niet bij. Maar het was schieten of geschoten worden, dat vertelde mijn vader!”,zegt Marianne.
 
“Hoe vind je hoe we hier wonen?” vraagt Jan na dit beladen onderwerp.  We moeten toch even vermelden dat Jan en Nelly Janssen echt in het bos wonen, een heerlijk landelijk knus huis met een geweldige tuin met enorme vijver waarop je zo vanuit de huiskamer opkijkt. Wat moet het hier prachtig zijn als het gesneeuwd heeft. Het lijkt hier zo ook al kerstmis, maar zonder sneeuw. En eekhoorntjes? Vraagt Marianne. Nou, kijk daar maar eens. En ja hoor, daar rent een rode pluimstaart door de tuin en roets! de boom in.
“Ja er is hier veel veranderd sinds wij hier kwamen wonen,”vertelt Jan. Ik had geen rust in mijn lijf. We kochten hier dit stuk heidegrond, met de loopgraven van Duitsers er nog in. Braamstruiken woekerden welig en er lag hier een grote berg humus, duizenden karrenvrachten die de moffen in de oorlog langs de wegen hadden weggehaald en het bos uit moest. Dat was ondertussen mooie potgrond geworden! Nelly werkte als coupeuse en ik reed op de vrachtwagen. We hadden het goed. “De humus verkochten we aan tuincentra, bloemenwinkels en V&D,”gaat Nelly verder.”Dat werd minder en toen is Jan maar vertegenwoordiger in meubels geworden. We hebben hier van alles gedaan.  We zijn hier kippen begonnen, we hebben varkens gehad, we hebben kalkoenen gehad, van alles en nog wat.” “Maar ondertussen had ik nog steeds geen rust in mijn kont,”zegt Jan weer. “Dat het in mijn hoofd veel erger was dan iedereen dacht, daar hebben we niet bij stilgestaan. We hebben er nog een stuk grond bijgekocht en daar zijn we kerstbomen op gaan zetten. 13.000 stuks. Het eerste jaar verkochten we heel goed. Maar toen kwam de zure regen erop en toen was het snel bekeken. Bruin! Weg investering. Een deel van de grond hebben we verkocht, maar een deel van de bomen staan er nog. We doen er niets meer mee.”
“En nu, wat doet u nu.” “Onder de naam Jan de Golde schrijf ik boeken. Ik ben nu aan het zesde bezig. Als ik eenmaal begin met schrijven dan kan ik niet stoppen. Mijn eerste boek heette ‘Mijn leven’. Dat heb ik zelf uitgegeven. Zelf de letters, het papier, de omslag, alles zelf gedaan. Zelf verkocht. De uitgeverij die ook de boeken van Anton de Graaf uitgaf zag er geen brood in, ja, dat het een mooi boek voor deze streek was, maar verder niet. Toen hebben we naar alle kranten en boekwinkels een boek verstuurd en zo hebben we het verkocht. En ik ben bezig met het maken van vliegtuigen. Kijk, daar buiten bij de vijver staat er ook een!” “Jullie zijn een creatieve familie,”merkt Marianne op. “Jazeker,” zegt Nelly, “schilderen, boetseren, al die kleine kunstwerkjes die je hier in en om het huis ziet zijn allemaal door ons zelf gemaakt. Kijk en hier heb ik foto’s van Helma’s expositie van schilderijen.” “Goh, neem er mee naar de reünie,” oppert Marianne. Helaas zijn het allemaal heel grote schilderijen, dus dat gaat niet. “Mevrouw Jonkers, waar we gisteren waren, die maakt van die mooie quiltschilderijen. Ook heel leuk om dat eens op de reünie tentoon te stellen.”
Jan vertelt met zijn zware basstem tussendoor dat hij het hele huis zelf heeft gebouwd, alles zelf gedaan, het ontwerp en de uitvoering. Precies zo als zij het wilden hebben. Nou en dit is het geworden!
“Wat ik ook nog een tijd heb gedaan is met een metaaldetector hier in de buurt rondgelopen,” lacht Jan. “Ik heb drie kasten in mijn werkkamer vol met gevonden spulletjes. Kom maar eens mee.” Marianne volgt  Jan naar zijn domein. En daar liggen op item gesorteerd Jan zijn bodemvondsten. Zijn bureau met schrijfblok ligt te wachten tot Jan verder gaat schrijven. “Dat gebeurt in een soort roes. Als ik eenmaal schrijf dat ben ik helemaal weg. Achterelkaar door schrijf ik blad na blad vol. Hier in mijn werkruimte kan ik helemaal afgezonderd werken tot ik ineens weer naar buiten moet. Ik heb geen rust in mijn lijf.”
 
“Hoe we elkaar hebben ontmoet? Bij ons thuis hadden wij een transportbedrijf en Jan was daar chauffeur. Zo leerden wij elkaar kennen. Ik zag hem zitten en dacht;’Dat is hem! En aan die grote neus zal ik maar moeten wennen. We trouwden voor Jan naar Indië ging. Hij heeft me leren motor rijden en in de vrachtwagen auto leren rijden, vier maanden daarna trouwden we.”  
 “De boeken die ik schrijf zijn allemaal herinneringen. Ik hield geen dagboek bij destijds,” valt sobat Jan weer in. “Hoe ben je er toegekomen om die boeken gaan schrijven,” vraagt Joop. “Ik weet het niet, ik wou een boek schrijven. Ik hoef niet te denken, ik schrijf gewoon door. Dat vind ik eigenlijk wel gek. Ik schrijf het met de hand en zet het daarna in de computer. De foto’s die erbij staan zijn mijn eigen foto’s”. Er zitten interessante foto’s bij volgens Joop als hij door het boek bladert wat Jan aan Marianne heeft gegeven.
“Nee ik ben nooit terug geweest in Indië. Geen behoefte aan. Ik heb er het zat van. We hebben het er erg moeilijk gehad. Onder de meest armzalige omstandigheden moesten we onze taak uitvoeren,”zucht Jan.
Joop probeert steeds een verhaal te maken van hetgeen Jan vertelt, maar de dames zitten zo te kletsen dat hij de zware basstem van Jan niet kan verstaan.“Het lijkt wel een kippenhok!” roept hij verbouwereerd. Een beetje rustig dames! Maar ondanks de waarschuwing loopt het toch weer uit tot een gekrakeel. “Nou, dan schrijven we toch dat het gezellig was en wie meer over Jan wil weten,moet zijn boeken maar lezen!” zegt Marianne bijdehand! We kletsen nog een tijd gezellig door en dan roept Marianne verschrikt: “Joop, we moeten weg! Er wachten nog twee sobats vandaag op ons!”
We pakken in en nemen hartelijk afscheid van de familie Janssen en de van idyllische plek waar ze wonen. “Kom van de zomer nog maar eens terug!”zeggen zij heel gastvrij.                                              
Door Marianne 

 

 

Van Helmond naar Venlo, we doen het allemaal maar even zo!  

 
Met een beetje triest gevoel na het bezoek aan Jan Jonkers, 5RS, gaan we op 24 maart nog een sobat bezoeken die al weer een tijd op de bezoekerslijst staat. Jan Delissen, 2-6RI. “Ha, fijn dat jullie weer even bij ons willen langskomen. Toch niet vanuit Hoogvliet? Oh, zijn jullie weer in de buurt? Vanuit Jullie zijn van harte welkom,”lieten meneer en mevrouw Delissen aan Marianne weten na haar telefonisch verzoek of het gelegen kwam als wij een kopje koffie kwamen drinken.
 
Er is op het oog niet veel veranderd bij familie Delissen sinds ons eerste bezoek op 11 maart 2011. “Maar aan de binnenkant is het een heel ander verhaal hoor”, vertelt mevrouw Delissen, “zeker ik ben een heel eind achteruit gegaan.”
 
We zitten aan de koffie en spreken over het veteranenbeleid, onze bezoeken, het boekje, wat ook hier heel graag gelezen wordt, maar ook de zorg. “Want”,zegt meneer Delissen, “jullie moet het ook kunnen loslaten wat je allemaal hoort zo met die bezoeken. Niet alles is even leuk wat jullie horen en zien.” Marianne vertelt:” Dat lukt best hoor, want dat de veteranen juist zo hun verhaal kunnen vertellen, daar doen we het voor. Jullie verhalen vinden wij belangrijk.”
”Nu, ik vind het belangrijk dat jullie dat kunnen doen!” benadrukt mevrouw Delissen.“We hebben een hoop meegemaakt. Veel nieuwe ontwikkelingen, maar als je zo oud moet worden als je niets meer kunt……dat is wel erg. Maar niet iedereen kan tot het einde toe helemaal goed blijven. Er komen gebreken.” “Ja”, zegt Marianne, “vroeger waren jullie stoere jonge soldaten die met geweer op de schouder en bepakking de boesboes  introkken, je kon de hele wereld aan! En nu, nu regeren de vatenkwast en stofdoek.” We kunnen er om lachen, maar het is wel waar. Mevrouw Delissen: “Marianne, ik kijk naar je hakken. Sjiek! Ik vind dat altijd zo mooi hè”.
“Ik kan er met mijn verstand niet bij wat er nu allemaal in de wereld gebeurd, zegt sobat Delissen bezorgd, allemaal jonge mensen die zich aansluiten bij de IS e.a. Ze weten van niets. Het is een rare wereld. Onvoorstelbaar. We halen iedereen maar hierheen en iedereen moet geld, huis,baan en verzorging terwijl wij zelf al genoeg problemen hebben met de zorg, huisvesting en ouderenzorg. Er is zelfs een voedselbank! “Dat klopt toch niet,” zegt mevrouw Delissen bezorgd. “Wat ik ook helemaal niet begrijp,” gaat sobat Delissen verder, “dat zijn de banken. Wat daar allemaal gebeurt daar kan ik helemaal niet bij!” We praten nog een poos door over de wereldpolitiek, ernstig maar ook met flinke dosis humor. Mevrouw Delissen schatert het soms uit!
 
Om haar wat te laten rusten praten we met haar man over het aantal
2-6RIers die er nog zijn en over de hele  tijgerbrigade. De reünie, hoe geslaagd die was en hoeveel bezoekers er waren. Wat we ook vertellen, beide echtlieden zitten zo te genieten van alle verhalen, mevrouw klapt regelmatig enthousiast in haar handen van plezier. “Wat doen jullie toch veel,” zegt ze steeds, “wat een werk.”
“Maar,’zegt Joop, nu moet ik toch eerst vragen of we u niet te veel vermoeien, want we zitten hier heel gezellig en leuk te kletsen en te lachen, maar we moeten ook uw gezondheid denken. Regelmatig moet mevrouw Delissen even rust nemen. Even niet praten. Op adem komen. Wij babbelen dan rustig door met meneer Delissen. Als zij weer hersteld is, neemt zij weer deel aan het gesprek.
 
“Ik was vrijwilliger,”zegt meneer Delissen. “We hadden het meegemaakt met de Duitsers, toen werden wij hier gevraagd om te helpen daar. Zij waren daar in oorlog met Japan. Daar hebben we ons voor opgegeven toen”, vertelt meneer Delissen. “We kwamen terecht in een oorlog! En dan krijg je later in Nederland te horen ‘jullie hebben een mooi uitstapje gehad!’ Dan kom je terug en zegt je baas, we hebben jouw plaats al aan een ander gegeven. Ja, maar dat had niet gemogen. Op mijn plaats zat een jongen die zou gaan trouwen en had net een huisje gekocht. Ik heb een jaartje ander werk gezocht. Toen is die jongen gestorven, vervolgens kreeg ik een brief met de vraag of ik alstublieft terug wilde komen”.
 
“De eerste tien jaar nadat ik terug was zijn we al die mensen waarvan een jongen niet thuis is gekomen gaan bezoeken om hen te vertellen over hun familielid. Ik kwam thuis en er was geen enkele begeleiding. Er was niets. Er zijn ouders geweest die nog nooit het graf van hun kind dat daar achtergebleven is gezien hebben. Ja, de praatjes die wij hoorden,” vertelt sobat Delissen, ‘Je zult wel lekker goed verdiend hebben en nog een mooie reis gratis’. Gelukkig is het tegenwoordig wel heel anders met het veteranenbeleid.” “Hij weet er genoeg van”, zegt mevrouw Delissen. “Onze jongens werden niet goed behandeld hoor.
Men zat niet op hen te wachten. Ze hebben het erg moeilijk gehad”. “Gelukkig hebben jullie het later beiden goed gered in de maatschappij”, merkt Joop op. “Mevrouw, u had uw eigen zaak”. “ Ja dat klopt, mijn vader was kleermaker. Samen met mijn zus heb ik altijd in de kleermakerij gewerkt .Mijn zus woont al vijftig jaar in Australië. We bellen elkaar regelmatig en via mijn dochter krijgen we ook e-mailberichten door”.
 
Het gesprek komt op Rotterdam, de herdenking van de razzia’s en het oppakken, wegvoeren van jonge mannen. “Ik weet nog dat ze een razzia hielden binnen de kerk, zegt sobat Delissen. “Toen hebben ze kerk afgezet, alle mannen eruit gehaald en weggevoerd. Toevallig waren wij er niet bij. Het was op een dorp waar we vlakbij waren ondergedoken. De mannen stonden dus allemaal bij elkaar en een paar onderduikers wisten over een muur nog weg te komen, snel terug naar het onderduikadres. Later zijn de Duitsers alle huizen nagegaan. Huiszoeking. Ze zijn ook bij ons geweest. Mijn moeder stond handenwringend te huilen. ‘Waarom heb je mijn man meegenomen?’ Een mooi stukje toneel natuurlijk om ze om de tuin te leiden.”
Mevrouw Delissen klapt enthousiast in haar handen, haar ogen glinsteren van plezier. Ze lacht nog harder wanneer haar man de tijgeronderbroek uitpakt. “Koos de Ruijter van 2-6RI stond, nadat Koos het draaginsigne gewonden van burgemeester Aboutaleb had gekregen, met hem met zo’n zelfde onderbroek op de trappen van het stadhuis van Rotterdam!”vertelt Marianne. “Nee, u hoeft hem niet meteen aan te passen hoor,” roept Joop. “Als die te groot is, dan hebben we er ook nog bretels bij!” Grapjes volgen over en weer. Meneer Delissen geniet en mevrouw  Delissen blijft maar lachen en lachen. “Ik moet straks wel rusten, maar ik vind het zo leuk nu jullie er zijn! Even heel wat anders.  
“Jammer dat ik door mijn oogaandoening steeds meer moeite krijg met zien,”zegt meneer Delissen. “Zouden we soms nog een gesproken uitvoering van ons boekje kunnen maken?” vraagt Marianne zich af terwijl meneer Delissen vertelt dat hij wel nog aan beiden ogen is gelaserd tegen staar. “Ik kon toen ineens weer de krant lezen! Nu komt de staar een beetje bij beetje terug. Ik moet heel voorzichtig doen met mijn ogen. Als er nu nog een bloeding zou opdoen dan ben ik blind. En dan is Leiden in last, want wie verzorgt dan mijn vrouw? Gelukkig gaat het nog zo, we hebben goede hulp. Er is nog zoveel om dankbaar voor te zijn. Al heb je wel van die dagen dat je opstandig en terneer geslagen bent hoor.”        
                                                   
“Samen kunnen we nog boodschapjes hier vlakbij doen, ik in de rolstoel, hij duwen.”zegt mevrouw Delissen opgelucht.  “Alleen kan ik haar dan niet verstaan,” merkt haar man op. “Tja, dan zou je aan een headsetje moeten denken wat de motorrijders ook gebruiken om met hun duopassagier te spreken onderweg,” zegt Marianne praktisch.  “Ja en dan heb ik ook nog dat ik met een oor niets meer hoor. Ik stond mijn schoenen dicht te knopen en ineens hoorde ik met dat ene oor niks meer. Ze zijn een half jaar bezig geweest, onderzoeken, scans noem het maar op. Niks!”zegt mevrouw Delissen.
“Ja, ze heeft al gehad dat ze ineens niets meer kon zien,”gaat meneer Delissen verder. “Ik vroeg haar aan tafel te komen om te eten, ze staat op maar blijft staan. Ik vroeg haar waarom ze niet aan tafel kwam, ‘Ik zie niets!’zei ze. Heeft ze een TIA gehad. Dat was net voor de reünie. Alle goede plannen om met dochter Sonja samen naar de reünie te komen, gingen dus niet meer door”.
Nou, daarom komen we dus nog een keertje bij u langs. Het mooie hiervan is dat we veel meer aandacht voor jullie persoonlijk hebben, op de reünie kunnen we dat niet. We zijn dan te druk bezig om alles in goede banen te leiden. De hele dag rennen en vliegen we dan voor jullie, de veteranen. Jullie  verdienen dat!”,zegt Marianne. “Toch niet op die hoge hakken die je nu aan hebt?” vraagt mevrouw Delissen  bezorgd. “Jawel,” zegt Marianne, “in de loop van de dag verander ik drie keer van schoenen, steeds een etage lager tot aan het einde van de dag ik op van die hele platte schoentjes door de zaal schuif.”

Maar nu is het genoeg gepraat. Joop vraagt of hij nog een paar foto’s mag maken met meneer en mevrouw bij elkaar. Dat mag! Dat ontaard weer in een grappenmakerij.  “Ik vind het geweldig wat jullie doen,” zegt mevrouw Delissen nogmaals . “Even heel wat anders, even nergens aan denken. Genieten. Heerlijk, zegt zij met een blij gezicht.  “Nou, ik geef u een dikke knuffel en dan gaat u lekker rusten,geniet van elkaar”,  zegt Marianne. Meneer Delissen,  krijgt een knuffel van Marianne en Marianne krijgt meteen een mooie donatie in haar hand geduwd! Voor jullie samen! Nou, dat doen we mooi niet, het gaat gewoon op de rekening voor de mannen hoor zeggen Joop en Marianne bijna in koor. Nog eens drie klapzoenen vallen sobat Delissen ten deel en dan zwaaien, wuiven en nog eens zwaaien, de trap af, buiten zwaaien, in de auto zwaaien en als we voorbij rijden nog eens zwaaien. Wat een bezoek! Reuze gezellig. We laten een paar blije mensen achter!  

 

 

Het is niet altijd allemaal rozengeur en maneschijn.

 
Op onze Tijgertournee gaan wij op 24 maart 2015 langs bij Sobat Jan Jonkers, 5RS in Helmond. Al is het nog behoorlijk fris, met een zonnetje erbij ziet de hele wereld er ineens een stuk vrolijker uit. We kunnen voor de deur parkeren en sobat Jan Jonkers staat ons al op te wachten. Eenmaal in de warme en knusse huiskamer kunnen wij het grote sfeerdorp echt niet over het hoofd zien. Met  bewondering kijken we naar alle miniaturen die staan uitgestald. Mevrouw Zus Jonkers glimt van trots om onze complimenten. “Maar nu snel eerst koffie hoor”, zegt ze en dribbelt naar de keuken. Marianne loopt even met haar mee. We hebben er een kort onderonsje. Marianne weet dat het namelijk niet zo best is met Jan haar man. Hij is dementerend. We kunnen het helaas niet mooier maken dan het is. 
 
Als we aan de grote tafel koffie drinken, probeert sobat Jan zijn verhaal te vertellen. Hij moet naar woorden zoeken. Het is voornamelijk zijn zorgzame vrouw Zus die ons het meeste vertelt. Toch is het gezellig en knus en de koffie is heerlijk. We nemen enige tijd later toch een beetje bedroefd afscheid van sobat Jan en zijn gastvrije vrouw Zus. We vragen ons af: hoe moeten we hier over schrijven? 
 
Na ons bezoek neemt  kleinzoon Sander Hendrikx contact met ons op. Of hij het verhaal van zijn opa mag schrijven. Graag zelfs. Hier volgt het door Sander geschreven verhaal over zijn opa! 

fotoJoopPragt

Als klein kind was ik, Sander, al geïnteresseerd in de tweede wereld oorlog. Later heeft zich dat doorgetrokken, ook naar Nederlands Indië. Met een opa die gediend heeft in het overzeese Indië was ik dus aan het juiste adres.  Opa heeft zowel mooie als minder mooie verhalen verteld. Hier volgen een aantal gebeurtenissen waar opa over heeft verteld of heeft opgeschreven in zijn dagboek.
 
Sobat Jan Jonkers (5e regiment stoottroepen), geboren te Helmond op 11 december 1927. In een gezin met 3 zussen en 3 broers was hij de oudste. Zijn vader overleed op jonge leeftijd, waardoor hij de zorg voor zijn jongere broers en zusters op zich heeft genomen. Zijn vader trainde honden voor de jacht. Zijn toen toekomstige schoonvader was boswachter. Deze kocht een hond bij de vader van Sobat Jonkers en zo
leerde hij Zus Hoedemakers kennen. Een aantal jaren later zijn zij getrouwd en leven samen nog steeds een gelukkig leven.                    
 
Halverwege 1947 krijgt Sobat Jonkers een oproep om zich te melden in Den Bosch voor een militaire keuring en wordt goedgekeurd voor militaire dienst. Hij wordt gelegerd in Vught op 1 Oktober en volgt hier zijn militaire basis training. De opleiding wordt niet geheel in Nederland gegeven, maar een gedeelte zal volgen op Celebes.
 
“Woensdag 5 november
04:00uur:  Reveille
06:30uur: Afmars naar het station alwaar het stafmuziekkorps der Stoottroepen een afscheidsserenade bracht. Er werd per persoon 1 pakje Engelsche sigaretten en 1 reep chocolade uitgereikt.                                       
07:30uur:  Vertrek naar Rotterdam, de ramen in de trein werden op een echte Stoter manier ‘geopend’. Bij aankomst werden er koffie en 4 koekjes verstrekt, doch kregen we geen tijd om het te verorberen.”
 
De militairen moesten zo snel mogelijk aan boord van de Volendam. De scheepspolitie geleidde de militairen via trappen naar het ruim. ’s Avonds moesten de militairen hun hangmat uithangen om te kunnen slapen. Er was een lichte deining en velen waren beroerd. De deining was een kwestie van wennen en later had Jonkers er minder last van. Aan boord bestond de dag uit theorie vakken volgen,  sport wedstrijden houden en kaartspellen spelen.
 
“17 November, een veelbewogen dag. ’s Ochtend om 7:00uur lag ik een boek te lezen. Een kabaal van jewelste, het leek of het schip langs de kade schuurde. De soldaten wilden snel naar dek vluchten maar werden hardhandig tegen gehouden door een Sergeant majoor. Later toen we naar boven mochten zagen we dat de Volendam scheef hing. Hij was langs een brug gevaren. In de middag werd er 7 ton aan cement en materiaal aan boord gebracht om het gat te dichten.”
 
December 1947, aankomst in Indië. De training ging hier verder en we waren ingedeeld bij het troepencommando Zuid-Celebes. Als schouderembleem droegen we het hertszwijn of wel Babi Roessa. We kwamen tevens om 1-MPII te versterken. Februari 1948 kreeg Sobat Jonkers zijn eerste vuurdoop bij acties rondom Boeloe-Boeloe en Garasikang.
Sobat Jonkers heeft vaak verteld dat hij hier op wacht heeft gezeten. ‘s Nachts zat hij achter de Bren gun. In de verte zag Jonkers vele lichtjes voorbij gaan, wat extremisten konden zijn. De militairen hadden duidelijke opdracht gekregen dat er niemand op straat mocht komen
tijdens het gelden van de avondklok. Jonkers kreeg opdracht om waarschuwing schoten te lossen en zag de lichtjes snel vertrekken.
Djockjakarta, na een hevige zuiveringsstrijd in Djockja stad, kreeg Jonkers een vriend. Het was een hond en liep Sobat Jonkers overal achterna. Tijdens het wacht lopen bleef het hondje steevast aan zijn zijde. Zondagochtend naar de kerk ging het hondje mee, maar moest buiten blijven. Na de mis was de hond helaas weg, Hij is nog naar het dierenasiel geweest maar dit bleek al te laat te zijn.
Jonkers vertelde verder hoe geweldig het was dat hij ‘’De Belleman” ontving. Dit was het nieuwsblad van het Katholieke Thuisfront Helmond. Zowel de giften van de NIWIN als de komst van Sinterklaas zijn hem bij gebleven. Maar wat geweldig was, is dat hij zijn jongere broer heeft getroffen. Die had inmiddels ook dienstplicht en is eind 1948 naar Indië uitgezonden.
 
Begin 1950, vervelend nieuws. Sobat Jonkers wordt opgedragen naar huis te vertrekken, omdat het erg slecht gaat met zijn moeder. Jonkers is 18-03-1950 met de Castel Bianco naar Nederland vertrokken. Aan boord heeft hij tijdens een prijsvraag een fotocamera gewonnen, welke Sobat Jonkers bewaard heeft, net als vele andere spullen uit zijn Indië tijd. Na thuiskomst is zijn moeder helaas overleden en nam Jonkers de volledige zorg voor zijn broers en zusters op zich. 
Jonkers heeft na Indië zijn school afgemaakt en is werkzaam geweest als technisch tekenaar bij Philips. Samen met zijn vrouw, Zus Hoedemakers, heeft hij 2 dochters gekregen.
 
Jonkers gaat nog elk jaar met veel plezier naar de reünies. Na het overlijden van zijn vriend Ben (Ben Maas red), gaat hij met zijn 2 kleinzoons. Twee jaar geleden heb ik opa nog een originele battledress aangetrokken met een origineel T-brigade embleem. Hij heeft zichtbaar genoten en hij vond het jammer om zijn dagelijkse kleding weer aan te trekken. 
Opa en ik willen alle Stoters groeten, en we zien jullie graag in September. (Mevrouw Zus Jonkers belde voor die reünie nog even op. ‘Helaas Marianne, gezien zijn gezondheid is het echt niet meer mogelijk dat Jan naar de reünie komt. Ook de kleinkinderen zeggen dat het niet meer gaat. Heel jammer, het is niet anders.”)
                                                                                           Geschreven door Sander Hendrikx, kleinzoon,   
                                                                                                         foto's Jan Jonkers en Sander Hendrikx
                                                                                                       (inleiding geschreven door Marianne)  

 

 

 

Paul Wilms, een 5 RS- er in Nijmegen  

 
Straks gaan we inchecken  in ons hotel, maar eerst onze laatste sobat van ons Tijgertournee op deze dag. We rijden door naar Paul Wilms, 5 RS. Gelukkig liggen de adressen van de te bezoeken sobats heel dicht bij elkaar. Lekker allemaal in Nijmegen. Dat scheelt reistijd.  

Nog voor we de TOMTOM uitgeschakeld hebben staat sobat Wilms al op de oprit om ons te verwelkomen. We pakken snel onze spulletjes en het snoepertje en dan gaan we achter de Stoottroeper mee naar binnen. We komen in een heel licht, modern ingericht huis. Klassieke muziek klinkt in de kamer die uitkijkt op de prettige ruime tuin. Met een kopje koffie erbij gaan we aan ons ‘verhoor’ beginnen.  

Marianne geeft eerst aan sobat Paul Wilms een compliment vanwege een tip die hij gaf na de eerste keer dat hij aanwezig was op de Tijgerbrigade– reünie: ‘Ik mis iets op de tafels. Een kaart of iets waarover de mensen met elkaar kunnen praten’. Dat knoopte Marianne meteen goed in de oren en sindsdien ligt er elke reünie een documentatiemap of interessante placemat op iedere tafel. Bedankt! 

fotoJoopPragt

Hier begint sobat Wilms ontspannen met zijn verhaal. “Ik ben geboren in wat we toen nog noemden Batavia. Mijn ouders gingen er in 1916 naar toe. Mijn vader kreeg daar een standplaats voor  onderwijzer 3e klasse in Banjoemas. Daar zijn ook mijn twee oudste zussen geboren. We waren van huis uit katholiek en na 4 jaar wilden ze toch weer in hun eigen omgeving en met hun eigen mensen omgaan. Toen zijn ze naar Batavia verhuisd. Daar zijn verder alle kinderen, op een na, geboren. Om de 7 jaar kregen ze negen maanden verlof. Dan werden ze ontslagen en alles werd verkocht. Daarna konden ze weer opnieuw solliciteren.
Zo ging dat toen in het onderwijs. 

 

 

Het laatste wat vader had gedaan in Batavia is directeur van de Hollands Inlandse school. Daar zaten kinderen van de gegoede families. Die konden dat betalen. Het personeel was Indo en de jongens in de klas waren allemaal Javanen. Die werden opgeleid voor bestuursfuncties. In 1934 zijn we teruggegaan naar Nederland. Er heerste toen al een echte crisistijd hoor. We zijn in Nijmegen gaan wonen. Waarom? Hier woonden toen nogal wat kolonialen. Het was een hele overschakeling hoor. Zeker voor mijn moeder. Die had daar heel veel personeel en hier maar één gedienstige. Ik was zes jaar. Ik kwam hier op school in de eerste klas terecht. Of ik het niet erg vond om vriendjes daar achter te laten, och, we hadden een groot gezin met acht kinderen en dat klonterde allemaal een beetje aan elkaar.
Zat tot 1939 hier op school, was misdienaar en kwam in aanmerking voor de kleinseminarie. Daar kreeg je dan de gymnasiumopleiding in de hoop dat je dus later priester werd. Dat was niet mijn roeping. In 1944 heb ik tegen de rector gezegd: Het lijkt mij het beste dat ik het maar afzeg. De oorlog was toen ook allang uitgebroken. In 1946 heb ik pas mijn eindexamen kunnen doen.  
 
Hier in Nijmegen is het natuurlijk verschrikkelijk geweest in de oorlog. We hebben vijf maanden in de schuilkelders gezeten. Je kunt met zo’n groot gezin niet even evacueren hè. De granaten vlogen over de stad heen vandaar dat wij in de schuilkelders gingen leven.
Ik was 19 jaar toen werd iedereen opgeroepen en in 1947 kreeg ik de oproep om me te melden bij de poort van de kazerne. Iedereen werd opgeroepen of je nou platvoeten of wat dan ook had. Alles moest mee.
Dienstplichtig. Van 1929 hè. De Rotterdamse en Amsterdamse jongens van 1926 hebben nog razzia’s meegemaakt. Die kwamen terug van hun onderduikadressen of vanuit Duitsland. Ook zij werden opgeroepen.
Het onderdeel 5 RS werd 4 juni 1947 opgericht. Een half jaar opleiding en in november zijn we (5 RS) met de ‘Volendam’, een ouwe schuit,  vertrokken. We kwamen op Celebes aan. Daar werden we ‘geparkeerd’ omdat we 2-6RI zouden aflossen. Samen met 5-5RI hebben we in 1948 2-6RI en 2-7RI afgelost. Bij Ambarawa. Meer de kant op van Salatiga zat 5-5RI. Ik voel meer voor het gebied Ambarawa dan Salatiga.  

De OVW-ers dachten nog dat ze ingezet zouden worden om tegen de Japanners te vechten. Daarom werden ze ook ‘geparkeerd’ op Malakka. De Engelsen die het gezag van de Jappen hadden overgenomen wilden nog geen Hollanders erbij hebben. De meeste OVW- ers geven aan meer last te hebben gehad van de Engelsen dan van de Jappen. Als dienstplichtige en natuurlijk ook als OVW- er maakte je ook een hele wereldreis. Veel jongens kwamen van het platteland. Iedereen had lagere school gehad, dat wel. Er waren er bij die het dorp niet uit geweest waren. In 1944 hebben, toen het zuiden van het land was bevrijd, jongens zich als  OVW- ers aangemeld omdat ze niet langs de kant wilde toekijken. Die wilden ook iets doen. En dan kom je als 18jarige in een vreemd land. Je moet daar de orders opvolgen. Maar die oorlog daar, het was de laatste koloniale oorlog in twee delen, de eerste politionele actie en de tweede politionele actie. Dat was  eigenlijk niets vergeleken met wat ik hier 1944/45 in Nijmegen heb meegemaakt. Hier werd hard gevochten hoor. Verschrikkelijk hard gevochten

Ik ben teruggeweest naar Indonesië”. We bekijken het prachtig samengestelde foto albumboek. We praten over wat in het album onze grootste interesse heeft: op oefening in de Harskamp. Patrouille lopen in de buurt van Ambarawa.  “Toen wij in 1948 bij Ambarawa kwamen was daar niets meer te doen. Ik heb het patrouillelopen nooit erg gevonden, want er gebeurde niks. We hadden ook nog wat contact met de bevolking. En wel zo, dat ze niet voor je wegliepen. We liepen langs elkaar heen en groette elkaar wel. Dat was anders voor de jongens die er eerder waren, dus 2-6RI,2-7RI enz. die zaten voor ons in de enclave. Ze werden van alle kanten aangevallen. Behalve van de zeekant natuurlijk. Die braken pas goed uit met de eerste actie tot aan Ambarawa en Salatiga. Daarna hebben ze actie moeten staken. Toen kwam de demarcatie. Het was daar een rustige dienst. Och, er gebeurt altijd wel ergens iets.
In Ambarawa had je een kamp. Dat kamp zijn wij in gelegerd. Barakken waren dat. Redelijk comfortabel. Betegelde vloeren, ruim opgezet. Kijk, wij hebben de Jappentijd niet meer meegemaakt. De vrouw van Jaap Surendonk (5RS) die heeft ook als kind in een kamp gezeten. Je had in Ambarawa inderdaad een groot concentratiekamp waar al die vrouwen en kinderen zaten. In Banjoebiroe was ook een kamp, maar daar heb ik alleen maar fundamenten van gezien. Ik kan mij van de eerste actie nog wel voorstellen dat die een reden had. Dat het eigenlijk niet anders kon. Die Chinezen hebben het daar werkelijk verschrikkelijk te verduren gehad. Er wordt wel gesproken van 5000 doden, maar het zijn er wel 20.000 geweest hoor. De Chinezen en de Nederlanders die terug wilden naar hun huizen, die werden gewoon opgewacht. ‘Bersiap’ dat betekent eigenlijk zoiets als in het Duits: Achtung!, in het Engels: Attention! Let op!  
Hoe ik het vond dat ik werd opgeroepen voor dienst en wist dat ik naar Nederlands Indië moest?” “Stond u daar achter of had u uw bedenkingen er over?” “Ja, daar was toen al discussie over. Of wij het regeren moesten overlaten aan de Indonesiërs . Ik weet nog wel dat er artikelen over in de kranten stonden. Daar werd wel degelijk over nagedacht. Maar de Nederlandse regering had er helemaal geen kijk op. Die had het beter kunnen overlaten aan de voormalige Nederlands Indische regering die er in 1946 en 1947 meer ging optreden als bestuurders. Maar ja, ik was dienstplichtig. Dus ik moest.
Er waren er ook wel die de dienst weigerden. Ik geloof een stuk of 5000. Die wilden daar niet naar toe. Er zijn zelfs jongens die hebben zelfmoord gepleegd.

fotoPaulWilms

Ik weet nog wel dat wij gingen van Den Bosch naar Rotterdam om daar ingescheept te worden en de treinen reden toen nog niet zo snel. Bij de overwegen stond de Marechaussee klaar. Die waakten er voor dat niemand uit die treinen zou ontsnappen”. 
 
Joop en Marianne bekijken de fotoboeken en Joop maakt zo nu en dan een foto van een foto. Dit met goedkeuring van sobat Wilms natuurlijk. “ Nee, ik vond het eigenlijk niet erg dat ik naar Nederlands Indië moest. Het was de bedoeling dat er daar weer orde op zaken werd gesteld. En dat er zou worden bekeken hoe dat het er verder moest gaan met het bestuur van het land. In Nederland in de Isabellakazerne  in ’s Hertogenbosch werd ik opgeleid tot zandhaas. Drillen, exercities, schietoefeningen, marsen, ach, je nam het allemaal maar voor lief. In Indië kregen we wel oefeningen, maar anders. Dat moest wel anders kreeg je geen goedlopend geheel. Toen wij uit Djokja wegwaren konden ze zeggen dat wij een goed geolied bataljon waren. Dat kon je voor alles inzetten. Helemaal op elkaar ingespeeld”

 

Joop verbaast zich dat met de vooropleiding die sobat Wilms had genoten, hij toch maar gewoon soldaat was.“Er waren kaderleden zat! Echt zat. Je zoekt elkaar in zo’n compagnie toch elkaar op hè.  De schrijver, Jan van der Velden, was een zoon van een bankier dacht ik. Hij is later ook het bankierwezen ingegaan. Louis de Boon, die had een HBS- opleiding en is later leraar wiskunde geworden. Er zat een violist bij. Hij had zijn viool meegenomen. Die liet hij nog repareren in Djokja. Dat was een zeer intelligente vent.
We hadden nooit aan de 2e politionele actie moeten beginnen. Ze waren toen aan het onderhandelen en wij werden van de buitenposten naar Semarang terug geroepen. 
We kwamen in die barakken terecht en de morgen dat we zouden vertrekken werd alles opgeruimd. Alle tampatjes, de veldbedden, alles was kaal, alles was ingepakt. En toch werd het één dag uitgesteld. We wisten al dat we met de vliegtuigen, DC3 toestellen, zouden gaan. Ik had nog nooit eerder gevlogen. We werden ingeladen, de deur was eruit gehaald, jeep was erin gereden en wij zaten langs de kant. Dan was het gewoon naar beneden kijken en zag je wat er voor kool beneden groeide. Van Semarang naar dat vliegveld Magoewo was een half uurtje vliegen. Dat was een heel goed opgezette actie hoor.
We hebben altijd tegenstand gehad. Altijd. We hadden gehoopt op de medewerking van de sultan. Maar die liet heel fijntjes doorschemeren dat hij niet van plan was om aan het oude, herstelde gezag mee te werken. Want we hebben eens een keertje een flinke aanval gehad van sergeant Soharto die werd geleid uit het kratan van de Sultan. De drang naar zelfstandigheid zat er toen al in.
Wij hebben nooit het idee gehad dat we daar welkom waren. In Ambarawa kon je nog redelijk met de bevolking opschieten. Daar kon je naar de Pasar gaan. Maar in Djocjacarta daar werd de bevolking onder druk gezet door de republiek. Geen toenadering! Toen wij te horen kregen dat wij Djocjacarta moesten gaan ontruimen, je staat dan even te kijken, maar in feite , omdat de bevolking vijandelijk tegenover je stond, was je eigenlijk een beetje opgelucht dat je eruit kon.                                                     
We werden absoluut niet ingehaald als bevrijders. Absoluut niet! We hadden ‘prettig’ contact met de bevolking. We werkten niet samen met de bevolking zoals de OVW- ers en de eerste dienstplichtigen dat wel hebben gedaan. Die tijd was geweest. Er heerste de drang naar vrijheid. Alles onder de invloed van de republiek.
 
Wat het meest indrukwekkende is geweest voor mij? Eigenlijk een overval op kampement in Djakarta ’s nachts. We lagen daar met drie secties. Vier secties waren er al uitgetrokken om in de woonwijken te patrouilleren. Wij zaten met 1 sectie en dan de staf. Midden in de nacht werden we overvallen. Er werd van achteren geschoten. Dat was wel spannend natuurlijk. Ze konden wel schieten, maar er waren gewoon te weinig manschappen bij ons aanwezig om op te mikken als het ware. Als we er met het hele peloton hadden gezeten dan hadden de gevolgen veel erger kunnen zijn. Het was schieten en wegwezen. Want als ze doorgelopen hadden, waren ze gewoon over ons heengelopen. Dat was eigenlijk hun tactiek. Guerrilla- tactiek”.
 
“Over wapens gesproken: Wat voor wapen had u?” “Ik had een stengun. Ja, ik was in Nederland al soldaat 1e klas geworden. Wij kregen geen geweren mee uit Nederland wel Duitse geweren. Die werden overgeheveld naar de Indonesische politie, met een paar kogels, daar konden ze verder niets meedoen. Later kregen wijzelf Lee-Enfields. Een Engels geweer. Officieren hadden een geweer.
Wij, soldaten, hadden ook de stengun. Ik was blij dat ik een stengun had want die was een kilo of wat lichter. Het waren rotwapens hoor! Je kon er alleen wat mee ‘flodderen’ als het ware. De loop was vrij kort. Wat betreft die veiligheidspal en gevaar, nee dat was het niet.
Ik heb het zelf meegemaakt tot twee keer toe. Ik kreeg mijn stengun terug, ik had hem eventjes uitgeleend aan iemand die dat ding nodig had. Je kon dat ding verzetten op een enkel schot. Dus of je schoot het hele magazijn er door heen of een enkel schot. Ik heb weinig hoeven te schieten gelukkig.
 
Ik denk wel vaak terug aan mijn diensttijd, maar ik heb er geen ‘last’ van. De samenhang met de makkers dat blijf je altijd bij. Het is een groep geweest met wie je altijd samen bent geweest. Nee, dat gaat nooit over. Je moest ook op elkaar kunnen rekenen. Ik ben 2,5 jaar in Indonesië geweest en zat steeds bij dezelfde jongens. Tegenwoordig is het allemaal anders in het leger. Het is nu een technisch leger en het is een baan. Ze zijn beroeps”.
 
 “Toen u terug ging naar Nederland, was u blij?”
Eh, ja…je bent 2,5 jaar helemaal van huis vervreemd. De eerste tijd zoek je elkaar weer op. Ik werd hier thuis wel heel hartelijk ontvangen, maar je weet niet waar je aan toe bent. Alles was vreemd eigenlijk.
Je komt thuis vanuit Rotterdam met de bus. Alles was feestelijk versierd met een bord ‘welkom thuis’ en dan 200 meter verder was een familie die had een zoon verloren daar. Dat hadden ze mij niet verteld hoor. Dat was heel schrijnend. Ondanks dat was het thuiskomen toch wel heel prettig.
Of ik had willen blijven i.p.v. naar huis gaan? Toen ik van het gymnasium kwam, was ik eigenlijk van plan om in Leiden te gaan studeren, in de Indologie heette dat toen. Dat was bestuurskunde voor Nederlands Indië. Maar daar kwam natuurlijk niks meer van. Ik had toch wel graag terug gewild. Ik had al die verhalen van mijn broers en zussen gehoord. Ja, ik zag daar wel een toekomst. Maar het liep anders. Ik moest op zoek naar een baan en moest mij voorbereiden op de maatschappij. Ik volgde een spoedcursus voor het onderwijs. Er waren toen heel veel leerkrachten nodig. Met HBS en gymnasium werd ik in 1,5 jaar klaar gestoomd voor het onderwijs.
Eerst in het lager onderwijs. Met avondstudies ben ik verder gekomen en ben les gaan geven op MULO’s en samengestelde scholen. Op de dag stond ik voor de klas en ’s avonds volgde ik de avondcursus. Ik was toen ongeveer 24 jaar.
 
Veel later ben ik pas getrouwd. Ik was ongeveer 30. Mijn vrouw, uit Geertruidenberg,  kwam tegenover mijn ouders en mij wonen. Haar vader had net een baan gekregen hier bij een school in Nijmegen en zij was ook onderwijzeres. In 1960 zijn we getrouwd. Ik bleef in het onderwijs, maar zij moest eruit. Zo ging dat toen. We kregen vier meisjes. Snel achter elkaar. De jongens kwamen pas veel later. Ik heb heel erg geboft met die schoonkinderen hoor. Ook met de vijf kleinkinderen.
                                                       
In Cuyk was mijn laatste school. Dat was eerst een mavo maar werd snel uitgebreid naar Havo en VWO. Daar heb ik vanaf 1972 tot 1987 voor de klas gestaan. Ik heb altijd Engels gedoceerd. Ik kon eruit met 59 jaar. Vanwege mijn dienstjaren, die dubbel telden kon ik vervroegd met pensioen.
Nadat ik uit het onderwijs ben gestapt, heb ik er geen binding meer mee. Maar mijn vrouw gaf toen nog wel les. Aan bootvluchtelingen uit Vietnam. Ik werd nu ‘huisman’ en zij kon nog een tijdje lesgeven. Mijn vrouw onderhield eigenlijk alle contacten. Toen zij overleden was, viel daarvan een groot gedeelte weg hoor. Zij is overleden aan de gevolgen van een hersentumor. Een jaar daarvoor zouden we nog een reis gaan maken naar Madera. Ze raakte verlamd. De reis is afgezegd.
Ik richt mij op de kinderen en kleinkinderen, maar ik kan ook makkelijk op mezelf zijn. Dat wil ik nog even zeggen: Ze zeggen altijd : “Je kunt me altijd bellen, je mag gerust naar me toekomen. Dat kun je allemaal wel, maar dat doe je niet. Het fijne is, dat zoals jullie nu naar mij toekomen, dat is heel wat anders. Dat komt heel prettig over.
 
Ik wil ook wel graag naar mijn oude kameraden toe die er nog zijn. Die waarderen het ook als je naar hen toekomt. Er is er eentje die woont op de Veluwe, die is geopereerd aan zijn strottenhoofd. Hij komt niet meer naar de reünies. Maar ik weet, als ik hem bel en zeg: ik kom naar je toe, dan weet ik dat hij dat heel prettig zou vinden”.
 Jan van Haastrecht was de commandant van de 3e compagnie. Marianne kreeg een adreslijst van hem met 5RS-ers. Die is zij aan het uitzoeken. “Ik belde van de week met meneer Altena…” “ Altena”, vraagt Paul Wilms , “nee dat zegt mij niets. Weet je, je zat maar bij een kleine groep en hoe verder je uit elkaar gaat, hoe minder contact je hebt”. Marianne heeft haar uitgebreide adreslijst er bij gepakt. “Pakt u maar een pen en papier, meneer A. Altena van 5RS woont hier in de Celsiusstraat in Nijmegen.” “Piet Outenaar die had een bloembollenbedrijf. Die woonde in het westen van het land. Maar die heb ik bij de laatste reünies ook niet meer gezien’. “Meneer Kees van Barnhoorn?” “Ja die ken ik wel”. (U heeft zijn verhaal kunnen lezen eerder in dit boekje). “Meneer J. van Basten uit Bemmel”.” O ja Bemmel, dat is hier vlakbij”. Marianne noemt alles gegevens van hem op. Ook het telefoonnummer. “Henk Blom?”  Nee”. “Hij woont in Apeldoorn”. “Nee”. “Meneer Leo den Boer?” “Ja, daar heb ik nog contact mee. Een trouwe reünie- ganger. Maar van Jan van Haastrecht wil ik ook graag zijn telefoonnummer. Hij heeft die overval in Djokja zelf meegemaakt en hij wilde praten met mensen die dat ook hadden meegemaakt. Ik zelf was daar niet bij. Wij zaten toen bij de elektrische centrale en daar was niets te doen. Die moesten wij bewaken”.
“Jan van Ooijen?” “Kooijman, daar kon ik altijd goed mee op schieten, maar daar heb je geen gegevens van”.  Jan Jansen uit Mook?” “Ja, die ken ik ook hoor.”  Johan Jonkers?” ” Ik ben bang dat hij moeilijk te bereiken is. Hij was al erg ‘afwezig’ de laatste keer dat ik hem zag. Hij kwam altijd met Ben Maas naar de reünie. Maar Ben is een paar jaar geleden overleden.””Klopt.” 
“Meulemans uit Amsterdam? “ “Oh ja, die zat bij Jansen aan de tafel”.  Ben Roelofs? Die woont Arnhem.” “ Die ken ik wel. Geef daar ook maar het adres van. Jaap Surendonk ken ik ook.” “Ph.van der Voort uit Leidschendam? Van der Vorselen uit Nijmegen?” “Ik schrijf die ook op.
Ik ga proberen om meer jongens van mijn compagnie naar de reünie te krijgen”,belooft sobat Paul. “Geweldig dat u dat gaat doen”, zegt Marianne. “Bij 2-6RI wordt het steeds minder. Dat kan ook niet anders. Zij waren net wat ouder.” “Oh, de Langen van 2-6RI die ken ik wel goed van de reizen naar Indonesië.”  “Oh, maar dat is Nol (Arnout) de Langen van 2-7RI”, zegt Marianne, hij woonde in Haarlem. Hij was nog op onze trouwerij aanwezig samen met Arie Olckers en Johan Koster van 2-7RI. Hij is overleden, Arie Olckers ook.” “Ik had een oproep geplaatst in de Checkpoint: wie wil er mee naar Indonesië. Ik kreeg allerlei reacties maar niet die ik wilde. Nol opperde om met hem en nog enkele veteranen, o.a. Jan Bemont(4-6RI)  mee te gaan”, zegt sobat Paul.
 
Met 3 van de vier meiden en een nichtje met haar vriend ben ik naar Indonesië geweest. Ze vonden het geweldig. Temeer omdat ze er al zoveel over hadden gehoord van mijn broers en zussen. Maar ook door mijn verhalen. Ik heb ze altijd verteld over mijn tijd in Indië. ” 
 
IJverig heeft Paul Wilms alle gegevens op het drukwerk Max blocnote geschreven. Een van de vele items uit de goodiebag. Marianne is helemaal blij dat Paul Wilms zoveel moeite gaat doen om met zijn maatjes in contact te komen. Geweldig, dit promoten wij juist zo nadrukkelijk.
 
Paul Wilms maakt ook een opmerking over het boekje: het is  een hele prestatie. Zo uitvoerig, zo gedetailleerd. Geweldig. Joop zegt:”Maar dat kan alleen maar dankzij u en de andere veteranen die ons willen ontvangen. Uw verhaal!”  Met dit fijne compliment sluiten we na nog wat foto’s te hebben gemaakt het gesprek af. We gaan naar ons hotel.
We bedanken Paul Wilms heel hartelijk voor de erg fijne ontvangst bij hem thuis.  We hebben heel wat te schrijven. 

 

 

Het luidruchtige middagdutje van Henk Zwitselaar.

 
 
 
Sobat Zwitselaar  (2-6RI) is ondertussen weer opgenomen geweest in Dakkerswald, maar nu weer thuis in ‘de Oranjerie’! Omdat hij maar honderd meter van Pieter Paulusma vandaan woont, wandelen na ons bezoek aan sobat Pieter even bij sobat Henk aan. Hij is thuis! Nee, niet in de eetzaal, maar boven op de kamer. We gaan naar boven. Bij zijn kamer aangekomen horen we de TV aanstaan. Joop ‘klopt’ met zijn vlakke hand op de deur. “ Jaaaaaah!” wordt er aan de andere kant geroepen.
We gaan naar binnen. Sobat Henk Zwitselaar kijkt ons verbaasd aan.
“He, dat is leuk. Ik ging net mijn middagdutje doen”. De TV staat keihard! Een middagdutje? Joop pakt de afstandsbediening en doet het geluid even zachter. Hè, hè, dat praat wel even makkelijker.
We komen even kijken hoe het nu met u gaat! “Ja, dat zie ik. Nou, ik ben trots op mezelf dat ik dit keer weer zo snel weer thuis bent,” zegt sobat Zwitselaar.

 

fotoJoopPragt

We leggen uit van onze meerdaagse Tijgertournee en dat we in de buurt waren. We maken nog een kort praatje en dan kan sobat Zwitselaar toch lekker aan zijn middagdutje beginnen. “We laten nog een mooi boek voor u achter. Kunt u de geschiedenis van de 200jarige Nederlandse krijgsmacht doornemen.  Dag hoor, tot de volgende keer. 

 

 

Onze  ‘Tijgertournee’start bij Pieter Paulusma.  

 
Omdat er nog zoveel sobats zijn die wij willen of zouden bezoeken, besluit Joop: wij houden een Tijgertournee!  De ledenlijst komt erbij, Marijke wordt ingeschakeld en samen komen we tot een imposante lijst van de te bezoeken sobats.  Joop boekt een hotelletje in Nijmegen en Marianne gaat aan het bellen. Na bijna een hele dag is een lijst met 11 namen compleet! We kunnen op reis.
Een dag voor het vertrek komt er al een kink in de kabel, sobat Willem Arts die wij zouden bezoeken is opgenomen in het ziekenhuis. We moeten het lege gat in de reisplanning opvullen en vinden de oplossing bij sobat Johan  Jonkers. Hoera, we gaan de koffer inpakken.  

fotoJoopPragt

Op maandag 23 maart gaan we bepakt en bezakt op pad. Sobat Pieter Paulusma in Nijmegen is de eerste veteraan die we bezoeken. We brengen het van hem geleende fotoalbum terug. De foto’s zijn digitaal opslagen door Marianne. “Ik heb hier en daar nog wat nieuwe oude fotohoekjes bijgeplakt die kwijt waren en de bladen vastgezet”, zegt Marianne als ze het album aan sobat Pieter teruggeeft. Meteen geeft zij ook het alom bekende snoepertje.
 
We drinken een heerlijk gezet kopje koffie en praten weer over van alles en nog wat. Natuurlijk over de veteranen en over een gelegd e-mailcontact met de zoon van een overleden 1Rs-er. Via de website www.sepatoeroesak.nl kwam deze zoon in contact met Marianne en zij zorgde dat er tussen hem en meneer Pieter contact werd gelegd.
Sobat Pieter vindt het maar wat goed dat hij zo ook jongeren kan helpen met zijn ervaringen. 

 

Hij laat Marianne een wat oudere adreslijst zien van 1RS-ers. “Ik weet niet of iedereen nog in leven is en of iedereen nog op hetzelfde adres woont, maar misschien is het de moeite waard om eens na te gaan of er nog 1RS-ers zijn die bij de Tijgerreünie willen zijn.” “Goed meegedacht, sobat Pieter”, zegt Marianne, “zodra ik het adresbestand van de Tijgers op orde heb, ga ik aan de slag met die van 1RS.”
Na de huidige politieke toestand in de wereld en bijkomende actualiteiten te hebben besproken, is het tijd voor de volgende veteraan. Henk Zwitselaar. We nemen hartelijk afscheid en Marianne krijgt vermanend te horen: “Houd nou eens op met meneer Pieter Paulusma. Gewoon Pieter”. Maar dat kan Marianne niet. “Laten we het houden op sobat Pieter of meneer Pieter,” zegt ze. Dat is dan afgesproken!

 

 

Sorry John, maar Marianne heeft soms een geheugen als een vergiet.  

 
Vergeten! Ohoh! In ons boekje van december helemaal vergeten te vermelden dat wij ook nog bij Tijgerveteraan John Kamerling langs zijn geweest. John is oud-collega van penningmeester Joop, maar ook een echte Tijgerveteraan.
We zien elkaar tijdens de veteranen inloopmiddagen in Hoogvliet, maar komen ook wel een paar keer per jaar bij elkaar op de koffie of de thee.
Eerder schreven wij al eens zijn indrukwekkend militaire verhaal. 
Dat John alles kan maken wat zijn ogen zien, of niet zien, wisten wij al. Thuis, in z’n vakantiehuisje in Hoek van Holland, voor zijn vrienden en familie, maar ook voor  de Tijgerbrigade. Misschien weet u nog dat er tijdens de reünie  prachtige (imitatie) mortiergranaten op de inschrijftafel stonden? John maakte die. Het houten sierbordje met het Tijgerembleem?  John maakte dat. De gipsen presse-papiers, John maakte die. De mini-mortier die op mijn werkkamer staat, John maakte die. John maakte ook een aantal houten tijgerbordjes. “Kom ze maar ophalen, ze zijn klaar,” vertelde hij per telefoon. En dat deden we dus al verleden jaar. Zie hier John trots bij het eindresultaat!

foto:JoopPragt

 

 

Een kleurrijk veteraan is heengegaan.

 
Johannes Cornelis van Dijk, 3 MP IV
   Vader, opa en overgrootvader
Weduwnaar van Meta van Dijk-Creutzburg  
*9 april 1922  -  † 31 maart 2015

 

 
Voorbij, de tijd vliegt voorbij
Kinderjaren, tienerjaren, groei naar volwassenheid.
De tijd gaat voorbij, met al zijn vreugde en verdriet.
Tijd alleen, maar ook tijd van samenzijn.
De tijd gaat langzamer, minder gehaast als niets meer moet,  
Terugdenkend aan de voorbije tijd.
Dan staat de tijd stil, een mensenleven is voorbij.
Wat blijven zal in de tijd…………….
De herinnering.

 

Op 31 maart ontvingen wij per email het bericht van dochter Ellen en schoonzoon Kees dat Hans van Dijk die afgelopen nacht was overleden.
De kaart volgde. Eerder meldde wij u dat wij hem meerdere keren hadden bezocht zowel in de hospice als in verpleeghuis Mariahoeve.
In voorgaande edities van de Sepatoe Roesak schreven wij ook al over Hans van Dijk, onze bezoeken aan hem en een uitgebreid levensverhaal over hem.  
 
Hans was er trots op om veteraan, een Tijgerveteraan te zijn! Hij genoot van de aandacht die hij kreeg tijdens de Tijgerbrigadereünie 2014 van zijn medeveteranen en jongens van de re-enactmentgroepen, waarvan enkelen hem ook thuis nog hadden bezocht.
De avond voor de reünies belde hij trouw op naar Marianne om te vragen of hij de oudste reünist zou zijn. Marianne moest hem steeds teleurstellen: “Nee, meneer Chris Peelen is u nog steeds de baas hoor.”Na de reünie belde hij steevast de volgende morgen op om te vertellen hoe hij het naar zijn zin had gehad.  De laatste keer zat hij zelfs nog ongeschoren in pyjama aan de telefoon! Aldus hemzelf.
Vaste prik waren er ook de nabestellingen van de foto’s van die reünie: “doe van iedere foto waarop ik sta er maar 1, waar ik goed op sta 2 en waar ik heel goed op sta 3”.
Daarna volgden meerdere bestellingen die echt in de tientallen foto’s liepen. Voor bij de fotolijstjes met Meta, voor de kinderen en kleinkinderen, voor de hulp, de dokter, de arts in het ziekenhuis, ga zo maar door. Maar het was ook wel zo dat Hans dan bij de betaling van de foto’s, wederom steevast, voor de gedane moeite een donatie voor de kas deed.
Met grote regelmaat belde Hans Marianne op. Zo maar voor een praatje met de ‘Kletsmajoor’ zoals hij dan zei. Meta, zijn vrouw, noemde hem vroeger zo.  Dat praatje duurde meestal zeker langer dan drie kwartier. Het gebeurde wel eens dat aan het einde van een lang gesprek Hans opgewekt zei: “Zo, de avond is lekker opgeschoten voor mij. Ik ga naar bed.” Tja, als je alleen bent kan een avond best lang duren. Hier bij ons thuis ging er regelmatig een maaltijd nog even terug in de magnetron. Maar altijd aan het einde van het gesprek bedankte Hans  Marianne voor het luisteren en zij moest aan iedereen de groeten doen. Ook aan de ‘jonge tijgers’ en de overste van de Limburgse jagers Ramon Jansen, als ze die weer zag. Steevast vertelde Hans dat hij zijn Meta zo erg miste en hoopte dat de schepper hem die avond zou halen. Hij besprak met Marianne hoe hij zijn crematie wilde hebben en vroeg of zij kon regelen of er een erewacht zou zijn van de jonge tijgers. Een telefoontje aan kapt. R.v.Kemenade was voldoende. Zij vonden het een eer om een erewacht te mogen vormen. Maar het was Hans zijn tijd nog niet. Zijn motto uit Indië: ‘Ik vecht door tot de laatste man’, had hij veranderd in: ‘Ik ga door tot ik niet meer kan’. Hoewel hij alweer sprak om eventueel in september weer bij de reünie aanwezig te willen zijn, is het‘tot ik niet meer kan’ op 31 maart jl. bereikt. Een kleurrijk veteraan is heengegaan.   
 
Op paaszaterdag 4 april om 19.00uur was de crematieplechtigheid in de aula van crematorium Maaslanden te Vlijmen- Nieuwkuijk. Hoewel Hans van Dijk zijn crematieplechtigheid tot in de kleinste details had geregeld, met een erewacht van twee ‘jonge Tijger’ militairen , de re-enactmentgroep en de Limburgse Jagers, bleef het ‘beperkt’ tot een erewacht van de wapenbroeders. Wij, Joop en Marianne, mochten de Tijgerbanner bij de kist plaatsen naast het vaandel van de wapenbroeders.
 
Aalmoezenier majoor Liduina v.d. Broek leidde de crematieplechtigheid. Dit op nadrukkelijk verzoek van Hans zelf. Zij lichtte het leven van Hans toe zoals zij dat tijdens haar vele bezoeken aan hem had leren kennen. Er was een verhelderende  toespraak van schoonzoon Kees en een liefdevolle toespraak van de kleindochter. De achterkleinkinderen staken kaarsjes aan en legden rozen bij de kist die overtrokken was met de Nederlandse vlag. Helaas was er voor een toespraak of gedicht namens de Tijgerbrigade geen plaats in het programma. 
 

foto's:JoopPragt
 
Bij het dodenappel werden de aanwezigen gevraagd om op te staan.
Hans van Dijk! …..Present. Hierna werd door alle aanwezige militairen of oud-militairen een glas cognac geheven als afscheidsgroet aan Hans. Ook Joop mocht het glas heffen op Hans.
Na dit ceremonieel werd de vlag van de kist gehaald, de erewacht trad uit. Hierna volgde nog een gebed, een muziekstuk en de zegening door Aalmoenier Liduina v.d. Broek. Aan het einde van de plechtigheid kreeg iedereen de gelegenheid om een laatste groet bij de kist te brengen.
Namens Tijgerveteranen brachten ook wij een eerbiedige groet
De twee afgevaardigden van de re-enactmentgroep, Bart Oostvogels en Kevin Thry stonden stram in de houding en gaven een waardig militair saluut bij de kist.
 
Na afloop was er gelegenheid in de koffiekamer om de familie te condoleren. Hier complimenteerden wij ook Aalmoezenier Liduina v.d. Broek hoe mooi zij deze  plechtigheid heeft gebracht. Hans waardig.
Na afscheid te hebben genomen van Liduina v.d. Broek en de familie verlieten wij om 21.00uur het crematorium.
Niet eerder hebben wij zo laat een laatste afscheid meegemaakt.
Maar Hans, het was speciaal en waardig .   
 
Corr.adres: Gestelseweg 202, 5216 VE 's-Hertogenbosch.                   
 
 

 

 

Kostbare fotoboeken terug bij de eigenaar in Breda 

 
De dag is bijna ten einde op 12 maart en nog schijnt de zon volop.
Van ’s Hertogenbosch gaan we na een veteranenbezoek terug naar Hoogvliet. Maar we willen ook nog bij een sobat langs in Breda.
We hebben de geleende fotoalbums van Harry van Heugten 2-6RI bij ons. Marianne heeft alle foto’s gescand en alle beschrijvingen op de achterkanten over genomen. De foto’s daarna netjes weer gerangschikt in de albums. Een plakkertje erbij zodat ze er niet meer uit kunnen vallen.
Wanneer we vlakbij zijn, bellen we even op. “Harry komt naar beneden hoor”, zegt zijn vrouw Tineke aan de telefoon. We wachten op de parkeerplaats. De ‘poetsvrouw’(thuishulp) is vandaag bij de familie van Heugten. Vandaar de afspraak dat we alleen de albums zouden afgeven.  
Sobat Harry komt, met rollator, al heel snel naar beneden. Marianne geeft hem de albums terug. “Kijk, ik heb ze meteen even op volgorde gelegd en ik heb ook het album geplakt. Nu vallen de foto’s er niet zo maar uit”. “Oh dat is fijn!” Marianne geeft hem ook nog een boek over de bevrijding van Breda. “Het is bij u meer op de plaats dan bij mij op de werkkamer. Ik hoop dat u er wat aan heeft en anders geeft u het maar door aan de kinderen. En zodra we weer in de buurt moeten zijn, maken we weer een koffiepraatje bij jullie hoor”. Drie dikke klapzoen en Joop zwaait vanuit de auto. Dag hoor.  

 

Een heel verzorgingshuis op zoek naar vermiste sobat.  

 
Na ons bezoek aan Hans van Dijk in Rosmalen, gaan we naar
’s Hertogenbosch. Naar sobat Harry van de Broek.(1RS) Hij is degene die Hans van Dijk naar de derde leeftijdsplaats verdrong op de reünie. Overigens was Hans een sportief verliezer. “Ik stond graag mijn tweede plaats af aan hem hoor. Doe hem maar de groeten!”
 
Aangekomen bij de aanleunwoning in een van de meerdere gebouwen die verzorgingscomplex‘De Grevelingen’ heeft, lopen we met twee monteurs mee de hal in. Daar moeten we aanbellen. Zij ook. Geen van twee krijgt antwoord door de intercom. “Dat is vreemd, hij weet dat we vandaag bij hem op bezoek komen”,zegt Marianne. “Dat is vreemd, zegt de monteur, “ze weten dat we vandaag komen”. Weer bellen we. Zowel zij als wij. Zij krijgen ineens antwoord, bij ons blijft het angstvallig stil. We gaan samen met de monteurs de binnendeur door. Zijn we alvast binnen.
 
Naast een deur in de gang hangt een prachtige tijgertekening. We hoeven niet te twijfelen waar we moeten zijn. We bellen, kloppen, bellen nogmaals. Geen reactie. Joop klopt, slaat op de deur, maar niets.  Inmiddels er zijn er al enkele vrouwelijke medebewoonsters nieuwsgierig komen informeren wie we zoeken. Iedereen weet wel iets, maar uiteindelijk dus niets. We gaan zelf op zoek. Er zal toch wel personeel zijn in dit huis.
Nadat door medebewoners met pasjes de tussendeuren konden worden geopend gaan we verder op zoek. Uiteindelijk vinden een juffrouw achter het buffet die ons vertelt dat ze sobat Harry van de Broek voorbij heeft zien komen. Met zijn jas aan! Kijkt u anders even in die zaal daar, of hij daar zit! Helaas geen sobat Harry. Een tweede personeelslid gaat op zoek en heeft een derde ook op pad gestuurd. Een vierde verzorger gaat uiteindelijk met ons mee terug naar de kamer van Harry v.d. Broek. Klopt, roept en opent dan met zijn kaart de deur. “Meneer v.d. Broek, bezoek voor u!”. Maar er is niemand!
Vreemd. Daar staan we dan. We besluiten om maar weg te gaan. Jammer. Maar ondertussen is het al ver over de afgesproken tijd heen.
We gaan en laten ons visitekaartje achter.
 
’s Avonds worden we door sobat Harry v.d. Broek gebeld. Hij dacht dat wij eerder bij hem zouden zijn. Duidelijk geval van misverstand. Omdat het zo mooi weer was, had hij eerder gegeten en is hij gaan wandelen. Doet hij iedere dag. We beloven hem dat we weer snel langs zullen komen. Dat is goed. Sobat Harry belooft dan thuis zijn! Tot dan.  

 

 

Bezoek aan de onverslaanbare

 
Na onze flater en met de kater van een vervelend knagend schuldgevoel vanwege het teleur moeten stellen van sobat Arts, rijden we weer terug naar Rosmalen. He Rosmalen, woont daar niet ……..Hans van Dijk? Och, wat ging het slecht met hem.
Maar wat gebeurt? Marianne krijgt bericht van schoonzoon Kees: Hans is uit het hospice en in de verpleging. Het ging ineens weer veel te goed met Hans van Dijk.
Nou, dat wereldwonder wilden wij met eigen ogen aanschouwen.
En ja hoor! Daar zit die dan! Hans van Dijk, met blozende wangetjes, glimmende oogjes en een brede lach om zijn mond! Joviaal wenkt hij wenkt ons. “Kom lekker bij me zitten. Wat fijn dat jullie die ouwe tijger komen bezoeken”. Marianne geeft Hans drie klapzoenen en het snoepertje. Joop geeft hem een hand en een schouderklop. Voorzichtig.
                                                   
"Tja, daar zit ik dan”zegt Hans glunderend. “Ik moest weg uit Hospice. Ik was te goed! Ik zit hier dan wel en je weet het hè: ik ga door tot ik niet meer kan, maar het is wel genoeg voor mij hoor”.
 
Later als we koffie drinken, babbelt Hans weer volop en we stellen voor om een filmpje op te nemen voor zijn vriend Peter Fonkert in de USA en ook voor de overste van de Limburgse Jagers, Ltn. Kol. Ramon Jansen. Maar eerst huldigt Marianne hem met een grote gouden medaille. Nummer 1. Dat ben je voor ons hoor! Een echte kanjer.

foto: JoopPragt

Hans glundert. Hij hoopt iedere reünie de oudste veteraan te zijn en belt dan een avond van te voren zelfs nog op, om te checken op welke plaats hij staat. Afgelopen reünie werd hij van plaats 2 verdrongen naar plaats 3. Vandaag is hij dus met een chocolade medaille gehuldigd als nummer 1.
 
Trots vertelt hij zijn verhaal in de camera. Vraagt meteen aan de Overste Ramon of hij een mooie erewacht bij de kist voor hem wil regelen als hij overlijdt. Dat zou hij een grote eer vinden.
“Alles leuk en aardig sobat Hans”, zegt Marianne, “maar nu geen filmsterallures krijgen hè. Twee films gemaakt!” Zelfs de medebewoner die bij ons aan tafel zit en niet te bereiken is, schiet nu in de lach.
 
Hans geniet! Hans geniet altijd van de aandacht. “Je zorgt wel goed voor de Tijgertjes als ik er niet meer ben hè,” vraag hij. Natuurlijk! “En doe je iedereen weer de groeten van mij?” Doen we, meneer van Dijk”. “He geen meneer! Gewoon Hans! “Dag Hans, als we in de buurt zijn komen we weer even koffiedrinken bij je hoor” De filmster zwaait ons uit nadat hij weer drie klapzoenen van Marianne en een ferme hand van Joop kreeg. “Mijn jasje hangt al klaar voor de volgende reünie hoor. Ik doe mijn best om er weer bij te zijn!” roept hij ons nog na. Wij steken onze duim op. Goed hoor.   

 

Weer op een ziekenbezoek maar toch ook weer niet!  

 
“Marianne, mijn vader is opgenomen geweest in het ziekenhuis. Ik moest jou van hem bellen. Na geïnformeerd te hebben bij de dochter van Willem Arts, 2-2RVA, hoe het met nu met hem ging, werd na een spoedberaad met Marijke, de coördinator nazorg, besloten hem te bezoeken bij thuiskomst. IJsselstein, dat lag toch mooi op de route voor onze andere bezoeken die dag.
 
Dus op 12 maart tuften wij naar IJsselstein. Omdat we eerder wat problemen hadden met de TOMTOM waren wij niet in paniek dat de aankomsttijd ruim een uur later werd aangegeven dan wij zelf hadden berekend. Die instelling met de tijd zetten we thuis wel weer goed.
Maar onderweg kregen wij onze bedenkingen. We herkende de route niet en de borden gaven ook andere informatie dan wij verwachtten. Nogmaals de TOMTOM ingesteld. Geen verandering. Wat doe je dan?
Je belt gewoon even op! Sobat Arts, waar woont u nu precies? We rijden nu al ruim een uur, maar zien de eindbestemming nog niet. U woont toch wel in IJsselstein? Ja, maar dan wel in Limburg is zijn antwoord.
Ow! Wat een misser! Twee IJsselsteinen! Het is me wat! 
 
Omdat we met oog de planning van de rest van de dag helemaal in de knoei zouden komen, hebben we in overleg met sobat Arts besloten dat wij meteen terug zouden rijden en om voor de andere bezoeken op tijd te zijn en zo snel mogelijk  een nieuwe afspraak met hem zouden  maken om hem in Limburg te bezoeken. Politici gaan na  grote missers dan diep door het stof, Marianne stuurt sobat Arts een kaart met haar welgemeende excuses en beloofde hem terug te gaan naar de schoolbanken! Dubbele plaatsnamen leren! Wordt vervolgd.  

 

 

Het ziekenhuis uit  en er meteen weer in!  

 
Op 26 februari bezoeken we naast sobat Jan v.d.Kuy, nog een sobat.
Kees de Wit. VbaD T-Brigade. Via zijn vrouw Emmy kregen wij bericht van de ziekenhuisopname van sobat Kees. Ook toen sobat Kees weer naar huis mocht. Een welkom thuis kaart werd meteen verzonden.
Dan volgt weer een melding van ziekenhuisopname en het ontslag. Maar de thuiskomst verloopt toch heel anders dan gedacht. We gaan bij hem thuis in Hoofddorp verhaal halen.
 
We worden weer heel hartelijk ontvangen door sobat Kees en zijn vrouw Emmy. Het lijkt of we niet weggeweest zijn, want de gezelligheid zit er meteen weer in. De goodiebag van afgelopen reünie wordt erg gewaardeerd. Evenals de placemat met het tijgerlied. “Volgende keer komen we u overhoren of u het lied uit het hoofd kent!”
Goed, tijd voor de koffie en het volledige relaas over het bizarre ziekenhuisvoorval.
 
Kees de Wit had een herseninfarct gehad en was opgenomen in het ziekenhuis. Hij kreeg een extra stoot bloedverdunners en moest een nachtje overblijven. De volgende dag mocht hij weer naar huis. Een beetje in de war nog, maar als je de keus heb om naar huis te gaan, dan ga je!  Zijn vrouw Emmy vertelt:  “Ik zette hem op een bank in de hal neer. Twee tasjes met kleding erbij.
Mijn dochter ging vast vooruit om de auto voor te rijden. Ik zeg tegen Kees: Ik ga even kijken of Astrid er aan komt, dan kom ik je ophalen. Het is waarschijnlijk langs hem heengegaan. Ik sta met mijn rug naar de schuifdeuren boven aan de betonnen trap buiten te kijken of mijn dochter al uit de garage komt.  Ik hoor ineens boven aan die trap:” Ow ow ow! En ik kijk en denk: O jee, er is iemand van de trap afgevallen! Ineens zie ik mijn twee tasjes erbij liggen. Hij gaat nooit met de trap. Nooit! We komen dikwijls genoeg in dat ziekenhuis en gaat hij altijd met de lift. Ik liep meteen naar beneden en riep: Kees wat doe je nou!? Kees wat doe je nou!?”
Twee verpleegsters, die net naar huis gingen, trokken hun jacks uit en legden die over hem heen. Ze dorsten hem niet te bewegen. Later kwam er ook nog een arts bij. Droog merkt Kees de Wit op: “Ik had meteen eerste hulp!” De ambulance werd gebeld. Die staan altijd achter het ziekenhuis! Maar het was spitsuur en alles was weg. We moesten wachten op een ambulance uit Haarlem. Op een plank en met nekkraag werd hij weggedragen. In de ambulance naar de eerste hulp aan de achterkant van het ziekenhuis. Och, wat een toestand allemaal. “Maar”, merkt Marianne bij de hand  op: “Je had wel je pyjama bij je!” “Nou mijn dochter en ik stonden wel even een potje te janken hoor. Eerst die infarct en nu dit. Maar we werden heel goed opgevangen hoor.” Kees zegt:”Ik weet nog heel goed dat tijdens de val heb ik een hand voor mijn gezicht gehouden. Dat ik niet op mijn kop viel. Bij onderzoeken bleek dat hij niets gebroken had. Misschien een rib, maar dat konden ze niet zien op de röntgenfoto. De pijn is het zelfde. Alles werd onderzocht en hij mocht eigenlijk weer naar huis. “Mijn dochter en ik trekken onze jassen weer aan”, zegt Emmy. “De zuster komt met een rolstoel aan om hem naar de auto te kunnen brengen. Maar van de onderzoekstafel af komen dat deed hem allemaal zo ’n zeer. Hij zat in de rolstoel en toen werd hij niet goed. Lijkwit! Ik dacht:Oh God, daar gaat die. Maar gelukkig kwam hij weer snel bij. Hij moest in het ziekenhuis blijven. We gingen om 14.00 uur naar het ziekenhuis en ik kwam pas ’s avonds om 23.00 uur weer thuis. Na 4 dagen mocht hij weer naar huis”.

foto's JoopPragt

We aanschouwen nu alle nog zichtbare bloeduitstortingen. Neeeeee! Niet de broek laten zakken hoor! We geloven u zo op uw woord hoor!                                          
Emmy: “We hebben foto’s ervan gemaakt. Ik wis niet wat ik zag. Heel zijn onderlijf paars blauw, billen en zo naar voren. Ja, inclusief zijn jonge heer.”  “Je lijkt wel een schilderij,” zegt Joop. “Ja, dat is zo en dat ben ik altijd al geweest ook!” antwoordt sobat de Wit gevat.
 
“Maar thuis ging het niet goed. De huisarts kwam erbij en hup, daar ging Kees nog eens een keer  in de ambulance naar het ziekenhuis. Weer allemaal onderzoeken. Bleek ook dat hij niet goed kon plassen. Een katheter! Nou, dat hielp.  Na alle onderzoeken bleek het een Delier te zijn geweest. Nooit van gehoord,”zegt Emmy, “dus ik heb het later opgezocht op Google. (acute verwardheid ten gevolge een val, een ziekte of ongeval red. ) Kees moest toen een hele week in het ziekenhuis blijven. 
Ondertussen pakt sobat Kees de Wit het tijgerpresentje van de reünie uit. Vergenoegend kijkt hij naar de spekkies in het glas. “Mmmmm! Dat is spekkie voor mijn bekkie!” Maar hij pakt ook de Tijgeronderbroek uit. Nou, dat veroorzaakt een lachsalvo! Joop zegt:”We hebben er ook nog bretels bij.” “Hartstikke bedankt hoor”, zegt sobat Kees, “heel leuk.”
“Maar goed, vervolgd Emmy de Wit het verhaal, “je bent er nog en het gaat iedere dag een beetje beter! Houden van is dat je zorgt voor de ander als die iets mankeert.”  En zo is het!
Joop zegt: “Ik moet toch even opmerken dat ik het zo leuk vind dat u meteen iets op gaat zoeken op het internet. Geweldig. Duim op!” “Ja, zegt Kees de Wit, “ik stopte met computeren en zij nam het over.” “Ik zoek alles op hoor”, vertelt Elly trots,  “van wat de artsen vertellen maar ook waarom de erwtensoep zuur was geworden! Ik wist niet dat je dat allemaal kon opzoeken met de computer.”
“Marianne, ondanks al het werk wat ik destijds voor de verbindingsafdeling Tijgerbrigade heb verzet, hoor ik nu niets meer van hen,” merkt Kees op. “Ja, van 1 of 2!” Waarop Emmy zegt:” Maar horen ze van jou wat? Wanneer pak jij die telefoon en denkt: Ik ga ze eens opbellen? Hoe is het met jou?  Gewoon doen!” Joop en Marianne kunnen dat alleen maar volmondig beamen: Ja, gewoon doen!
 
Wij bezochten Kees de Wit en zijn vrouw Emmy eerder. We hebben toen uitvoering Kees zijn belevenissen in zijn jeugd en bij de Tijgerbrigade beschreven.  Dit keer houden we het bij het bijzondere verhaal van het ziekenhuis.  Niet dat het bezoek alleen kommer en kwel is geworden. We hebben tussendoor enorm uitbundig gelachen. Zowel Kees als Joop waren vooral de aangevers voor deze ontspannende lachsalvo’s. Dan volgt nog een vrolijke mededeling: “in oktober dit jaar zijn we 60 jaar getrouwd, maar we vieren het straks in mei. We vieren dan ook onze verjaardagen. Halen we oktober niet meer, dan hebben we toch een feestje gehad! Hoera!”                                                                                                      

 

 

Hand in hand met feyenoorder J.v.d.Kuy 

 
l
Omdat we op 26 februari in IJsselstein moeten zijn, vragen we aan onze coördinator nazorg Marijke of we meteen die dag langs sobat Koos v.d. Kuy in Gouda kunnen gaan. Dat kan. Op naar Gouda waar sobat van der Kuy ons verwacht. Zijn vrouw doet open. Zij wordt opgehaald door de dagopvang. Ze vind het erg jammer dat ze nu net weg moet. We overhandigen haar wel nog even het damespresentje van de reünie. Zwaaiend gaat ze later aan de arm van chauffeur voorbij het raam. 
“Goh” zegt sobat Jan van der Kuy als we in de kamer zitten, wat vind ik het hartstikke leuk dat jullie hier zijn.”
Joop geeft sobat v.d. Kuy een deurhanger met ‘niet storen, Feyenoord speelt. Vanavond spelen ze de thuiswedstrijd tegen Roma.“Dat ding hoef ik niet op te hangen hoor, zegt sobat van der Kuy, ik ben er vanavond zelf bij in de Kuip! Ik heb destijds als oorlogsinvalide van Feyenoord een vaste plaats in het Feyenoordstadion gekregen.  
Ik heb altijd op Zuid(Rotterdam)  gewoond. Nee ik ben geen Rotterdammer , want ik ben op 16 december 1927 in Gouda geboren. Een echte Gouwenaar. Ik was twee jaar toen mijn vader voor zijn werk verhuisde naar de Blaaksedijk in Rotterdam. Toen ik Indië zat, zijn mijn ouders weer in Gouda gaan wonen.
Ik ging op school op de Hillevliet. Bij meester Fortuyn, dat was de hoofdonderwijzer. En ja, het is inderdaad familie van Pim Fortuyn
Na de lagere school ben ik naar de ULO gegaan en toen ben ik banketbakker bij de firma van Stralen geworden. Een oud- Feyenoorder. Tot ik opgeroepen werd voor de dienst ben ik banketbakker geweest. 
Ondertussen was het ook oorlogstijd. Toch heb ik mijn school gewoon af weten te maken. We zijn wel verplaatst. In de school op de Hillevliet kwamen allemaal Duitsers in te liggen. Ik was toen een jaar of veertien, vijftien jaar. 

foto:Joop Pragt

Later, op 6 november ’44 werd ik opgepakt. Opgepakt en in het Feyenoord Stadion gestopt. We moesten lopende naar Gouda, dat was eerste stopplaats, daar hebben we overnacht in de St.Janskerk. Van daaruit zijn we in Utrecht terecht gekomen. Dat ging op paard en wagen. In Utrecht aan de Catharijnesingel, aan de ene kant heb je het politiebureau,daar stonden een hoop mensen en daar lagen van die rijnaken. Daar werden we in gestopt. Dat was bedoeling. Maar twee niet hoor. Want mijn 3 jaar oudere broer was ook opgepakt. We waren met zijn vieren of vijven en het was een drukte van al die mensen die daar stonden. Op een gegeven moment moesten we in die boten, maar hebben ons gedrukt tot we helemaal tussen het publiek stonden. En toen weer terug naar huis”.
“Toen u in het Feyenoordstadion vastzat,speelde u al in Feyenoord?” stelt Joop. “Ja, toen speelde ik nog maar net bij Feyenoord. In A1”. “Nou”, zegt Joop,“klasse. Dan kon je een aardig balletje schoppen hoor.” “Maar toen moest ik begin ’47 in dienst en ik kwam in Schalkhaar, de kazerne daar, bij een kapitein.. ??,hè zijn naam ben ik kwijt, die  was van Go-Ahead. Toen ben ik in training gegaan bij GO-Ahaed. Ik ging naar Indië. Ik was dus dienstplichtig. Ik wilde wel als OVW-er maar mijn vader gaf geen toestemming.  
 
Nadat we ‘ontsnapt’ waren bij de boten in Utrecht zijn we aan het zwerven gegaan.  Na weken zijn we uiteindelijk toch in Rotterdam terecht gekomen. De bevrijding afgewacht en toen moest ik in dienst. Ik kwam op in maart ’47 bij de 9e reg. infanterie in Steenwijk .Dat ging ook naar Indië toe. Wij werden overgeplaatst naar het 5 RI in de Westenbergkazerne in Schalkhaar, dat was een paraat onderdeel. Dat ging naar Indië toe. Ik heb daar ongeveer een maand gezeten. Als aanvulling ben ik bij het 5e terechtgekomen. We gingen precies op mijn verjaardag, 16 december, vanuit Rotterdam met de Zuiderkruis direct naar Indië. Ik was niet eerder het land uit geweest. Aan boord kreeg ik een baan. In de keuken. Broodbakker!Aan boord werden geen gebakkies gebakken hoor.
 
We kwamen aan in Semarang en later gingen we door naar Salatiga, daar zat 2-6RI. Dat was de ouwe hap. Wij waren de baroe’s. Eerst lag ik op buitenpost Soemowono, na drie maanden werd ik overgeplaatst naar de ondersteuningscompagnie in Salatiga bij het Chinees Paleis. Daar heb ik gezeten tot december tot we oprukten naar Djokja. Ik was waarnemer bij inlichtingen en veiligheid. Ook weer met een ploegje van 12 man. We zwierven overal rond en zaten nooit bij het onderdeel zelf. Over heel midden Java en toen Djokja. Maar vanaf 23 december 1948 weet ik niets meer.

foto: Joop Pragt

Dat zal ik nooit vergeten, zegt sobat v.d.Kuy geëmotioneerd. Dat is nog iedere dag bij me. Ik toen iets meegemaakt dat maakt niemand meer mee!  
Een onderdeel van 5RS lag op Soemowono. De luchtlanding was op 19 december. Dat was voor het eerst dat ik in een vliegtuig zat. Van Semarang naar Djokja. Met carriers in het vliegtuig. We landen op het vliegveld  Magoewo bij Djokja en zijn we op Moentilan terecht gekomen. Daar hebben we een paar dagen gezeten. 
Het was op 23 december 1948 , het was ongeveer 5 uur ’s middags.Om 6 uur is het duister hè. We staan daar met 2 carriers op een knooppunt van een paar wegen. Er komt een jeep met aanhanger met jongens van 5 RS aanrijden. 
Die hadden de grootste lol. Zingen en zo. De commandant sommeerde ze te stoppen. “Waar is de reis heen?” Ze moesten naar de brug. 
Dat zou ik maar niet doen, want het wemelt van de TNI. Heel de dag was er al geschoten. Mijn commandant, de luitenant Mikmak, een veiligheidsofficier zei: Jullie kunnen wel onder begeleiding van de carriers, daar waren ze als de dood van. Nee dat was helemaal niet nodig! En daar gingen ze… Hier hapert van der Kuy even, slikt en vervolgt: ……
Nog geen 200 meter verder rijden ze in een hinderlaag. Er waren er zes doodgeschoten. ……………. Ja, dat was een verschrikking…. Wij er op af. We hebben ze opgepakt en naar Muntilan gebracht. Het was een verschrikking! Een vreselijke bedoening. Terwijl wij nog gezegd hadden: niet doen! …Nadat het was gebeurd hebben we ze dus opgepakt en in van die rieten matjes gepakt en zijn we weggereden. We hebben urenlang…. Een verschrikking was dat…..Dat was dus de andere dag. Het was enorm warm en het duurde uren en ze lagen in de carrier. We konden ook nergens heen. Overal was schieten, overal was vuur. Uiteindelijk zijn we toch bij de brug gekomen. Die brug was opgeblazen. We waren er een paar dagen daarvoor nog overheen gekomen.  De spoorbaan lag er nog. De carriers hebben we op de spoorbaan gezet en zo zijn we doorgegaan. Uiteindelijk kwamen we bij hulpposten. Die hebben alles van ons overgenomen. Het was allemaal heel heftig.
 
Op 27 december moesten wij met onze carrier als beveiliging van een konvooi terug uit Salatiga, voorbij Ambarawa, naar een voormalige post van de KNIL. Er was al gewaarschuwd voor mijnen en trekbommen en zo. We hadden een te kort aan personeel, toen hebben ze mijn wagen volgeladen met mortiergranaten. Ik ging achter het konvooi rijden, want als er wat gebeurd….dan gaat de hele zaak de lucht in. Wij reden er dus een heel eind achter…Ja en toen zijn we, ik weet het niet hoor!,op een trekbom gereden. Vanaf dat moment weet ik helemaal niets meer.  
Later hoorde ik wat er allemaal gebeurd is.
Op 28 januari 1949 kwam ik voor het eerst uit coma. Ik lag toen in het St.Elisabethziekenhuis. Heel zwaar gewond. Het is nog veel erger, ik was al als gesneuveld opgegeven. In het krantje ‘De Locomotief’van 7 januari 1949 staat dat ik gesneuveld ben. Maar ik weet niets. Dat is helemaal uit mijn geheugen. Wat ik toen vreemd vond, dat er in het ziekenhuis allemaal doekjes over de spiegels hingen. Maar ik  ben 16 meter weggeslingerd en met mijn hoofd op de spoorbaan gekomen.  Mijn hele gezicht was scheef en kapot. Mijn linkeroog lag er uit. Het is allemaal redelijk goed gekomen. Lopen gaat wel, alleen het praten gaat soms wel moeilijk, maar dat komt omdat ik een paar keer een herseninfarct heb gehad.
Drie jaar geleden sta ik bij de bus, ik ben neergevallen en de volgende dag kom ik weer bij in het ziekenhuis, Geopereerd en al en met een pacemaker. Als herboren was ik!
Mijn  vrouw en ik zijn in 1978 terug geweest naar Indonesië om te kijken of ik nog iets zou herinneren, maar er komt niets meer boven.
 
Ik heb 7 maanden in het Elisabeth gezeten. Toen konden ze me pas vervoeren. Ik was van kop tot teen gewond. Verbrijzelde enkels, wervelfracturen, helemaal verlamd. Ik ben met een oor helemaal doof. In juli‘49 ben ik met de ‘Grote Beer’ teruggebracht naar Nederland.
Ik werd opgenomen in het oude ziekenhuis in Den Haag. En van daaruit twee jaar naar het militair herstellingsoord Aardenburcht in Doorn.
Ik heb er voor gezorgd dat ik er weer bovenop kwam. Ik heb altijd gezegd: Ik niet meer kunnen lopen? Let maar eens op dokter, je zal het nog meemaken: over drie maanden loop ik. Dokter Spierenburg zei tegen mij: Denk erom dat er nog een hoop aan je moet gebeuren. Het heeft jaren geduurd. Ik werd volledig invalide verklaard. 100% + 40% smartengeld. Nee, het was nog anders! Ik zei: Oh nee, dat nooit! Ik wil weer werken. Ik moet weer voetballen. Dat kon nooit meer natuurlijk. Daar heb ik mij bij neergelegd. Ik was nog wel steeds lid van Feyenoord. Ja hoor. Ik heb als oorlogsgewonde een speciale plaats in het stadion. Ik ga nog steeds naar speciale wedstrijden. Ik rijd met een aangepaste auto of reis met de trein.
 
In 1993 kon ik pas voor het eerst goed lopen. Ik heb altijd met een stok gelopen. In 1993 ben ik hier geopereerd door dokter van den Oever. Hij zei: Ik kan je helpen. Maar je moet er wel op rekenen dat het wel twee jaar duurt, maar dan loopt je weer. Het lopen gaat! Rustig aan, maar ik loop nu kilometers! Geen rolstoel, stok of rollator! Toen ik dus voor die 140% werd afgekeurd, accepteerde ik het niet.
 
In Indië had ik mijn middenstandsdiploma gehaald. Ik ben daardoor hier in Gouda bij de Rotterdamse Bank in de administratie terecht gekomen. Dat was mijn eerste baan. Leuke tijd gehad, maar ik wilde verder. Ik zag iedereen zich maar omhoog werken en ik bleef maar zitten. Terwijl ik toch een verantwoordelijke baan had. Daar heb ik wat onenigheid om gekregen. Er werd aangevoerd:Ja, maar je bent toch invalide en je hebt toch een pensioen?  Wat heeft dat er nou mee te maken? Toen kreeg ik er de sloffen in en werd ik zo kwaad: ik pakte een schrijfmachine en die gooide ik zo door de raam heen”. Joop zegt: “Nooit meer teruggevonden die schrijfmachine”.
“Dat is ongeveer in 1953 geweest”, lacht van der Kuy.”Maar ik werd weer opgenomen en ging naar herstellingsoord Austerlitz om weer rustig te worden. Nou daar heb ik dingen meegemaakt, die maakt geen mens meer mee. Dat was een verschrikking. Ik ben daar een jaar geweest toen ze mij vroegen wat ik nou zou willen. Wat ik graag wil?Ik wil nog maar 1 ding: ik wil terug in militaire dienst. Toen de kolonel-arts daarvan hoorde, zei hij, daar gaan we voor aan het werk. Juist die tijd hadden ze personeel nodig bij defensie.
Heel gedoe geweest van dit en dat, maar ik kon terugkeren in militaire dienst. Ik zou geplaatst worden bij de 2e COAC in Kampen voor opleiding sergeant administrateur. Nou, dat was het. Ik werd niet ontslagen, moest wachten tot ik mijn oproep kreeg om naar Kampen te komen.  Het zou zo ongeveer drie maanden duren. Ik ging met ziekteverlof. Uiteindelijk kreeg ik dus bericht van die kolonel-arts.  Ik werd als burger bij de militairen ingedeeld. Ik ben tot 1983, toen was ik 56, bij defensie gebleven. Toen ging ik met functioneel ontslag. Dus dat was mijn hele relaas!  

foto: Joop Pragt

"Nu horen we heel wat belevenissen,  maar dit is wel weer een heel bijzondere situatie hoor”, zeggen Joop en Marianne.
“Defensie is altijd heel goed voor mij geweest. Vooral toen er nog een dienstplicht was. Ieder jaar kreeg ik bezoek van de militaire dienst om te kijken hoe het met mij ging. Ik zei:‘ik heb niets nodig. Ik zorg gewoon voor mezelf. Dat hoeft allemaal niet. Dat is altijd goed gekomen.
Ik heb de laatste vijf jaar hier in Gouda in de Prins Willem Alexanderkazerne gezeten. 
Ik ben getrouwd op 21 december 1960. Ik heb mijn vrouw leren kennen hier in Gouda, een beste vrouw, maar de laatste jaren is het dus anders geworden. Dat is heel moeilijk. Ze gaat drie dagen in de week naar de opvang. 
 
Iedere vrijdag van de maand moet ik zelf naar Oegstgeest.  Ik ben nog steeds onder behandeling voor PTSS. Posttraumatisch stressstoornis. Daar kan ik niet van buiten. Daar moet ik zijn. 

 

In mijn leven heb ik al zoveel meegemaakt. Ik heb een vriend gehad. Een kaart vriend dan. Een prima jongen. Totdat! Ik weet niet of u wel eens van Leoni Jansen heeft gehoord. Vroeger was zij bij de televisie. Het jeugdjournaal. Haar vader was mijn vriend. Op een gegeven moment stond er in de dagbladen dat zij een boek ging schrijven over haar vader. Maar weet je wie haar vader was? Dat was een waffen-SS-ers. NOOIT GEWETEN!!!  Het was een geweldige vent hoor. Maar nooit, nooit iets verteld over zijn verleden. Niemand wist het. Hij is in 1994 gestorven hoor. Zij Leoni, is dat boek gaan schrijven nadat hij is overleden. (Geheim- het oorlogsverhaal van mijn vader. Het boek kwam uit in januari 2013 red) 
 
 
Zal ik nu dan maar eerst een kop koffie maken? Marianne bladert even  in het boek van Leoni Jansen en helpt dan Sobat van der Kuy met de koffie naar binnen te brengen.
“Hebt u kinderen?”vraagt Marianne. “ Nee, wij hebben geen kinderen. Na ons trouwen werd mijn vrouw huisvrouw maar nu doe ik altijd de boodschappen. Ik heb wel hulp in de huishouding hoor. Ik heb geen extra verzorging of maatschappelijk werk. Ik woon hier vanaf 1972. Toen ik overgeplaatst werd vanuit Den Haag kreeg ik dit huis via defensie.. Nee, ik wil niet verhuizen naar een verzorgingsflat of zo iets.‘Ik zorg voor het ontbijt en alles wat er verder moet gebeuren.
’s Middags ben ik weg. Ik moet altijd bezig zijn. Kaarten of kijken bij het biljarten. Biljarten zelf dat doe ik niet meer. Joop merkt ineens op: “Wat mij nu opvalt is, dat u de Telegraaf leest. Dat is een AJAX-krant!””Nou, die lees ik al vijftig jaar! antwoord sobat van der Kuy lachend.
 
Tja, ik loop achter. Ik heb geen computer. Toen de computer zijn intrede deed, stapte ik er net uit begin 80. Tegenwoordig gaat alles met de computer. Oh ja, nou moet ik toch nog een ding vragen: Lankhuizen, die naam die zegt mij iets”. “Nou dat is mijn vader. Die zat bij 2-6RI, bij de zware mortieren”. “Was hij kapitein?” “Nee, mijn vader was soldaat. Bij de ondersteuningscompagnie bij de zware mortieren. Hij had rood haar. De inlanders noemden hem Ramboed Merah”.
 
Ik ben altijd naar de reünies van 5-5RI, de ondersteuningscompagnie, geweest” vertelt sobat van der Kuy verder.”Ik  ga trouw ieder jaar naar Roermond en de veteranendag in Den Haag”. Ik draag alleen mijn veteranenspeldje en mijn badge.
 
Marianne haalt aan dat toen zij een tijdje geleden de boekhouding deed en op de rekening keek, dat er ineens een bedrag van 355 euro door sobat v.d. Kuy op de rekening van de sobats was gestort.  Dat zij sobat Jan v.d. Kuy nog op heeft gebeld met de vraag of dat bedrag wel klopte. Het was natuurlijk een flink bedrag! “Ja, dat weet ik nog. Ik deed juist dat bedrag overmaken omdat ik bij 3-5-5RI heb gezeten!
Tja, dan krijg je ineens zo’n ingeving hè,” zegt hij.
 
”Het boekje, zeg maar gerust blad, vind ik geweldig goed! Ik neem mijn petje er voor af wat jullie doen hoor. Ik kijk al weer uit naar de reünie hoor. Ik vond het wel jammer dat er dit keer van ons van 5-5RI zo weinig erbij waren.
Tja het wordt allemaal minder natuurlijk. Die jongens van de groep in die ouwe uniformen vind ik ook leuk. Dat hoort erbij! Ik vergelijk jullie reünie dan wel met onze reünie , maar dat is heel heel anders. Bij jullie is het familiair. Een familiedag! Een fijne dag uit”.  
                                                
Marianne zegt: “Dit jaar hebben we als thema 70 jaar bevrijding. Straks moeten we nog ergens naar toe. Daar hebben we cadeaus gekocht voor jullie wat jullie dan krijgen. Het past mooi bij 70 jaar bevrijding”. 
“Weet je wat ik ook zo fijn vindt, dat jullie hebben geregeld dat je met een busje van de trein naar de kazerne wordt gebracht”. “Daar krijgen de Limburgse Jagers alle lof voor hoor”, zegt Marianne. “Nou, hartstikke goed! Natuurlijk vind ik het heel leuk dat er ook militairen aanwezig zijn van het kader. En dat ze dan ook nog bij je aan tafel komen zitten om een praatje met te maken, vind ik heel fijn. Een stukje waardering en respect. Prima hoor. Maar ja, ieder jaar wordt het minder. Marianne zegt: “Met respect, jullie zijn een uitstervend ras. Maar we blijven ons inzetten voor jullie hoor. Zo en nu gaan we naar IJsselstein. Het speciale cadeau voor de reünie ophalen”.
We nemen heel hartelijk afscheid en wensen sobat v.d. Kuy sterkte, ook met zijn vrouw. We hopen hem straks in september weer een mooie dag te bezorgen. Tot dan!  

 

 

Flitsbezoek aan Gerard Hegge  

 
Op de terugweg naar huis na ons bezoek aan Barend van Mierlo uit  Krimpen aan den IJssel op 3 februari gaan we ook nog even langs bij veteraan Gerard Hegge. We brengen hem het geleende fotoalbum terug. We maken nog gezellig een babbel en dan is het genoeg voor vandaag!
We gaan naar huis! 

 

 

Op bezoek bij 5RS telegrafist Barend van Mierlo!  

 
Cees Barnhoorn is niet de enige sobat die in Krimpen aan den IJssel woont. Ook Barend van Mierlo woont daar. Hij is ook van 5 RS en gaat soms bij Cees Barnhoorn op bezoek. Helaas heeft Barend van Mierlo geen goede berichten ontvangen over zijn gezondheid. Hij heeft prostaatkanker en het bekken is aangetast.  We gaan op 3 februari ook bij hem langs. 
Binnen in de warme kamer van het huis van Barend van Mierlo komt de geur van hyacinten en narcissen ons al tegemoet. Heerlijk! Voorjaar, maar dat is nog even wachten. We snuiven vergenoegd de lente op! Dat samen met een geurig kopje koffie, wat wilt een mens nog meer? Een goed verhaal.

foto:Joop Pragt

Marianne vertelt dat ze bij Cees Barnhoorn vandaan komen. “ Ja, het gaat niet zo best met hem”, zegt sobat van Mierlo. “In Indië was hij mijn pelotonssergeant. Ik zat bij de Stoottroepen, 5 RS,  het verbindingspeloton. De ene dag op het berichtencentrum, de radiozender bedienen en decoderen en coderen van telegrammen.  De andere dag liep je met een enorme radio op je rug en twee reserve batterijen in de tassen. Het waren de 18,6 radio’s waarmee we op patrouille gingen. Wij hadden geen aanvallende taak, berichten wisselen en dat soort dingen. Maar ik had  wel een Lee-EnfielSoms moesten we dwars door het oerwoud en met die lange antennes, wat een gedoe man”. “En daarmee was u een mooi doelwit”, merkt Marianne op. “Goed gezien”, zegt sobat van Mierlo.  
 
ïk ben geboren in Den Haag. Een week na mijn geboorte verhuisden we naar Breda. Mijn vader restaureerde samen met zijn vader kerkinterieurs. Maar ook van die grote mannetjes en vrouwtjes op de draaiorgels. Die lagen dan thuis bij ons in de werkplaats. Ik ging ze 's avonds allemaal een handje geven. Hij werkte o.a. ook nog voor de ETNA in Breda en het embleem van de ETNA, die twee mannen die een schenk met gloeiend metaal dragen, heeft hij ontworpen. 
De eerste dertien jaar heb ik in Breda gewoond en de lagere school gevolgd. Mijn vader kreeg een baan bij een andere haardenfabriek en toen zijn we naar Hilversum verhuisd. Daar heb ik een 4jarige Mulo opleiding gedaan en daarna ben ik naar de avondschool gegaan. Toen werkte ik ondertussen al als assistent-chef in een zaak in luxe huishoudelijke artikelen." "Maar", merkt Joop op, "toen zat u wel midden in de oorlog. En dat was ook een heel spannende tijd natuurlijk".
"Ja, dat was inderdaad een spannende tijd want ik heb ook onderdoken gezeten. In Breda zat ik al in de 1e klas van de MULO en in Hilversum heb ik er nog 3 klassen bijgedaan.". "De scholen werden toch op een gegeven moment gesloten". merkt Marianne op.  "hoe hebt u de MULO dan af kunnen maken?" "Onze school werd ook in beslag genomen, maar we gingen wisselend met een andere school naar les. De ene school 's morgens, de ander 's middags. Zo heb ik begin 1944 mijn diploma gehaald. Toen moest ik onderduiken.
Onder ons huis hadden we een grote kelder, daar kon je in staan. Er was een platje onder de trap naar boven, dat hadden we precies op de naden uitgezaagd, een luik. Daar kwam allemaal puin te voorschijn. Bouwlui hadden destijds dat allemaal tussen de fundering gestopt om het maar kwijt te zijn. Dat puin kon een veeboer verderop goed gebruiken om zijn erf op te hogen. Mijn broer en sjouwden een zinken teil met puin 's avonds in het donker daar naar toe. Wij kregen van hem weer wat stro voor onze schuilplaats. Iedere avond gingen wij daarin. Het was al eens gebeurd dat ze aan de deur bonkten en dan moesten wij als hazen jaar de schuilplaats. Alleen dan was je bed nog warm! Die moffen waren ook niet dom. Vandaar dat we maar iedere avond in de schuilplaats sliepen. Het is dus gebeurd dat die Duitsers binnenkwamen. We hoorden ze door het huis lopen. ‘Waar zijn de jongens’. Mijn moeder vertelde dat we al in Duitsland zaten.  
Een paar huizen verder woonde van Voren, een groenteman en die had een paard en wagen. Hij moest voor die Duitsers, je had toen de Centrale keuken, daar moest die voor rijden. ’s Avonds om 8uur half 9  kwam die terug en dan had die wel eens een restantje van dat gaarkeukeneten voor ons. Dat was een en al water met wat koolbladeren en zo. Maar ja het vulde toch weer even. Zo zijn we dan de Hongerwinter doorgekomen. Mijn vader ging ook op hongertochten naar de boer. Het was al een oude man. Hij ruilde pakken kaarsen, klossen garen, flessen slaolie en zo. Met geld kwam je er niet.   
Hij kreeg een keer door een bombardement bij Doornspijk een scherf in zijn arm waardoor hij zeven breuken had. Hij is toen in het ziekenhuis van Ermelo opgenomen. Maar er was geen telefoon, niets. Hij was al weken weg. Wij maar wachten en wachten. Na drie vier weken, kwam er een vrouw aanbellen die mijn vader in het ziekenhuis had leren kennen. Zij vertelde dat mijn vader dus in het ziekenhuis lag. Die Hongerwinter dat is een toestand geweest, dat vergeet je je hele leven niet meer.  
Toen de oorlog afgelopen was ben ik dus bij die zaak in luxe huishoudelijke artikelen gekomen en ging ik ’s avonds naar de avondschool.  Juni 1947 moest ik in militaire dienst.  Ik werd opgeroepen en werd goedgekeurd. Er waren twee man van het hele bataljon die vrijwillig naar  Indië wilden. Ik dacht: ik wil die mensen ook bevrijden.  
Ik weet precies wat het is om onderdrukt te zijn. We kregen onze opleiding in Nijmegen. 4 juni 1947 was mijn eerste dag in dienst. Na drie weken bij de stafcompagnie in de Generaal Snijderskazerne gingen we over naar ’s Hertogenbosch. De Isabella-kazerne. Op 5 november 1947 zijn we vanuit Rotterdam met de Volendam naar Indië gegaan.
Joop bladert door het fotoalbum. We komen een bekend plaatje tegen. Een tekening, gemaakt  door Barend van Mierlo.
Tarrewarren op de passar! Als die kerel vier roepia’s vroeg, was er een genoeg! Dat leer-den we al snel”.
Marianne vraagt onderwijl verder, “waar kwam u aan in Nederlands Indië?” “In Tandjong Priok. In december. Het hele batal-jon ging naar Celebes. Acclimatiseren. Maar in Oost-Java had de KNIL geen specialisten. Radiojongens en carrierchauffeurs en zo. Daarom ging er een detachement van ons niet acclimatiseren in Celebes, maar meteen door naar Semarang.
Daar gingen we met de trein naar Djember, Oost-Java. Vanuit Djember werden we naar de KNIL-postjes gebracht.  Twee hier, twee daar. Kees Barnhoorn was daar niet bij. Hij zat in Celebes. Die kwam later in april 1948 nadat ze geacclimatiseerd waren, naar Semarang naar de verschillende posten waar wij dan al zaten. Ondertussen gingen wij iedere dag op patrouille. Het ging daar heftig aan toe. Er zijn 6230 jongens van ons gesneuveld daar. Moet je voorstellen. 

tekening Barend van Mierlo 

Zo zijn we ook een keer Djocja in getrokken, want we werden maar steeds beschoten en in hinderlagen gelokt zowel ’s nachts als overdag. Ik weet nog goed we kwamen een keer in een jeep een tjot(heuvel) af, toen er een inlander op de grond stond te wijzen. Het bleek dat er een bermbom lag. Anders had ik het misschien niet eens meer na kunnen vertellen. Maar zo probeerden ze ons aan alle kanten tegen te werken. Terwijl wij juist kwamen om die mensen te bevrijden. Waar we eenmaal waren, waren de mensen zo blij. Toen we die gasten verdreven hadden, kwam het leven weer op gang”.
Joop ziet een foto van het berichtencentrum. 
Er staat een fiets voor de deur. “Die is natuurlijk om de berichten snel weg te brengen?” “Alleen als het dicht in de buurt was natuurlijk, dan konden we het snel even wegbrengen. 
“Ik was bij de KNIL ingedeeld in Oost-Java. We gingen niet mee op patrouille met de KNIL. Wij waren er om de radio te bedienen.
Het was zo, die luitenant van de KNIL als die een telegram bij mij kwam brengen, dan sprong die voor mij in de houding. Dan zei ik:”Man, doe niet zo gek! Ik ben maar soldaat.( later werd ik soldaat 1e klas).  Maar toen ze zich daar zelf konden bedruipen, zeg maar, toen gingen we naar Midden Java, bij Ambarawa en zo, toen vielen we weer gewoon onder de KL. De Tijgerbrigade.  
  
foto:Barend van Mierlo
Moest u ook berichten verzenden en waar heeft u dat geleerd?” “Dat leerde ik in ’s Hertogenbosch, in Nederland dus. Telegrafie, coderen en decoderen en werken met de Slidex-map. Weet je wat dat is? Dat is een map met kaarten, met een sleufje waar je een celluloid strip in kan doen met coördinaten. Dat veranderde twee keer per dag. Dan kreeg je die code op en op het raakpunt van de coördinaten was er hulp nodig. Er werd celluloid gebruikt omdat als de vijand het in handen zou krijgen het snel vlam kon vatte. Later toen er geen celluloid meer was, gebruikten we platgeslagen bamboestokjes.  
 
Intussen zitten we in Djocja in het album. “Heb je die foto met de parade in Djocja?  Dat was alleen maar om indruk te maken op die lui. Een stukje machtsvertoon van Nederland. We hebben dus ook Soekarno gevangen genomen daar. Nou wij, 5RS dan”. We vinden hiervan een foto in het album van Barend van Mierlo  
Wat een bekende foto. Heeft u hem zelf nog gezien?” “Nee, die maten van mij waren er bij. Ik zat op het berichtencentrum. Ik had geen gevechtstaak. Ik heb ook nooit iemand hoeven doden. Wat het meeste indruk op mij heeft gemaakt van Indië? Nee dat vind ik geen moeilijke vraag hoor.
De allereerste avond.  Wij kwamen aan ’s avonds laat aan bij de KNIL en  kregen we meteen al een aanval. Je knijpt hem enorm! Later werd het ‘gewoon’.
We moesten op patrouille met een van de sergeants van de KNIL. Als hij mannen tegen kwam dan vroeg die Tani(Boer) en als die dan zei ja, dan knalde hij ze zo neer. Ik, de radioman liep achter de commandant, zo vlak voor mijn voeten, schiet hij de man door zijn hoofd. Ik vergeet dat mijn leven lang niet meer. Dat gebeurde die tocht tientallen keren. Waar vrouwen en kinderen bijzaten! Wat bleek later, hij werd de beul van Ambulluh genoemd, zijn zusters waren verkracht en zijn ouders waren vermoord door ploppers. Ploppers deden zich vaak voor als tani’s. Ja, zo was die geworden. Niet goed te praten natuurlijk.
 
De militaire wereld is een rauwe wereld en op een gegeven moment kreeg ik wel behoefte aan een meisje. Via een advertentie in het Tuney Tunes waar op de achterkant mochten militairen in Indië gratis een ad-vertentie plaatsen, leerde ik Wilma, mijn vrouw, kennen. De mooiste herinnering aan Indië is de dag dat ik een foto kreeg van Wilma en dat ze had geschreven dat ze ook van mij hield!
Toen we 5 mei 1950 thuis-kwamen met ‘de Nelly’ zijn we op 13 mei, op Wilma’s verjaardag, verloofd. Een heel feest. We hebben elkaar 61 jaar gekend. De laatste 21 jaar daarvan heb ik haar verpleegd. We hebben 1 dochter.  
a een paar weken thuis ik bij Vroom & Dreesman in Hilversum als assi-stent chef voor de afdeling luxe en huishoudelijke artikelen gaan werken. Vanwege botsingen op werk ben ik daar weggegaan. Toen ben ik verstelbare prijskaartjes die in etalages gezet moeten worden gaan verkopen. Ik ging door het hele land. Daarna begon ik mijn reclamebedrijf ‘Artistiek’ en tekende o.a. prijskaartjes met tekeningen  van koekjes voor bakkers. Met een speciale stift kon je dan de prijs invullen maar ook wijzigen. Dat heb ik jarenlang gedaan. Daarna ben ik overgestapt op kleefletters. Mijn ouders hielpen met de letters uitstansen en in dozen te doen. Ik verkocht die dozen weer door het hele land. Eerst met een demonstratiekoffer op pad met de trein en later met de auto. Jaren gedaan. Tot de markt vol zat.  
 
Ik solliciteerde toen voor administratief medewerker in Nieuwerkerk bij een openhaarden fabriek, DREMU, die voorzethaarden maakten. Ik maakte folders, reclame op de  bedrijfswagen.
Door mijn kennis in reclame kwam het bedrijf tot bloei. Helaas raakte de eigenaar zo door het dolle heen, die verbraste het bedrijf aan dure diners en geld smijten. En hij zoop! Binnen de kortste  keren had hij twee ton schuld. Het bedrijf ging failliet. Daarna heb ik heel veel gesolliciteerd. Zelfs voor tomatenplukker.  
Op een gegeven moment zijn we in de tapijten terecht gekomen. Perzische tapijten herstellen.
We kregen er snel handigheid in. We plaatsten advertenties en ik heb zaken opgebeld en verteld dat wij tapijten repareerden. Dat ging lopen! Binnen de kortste keren kregen een opdracht van de Bijenkorf voor vijftig tapijten! Omdat er zoveel vraag naar was, zijn we ook tapijten gaan verkopen. Tot 2012 heb ik nog tapijten zitten repareren hier.  
Wilma overleed in 2010. Al die tijd heb ik haar hier thuis verzorgd.  
Wat ik nu doe? Ik schrijf gedichten en heb een boek geschreven. Ik lees de bijbel, ik houd stille tijden(bidden), ik zit op een Bijbelstudie-club, maar ik ga ook nog naar het Krimpenersteijn, waar Cees Barnhoorn zit. Daar bezoek ik verschillende mensen. Ik schaakte een tijd met iemand, ik las voor. Er zijn altijd veel mensen die graag bezoek willen krijgen. Het gaat me nu wat moeilijker af vanwege die grote gevaarlijke plek in mijn lendenen”.
 
We krijgen aan het eind van het bezoek nog een mooie opsteker van sobat van Mierlo. Hij heeft het bezoek erg prettig gevonden en zegt: “Jullie zijn Integere mensen. Beschaafd, warm en betrokken. Zeer sympathiek”.  Wij zeggen : “Het is een mooie invulling voor ons leven. We doen dit graag en met liefde en respect voor de veteranen
 

 

 

 

De Stoottroepers zitten in Krimpen aan den IJssel!

 
Marianne belt sobat Cees Barnhoorn (4RS, 5RS.)om hem te feliciteren met zijn verjaardag. Mevrouw Barnhoorn neemt de telefoon op. “Mijn man is opgenomen in de verzorging. Hij kon ineens niets meer en ik kon hem niet langer thuis verzorgen vanwege mijn heupoperatie”, vertelt zij. Dat is voor ons het sein om aan onze coördinatrice Marijke door te geven dat meneer Barnhoorn op de bezoekerslijst moet komen te staan. Omdat we korte tijd later in Capelle aan den IJssel moeten zijn kunnen wij ook met gemak naar Krimpen aan den IJssel.
Op 3 februari 2015  gaan we naar sobat Barnhoorn.
 
We kunnen zonder afspraak maar met instructies van Mevr.Barnhoorn naar de afdeling in het Zorgcentrum Crimpenersteijn De Zellingen.
“Niet te vroeg, want dan is die nog niet gewassen en aangekleed en ook niet in de middag, want na het eten moeten ze rusten en daarna wil hij niet meer uit zijn bed komen”.  Kwart voor elf vinden wij een heel mooie tijd. Op aanwijzing van het personeel vinden wij sobat Barnhoorn in een drukbezette, gezellige gezamenlijke huiskamer.  Nadat hij Joop herkent en weet wat wij komen doen, lijkt het hem beter om een rustigere ruimte op te zoeken. Dat doen we!
We krijgen koffie van het personeel als we eenmaal aan de tafel in de andere ruimte zitten. Marianne vraagt of ze het gesprek mag opnemen. Dat is goed. Sobat Kees Barnhoorn praat wat moeilijk dus we nemen de tijd. (Leest u dus langzaam).
 
“In Noordwijk  ben ik geboren. Mijn militaire registratienummer is 26.12.05.099. Ik ben nu dus 88 jaar. Een hele leeftijd he? Ik was altijd heel actief en altijd bezig. Wat ik nu heb, heb ik een maand of vier geleden gekregen. Zo ineens. Ik wist het niet meer. Nu komt het een beetje bij. De dokter zegt dat het een stilstand is geweest in alle organen. Dat ik niet meer lopen kan is daar ook een gevolg van. Nu zit ik hier en mijn vrouw woont nog thuis. Samen kan hier niet. En verhuizen dichter naar hier dat wil mijn vrouw niet.
 
Tijdens de oorlog ben ik bij een boer ondergedoken die even buiten het dorp buiten woonde. Daar hielp ik daarvoor ook al. Vroeger wilde ik al boerenknecht worden, maar moest van thuis meer worden! Ik ging leren en diploma’s  halen.
Nadat Nederland was bevrijd ben ik 2 of drie dagen daarna in dienst gegaan.  De dienstplicht werd weer ingevoerd toen ik net zestien was. Ik ben met mijn zeventiende in dienst gekomen. Het is voor mij altijd mijn hobby geweest zeg maar. Ik ben beroeps geweest. Ik weet niet hoe het toen der tijd noemden. Ik was geen OVW-er. 
Het onderdeel waar ik bij ingedeeld werd, was al naar Indië en ik heb hier in Nederland nog twee tot drie maanden gezeten. Het was een stoottroepen bataljon. Het 426e bataljon. Ik was van 4RS dat ging over naar het 426e. Inmiddels was ik sergeant. Ik wilde naar Indië. Ik wilde militair blijven, ook wat van de wereld zien. Uiteindelijk heb ik drie en half jaar in Indië gezeten, van mei 1946 tot 1949.
 
Mijn opleiding kreeg ik in de Harskamp. We gingen rechtstreeks naar Indië. Niet via Engeland. Hoe het allemaal precies gegaan is weet ik niet meer hoor, al dat gedoe. Toen der tijd dacht je: Nou ik kan in dienst blijven of je nou beroeps bent of niet. Maar op een gegeven moment kwam dat Indië. Mijn ouders,vooral mijn moeder, vonden  het erg. Ik gaf zielsveel om mijn moeder. Maar ben toch naar Indië gegaan.
Ik ging niet met het onderdeel mee, ik was bij 4 RS en daarna bij 5RS. Ik was al anderhalf jaar hier. Ik ben effectief sergeant geweest zo als dat toen heette.
We kwamen aan in Batavia. Het onderdeel was al weg en later hoorde ik dat ik er bij kon komen. Bij 23 RI, de KNIL, heb ik ook nog gezeten. Thuis heb ik nog alle spullen waar dat allemaal op staat. Althans,  als ze het niet al weggegooid hebben”. Marianne roept: “ Dat zal toch niet!?”
 
Ik ging op de kaderschool toen ik voor drie maanden terug was in Holland. Bij afd. opleidingen voor later Indië.  Ik heb een jaar of vier mee gehobbeld. Ze moesten toch kiezen en ik ook. Nou dan ga je toch naar Indië. Nou, toen ik terug kwam was er weer geen plaats. Iemand gaf de hint ‘de politie’. Daar zaten ze te springen om gemotiveerde mensen zoals wij. Ik wil niet zeggen dat we met open armen werden ontvangen, maar toch.   Je verdiende toen niet zoveel.
…….“Kijk eens meneer Barnhoorn, een lekker kopje bouillon”. Een  verpleegkundige  zet een kom voor sobat Barnhoorn neer. “Om aan te sterken”, merkt hij op. ………….
Toen ik daar bij de politie zat,  heb ik mijn diploma’s gehaald die nodig waren. Gewoon in mijn eigen tijd. “Waar was dat bij de politie”, vraagt Marianne, in Noordwijk?”  “Nee, gewoon in Rotterdam”. “Rotterdam?? Op het Haagse Veer soms?” “Inderdaad! Heb ik toen zelf voor gekozen. Een kennis van mij zei: Kijk in een klein plaatsje kom je niet ver joh. Je ken best in Noordwijk bij de politie gaan, maar dan blijf je een Jan Zak. Je moet leren. Ze zagen dat ik leren kon. Ik heb mijn lagere diploma’s voor brigadier en adjudant gehaald. En ik kon nog verder. Dat was toch een bepaald struikelblok. Ik had geen hogere opleiding. Ik heb het nog wel geprobeerd, maar dat ging niet. Nou ja, toen ben ik gewoon bij de recherche gekomen tot ik instructeur werd. Ik was een van de eersten die zonder HBS- diploma tot instructeur werd benoemd.  Ik heb het altijd reuze naar mijn zin gehad bij de politie.
Joop maant sobat Barnhoorn nu eerst zijn bouillon op te drinken. “U moet aansterken!” “Ja ik ben hard achteruit gegaan. Dat voel ik zelf ook.”
 
Het tweede deel van het gesprek hebben we op de kamer van sobat Barnhoorn. Joop heeft de sobat naar zijn kamer gereden. We moesten plaats maken voor de eters.
“Waar waren we gebleven?” vraag sobat Barnhoorn als we weer zitten. “ U was bij de politie en kon naar de Zweeuwse eilanden. Dat wilde u niet. Bent u toen naar Krimpen aan de IJssel gegaan?” vraagt Joop.
“Nee, die commissaris daar die kende ik van vroeger. Hij logeerde naast ons op het dorp. Hij zei: Nou je gaat weg hè? Ik moest kiezen waar ik heen wilde bij de politie. Ik heb iemand geraadpleegd,hoe heette die nou ook al weer, och kom,  die voetballer, die was hoofdinspecteur bij de politie. Hè verdorie!”“Bep Bakhuis”, roept Joop als sobat Cees niet op de naam kan komen. Meteen wijst sobat Cees naar Joop. Dat was hem!
 

foto: Joop Pragt

“Het werd zo geregeld dat ik kon in Rotterdam blijven maar ze zeiden niet waar. Ik had geluk, ik kwam op Zuid. Van daaruit ben ik als aspirant begonnen, de anderen kwamen als agent aan. En ik ben toch rechercheur geworden.                             
Ik mag het best zeggen: ik heb nooit stilgezeten, veel geleerd en bezig gebleven. Niet stilzitten. Dan kom je er niet. Met de watersnood ben ik meer landelijk gaan werken. Ik ben toen ik 60 was met pensioen gegaan. Ik ben als inspecteur met functioneel ontslag gegaan.”
En nu zit ik hier en mijn vrouw thuis. Dat vind ik wel heel jammer hoor.
Ik heb haar begin 1947 leren kennen. Nee dat kan niet, toen zat ik in Indië. Nou, dat durf ik u echt niet te zeggen,” zegt Barnhoorn na lang nadenken. “We zijn 66 jaar getrouwd, nee meer! Sodujanus!” zucht Barnhoorn. “Nou, we zijn heel wat jaren al getrouwd hoor. Het was wel nadat ik terugkwam uit Indië. In Noordwijk zijn we voor de wet getrouwd en in Rotterdam voor de kerk. 4 mei,” zegt hij na langdurig peinzen, “jongens wat is dat stom hè, dat ik nou niet weet wanneer precies. Ik weet wel het was op mijn vaders verjaardag. We hebben vier kinderen gehad”. Marianne weet dat er verdriet is, Cees de oudste zoon is overleden en sobat Cees schiet nu even vol. Tranen lopen langs zijn wangen. Marianne troost hem en zegt begrijpend: ”Je kind verliezen is het ergste wat je als ouder kan overkomen.” Hij knikt instemmend: “Ja en dat komt maar steeds terug.”
Even later vertelt sobat Barnhoorn verder: 
“Ik heb 7 kleinkinderen.
Mijn vrouw komt ook niet iedere dag. Nu heeft ze de griep. Hij zucht even en gaat dan verder: we hebben wel een groot voordeel. De telefoon!                                                             

 

Sobat Cees kijkt even stil voor zich uit, haalt diep adem en gaat dan in zijn verhaal weer terug naar Nederlands Indië.
“Ik werd gestationeerd op Oost Java. Aan de overkant daar zag ik Madura. Wij hebben daar 3 maanden gezeten, toen verkast naar Semarang. Het eerste half jaar Soerabaja, Semarang, en toen met het hele zooitje meegegaan.
Mijn functie was verbindingssergeant. Ik moest zorgen dat de verbin-dingen van radio en telefoon er waren voor alle troepeneenheden  die er zaten. In Soerabaja, daar hadden we een post , dat was niet de hoofdpost , maar de bijpost Madura. Daar zat eigenlijk het stafkwartier toen der tijd van de stoottroepen. Later werd dat Semarang.
“Waar zat u in Semarang?”“Ik heb op de Malu borro  gezeten, maar ook buiten Semarang.  Het was een paar kilometer de bergen in. Richting Ambarawa. Ik weet wel dat we in de kazerne in Ambarawa zijn geweest. Maar bleven daar niet.
“U zorgde dus voor de verbindingen tussen de troepen.”  “Je had het eigenlijk makkelijk, want je ging naar de PTT toe en die deed het werk.
 
Ik heb alleen aan de tweede politionele actie mee gedaan. Ik zat in het 6e of 8e vliegtuig dat toen landde. Eerst gingen de paratroepers. Vlak nadat we waren geland werden we geplaatst in een burgerhuis vlak bij het vliegveld. Dat was een buitengewone ervaring: voor het eerst vliegen.
 
Wat mij het meest is bijgebleven is in Indië is natuurlijk de manier waarop we weg moesten. Wat nou onze eigen deelname er aan is geweest wisten we niet. Het was heel vreemd. Het was de ene dag je vijand en de volgende dag je vriend. Een hele rare toestand daar. Je kon je nergens op beroepen.
Ik denk haast nog iedere dag terug aan Indonesië. Nu vooral als je iets hebt. Heel vaak haal ik nog aan: Ja toen zaten we op Semarang, of toen zaten we op Oengarang. Je moest beslissen voor jezelf en soms ook voor anderen. Achteraf denk ik wel eens: hoe is het mogelijk dat het goed is afgelopen. Het was een grote verantwoording. Wij zagen de hogere rangen van het leger niet. Je dacht dan wel eens of je er goed aan deed wat je deed.
Nee, ik droom er niet van hoor. Daar heb ik geen last van, maar denk er heel veel aan. Barend van Mierloo van 5RS heb ik nog pas gesproken. Hij komt hier ook zo af en toe. Veel zijn er wegvallen. Dat is wel zo. Ik weet nog overste Mayer,  Criens, van Mierlo...
 
Jullie reünie was geweldig. Ik mocht twee jaar geleden tijdens de reünie de herdenkingskaars aan steken. Ik heb die taak trots op mij  genomen. Een hele eer.  Ik heb deze afgelopen keer moeten overslaan, dat is hartstikke jammer.”
“Zou u het fijn vinden als we uw groeten in het boekje overbrengen aan uw maatjes?” vraag Marianne. “Nou, dat is best! Heel fijn hoor. Doe maar!”
We moeten afscheid nemen. Sobat Barnhoorn moet gaan eten. We nemen op de kamer heel hartelijk afscheid van hem. Hij huilt! Gewoon… omdat het even moest. Later, als wij hem naar de eetkamer hebben gereden,  zwaait hij ons achter de eettafel uitbundig en trots uit!

 

 

  Via Piet Boukes(2-13RI) naar het Teylersmuseum.  

 
Op 27 januari 2015 gaan we weer op stap met de trein! Dit keer naar Sobat Piet Boukes van 2-13 RI en naar het Teylersmuseum in Haarlem

Natuurlijk maken we eerst een afspraak. Sobat Piet zegt: “Ik haal jullie op bij de bushalte! Bel even als je op het treinstation Haarlem in de bus stapt.” 
Zo gezegd, zo gedaan. Piet gaat ons voor naar zijn huis waar zijn vrouw Nanny Boukes op ons wacht. We worden door haar hartelijk welkom geheten.  
We krijgen meteen een rondleiding door het appartement en eindigen in Piet zijn domein met alle onderscheidingen en veteranenattributen. Maar ook met allerlei accessoires voor de te houden feestelijke evenementen in het wooncomplex. Piet is nog heel actief. Maar eerst nu aan de koffie hoor.  
foto: Joop Pragt

 

Piet begint zijn verhaal.”Ze hebben het er hier wel eens over: Oh! koloniaal! Dit en dat. En dan zeg ik: Ik kan je foto’s laten zien , dat we er één van ons dragen, maar ook één van hun. Dan hadden we wel een patrouille van 12 man! Dan was je zo al vier man kwijt om twee man te tillen. Mee terug gesleept! Als we dan dat waren, wat jullie zeggen, hadden we hem neergelegd en kapotgemaakt. Daar kraaide geen haan naar.  
 
Ik ben geboren in Haarlem. Ik had nog drie broers jonger als ik en twee zusjes. Ik was de oudste. Ik ging naar de lagere school en daarna meteen aan het werk als veertienjarige! Ik hielp op de Botermarkt een Joods gezin met kousen. Als de markt was afgelopen en alles moest worden opgeruimd hielp ik mee, dan kreeg ik een kwartje. Door hen, die Joodse familie, kon ik bij de kousenfabriek HIN hier in Haarlem terecht. Die bestaat al lang niet meer hoor.  
k kwam daar in september en ongeveer oktober werd ik ziek. Toen heb ik anderhalf jaar eerst in het ziekenhuis en toen in een sanatorium gelegen. Ik was toen 14 jaar en 16 jaar toen ik er weer uitkwam. Ik heb daar twee keer kerst meegemaakt.”“TBC?”Vraagt Marianne. “Nee, ik had het in mijn buik. Ik werd wel bestraald door een of ander ding maar ik heb nooit op de TB- afdeling gelegen.
 
Waarom ik naar Indië ging?  Ja, weet je, ik had er op school veel over gelezen. Ik was gek van Indië. Mijn grootvader had op Atjeh gezeten en die had een groot litteken. Hij had een klap gehad met een klewang. Maar opa praatte nooit over Indië. Hij was KNIL- militair geweest. Mijn vader was juist anti- militair! Totaal anders dus. Toen ik naar Indië wou, wilde hij niet tekenen. Zegt die grappenmaker op het stadhuis: ‘Ik kan niet schrijven!’ Ik was toen nog gewoon burger.
 
Wij stonden als OVW- er zo gezegd klaar om te gaan en toen werd er een stop ingevoerd omdat we niet Indië in mochten maar naar Malakka moesten. Toen kregen wij bericht dat we bedankt werden. Ik was toen al gekeurd en al. Een maand daarop kreeg ik alsnog bericht dat ik in Assen moest opkomen. Dat was in januari 1946. Als soldaat OVW- er.
We zijn met 2-9 RI en 2 -13 RI met de‘Tabinta’ eerst naar Engeland, East Hampstead gegaan. We werden gelegerd in van die nissenhutten. Reading was daar ook in de buurt. We hebben daar niks gedaan. Ik geloof dat we 1 keer over de schietbaan geweest zijn. Het eerste wat we deden in Engeland was eten. Die Engelsen hadden van die ronde broden en dat was in vieren gedeeld. Toen dachten wij dat het alleen voor de morgen was maar dat was ook voor de middag! Dus we gierden van de honger daar. 
Met de Kota Agung zijn we naar Indië gegaan. Aan boord kregen we dan een bonnenboek. Voor wat te kopen, maar er was niks te koop. In de golf van Biskaje werd ik zeeziek. De eerste de beste keer dat ik boven stond, stond ik aan de verkeerde kant van de reling. Er stonden nog meer jongens. Nou je raad het wel. Dat wist ik ook al gauw.”
 
“Ik wil toch even terug naar de oorlogstijd in Haarlem”, zegt Marianne.
“Daar hadden we in Haarlem weinig mee te maken”, zegt Piet . “Er is een bombardement geweest in wijk het Rozenprieel (red. donderdag 3 okt1940.) Het bleek dat er een stuk of vier huizen helemaal weg waren, mensen overleden. Ook een fabriek geraakt. Naderhand is er eigenlijk weinig meer gebeurd tot noem eens wat, 6 december.
Toen kregen we een oproep dat we ons moesten melden. Mijn vader en ik stonden klaar want we hadden maar zo’n klein huissie. Toen kwam der een buurman van ons die vroeg wat mijn vader ging doen. Mijn vader zei: Wat moet ik? Hij zei: ‘je kan daar boven onderduiken’. Er was een werkplaats. Wat had  die man nou gedaan, Die had zo een puntdak. Hij had er als het ware een dubbeldak gemaakt. Daar lagen we op een gegeven moment met een man of zeven, acht. Daar hebben we een week gelegen. Toen heb ik van begin december tot mei thuis gezeten met mijn vader, die was nog geen 40.
Mijn moeder moest met mijn twee broertjes eten halen. Alleen pa, die ging er zo nu en dan wel eens op uit. Hij was ook zo, op een gegeven moment moest je spullen hebben om te ruilen.  Je kon alleen met goud komen of andere spullen. Pa leverde werkmanspakketten, dat was een overall met zwarte sokken. Die kreeg je speciaal op een vergunning.  Nou die had hij, Daar kreeg hij weer tarwe voor. Als hij tien pond had, dan hield die er zelf 5 en de andere 5 ging die ruilen. De boeren waren maar wat blij met die overalls. Zo deed pa dat. Moe ging op het fietsje. Alleen als ze aardappeltjes nodig hadden dan ging mijn jongere broer mee. Anders ging altijd mijn jongste broer mee.
 
Nanny en ik kenden elkaar al.” “Ja”,beaamt mevrouw Nanny Boukes, “hij woonde vier huizen verder als wij! Ik heb met hem in Indië gecorrespondeerd. Met nog een jongen in de straat die ook daar zat. Ik weet nog toen hij terugkwam uit Indië, ik zag hem voorbijlopen in de straat en ik dacht: Oh wat is die klein”. “ Maar ik was snel” merkt Piet gevat op. “Het was feest bij hun omdat Piet weer thuis was en ik was er ook. Op een gegeven moment wordt Piet in de hoogte getild en ik ook! Nou, dat was het, zo gezegd. Je kreeg een fiets toen je thuiskwam, weet je dat nog?” “Jazeker, het was een Magneetfiets.
                                                                        
In augustus 1949 hebben we ons verloofd en in het jaar daarop, 1950, heb ik haar getrouwd. De eerste drie jaar  waren we samen. Dat hadden we zo afgesproken. Eerst zekerheid met werk en zo.” En toen?
“Mijn  vader was glazenwasser hè. Die hoopte dat ik het overnam van hem.  Dat heb ik ook even gedaan, want mijn  vader kreeg hongeroedeem na de oorlog.  Dat heb ik gedaan tot vader weer aan de gang kon,  maar mijn Nanny vond het veel te gevaarlijk. Ik  kreeg 15 gulden steun in die tijd.
Toen kon ik bij ‘Maas’ aan het werk voor 25 gulden. Ik heb allerlei klussen gedaan. Bij een blikfabriek blikjes uitdeuken. Nou, ik was nog niet klaar of er flikkerde alweer een zooitje om.
We kregen van prins Bernhard een kaart, ik weet niet of je die wel eens gezien hebt? Nou, ik heb hem nog liggen!! Dus ik een brief geschreven aan prins Bernhard of die me kon helpen aan werk. Maar ik hoorde niks. Heb ik weer een brief geschreven. Binnen een week werd ik geroepen door de arbeidsbeurs. Ik moest bij de directeur komen. ‘Wat maakt u mij nou weer. Ik heb al twee keer bericht gehad van prins Bernhard!’ Ik zeg:Nou en?! ‘Ja wat voor werk zoek je dan. We hebben geen werk in uw vak.’ Ik zeg: wat voor vak? Ik vraag u geen werk in mijn vak, ik vraag u om werk!  Nou doe maar bij de Hoogovens dan.
 
Ik heb vijf jaar in werkploegen bij de Hoogovens gewerkt! De vuilste baantjes kreeg ik. Op een gegeven moment kwam ik thuis: Ik heb ontslag genomen. Nou, dat was natuurlijk helemaal niets! Ik was toen 24. Toen heeft zij, Nanny, een brief geschreven naar de Hoogovens en kon ik terug komen. Ik had ontslag genomen want ik stond de hele dag in de regen en omdat je maar handlanger was, kreeg je ook geen goeie kleding. Toen ik weer terug kwam, kwam ik bij een elektrische afdeling.  Wat kreeg ik te doen? Gleuven graven en die kabels erin graven voor zo’n kast, soort generator. Later werd ik kraandrijver. Dat ging me veel beter af. Ik was zo behendig met dat ding dat ik een snoepje dat je jongens beneden in de bak deden, ik boven zo uit de bak kon pakken.  Ik kon lezen en schrijven met die kraan. Via een tip van iemand van een bouwbedrijf kon ik terecht in de tunnelbouw als kraandrijver. Maandag kun je beginnen, maar ik moet eerst even ontslag nemen bij de hoogovens. Ik was in mijn element. Ik draaide drie tegen de anderen twee cementbakken.”
                                                 
Piet vertelt  door over bazen en baantjes en wisselen van baas. Voor vijf gulden meer ergens anders veranderde hij zo van baan. “Zo hebben we wat aangerommeld hè”. “Ja, dat hebben we zeker”, knikt Nanny.  Toen  kwam er nog een ouwe baas die me graag terug wilde, maar die was mooi te laat. Ik had net getekend voor dienst!” 
Joop vraagt: “Hoe ging dat Piet?” “Ik moest me effe melden bij de kazerne. Alleen de eerste keer zat er ook weer zo’n goochelaar : Ja, je kan alleen maar als chauffeur. Ik zeg: Nou dat is toch goed?!  Ja, dan moet je je rijbewijs halen. Toen ben ik mijn rijbewijs gaan halen. In Amsterdam! Had ik aan dat rijbewijs natuurlijk niks, want je moest een militair rijbewijs hebben. Dus dat ook gaan halen. Toen was ik militair chauffeur. Dat heb ik ongeveer tien jaar gedaan en toen ging ik naar een rijschool in Eindhoven , ben ik rijinstructeur geworden en na verloop van tijd kreeg ik een cursus voor sergeant in Utrecht.
Toen ik uit Indië terug kwam was ik nog gewoon soldaat 1e klas. Hier begon ik als korporaal 1 omdat ik al een militaire loopbaan had.
In 1960 werd ik rijinstructeur. In 1967 stopte ik als rijinstructeur.
De kinderen waren er toen al. We hadden toen Peter van 7jaar en mijn dochter was vier. We hebben nu vier kleinkinderen en drie achter-kleinkinderen”.Marianne praat met mevrouw Nanny Boukes over en bekijkt de foto’s van de kinderen, klein – en achterkleinkinderen, terwijl Joop en Piet nog doorpraten over de militaire carrière van Piet.
 
Marianne vraagt nog even door naar het Indië-gebeuren bij sobat Piet.  
“ We kwamen aan in Batavia. Ik weet niet met hoeveel mensen maar met een KPM boot, de Maatsuiker,gingen we naar Semarang. In Semarang moesten we in landingsboten want er was nog geen haven. Daar werden we opgesplitst. Een paar maten, waaronder Joop Koster, gingen naar 2-7 RI en ik was de enige die ging  naar 13 RI. En waarom? Ik weet het niet . Ik kwam ook nog terecht bij infanterie terwijl het gros bij de staf en bij de ondersteuningscompagnie kwam. Dat is wel goed geweest hoor. Ik heb er heel fijne maten aan overgehouden. Moest op patrouilles.
De eerste ervaring was die grote aanvallen! Daar heb je zeker van gehoord! De 1e augustus waren wij nog aan het inburgeren en de tweede aanval, op 11 augustus, toen moesten we eruit! Toen zijn we gevlucht als het ware,’s morgens moesten we onze wapens pakken. 
Ik wil mijn wapen pakken, maar die was bij de geweermaker. Maar die jongens hadden zo’n ouwe Lee Enfield met lange bajonet. Ik zag er een liggen en die nam ik mee. Terwijl we eruit gingen werd er geroepen ‘Bajonet op’en ik mee. Toen moesten we ook nog eens die boesboes in. Dat was de eerste keer hè! We hadden daar een uitval gehad en daar lagen een paar doden.  
Maar de tweede dag , dat was 12 augustus 1946, moesten we er uit , ik zat bij een mortierpelotonnetje, we konden daar met dat ding niets doen en er werd geschoten. Dan zie ik eerst Joep Bekkersen , die had een schot door de borst gehad, maar die voelde alleen de achterkant. Weet je wat die riep: ‘Let het mi gemaasd, het zijn die neue’. Hij dacht dat hij door een van die nieuwe in de rug geraakt was. 
Toen kwam der nog eentje die had zijn hele kaak weg, alles helemaal rood. (Sold. Crooijmans uit Helmond. red.) En toen komt onze baas , een luitenant (J. Cremers red) met een sergeant, (Dörenberg red).                                                            

foto: Joop Pragt

Slepen een andere jongen.( Hans Bertram  uit Wylre.red.)  Die was al dood. Zo jong was ik, maar dat zag ik wel! Weet je wat die luit tegen me riep?  Ga maar de karabijnen halen, die hadden ze laten liggen. En we hadden op dat moment geen commando. Dat heb ik hem heel kwalijk genomen.

Dus we gaan terug , die Joep pakt de bren, ik zie zijn karabijn, maar ook mijn geweer liggen, dat neem ik ook mee naar hem toe. De brenschutter (Leystra uit Brunsum. Red.) was ook geraakt. Hij had o,a. een schot in zijn lies. Die is er aan gesneuveld.  We hadden die dag dus eigenlijk 2 dooien en 2 zwaar gewonden. Dat was mijn vuurdoop!  De 12e augustus vergeet ik dus nooit meer.
 
We hebben destijds ook nog eens een grote sweep gemaakt van Cheribon tot omgeving West Java”.
Hier onderbreekt Marianne Piet even. “Piet, de Tijgerbrigade zat toch niet op West Java?” “Dat klopt”, zegt Piet. “Maar ons hele bataljon werd verplaatst toen. Vanuit Salatiga, eerst naar Cheribon, en uiteindelijk gelegerd in Garoet. Nog een paar plaatsen die ik nog zo weet :Tjikadjang, Soekamanah, Pameungpeuk, Gempol, Plered en Adjiwinangoen. Ik heb het ergens nog helemaal op rijtje opgeschreven staan.
Drie maanden lang niets anders doen als lopen hè. Nergens onderdak. Waar je toevallig kon slapen, sliepen we. Ik had een vreselijke mazzel, want ik had een Amerikaanse poncho, waar ik helemaal in kon. Ik had niet zo’n gek kleine cape als de anderen hadden. Daar had je niets aan.
We waren de laatste keer toch bij jullie op de  reünie in Vught? Zeg ik tegen die chauffeurs van de busjes die ons van het station naar de kazerne brachten: Als ik jullie was zou ik morgen op appel in burger verschijnen  ( order: militairen niet in uniform in openbaar vervoer red.). Toen gingen ze naar die "Stip" ( regimentsadjudant Reids lbj) toe en die kwam naar mij. Hij zegt:" Boukes, wat is dat? Ben jij mijn personeel een beetje aan het opstoken?" Ik zeg: "Ja, ik zou dat doen!  (Piet Boukes kwam naar de veteranendag in Soesterberg in zijn oude militaire uniform van 30 jaar geleden uit protest tegen de orders dat militairen niet in uniform over straat mochten. Het uniform paste nog prima! red) 
 
Wat mij het meest is bijgebleven? Nou die eerste dat wat ik net vertelde. Wij zaten toen bij de Gombel, Djatingallee, het chinese kerkhof, 2-6RI lag een beetje meer naar beneden in dat grote gebouwe, het N.I.S. gebouw in Semarang. Het 2-7RI lag aan de havenkant en 3-7 lag weer achter ons. Achter de Gombel.  Wanneer zwaaide je af," vraagt Joop. " In augustus 1949! Ik kwam terug met de Kota Inten. Een pokkenboot. Uit dienst in Nederland? 1 september 1981! Ik heb nooit gehad dat mij dun door de broek liep. Nee, gek hè. Ook niet bij die vuurdoop. Ook naderhand niets.             
                                                                                       
Geen nachtmerries, geen angsten, niets. Nooit last van gehad. Ik heb toch ook dingen moeten doen waarvan je nu denkt, dat was niet zo mooi. Je moest. Maar als ik soms anderen hoor praten, heb ik wel eens het idee dat ik ergens anders gezeten heb. Die vent met die kapotte kaak, die dooie naast me, ja, je schrikt er wel van, maar nooit last van gehad. 

fotoJoopPragt

Weet je wat ik nog wel kwijt wil, we zijn allemaal veteraan, jonge en oude en zijn allemaal gelijk. We hebben allemaal hetzelfde gevaar gelopen.
Op een gegeven moment, in de omgeving van Semarang, lopen we in een hinderlaag. Joep, waar ik later brenhelper van werd, liep voorop. Schot door zijn arm. Loopt die net wat anders, had ik de kogel opgevangen. Ik heb echt alle mazzel van de wereld gehad hoor.
Piet vertelt en vertelt maar door, over zijn ervaringen in Nederlands Indië maar ook zijn ervaringen later, als beroepsmilitair. Hij is een onuitputtelijk bron!  Maar we zouden nog naar het museum gaan en daar wordt het nu wel hoog tijd voor. We gaan met zijn allen naar beneden en krijgen nog een rondleiding door de gezellige gezamenlijke binnenruimte. Piet is heel betrokken met de bewoners van het appartementencomplex. Hij is actief met de verzorging van bijeenkomsten, feestjes, fuifjes en uitstapjes. Hij babbelt er lustig op los en groet hier en daar, meer hier dan daar, de mensen die bij de gezellige zitjes zijn neergestreken. Kom op Piet, nu op naar de auto! Gas op de plank en gaan!............................................                            

 

 

Het is soms ook wel eens triest tijdens een bezoek.

 
 
Nadat we sobat Harry van Heugten in Breda gedag hebben gezegd, gaan we door naar Rosmalen. Naar het Hospice Duinsche Hoeve. Hoewel hij graag thuis had willen overlijden kon Sobat Hans van Dijk,3MPIV, niet langer thuis blijven wonen. “Ik ga door tot ik  niet meer kan” is zijn motto. Net voor de kerst belde Hans Marianne op om te vertellen dat hij voor de laatste maanden van zijn leven in Hospice Duinsche Hoeve zal gaan verblijven.
 
We arriveren op 13 januari 2015 bij het rustieke gebouw. Het ademt een weldadige rust uit. Uitzicht over bos en hei.
 
Bij het binnengaan botsen we haast tegen aalmoezenier Maj. Liduina van de Broek op. Dat is toevallig!  Aalmoezenier Liduina van den Broek is de  dochter van Kapt. v.d. Broek van 2-6RI. Via sobat Jo van den Heuvel zijn Marianne en zij in contact met elkaar gekomen.
Liduina v.d. Broek wil graag sobats ontmoeten die haar vader hebben gekend en uit hoofde van haar beroep bezoekt zij ook sobats. Op verzoek van  Marianne is zij destijds op bezoek gegaan bij sobat Hans van Dijk thuis en sindsdien  bezoekt ook zij hem regelmatig.
We praten over Hans van Dijk in de hal alvorens we naar hem toe gaan. “Ik ben net op weg naar huis. Ik heb een poos bij Hans van Dijk gezeten. Wat gesproken met Hans, de krant gelezen en gebeden. Het wordt minder met hem”. 
Wij gaan kijken wat Hans ervan vindt als we zo ineens bij zijn bed staan. De grote,ruime kamer met persoonlijke spullen komt warm over. Geen steriele bedoeling. Huiselijk. Hans slaapt! We gaan rustig bij hem zitten. Ineens is hij toch weer wakker. Blij verrast is hij dat wij er zijn. Hoewel hij steeds in slaap valt, komt hij toch regelmatig weer even bij de mensen. Hij bedankt ons voor alles wat we voor hem, maar ook voor de Tijgerveteranen hebben gedaan. “Doorgaan hoor!, jullie doen het zo goed. Bedankt voor alles en vergeet de jongens niet de groeten te doen van mij he!” 

foto Joop Pragt

Marianne zit bij Hans, heeft zijn handen in haar handen. Praat zachtjes tegen hem. Ineens komt er een hele blije gloed over het gezicht van sobat Hans: “Wat ruik je lekker!” zegt hij blij. Dat vergeet Marianne niet. Eenmaal thuis maakt zij een paar geurzakjes met het parfum wat zij op had. Met een briefje erbij “Voor onder uw kussen” stuurt ze het Hans van Dijk op. Gewoon zomaar!      

 

 

 

Foto’s bekijken bij fam Harry van Heugten.  

 
Op donderdag 15 oktober 2012 bezochten wij sobat Harry van Heugten, 2-6RI. Helaas was er toen niet voldoende tijd om al zijn fotoalbums door te kijken: het echtpaar moest op tijd bij de dokter zijn om de griepprik te halen. Daarna lukte het, vanwege verschillende redenen, niet om een nieuwe afspraak te maken. Vandaag, 13 januari 2015, stond er niets in de weg om de albums alsnog te gaan bekijken.
Als we in de buurt van het appartementencomplex komen worden we omgeleid wegens wegwerkzaamheden, het lijkt wel of we niet bij de flat kunnen komen, maar uiteindelijk mogen we door de blubber glibberend en glijdend naar het parkeerterrein van de flat. Hè, hè, het lijkt wel zeskamp met hindernissen!
We worden weer heel hartelijk ontvangen door het echtpaar Harry en Tineke van Heugten. Hé, er is een verandering in de opstelling van de meubels, merkt Marianne meteen op als ze de huiskamer binnen komen. Gelijk bij binnenkomst overhandigen we sobat Harry  een overgebleven goodiebag, het veteranenpresentje en nog  een tijgerprijs uit de gratis loterij. Het is gelijk  een drukte van belang. “Maar eerst koffie hoor,” zegt mevrouw Tineke van Heugten, “die tas bekijken we straks weer.” 

foto: Joop Pragt

“Marianne, als ik het boekje zo bekijk, vallen er steeds meer van 2-6RI weg. Er blijven er niet veel meer over. Als die bekende namen, ik zie alle gezichten nog zo voor me. Het gaat hard de laatste tijd,” zegt sobat Harry.
Gelukkig kunnen we u wel bezoeken,” zegt Marianne. “U hoort tot de sterken der sterken!” “Ja fijn, en dat ondanks mijn mobiele gebreken! Tineke, mijn vrouw, is gelukkig nog heel kwiek en fit. Ze zit mij achter de vodden aan dat ik blijf bewegen.  Ik ga in het voorjaar voor een scootmobiel, dan kan mij weer wat meer verplaatsen. Nu is dat tobben.” “Hij moet van mij wel in beweging blijven als we hier blijven wonen”, zegt mevrouw Tineke van Heugten. “Hij fietst nu op de hometrainer. Ik ben daar blij om!”
 
De fotoalbums komen op tafel en we genieten lekker van ons kopje koffie. Joop bladert vast wat in het eerste album. “En is het wat?” vraag Marianne. “ Jazeker, heel interessante foto’s hoor”. Marianne kijkt even mee: “oh die heb ik nog niet eerder gezien en die en die”.
“Zie je dat meteen dan? “vraag mevrouw Tineke van Heugten.
“Ja hoor, we hebben al zoveel foto’s gezien en gedigitaliseerd. We zien veel dezelfde foto’s, maar ook steeds weer nieuwe, zoals bij u. Hier deze foto bijvoorbeeld, die is genomen in Klang op Malakka, in de kerk waar in dec.’45 de kerstviering werd gehouden bij de nonnetjes,” vertelt Marianne. Verbaasd zegt sobat Harry: ”Ja, dat klopt nog ook!”  “En kijk eens” zegt Joop, “hier heb ik een foto met de tekst: ter herinnering aan het frontleven in Raamsdonkveer.” 

foto"s Harry van Heugten.

Sobat Harry vertelt verder: “Ik ken weinig jongens die in het in boekje staan, want ik zat bij de stafcompagnie. Daar had ik mijn eigen groep. Broos uit Tilburg, die is ook al enige tijd geleden overleden. Hij woonde in de Slepersstraat. Ik geloof dat Jan van de Corput  de enige was die nog in leven was die ik kende. Helaas is hij ook pas overleden. Ik heb nog ene goeie maat van 2-6RI,  Jac Heimans  uit Chaam. Ze hadden vroeger in Breda een bloemenzaak.” Marianne vind geen Heimans op de ledenlijst, maar belooft dat uit te zoeken. (Gevonden!)
We merken op dat het  wel zo is dat 2-6RI op het moment een kleine groep is op verschillende reünies.
 
“Ha,  het N.I.S.- gebouw in Semarang”, ontdekt Marianne. “Mooi dat u bij veel van de foto’s achterop heeft gezet waar en wanneer deze is genomen.  Hier zie ik de begrafenis van soldaat  van Weert op Malakka. De eerste die ‘gesneuveld’ is. “Hij werd vermoord”, antwoordt sobat Harry.  Hier de weg naar Reksosari. Dat was vlakbij Tjandi. Kijk op deze staan we voor de Jappenbarak op Morib Beach op Malakka. Dirk van Riel kennen jullie ook niet he, uit Chaam?”  “Helaas, dat is voor mijn tijd geweest,” zegt Marianne.  Marianne herkent foto’s die zij eens heeft gekregen van sobat Henk Graat van de verbindingsdienst T-Brigade.”Oh die foto met die grote slang! Die had ik ook van meneer Graat.” Joop ziet aan de teksten achterop de foto’s dat er een  hoop destijds naar huis zijn gestuurd. “Ja, dat klopt, zegt sobat van Heugten, ook van onze Jan. Jan zat op Soerabaja bij de mariniers. We hebben elkaar nog eens ontmoet in Semarang.
Ik ging naar huis en hij ging terug naar Soerabaja. Hij moest nog een jaar blijven. Na Indië heb ik nog 43 jaar bij de PTT gewerkt. Tineke is kosteres geweest. Daarbij hebben we samen nog lang  vrijwilligerswerk gedaan”.
 
Mevrouw Tineke van Heugten geeft ons 50 euro contant. Ze heeft met zegeltjes geld gespaard! “Hier hebben jullie de opbrengst!” We zijn bijna verlegen om het geld aan te pakken. Mevrouw Tineke van Heugten dringt er op aan dat  we het moeten aannemen! We beloven dat we geld op de rekeningen zullen storten en de donatie vermelden in het boekje. Beiden echtlieden krijgen spontaan drie klapzoenen van Marianne.
 
Als we allemaal weer rustig zitten vertelt Harry van Heugten, dat hij nog weet dat er tijdens de 1e politionele actie een journalist bij hen is mee geweest op patrouilles. Hij heeft er later een boek over geschreven. Marianne weet dat het de journalist J.W. Hofwijk is geweest. Het boek heet: ‘Hitte van de dag’. Een ander boek van hem heet Blubber.  “Wat een kerel was dat. Hij kon overal mee in het veld. Lenige kerel ook!”
 
Sobat Harry van Heugten somt namen op van de voor hem bekende officieren : Kapt.Vaessen, Pieterse, Koerselman , Nota en  Koppenol.
“Die Koppenol heb ik goed gekend. Op een patrouille kwam ik in een mijnenveld terecht. En dat was niet gezegd dat we in een mijnenveld zaten. Dus toen er iets ontplofte,  vroeg ik aan de commandant benepen: Er is een ontploffing, wat kan dat zijn?” Hij antwoordde:”Blijf staan, blijf zitten waar je zit en niet bewegen, want je zit in een eigen mijnenveld. Toen is korporaal Smeets  gesneuveld. Ik moest ’s nachts bij Koppenol komen , want die wou zeggen dat ik dat niet doorgegeven had dat we  in een eigen mijnenveld zaten.  Maar dat wist ik toch niet!?  Tegen luitenant de Vries die bij ons was had ik gezegd: moeten we de weg niet vragen aan de majoor ??, “Ik weet zelf de weg wel!” zei de Vries, maar hij wist de weg niet. Maar dat wisten wij niet!” 
 
Toen wij op Malakka zaten moesten we om beurten ook patrouille lopen en in zo’n kuil zitten en zo. Daar was ik samen met Frans Hanse, een jonge vent met een kale kop, heel sportief. We werden op het matje geroepen want we hadden niet gepatrouilleerd. Hoe ze dat wisten? Ze hadden alleen zijn kale hoofd boven de deken uit zien steken. Ja, dat was op Malakka. Gelukkig was daar nog niets aan hand. Maar toch moest daar ook gewaakt geworden. Die kale kop van hem heeft hem verraden.  Frans Hanse uit Geertruidenberg, het was ook een beetje vreemde hoor. Ik  vroeg mij wel eens af hoe die in het leger is gekomen”. Bij Marianne gaat een lichtje op: “Lies Hanse bedoelt u waarschijnlijk! 
Mijn vader vertelde ook over Lies. Hij was het sulletje van de compagnie.” “ Ja ,inderdaad,” zegt Harry van Heugten lachend.
“Een sulletje tot en met. Hij heeft zijn hoofd op Malakka helemaal kaal laten knippen”, vertelt van Heugten.
“Wat er na Malakka verder met hem gebeurd is weet ik niet.” Marianne weet van foto’s van  haar vader die in Salatiga zijn gemaakt, waar Lies samen met haar vader op een Harley zit.
 
We praten nog over de toestand in de wereld. Daar is altijd gesprekstof genoeg over. Maar dan wordt het toch hoogtijd voor ons. Nee, we hoeven niets te eten en we beloven de fotoalbums weer zo snel als mogelijk terug te brengen. We worden behulpzaam in onze jassen gehesen, drie klapzoenen voor beiden en dan op naar de volgende sobat. Hans van Dijk.

 

 

Een ontmoeting met dankbare Indiëveteraan Gerard Hegge. (6 jan 2015)    

 
Hij sport 3 keer per week met ing. Ahmed Aboutaleb, de burgermeester van Rotterdam. Hij is ook zijn  havenadviseur. Hij  was in dienst bij de Sultan van Langkat. Is zoon van de voormalig loco-burgemeester van Overschie Rotterdam, oud directeur van Scheepswerf Hegge&Zn. Wordt ome Gerard genoemd door en is vriend van scheepsmagnaten, directeuren en bestuursleden. Toch is hij een gewone Rotterdamse jongen gebleven. Hij  is Indië- veteraan. Geen Tijger, geen Midden Java, maar een 4-2RI, Sumatra-ganger. Hij  las tijdens de reünie in september 2014 de toespraak voor namens KTZA b.d. Frank Marcus(die hem zijn tweede vader noemt). Waarom hij? Bij hoge uitzondering leest u dit speciale geval in het navolgende relaas.
   
We zitten in zijn ruime flat in Capelle aan den IJssel. Het uitzicht is fenomenaal. We zijn net hartelijk verwelkomd door de uiterst charmante en galante sobat Gerard Hegge. 6e compagnie 4-2 RI. (89jr) 
Wij, Joop en Marianne,  kennen Gerard al wat langer, maar zijn levensverhaal intrigeert ons. Met een kopje koffie erbij horen wij hem uit. “He, fijn dat jullie er zijn”, zegt  Gerard vergenoegend.  
Ik ben geboren in 1926 op de Zestienhovensekade in Overschie Rt. Op de scheepswerf  van mijn vader.  De lagere school gevolgd op de Delftweg in Overschie.  Daarna ben ik naar de HBS gegaan. Toen de oorlog uitbrak ben ik naar de avond-MTS gegaan. Dat is later HTS geworden. 
Mijn motto is: je hebt een bepaalde opleiding gehad en daar moet je niet boven gaan!  
Met een vrij grote door mijn vader gemaakte zeilboot ben ik op mijn vaders advies,  hij was toen hoofd van de ondergrondse in Overschie, o.a. met Oskar Vervat, naar Engeland gaan zeilen. Het was slecht weer want anders werden we gezien door die onderzeeërs van  de moffen. Wij werden gelukkig opgepikt door een Engelse onderzeeër en naar Engeland gebracht. Daar hebben we zo’n veertien dagen in een opvangcentrum gezeten. (Want wij konden natuurlijk ook spionnen zijn.) We zijn terecht gekomen bij koningin Wilhelmina. Kopje thee gedronken en kennisgemaakt. De adjudant van de koningin, inderdaad dat was Erik Hazelhof, die heeft gezorgd dat we een opleiding kregen als infanterist. Om de basisprincipes te leren. Daarna hebben we een opleiding vliegenier gehad bij de R.A.F. Voor een eenpersoonstoestel, verkenningstoestel. Het was een klein ploegje. Vijftien man. Ik was niet dienstplichtig, maar hoorde wel tot de Nederlandse Krijgsmacht. Omdat we er twee jaar hebben gezeten hebben we ook een rang gekregen. We hebben onze best gedaan.
 
Toen ik in 1945 uit Engeland terugkwam kreeg ik van mijn vader een Harley Davidson. Een echte originele Harley!
Maar nog veel mooier was het dat ik toen ook mijn latere vrouw, Grada Suiker, ontmoette tijdens het dansen op het Burgermeester Bosplein in Rotterdam Overschie.
 
In 1946 kreeg ik een oproep van de koningin. We moesten naar Ned. – Indië toe. Ja, waarvoor?   Ik ben daar eigenlijk met de pest in mijn lijf naar toegegaan. We hadden helemaal geen doel. Ja omdat er nou net een paar mensen wat kapitaal daar hadden ingestoken, want dat is eigenlijk de hoofdzaak geweest.  Ik ben gegaan onder de voorwaarde dat ik als soldaat daar heen ging en als soldaat weer terugkwam. Ik wilde geen rang hebben.
Ik kwam terecht op Sumatra. We landen in de havenplaats Balawang, daar vandaan gingen we door naar Medan. . Ik heb een weekje in het ziekenhuis in Medan gelegen. Een schotwond in mijn kont!
Ik kreeg van Graatje elke 14 dagen een brief. We komen terug van patrouille. Weer een aantal brieven. Tobas, een maatje van mij, kreeg nooit brieven. Ik probeerde hem nog op te monteren. Later ging hij 
de tent in en we hoorden een schot. Heeft hij zich van het leven beroofd. Ja. Dat zijn van die dingen….!  
 
Omdat ik een half jaar later de groeten overbracht van zijn nichtje Mia Treurniet uit Overschie aan haar oom kolonel Scholten werd ik uitgenodigd voor een gesprek bij hem op kantoor in Magelang. Ik heb hem heel mijn verhaal verteld. Alles. Ook dat ik al in de oorlog had gediend en waarom ik ook geen rang wilde hebben. Hij had een baan voor mij.  “ Ik ga jou in contact brengen met de sultan van  Langkat. (Mahmoed Abdoel Djalil Rachmat Sjah Sultan van Langkat (1927-1948)red.)Hij heeft ontzettend hard technische hulp nodig. Dus ik ben met het lood in mijn schoenen en de zenuwen in mijn bast een week later naar die sultan gegaan. Nou, hij sprak beter Nederlands dan ik. Hij woonde in een paleis in Medan, maar had ook een paleis in Tanjoengpoera en een vakantiepaleis boven bij het Tobameer. Drie vrouwen, dochters en zonen.
Ik bleef  gewoon in militaire dienst, zodat ik ook gewoon mijn geld bleef ontvangen. Ik geloof dat we toen een gulden per dag kregen of zo. Maar ik was wel in dienst van de Sultan.
Wat mijn taak was bij de Sultan? De relaties die verbroken waren door de vijand,  TNI., met diverse andere mensen weer herstellen! Nee ik was geen diplomaat! Zeer zeker niet. We hebben het voor elkaar gekregen om de sultan weer helemaal terug te brengen in zijn functie.
 
Bovendien hebben we geregeld dat er in Medan technische onderdelen vanuit Nederland kwamen zodat de sultan weer zijn fabriek kon opstarten. Hij had ook een rubberplantage die volledig hersteld werd. Daar was hij zo dankbaar voor. In 1948 ben ik door de Sultan tot Teng-Kul van Sumatra benoemd. 
Een soort prins. Ik heb ruim anderhalf jaar bij de Sultan gezeten. Tot op vandaag toe heb ik nog steeds goede contacten met de familie van de Sultan.
In 1950 ben ik teruggekomen in Nederland. Ik ging studeren in Delft en ben afgestudeerd als scheepsbouwkundig ingenieur en trouwde in 1952 met Graatje.  
De scheepswerf van mijn vader was niet zo groot, het grootste schip wat bij ons werd gebouwd in Overschie was 70 meter lang! Op zijn hoogtij had hij zo’n 80 mensen in dienst. Er waren slechts twee hellingen. 
Wij hebben met een aantal ingenieurs de offshore uitgevonden. De gas- en de oliewinning op zee. Er is er in Amerika een firma opgericht: Brown & Root. Die hebben de offshore toen overgenomen van ons. Ik heb daar jaren mogen werken. Nadat ik  twee jaar in Amerika had gezeten heb ik, toen ik terugkwam in Nederland,  het bedrijf van mijn vader, scheepswerf Hegge overgenomen. Met de offshore erbij. Dat wil zeggen de platforms, dat waren er een stuk of 15 over de hele wereld. 
Daar gingen mensen van ons dan een maandje werken.We kregen ook grotere rederijen.
Grotere schepen. Die konden alleen maar in Singapore in het dok. Die huurden wij dan daar. Dus ik ben verschillende keren met Graatje naar Singapore gegaan om een schip te bekijken. Ja, als ik zo terug kijk, heb ik altijd maar mazzel gehad hoor”, zegt Gerard bijna verontschuldigd, “maar  ik heb ook een ontzettend goede opvoeding gehad van mijn ouders”.
                                                  
We bekijken de fotoalbums van Gerard. Naast de stokoude foto’s van de werf zijn er ook veel foto’s van Sumatra en bijzonder veel van de sultan en zijn familie. “ Ik had maar een eenvoudig fototoestel hoor”. “Kijk hier op deze foto loopt ook de generaal Ted Meines.”
foto' Joop Pragt
foto: gerard Hegge 

foto'Joop Pragt

“Maar Gerard, hoe ben je in het 4-2RI veteranengebeuren terecht gekomen?””Tja ……..dat heb ik opgericht! Toen we tegen de 60 liepen belde Toon Weinshal, een sergeant bij ons, mij op.  “Weet je Gerard dat er zoveel van die veteranen eenzaam en alleen zijn. Daar moet toch iets aan te doen zijn?  “Ik had toen al contact met generaal Meines hoor. Hij zei, joh Gerard,als je daar zin in hebt, dan moet je dat samen met je collega gaan oprichten. Zodoende zijn we toen begonnen. Maar dat kon alleen maar met de vele hulp van mensen zoals Mevr. Zuidwegt, Loek Habraken en nu Frank Marcus.  Het 
hele 4-2RI-gebeuren is in 1985 opgericht en bestaat nu 30 jaar. Ik doe dat nog steeds.
 
Ik heb het ook opgenomen voor de vele jongens die terugkwamen uit Nederlands Indië en die geen baan meer hadden. Hun baan was vergeven. Omdat  mijn vader de weg wist die ik moest bewandelen, ben ik een paar keer in de Tweede Kamer terecht gekomen om iets te vertellen over de oud-veteranen
‘Die oud- veteranen die zwaar gewond zijn worden geholpen, waarom worden de lichtgewonde niet geholpen? Er is een militair hospitaal in Utrecht, Oog en Al. Hoe zit dat met die banen die de jongens verloren hebben’. Door dit alles is er in Utrecht een organisatie gekomen die zich daarmee bezig ging houden. En dat is goed gelukt. Ook hier moet  ik weer zeggen dat generaal Ted Meines veel geholpen heeft. Ja dat zijn dingen die ik allemaal met heel veel liefde gedaan heb.
De veteranenbijeenkomsten in Capelle a/d IJssel, in het Indonesisch Restaurant Rasa Sayang, zijn ontstaan door een ontmoeting met een veteraan die mij erop wees dat er in Capelle a/d IJssel ook zoveel 
eenzame oude veteranen zijn. Samen met o.a. Rob de Geus en Karel Jansen en met medewerking van Joke van Doorn, oud burgemeester van Capelle a/d IJssel organiseren we nu al 6 jaar  bijeenkomsten bij Rasa Sayang, uitstapjes met de boot of trein. Gewoon om samen te zijn. Weet je waarom?  Eenzaamheid op oudere leeftijd is het ergste wat kan je overkomen. Dat op te heffen is mijn grootste streven.
Via Ria van der Ende, de secretaresse van burgemeester Aboutaleb,  een nicht van mij, ben ik vier jaar geleden in contact gekomen met de burgemeester. Dit vooral vanwege de veteranen. Dat gebeurde op 
de van Genth kazerne, het historisch onderkomen van de Rotterdamse mariniers. Ik moest  bij de burgemeester zitten. Met kapitein Rene de Jong onderhoud ik nu veel contact voor de veteranen in de Rotterdamse regio. Maar in Vught hoorde ik niets dan lof over jullie organisatie! Jullie zijn een gouden echtpaar!. Hè, he ik heb de blaren op mijn tong geluld.”
 
Met een lach en voldaan gevoel nemen wij afscheid van Gerard Hegge, een bijzonder persoon, een fantastische verteller en een unieke regelaar!

 

terug naar index