Bezoeken aan sobats in 2017

Het stokje wordt overgedragen bij de jonge tijgers.  

 
  
 
Compagnies Sergeant Majoor Eric Peters(l) van de Charlie Tijgercompagnie 11 Infbat Air Assault GGJ te Schaarsbergen nodigde ons uit voor de functiewisseling en de daarbij behorende  ‘stokoverdracht’ van hem naar Sergeant Majoor Thijs van Mierlo(r) op 22 september jl. Wij en zij hebben elkaar geadopteerd vanwege het gebruik van het zelfde embleem. De Tijgerkop! Wij vonden het een hele eer dat wij voor deze gebeurtenis waren uitgenodigd en kennis konden maken met de nieuwe CSM. 
 

 
De nieuwe CSM kreeg van ons de traditionele en de felbegeerde tijgerboxershort. 
 

 

 

Roermond  herdenking en kranslegging

 
Roermond, 2 september 2017, waren wij ook weer aanwezig tijdens de grote herdenking bij het Nationaal Indiemonument 1945-1962.  Sobat Jo van den Heuvel heeft ook dit jaar weer de krans gelegd namens onze veteranen van Tijgerbrigade en de commissie. 
Deze dag  ontmoetten wij o.a. aalmoezenier Liduina v.d. Broek die ook dit jaar weer een zeer gevoelige toespraak hield en aansluitend het gebed mocht uitspreken. 
Ook de onlangs ontslag genomen luitenant- generaal Tom Middendorp ging nog even met Marianne in gesprek en samen met haar op de foto. De generaal herinnerde zich dat hij twee jaar terug ook met Marianne op de foto was gegaan tijdens het uitreiken van de Koninklijke onderscheiding aan haar. Knap onthouden!  
 

 
3 foto's Joop Pragt 

 

 

Soep met ballen voor Peter Fonkert 

 
 
Dinsdag 29 augustus 2017 kwam sobat Peter Fonkert, 97 jaar, inlichtingendienst T-brigade, samen met zijn vrouw Cynthia en zijn dochter, ondanks de hoge temperatuur die dag, 32 graden, niet één maar twee kommen groentesoep bij Joop en Marianne thuis eten. Peter was over uit Amerika en wilde, ondanks zijn drukke reisschema,  perse weer bij ons op visite voor de soep! Koffie met zelfgebakken appeltaart en een likeurtje gingen er ook  goed in. 
foto's Joop Pragt 

Na het versterken van de inwendige mens werd de nodige informatie uitgewisseld. Joop sprak met Peter en Marianne nam de dames mee de tuin in. Peter: “Een reuze gezellig bezoek en volgend jaar kom ik weer soep eten bij jullie!” 

 

 

Een feestelijke heropening museum Limburgse Jagers.  

 
 
Op 11 juli 2017 waren we op uitnodiging van de commandant Regiment Limburgse Jagers, luitenant kolonel Ralf Goossens, bij de feestelijke heropening van de Historische Verzameling van het regiment. De historische officiële overdracht van een stukje Brabant van 235 vierkante meter, wat aan Limburg werd overgedragen. Maakten wij dat die dag ook mee. Het nieuwe credo werd meteen door de manschappen luid en duidelijk ten gehore gebracht. Voor elkaar, altijd! 
Onder de vele genodigden bevonden zich o.a. Jan Bemont, sobat de Bat, Jan Schrauwen en Nico Jansen. De gezamenlijke lunch werd vrolijk opgeluisterd door optredens van R.O.L.J. (Reünie Orkest Limburgse Jagers). 
 

foto Joop Pragt

 

 

 

Sobat Con van der Wiel overleden 

 
 
Constance van der Wiel, sold. 4e Cie 2-6RI
Echtgenoot, vader, opa en overgrootvader
*18 juni 1927  -   † 9 augustus 2017 
 
 
Je handen hebben voor ons gewerkt.
Je hart heeft voor ons geklopt.
Je ogen hebben ons tot het laatst gezocht.
Rust nu maar uit.
 
De afscheidsdienst werd gehouden op dinsdag 15 augustus in de aula van crematorium Heeze te Heeze. Wij, Joop en Marianne, waren in overleg met de familie, aanwezig met de Tijgerbanner, het 2-6RIbordje en  baret.
 

 

foto: Joop Pragt

Joop hield, net als bij eerdere crematies en begrafenissen, een toepspraak over het militaire deel van Con van der Wiel zijn leven. Hij sloot de toespraak af met een toepasselijk veteranengedicht. U leest meer over sobat van der Wiel in het blad Sepatoe Roesak van 2013 of op de website: https://www.sepatoeroesak.nl/bezoeken_aan_sobats2013
Na de plechtigheid gingen familie, vrienden, kennissen en genodigden naar de gemeentelijke begraafplaats te Eindhoven. Waar we Constant naar zijn laatste rustplaats hebben gebracht. 
Na afloop was er een koffietafel in het Hampshire Hotel in Eindhoven. Het was een drukbezocht afscheid. 
Een geliefd iemand is heen gegaan.
 
Corr.adres.Willem Alexanderpark 4, 5684 GN Best.
 
Op 18 juni jl belde Marianne nog met sobat v.d. Wiel. Aan het einde van het gesprek vroeg Con of zij de groeten wilde overbrengen aan de jongens van de 4e Cie en vooral aan Jo van den Heuvel. Bij deze alsnog die laatste groet!  

 

 

 

Twee bezoeken op één dag op 31 juli 2017

 
We zijn eerst  bij de nog  immer energieke sobat Ernst Toorens, van de  verbindingsdienst, 5-5RI en zijn vrouw Riet, in Scheveningen op de koffie geweest. Wij bezochten hen al eerder. Sobat Ernst kon tot zijn grote spijt niet meer aanwezig zijn op de reünie. Hij wachtte ons al op in de voortuin en voorzag ons snel van koffie. We maakte er weer een fijn bezoek van. 
 

Later op de dag waren we in Rijswijk  bij sobat Ton van der Wildt, 4-6RI. Het was fijn om zijn goedlachse vrouw Miep en dochter Corry weer te ontmoeten. Helaas is Ton van der Wildt ongeneeslijk ziek en verblijft ’s nachts in een hospis. Maar dankzij dochter Corry is het mogelijk om overdag thuis in Rijswijk te zijn. Menig keer schalde de zware baslach van de sympathieke Bokkenrijder door de kamer.

 

 

 

Een spraakwaterval van 2-7RI in het verzorgingshuis. 

 
Marianne kreeg maar geen contact met Kobus Quirijns van 2-7RI. Maar uiteindelijk weet ze contact te krijgen met zijn dochter Nelly.  “Pa is in de verpleging, het zal nog een wel een poosje duren. De vraag is of hij weer naar huis kan gaan straks. Hij heeft het vreselijk jammer gevonden dat hij niet op de reünie aanwezig kon zijn,” vertelt zij Marianne. Reden genoeg voor ons om deze trouwe bezoeker aan de reünies op te gaan zoeken in verpleeghuis Zonnelied in Ammerzoden. “Dag sobat!” Het gezicht van Kobus Quirijns licht blij op. “Hé jongens, wat fijn dat jullie mij hier komen opzoeken.” “Als u niet naar ons kan komen, dan komen we gewoon naar u. Destijds kwam u samen met een flink aantal 2-7RI-ers waaronder Arie Olckers, Jan van Langh en Joop Koster voor het eerst eens kijken hoe bij ons de reünie was. Verleden jaar bent u zelfs ’s ochtends nog naar de reünie gekomen terwijl ook uw kleinzoon die dag trouwde. U moest en zou eerst een poosje bij ons op de reünie zijn. Kijk u eens aan, hier hebt u meteen de goodiebag van afgelopen reünie! Veel plezier met uitpakken straks”. Marianne zet de zware goodiebag aan het voeteneind van het bed neer.  Sobat Quirijns laat meteen zijn betrokkenheid merken door te vragen hoe het met de kas is. Fijn als  iemand zo meedenkt met het wel en wee van de commissie.
 

foto Joop Pragt  
Nog voor we goed en wel zitten begint Sobat Quirijns gelijk zijn verhaal: “Ik ben geboren in Meeuwen.  Een dorpje hier in de omgeving. Ik heb gewoon lagere school gehad. Ons gezin? Vader, moeder, zus en ik. Mijn zus is amper vijftig geworden. Mijn vader heb ik eigenlijk niet gekend. Mijn moeder was boerin. Ik hielp mee op de boerderij. Voeren, ik deed mijn oom ook altijd meehelpen, die had paarden.  Maar ik ben eigenlijk geen boer geworden. Daar heb ik geen zin in gehad. Ik zat veel in de auto en in de garage. Allemaal kijken, opnemen en niks doen. Later mocht ik helpen met repareren. Ja, ik was meer iemand van de techniek. Na de lagere school ben ik niet verder gaan leren. Ik heb wel een avondcursus gevolgd. Voor de motor, de auto. Ik had goede cijfers hoor. Dat was wel een bewijs dat ik er een beetje kijk op had.”
“Toen brak de oorlog uit,” vervolgt Marianne. “Ook nog, ja. En dat was erg, want bij ons is alles platgeschoten. De Engelsen kwamen tot aan de Maas en wij zitten aan de noorderkant van de Maas. En aan de andere kant was de Merwede. Die waren nog eerder bevrijd dan dat stukske bij ons. En altijd maar dat trommelvuur. Er sneuvelden heel wat soldaten. Ze stonden bij Kapelseveer, een brug te slaan dan konden de Engelsen vrij over. Er is hard gevochten. We konden eigenlijk niet buitenkomen. De Engelsen aan de ene kant van de Maas en de Duitsers aan onze kant. Er zijn grote verliezen bij de burgers gevallen. Ja, dat was allemaal spannend toen die tijd.
 
Hoe ben ik bij 2-7RI gekomen? Ik ben als dienstplichtige in juni 1946 opgekomen. We zijn opgeleid in een plaatsje bij Tilburg. De naam weet ik niet meer. We hebben daar ongeveer een maand gezeten. Daarna gingen we naar kamp Villheide bij Mill. Weer een ander kampement. We hebben  daar niet veel opleiding gehad, slechts ene keer naar de schietbaan geweest. Toen vertrokken we naar een kampement in Waalroij, bij de Peel. Daar kwamen we in november aan. Ja, we hoefden niet naar Indië werd gezegd. Maar de opleiding ging verder. Op een gegeven moment kregen we inschepingverlof. Dus, toch naar Nederlands Indië.  Het was een doorgang van een heel bataljon. Eind november werden we in Tilburg ontvangen door Prins Bernhard.  Ik heb hem niet gezien. Het was ontzettend koud. We stonden bij het station, want we moesten met de trein naar Rotterdam. Vandaar uit  gingen we op 29 november 1946 met ‘de Sibajak’ naar Nederlands Indië. Mooi schip. Heb ik nog een grote storm meegemaakt in de Middellandse zee. We hadden toen meteen al een dode aan boord. Ik zat in de eetzaal te eten. Ik was helemaal niet zeeziek. Maar de meesten wel. Gelukkig maar anders hadden er veel meer ongelukken gebeurd. Maar goed, die betonnen tafels staan vast aan de vloer. Maar door al het schommelen van het schip wrikten die los en gingen aan het schuiven. Daar kwamen jongens tussen te zitten. Eén was helemaal geplet. Ze hebben toestemming moeten vragen om hem aan land te mogen begraven. Er was geen beginnen aan om hem een zeemansgraf te geven. Het was vreselijk, die storm. Soms dacht je echt dat het schip doormidden zou breken zo ging het in de golven op en neer. We hebben 36 uur in die storm gezeten. De mensen waren doodziek. Bij het Suezkanaal aangekomen was het weer rustig. In Malta was het ook al minder geworden en zijn ze toch doorgevaren. Uiteindelijk zijn we dan in Tandjok Priok aangekomen. Daar werden we geloosd. Er gingen er een hoop van boord af. Wij zaten achter in de kont van het schip. Alles ging weg en niemand wist waarheen. Later kwam ik er achter, dat die naar Sumatra, Borneo, Celebes, Bali, Java, het oosten en midden en westen nog, gingen. Allemaal verdeeld. Ik kwam als dienstplichtige wel bij vrijwilligers terecht. We werden dus ingevoegd. Na 2 dagen acclimatiseren moesten we mee patrouilles lopen. In die snikhitte. In de omgeving zaten 2-6RI en 3-7RI.
Ik was opgeleid als gewoon soldaat, infanterist. Er waren jongens die kregen een mooi baantje, chauffeur of administratie, die hoefden geen patrouille te lopen. Ik ben er gekomen en ik heb er 2,5 jaar gezeten en 2,5 jaar patrouille gelopen. Met de kogels die heen en weer gingen.
We moesten een patrouille lopen, allemaal een meter of vijf van elkaar. Plotseling  een schot uit een ravijn en dat kwam bij degene die voor mij liep in zijn been. Hij viel en riep: ik ben gewond. Ik knielde gelijk bij hem want ik liep er achter. Hij was dood. In vijf minuten tijd. Wat er nou gebeurd was weet ik nu nog niet. We hadden bij hem wel het gaatje van de inslag gezien, maar er was geen uitgang. Dat kogeltje was naar binnengeslagen door het bot en de ader.  Dan moet je wel goed kunnen mikken. Maar er zaten ook nog Jappen die best konden schieten. Ik heb wel meer van die dingen meegemaakt. Op een mijn gereden. Drie weken lang ben ik doof geweest. Ik hoorde niks meer vanaf de klap. Misschien was dat het begin wel dat ik nu zo doof ben. Lastig als je zo doof bent hoor, één op één gaat nog wel. Maar je hebt haast geen contact. Het is echt een handicap.
  Ik had het daarnet over die man met dat schot in zijn been, die jongen woonde in Groningen, Hoogezand. Dat wist ik. En dat die Kremer heette. Mijn schoonzoon heeft gezocht op het internet, dat kan tegenwoordig, en wat bleek? Dat hij nog een broer had die nog leefde. Die heb ik nog een keer gebeld, maar ja, hij verstaat mij slecht. Dus ik heb hem een briefke gestuurd met een mooie foto van het graf van zijn broer. Zelf had hij geen duidelijke foto van dat graf. Ik wel. Daar was die blij mee. 
 
Ik ben twee en half jaar in Indië gebleven. De jongens waar wij bij zaten die gingen weg. Ook heb ik nog een jaar op Soerabaja gezeten. Weer een overplaatsing, weer nieuwe jongens. Ik kwam bij de mariniers terecht. We hadden een sectie van 8 man. Daar zijn er 6 van gedood bij een hinderlaag. Eén had kunnen vluchten naar de post en ene was nog kwijt.  Die had wel de bren meegenomen, was in zijn been geschoten, dus lopen kon die eigenlijk niet. Kruipen nog wel. Die hebben we moeten zoeken. Javanen hebben geholpen met zoeken. Daar moest je natuurlijk ook mee uitkijken, want als je verkeerde Javanen trof, dan liep het slecht af. Gelukkig hadden we een goede. Die had een belanda, een Hollander, gezien. Door die man hebben we hem gevonden. Hij had de bren nog bij zich.  Hij had het overleefd. Zijn been moest er wel af, dat weet ik nog wel.
We waren geen toplegertje, maar we moesten het toch doen. We hadden van die oude wapens. De Lee-enfields met bajonet.
 
Toen wij naar huis mochten, dat is dan weer een jaar later, hebben we die trubbels gehad, weer een dode, nu aan de pokken, de begrafenis  en in quarantaine. Er was dus pokken aan boord geweest en waarschijnlijk was daar nog wat van overgebleven want jongens van ons kregen ook de pokken. Dat waren er vier. Eén is op de boot gestorven. Hij is in de Indische oceaan begraven. Het duurde anders tien dagen eer we weer aan land zouden zijn. Dat gebeurt netjes hoor.
In de Middellandse Zee hebben we hebben een poos stilgelegen. Bij het Suezkanaal moesten we allemaal apart ingeënt worden tegen pokken. Na drie dagen werden we weer gecheckt en konden we verder.  De jongens die pokken hadden zijn pas later teruggekomen.  Toen ik in 1949 ben teruggekomen uit Nederlands Indië ben ik nog bij de moeder van die jongen geweest. Ik kwam daar ’s avonds om een uur of half acht aan. Ze wilde alles weten, of ik erbij was geweest, hoe alles was verlopen. Er was al wel een officier bij haar geweest. Die heeft daar een uurtje zitten praten en weer weg. Maar ik zat er ’s morgens om vier uur nog! Ze was erg dankbaar en blij dat ik langs was geweest.
 
Toen we in Holland kwamen, had een jongen een doorgebroken blindendarm. Die werd van boord gehaald en naar Rotterdam in het ziekenhuis gebracht om geopereerd te worden. Wij, het was op een zondag, moesten in die haven blijven liggen bij de Nieuwe Waterweg. Wat doen ze nou met ons? Tot maandag, toen stond er een hele rij met bussen daar moesten wij allemaal op. Waar naar toe, dat wist niemand. Weet je waar we terecht kwamen? Achter prikkeldraad, in Amersfoort.  Niet voor straf hoor, maar vanwege mogelijke kans op besmetting. Ik heb er drie dagen gezeten. ‘s Woensdags mocht ik vanuit Amersfoort met de bus gelijk naar huis. Dat was allemaal goed geregeld.”
 
“Toen u uit dienst kwam bent u toen gelijk getrouwd?”vraagt Joop.
 “Ik ben getrouwd op 4 januari 1954. Een strenge winter. Ja, en dan hadden we nog de watersnoodramp in 1953. Wij waren in Waalwijk. Daar stond de boel blank. Wat een water. Bij ons stond het ook onder water. De koeien waren verdronken en het was ook weer een puinhoop.
 
Ik ben begonnen als chauffeur bij de graanfabriek de Witte Molen, met  landelijke klanten afdoen. Ik ging het hele land door. Amsterdam, Haarlem, Maastricht, noem maar op. Om de veertien dagen moest ik alle klanten weer af. Ik heb nooit brokken gemaakt. Ik heb jaren gereden. Ik was eigenlijk manusje van alles, monteur, elektricien, ik moest de fabriek draaiende kunnen houden, nooit voor geleerd, alles wat ik zag dat kon ik maken. En nou kan ik niks meer! Ik kan niet meer op trap staan om een peertje in de lamp te draaien.”
Joop vraagt zich alleen nog steeds af hoe sobat Quirijns nou aan zijn vrouw was gekomen. “Mijn vrouw kwam van Rotterdam. Ik kwam spullen afleveren in de winkel waar zij werkte. Ja en dan is het een bakkie doen natuurlijk. De moeder van de eigenaresse van de winkel waar ze werkte was ziek. Mijn vrouw werd gevraagd om daar als hulp te gaan werken. Die moeder woonde in Waalwijk. Ik bracht haar heen en weer van Rotterdam naar Waalwijk. En zo is het gekomen.
 Ja, ik heb een lieve vrouw gehad. Ze kwam uit een heel gezellig huisgezin. Er waren een stuk of zes zussen en nog vier broers.  Later is mijn vrouw ziek geworden, had de ziekte Alzheimer. Ik heb er vijftien jaar meegezeten. Ze kon niet meer praten. Haar ogen die knipperden,dat was de enige kennisgeving die ze nog had.
Maar terug naar mijn werk. Later kwamen de schepen bij de graanfabriek. In het begin kwamen ze met zakgoed. Dat was allemaal op de schouders. Ja,  dat ging zo vroeger. Dat kan je je nu niet meer voorstellen. Later stopte dat en moesten we eerst alles zelf in de zakken stoppen en ook nog eens uitdragen. Ik heb een hartinfarctje gehad dus..ik dacht nou is het klaar. Maar ik heb een goeie baas gehad. Hij zei: Je bent nogal handig. Ik hoefde niet alles te doen wat die anderen moesten doen. Tilwerk hoefde niet meer, dat kon ik niet meer ook. En ik was nog maar amper 30 jaar. Ik ben in de fabriek te werken gekomen. Daar stonden allemaal motoren, kleine en grotere. Als er dan uitvielen moest ik er voor zorgen dat ze weer draaiende kwamen. Zo ben ik in het onderhoud gerold. Ze hadden geen monteur meer nodig. Ik deed het onderhoud. En ik heb veel verdiend zeggen ze. Ik heb de baas veel uitgespaard. We hadden nog een oude fabriek in Oss daar moest ik iedere dag naar toe. Dat dat ding nooit afgebrand is, dat snap ik nog niet. Er was altijd wel iets wat kapot was.
Ik had  een vriend die zei: Ik heb een mooi baantje voor jou. Dat was gewoon werken met een hijskraan. Ik heb er met veel plezier gewerkt al die jaren. Ik ben daar gebleven tot aan mijn pensioen.”
Daar komt de dochter binnen. “Jou heb ik aan de telefoon gehad,”zegt Marianne. “Nou hij kletst ons de oren van het hoofd. Het gaat lekker hoor. We hoeven niets te vragen.” We praten nog even gezellig na. Dochter zegt blij te zijn dat we een goodiebag hebben meegebracht. De dag tevoren hadden ze het er nog over gehad. Sobat Kobus had er aan gedacht.  “Wat fijn hè pa, dat je toch nog een tas krijgt. Wij hebben ook nog DE-punten hoor. We nemen ze de volgende keer wel mee.”  De mevrouw met de kar met versnaperingen komt ook al binnen.  “Kijk eens meneer Quirijns, hier is uw kopje thee zonder suiker.” Dan stapt er nog een dame de kamer in. “Nu wordt het te druk,” zegt Joop, “wij gaan er weer vandoor. We willen u niet te moe maken. ” Hier sputter meneer Quirijns tegen; “ik kan wel weer een stootje hebben hoor!”       “ We gaan echt,”zegt Marianne. “Dag lieverd! Tot de volgende reünie, dan rekenen we weer op u hoor!”                                     Foto's Joop Pragt   tekst:  Marianne

 

 

Op de koffie in Rotterdam bij stoter van Meurs. 

 
 
Meestal gaat het contact maken met een veteraan om bij hem op bezoek te komen van de commissie uit. Maar een enkele keer zoekt de veteraan zelf contact. Heel leuk voor ons want dan weten we dat het goed uitkomt. Deze keer belde sobat Meurs (5RS) naar Marianne. “Hebt u mij niet gemist op de reünie?”vroeg sobat van Meurs uit Rotterdam aan Marianne. “Jazeker wel, want uw naambadge bleef hangen op het bord bij de ingang van de kazerne. Er ligt een briefje op mijn bureau dat ik er aan denk u te bellen. U  bent mij te vlug af, ” antwoord Marianne. “De reden is dat ik in het ziekenhuis lag die dag,”vertelt sobat Meurs. Marianne haakt gelijk in en stelt een bezoekje voor. “Komt het uit als we volgende week even bij u langs komen. We moeten die dag toch in Rotterdam zijn. We hebben een lange wachtlijst van te bezoeken sobats, maar dit gaat voor.”
 
En die volgende week is nu. Juni 2017. We zitten bij sobat van Meurs in zijn flat. “Wat is er precies gebeurd dat u in het ziekenhuis terecht kwam,” vraagt Marianne. Sobat van Meurs vertelt zijn verhaal: “Ik ben gevallen. Ik had een drukke dag, met boodschappen doen. Na de boodschappen uit de auto te hebben gehaald was ik eigenlijk een beetje moe en ik dacht dan ga ik in de slaapkamer even op bed zitten. Ik viel als het ware gelijk achterover. Het leek wel of ik van beton was gemaakt, zo stijf. Mijn gedachten waren ook helemaal verward. Ik kon eigenlijk niets doen. Na verloop van uren kwam ik een beetje bij. Ik probeerde ergens houvast te krijgen, maar dat lukte niet. Het gekke was, toen glee ik van het bed af. Ik kwam op de grond terecht en kon ik helemaal niks meer doen. Mijn zoon kreeg in de gaten dat er iets niet goed was. Die heeft meteen de ambulance gebeld. Die was er zo. Ik moest eerst voor één dag ter observatie, daarna naar de afdeling interne ziekten. Niets bijzonders gevonden. Tja, wat nou de oorzaak was, ik denk dat het gekomen is doordat ik een beetje te vermoeid was. Wat wel bleek uit de onderzoeken was dat ik een longontsteking had. Met antibiotica is het grotendeels weer in orde gekomen. Ik heb dit wel eens eerder gehad. Toen ben ik naar de huisarts gegaan. Die zei dat ik een Delier had. Maar nu voel ik me stukken beter.”
“Hoe oud bent u nu? Al 89 jaar?”vraagt Marianne geïnteresseerd.  
“Was u al eens eerder bij ons op de reünie geweest,” vraagt Joop. “Nee, het zou deze keer de eerste zijn geweest. Ik wist nog niet eens dat het bestond. Ik las de oproep in de Checkpoint” “Zo bent u dus met ons in contact gekomen,” redeneert Marianne. “Ja, dat klopt.” “U hebt jammer genoeg wel wat gemist. We hadden 180 bezoekers, zelfs één uit Australië. Het onderdeel 5RS waar u bij diende, was goed vertegenwoordigd,”zegt Joop. “Ik ken niemand meer van 5RS. De eerste jaren zat ik in Roermond bij de bijeenkomsten. Daar ontmoette je nog wel eens een enkeling. De laatste jaren ook al niet meer.
Twee verdiepingen hoger hier woont een Ambonees.  Als ik aan hem vroeg hoe het met hem ging, gaf hij nooit antwoord. Een paar jaar geleden begonnen ze over die slachtingen op Celebes en wat er in Oost en West Java is gebeurd. Toen begon die wel te praten. Die nabestaanden krijgen allemaal geld. Hij zei vroeg ik het daarmee eens was. Nou, nee dat ben ik dus niet. Nou en toen kwam die los!
 
 
Ik ben geboren in de Meester Willemstraat  in Oud Noord, of zoals we hier in Rotterdam zeggen:  het oude Noorden. Ik ben in Rotterdam naar de lagere school gegaan die ik helemaal heb afgemaakt. Mijn vader werkte bij Kok een Levensmiddelenbedrijf als koffiebrander. Met het bombardement in Rotterdam in 1940 zat hij die dag in dat nieuwe pand waar nou V&D staat. Hij vertelde dat hij niks kon doen. Alles stond in de fik. Hij moest net zo lang wachten tot het bombardement voorbij was en toen is hij via een vluchtweg langs de andere kant van Rotterdam gemoeten om weer thuis te komen. Hij werd gelijk overgeplaatst naar Den Haag. Toen hadden ze daar twee koffiebranders. De dag na het bombardement ben ik nog met mijn vader lopend naar de stad gegaan. Alles was weggebombardeerd.”
“Wat een angstig iets moet dat zijn geweest. U was 13 jaar en dan zoiets bewust meemaken,”merkt Marianne op. “We gingen toen dus naar Den Haag. Daar heb ik nog een paar maanden op de lagere school gezeten. Daarna ben ik naar de MULO gegaan. In Rijswijk. De Mulo heb ik afgemaakt. In het laatste oorlogsjaar heb ik examen gedaan. Daarna heb ik bij de verzekeringsmaatschappij voor boeren en tuinders gewerkt. Dat was een maatschappij nog van de Duitsers, al die boeren en tuinders van heel Nederland hebben ze op één hoop gegooid en daar zat ik dan. Vervolgens, toen was de oorlog afgelopen, kon ik een baan krijgen bij Douwe Egberts. Daar heb ik anderhalf jaar gewerkt tot ik in militaire dienst moest.”
“U was dienstplichtig en werd opgeroepen,”stelt Marianne dan vast, “waar bent u opgekomen?” “Eerst in Nijmegen, daar hebben we een paar maanden gezeten. Daarna overgeplaatst naar Den Bosch, de Isabellakazerne. Ik kreeg de opleiding voor infanterist. De opleiding duurde een maand of vijf, zes. We moesten allemaal gelijk weg, geen vervolgopleiding, gelijk weg. Op 5 november 1947 zaten we al met zijn allen op de boot, ‘de Volendam’,  op weg naar Nederlands Indië.
In het Suezkanaal zijn we nog tegen die brug opgevaren. We werden toen gelijk op rantsoen gesteld voor drinkwater. Wassen mochten we ons alleen met dat zoute zeewater. In de Dode Zee hebben we een paar dagen voor anker gelegen om dat gat een beetje dicht te maken. In het noorderpuntje van Semarang hebben we ook nog even in de haven gelegen, daar hebben ze het één en ander nagekeken en vervolgens zijn we doorgegaan naar Djakarta. In Tandjok Priok zijn we aan wal gegaan.  Een paar dagen later zijn we naar Celebes gegaan. Daar hebben we een half jaar vakantie gehad, want Westerling was daar net vertrokken. Van vijandigheid hebben wij niets gemerkt. We hoefden niets te doen.”
 
“Hoe vond u Indië toen u daar net aankwam?” vraagt Marianne. “In het begin is het allemaal een beetje vreemd, de warmte kon ik wel tegen. Je moest een beetje contact te zien krijgen met de bevolking.  Maar het viel daar allemaal mee op Celebes. Wij hebben een half jaar op Celebes gezeten en als we op patrouille gingen dan liep je daar langs kampongs waar Westerling had huisgehouden. Je zag geen lijken, maar allemaal uitgebrande huizen. Na Celebes hebben we twee jaar Midden Java gehad, dat ging ook allemaal goed. Als we patrouilles moesten lopen vlak bij de demarcatielijn zagen we militairen van de TNI. Als we ze tegenkwamen gaven we ze gewoon een hand.”
“Het is voor 5RS niet makkelijk geweest. Er zijn veel gesneuvelden,” merkt Joop op. “Ja, op andere punten hebben ze het wel moeilijk gehad, wij hebben al die tijd zo bij de demarcatielijn gelegen. Maar 5RS lag ook verspreid over Java. Ik heb twee jaar op Midden Java gezeten.
Na de tweede politionele actie zijn we van Semarang overgevlogen naar Djakarta. Dat was de eerste keer dat ik heb gevlogen. Er waren daar al eerder parachutisten geland en hadden het vliegveld al bezet. Toen wij er aan kwamen werden wij naar verschillende hoeken van dat vliegveld gestuurd. Er waren veel bommen. Die bommen hebben we allemaal onschadelijk moeten maken. De volgende nacht zijn we lopend van het vliegveld naar Djakarta gegaan. Het was in de stad onrustig, maar later niet meer hoor. We hadden het aardig snel weer onder controle daar.  Toen we na de 2e politionele actie in Djokja zaten, hebben we ook verschillende beschietingen meegemaakt.
 
Wat het meest indruk heeft gemaakt? Ach wat moet je daar nou op zeggen. Het hele leven daar was anders. Je had je eigen groepje waar je steeds mee op stap ging. Een keer hebben we meegemaakt dat iemand een schot kreeg. Hij zei: ik ben in mijn heup geraakt. Er was toevallig een hospik bij en die zei ik zal wel even kijken. Een schampschot. Maar het was geen schampschot want 25 minuten later was die dood! De kogel was naar binnengeslagen. Dat is het enige sneuvelen wat ik meegemaakt heb. Ik heb wel eens gezegd: ik heb bij het spoor meer dooien meegemaakt dan in militaire dienst.
“Ik ben terug gekomen in Nederland met ‘de Nelly’ in 1950. In Rotterdam en ook vertrokken uit Rotterdam. Ik was niet zeeziek.”
De voordeur was versierd toen ik thuiskwam. Met een bord met ‘Welkom Thuis’. Het was toen allemaal heel eenvoudig. Je hoefde niets te verwachten. Wel een feestje met allemaal familie en bekenden. Het was wel een hele overgang om weer thuis te zijn hoor. Je komt in uniform uit Indië en gaat meteen over in burgerkleding.
Ik had gelukkig geen moeite om weer aan werk te komen, want ik mocht terugkomen bij Douwe Egberts. Dat was regeringsvoorschrift. Na anderhalf jaar bij de Douwe Egberts ben ik bij de spoorwegen terechtgekomen. Dat was allemaal toevallig een beetje. Ik las in de krant een advertentie: Den Haag Centraal vraagt loketpersoneel. Ik dacht, ik kan het altijd proberen. Het lukte. Ik heb een half jaar binnendienst gedaan op station Leidschendam Voorburg. Toen werd ik overplaatst naar Dordrecht. Daar heb ik tien jaar gezeten. Twee jaar vrachtgoederenkantoor en daarna acht jaar opzichter perron lossen der  goederen. Vervolgens werd ik overgeplaatst naar het station hier bij de Kuip. Daar heb ik ook weer drieënhalf jaar gezeten. Daarna kreeg ik weer een reorganisatie en kwam ik weer in Dordrecht terecht als een soort reserve. Nou, toen werd Dordrecht weer opgeheven en kwam ik op Rotterdam Centraal terecht. En daar heb ik gezeten tot aan mijn pensionering in 1988.” “Oh je ziet hier de trein zo voorbijkomen,” zegt Marianne ineens verwonderd terwijl zij naar het raam wijst. “Goh, dat past mooi bij u dus dit uitzicht en ons verhaal!
Wat vinden uw kinderen eigenlijk van uw Nederlands Indië verleden? ”
“Ze praten er wel over, maar ze snappen er geen bal van. Ze kunnen niet begrijpen wat we daar gedaan hebben. Ze kunnen zich daar geen voorstelling meer van maken.”
“Hebt u nog fotoalbums e.d. ,” vraagt Joop. “Nou dat is ook weer zoiets,” zegt sobat van Meurs, “bij de tweede politionele actie werden al die koffers en kisten van de militairen op vrachtwagens geladen en werden ergens neergezet. Die stonden daar dan in de stromende regen. Toen we die kisten terug kregen liep aan alle kanten het water eruit. Alle foto’s die er in zaten waren kletsnat! Zonde! De kleding die ook in die kisten zat moest allemaal drogen. Als mijn kist onderop had gestaan dan had ik goed gezeten. Maar helaas. Hij stond precies bovenop!”
“Wat heeft de meeste indruk op u gemaakt in de tijd dat u in Nederlands Indië was,”informeert Joop. “Wij hebben over het algemeen goed contact gehad met de bevolking. Ik ben zelfs nog samen met mijn vrouw twee keer terug geweest naar Indonesië. De eerste keer in 1995. Naar Sumatra en dan naar Djakarta overgevlogen. Java gehad van west naar oost en met de pont over naar Bali. De tweede keer in 1999. Naar Java. Daar hebben we iets te zien gekregen van Djakarta wat ik nog nooit gezien had. Ze hadden daar flats gebouwd voor die Javanen, maar die wilden er niet in. Die bleven liever bij de kali zitten.”
“Bent u nog op bekende plaatsen, plekken geweest waar u destijds gediend heeft?” vraagt Marianne. “Nee, maar ik vond het heel fijn weer terug te zijn in Indonesië. Als mensen daar hoorden dat wij Nederlanders waren, begonnen ze zelf ook nog Nederlands te praten.
Vooral die ouderen. We werden heel vriendelijk ontvangen, er is geen haat. Die advocaat (Zegsveld) hier in Nederland die heeft er goed aan verdiend met dat gedoe wat er nu allemaal weer speelt met Indonesiërs die schadevergoedingen eisen. Ja, die heeft er goed aan verdiend.
 
Kennen jullie die ook van 5RS? Hueting?”“Neen,” zegt Joop, “maar wel hebben we met commandant van Haastrecht, 5RS, hierover gesproken. Hij vertelt een heel ander verhaal dan Hueting. Wat Hueting allemaal vertelt, dat heeft Jan van Haastrecht niet meegemaakt.” “Nee, dat geloof ik graag,” antwoord sobat van Meurs. “Hueting kwam bij ons onverwachts binnenvallen. Toen hoorden we dat hij bij de inlichtingen-dienst geweest was, maar wat die daar allemaal heeft meegemaakt vertelde die nooit.  Hij schrijft wel eens in bladen. De laatste keer in Checkpoint. Wat daar in stond, was niet allemaal juist. Hij heeft meer uitgespookt dan je denkt hoor. Daar hebben er een paar bijgestaan, maar daar hoor je hem niet over! Kijk als die nou de volledige waarheid sprak, dan kon ik er mee leven, maar dat doet die niet. Maar de echte waarheid kom je toch niet te weten.”
 
“Hebt u nog contact met andere veteranen,”wil Joop weten. “Ik heb geen contact meer met andere veteranen. Er hebben er hier in de flat een paar gewoond, maar die zijn allemaal overleden. Er is ook nooit zoveel belangstelling voor ons geweest in voorgaande jaren. De laatste tijd is het beter.  We hebben wel altijd van 5RS reünies gehad. Eerst per compagnie, ik zat dan bij de derde compagnie, maar het werd steeds minder. Uiteindelijk zijn al die compagnies bij elkaar gebracht en toen viel de opkomst ook nog eigenlijk tegen. Het jaar daarop hebben ze het opgeheven.
Mijn familie is uitgestorven. Dat is op. Mijn vrouw was één van de twaalf. Mijn vrouw leerde ik rond 1950 bij een dansgelegenheid kennen. Ik heb een zoon,  die woont in Prinsenland, een dochter in Zevenkamp en een dochter in Barendrecht. Kleinkinderen heb ik nog niet.
Ik ga nog iedere dag minstens een half uur wandelen hier in de omgeving. Ook rij ik nog auto. En ja, mijn rijbewijs is pas verlengd tot 2020! Ik kan nog goed meekomen in het verkeer. Ik ben niet bang op de weg maar ik ga niet meer het hele land door. Ik heb hier alles bij de hand, tram, trein, bus, metro en mijn auto.” Auto?! O jee, Joop merkt op dat de parkeertijd van de meter waar we staan geparkeerd bijna voorbij is. We moeten nu echt weg, anders hebben we straks een bon en dat willen we niet. We wensen sobat van Meurs een verder goed herstel toe. We bedanken voor het mooie gesprek en gunnen hem veel plezier met het uitpakken van de door ons meegebrachte goodiebag.“Daar ben ik nog wel even mee bezig als ik dat zo bekijk. Mensen wat een hoop spulletjes zit er in die tas.” We laten sobat van Meurs alleen met de goodies en gaan op een holletje naar de auto. Op de minuut af de parkeertijd vol gemaakt!                                  
 

 

 

 

 

Verzetsheld Harry Hoogwerf overleden 
 
 
Arie ( Harry)  Hoogwerf, Verzetsheld,  1 RS
Vader,schoonvader, opa, opi, broer,  zwager en oom.
*4 september 1925  -  † 12 april 2017 

 

Drager van het Verzetsherdenkingskruis,
Drager van het Ereteken van Orde en Vrede,
Drager van het Insigne Gewonden.  

Verzetsheld Harry heeft in en na de tweede Wereldoorlog een grote rol gespeeld in het verzet. Hij was actief betrokken bij de 36e compagnie van de binnenlandse strijdkrachten, een verzetsgroep onder leiding van commandant Bergwerf uit Pernis. De groep bestond voornamelijk uit BS-ers uit Rhoon, Poortugaal, Zuidland, Vondelingenplaat en Heijplaat. Hoogwerf was een maatje van Rob Ammers, één van de mariniers die bij het uitbreken van de oorlog vijf dagen stand hielden bij de verdediging van de Maasbruggen in Rotterdam. Ammers sloot zich daarna aan bij de verzetsgroep van Harry die hem een schuiladres op Pernis verschafte. Meer over Harry leest u in het boek: Heijplaat in Oorlog en Vrede. Harry was ook tijdens de politionele actie in Nederlands Indië. Hij raakte daar gewond en werd terug naar Nederland gevaren waar hij verder werd verpleegd. Bron Joop van der Hor.  

Op woensdag 18 april 2017 werd de dienst van Woord en Gebed gehouden in de Hervormde Kerk in Pernis. Wij waren hierbij wel aanwezig, maar zonder banner en toespraak. Harry hield van soberheid. Na de dienst vond de begrafenis plaats op de gemeentelijke begraafplaats te Pernis.  
De kist met Harry’s lichaam werd op de schouders van de dragers naar zijn laatste rustplaat gebracht. 
Een emotioneel, maar ook een respectvol gebeuren. Een verzetsheld waardig.     
 

sobat Jan Coorens overleden 

 
 
Jan Machiel Coorens, sold., 1-3 R.I., 1-5 R.I. en 1-15 RI
Echtgenoot, vader en opa.
  *1 juni 1925  -  † 5 april 2017

 

 

Als hij’ s avonds verlangt naar de nacht;
Als hij moe is van het vragen om kracht;
Als zijn lichaam op is en zijn geest niet meer wil
Dan zie ik de wens in zijn ogen en even word ik stil.

        

foto Joop Pragt

  In overleg met de familie waren wij, Joop en Marianne, donderdag 13 april jl. aanwezig in de Petrus en Pauluskerk te Soest voor de afscheidsdienst. Hier hield Joop de toespraak over het militaire leven van sobat Jan Coorens en droeg aansluitend een toepasselijk veteranengedicht voor.
Na deze dienst verplaatsten familie,vrienden, kennissen en genodigden zich naar de gemeentelijke begraafplaats te Soest alwaar de begrafenis plaats vond. Na afloop was er in de Molenaarskamer te 
Soest gelegenheid om de familie te condoleren.
Corr.adres: Wiardi Beckmanstraat 309, 3762 GH Soest. 

 

 

 

 

Op de koffie bij de kwieke Jan Jacobs, 2-7RI 
.
Veel te vroeg zijn we op 28 maart 2017 aangekomen op het adres in Eindhoven waar we Jan Jacobs (1RS) gaan bezoeken. We strijken neer in de gemeenschappelijke tuin waar de jeu de boulesbaan na de winter weer hersteld wordt voor gebruik. Op een van de bankjes genieten we van het voorjaarszonnetje tot het de afgesproken tijd is geworden. Eenmaal boven bij sobat Jan Jacobs valt het ons op hoe kwiek deze één van onze oudste sobats nog is als hij even snel naar de computer loopt. “En zo rimpelvrij!” merkt Marianne ook op. Het kan niet op met de lofuitingen als Joop hem dan ook nog eens prijst dat hij nog goed bij de pinken is omdat hij weg weet met de computer. “Ja, eerst even deze bankzaken afhandelen. Zo, klaar!” zegt sobat Jan. 
foto Joop Pragt 
“U zat bij 1 RS, de stoottroepen, ” begint Marianne. “Ja, dat klopt. Kijk maar eens rond, daar en daar, allemaal houtsnijwerk uit Nederlands Indië. “Fons van Bergen, ook 1 RS, kent u die?” “Jazeker, die ken ik heel goed en hij mij. Leeft hij nog?” Marianne knikt bevestigend.
(Helaas, Fons is okt 2018 overleden, zie verder in dit boekje.red) “Zijn vrouw was hoofdverpleegster in het ziekenhuis van Semarang. Zij was wat ouder dan hij, ”weet sobat Jacobs te vertellen. “Ik heb zijn verhaal gelezen in één van de boekjes Sepatoe Roesak.” “Maar nu komen wij voor uw verhaal, brandt u maar los,”zegt Marianne resoluut.
 
“Ik ben in 1921 geboren in Nederweert, naast Weert,”begint sobat Jan. “Mijn ouders die waren van een boerenafkomst. Mijn vader had een boerderijtje. Landbouw, twee koetjes, een paar varkentjes. Een keuterboertje. Maar hij had wel heel veel pech, want ik was 11 jaar toen mijn moeder door de bliksem werd getroffen. Dus hij zat alleen met zes kinderen en ik was de oudste. Toen ik van de lagere school afkwam, stuurde hij mij meteen een boerderij op. Kost en inwoning, een mond minder te voeden. Toen kreeg je op een gegeven moment 40 gulden dacht ik. Het was in de dertiger jaren allemaal armoede toen. Crisistijd. Ik heb even nog op de landbouwschool gezeten. Het schijnt dat iemand een gift had gedaan en daarom kon ik naar die school.  Maar daar ben ik alweer snel vanaf gegaan. Ik zat toen al bij een boer en had geen tijd en interesse meer om te leren. Je moest werken. Alleen zondags was je vrij.”“Hoe komt het dat u naar Indië ging?”vraagt Joop. “Nou, ik heb altijd al graag naar Indonesië willen gaan. Gewoon, uit interesse. Het was een Nederlandse kolonie. Dat trok. Ik had zelf nooit naar Indonesië kunnen gaan, want ik ben een beetje bibberig. Dan hebben ze je niet nodig. Ik ben daarom maar bij de boer gebleven.”
“En dan breekt de oorlog uit”, gaat Marianne verder. “En ik zat bij die boer. Dan blijf je werken bij die boer tot de oorlog afgelopen is. Omdat we op het platteland zaten, heb ik niet veel meegemaakt van de oorlog. Je zag die vliegtuigen wel eens overvliegen. Ik heb wel een keer meegemaakt dat ze bij ons in het dorp bommen neergooiden. Dat was op een zondag. We zaten na de hoogmis in een café. Op een gegeven moment gooiden ze bommen. Vijftig meter verder was er een bom gevallen op een huis. Die andere kwamen in het veld terecht. Wie die bommen gooiden? Ja, dat waren de Engelsen. Een andere keer werd er een vliegtuig neergeschoten van de Engelsen en dat kwam ook vlakbij een boerderij terecht.
 
Toen de oorlog hier in 1944 afgelopen was, was ik 25 jaar. Eerst ben ik toen bij de Ordedienst in Weert gegaan. Naderhand zijn we doorgetrokken. Ik heb in Maastricht gezeten en in Aken. Daar moesten de spullen van de Amerikanen bewaakt worden. We zaten met meerdere Weertenaren bij de Ordedienst. Wij deden de bewaking. We hadden helemaal geen ervaring met schieten en geweren. Als ik verlof had, dan nam ik m’n  geweer gewoon mee naar huis en dan thuis een beetje oefenen. Dat mocht eigenlijk niet. Na de Ordedienst meldde ik mij in Weert als oorlogsvrijwilliger. Ergens in Twente kregen we later onze opleiding en van daaruit vertrokken we naar Engeland. Ik ben soldaat 1e klas geworden. Met de Alcantara zijn we van Engeland uit naar Indië gegaan. We kwamen  eerst op Malakka Met welk schip we van Malakka naar Semarang zijn gevaren, dat weet ik niet meer.
 
“Weten uw kinderen dat u in Indië bent geweest en wat u daar deed?”vraagt Marianne. “Natuurlijk” antwoordt  sobat Jacobs vastberaden. “Nou, zo natuurlijk is dat niet hoor,” zegt Marianne, “er zijn genoeg kinderen op zoek naar informatie over hun vader die hen nooit iets verteld heeft over zijn tijd in Nederlands Indië. Of dat de kinderen er niets over willen horen. Ook dat gebeurt.”
“En dan krijg je nou tegenwoordig die berichten dat wij ons zouden hebben misdragen. Ik snap er niets van. Wij waren helemaal niet kwaadwillend, we waren juist goed voor die mensen. Ja, Westerling, die had een groep militairen, paratroepen,  bij elkaar verzameld en die is naderhand op één van die eilanden geweest. Het kan dat hij zich een beetje misdragen heeft. Dat was een uitschieter hoor.
Maar ook andersom gebeurde er erge dingen. Het was oorlog. Ik weet nog wel dat we op actie waren. Meestal vielen er dan toch wel doden.  Ergens in de verte lagen twee mensen. Mijn sergeant stuurde mij  daar naar toe. Ze waren schijnbaar dood of die hielden zich dood. En dat zit nog altijd in mijn gedachten. Nog steeds. Ja, want dat was een angstige situatie. Angst. Ze hoefden enkel maar op te staan en je neer te schieten.”
“U ging naar Indië maar uw broer ging ook, ”zegt Marianne.
“Ja die ging ook. Hij is eerder gegaan. Hij is op Banka terecht gekomen. Daar is hij gesneuveld, door snipers. We zaten op Malakka. We stonden op appel. Er werd een naam opgenoemd. Ik moest later gaan vragen wie dat was. Ze wisten niet dat het mijn broer was. Mijn broer was twintig. Het was de vierde broer.
“De herdenking in Roermond is voor u dan ook een heel beladen iets,”vult Marianne gevoelig aan. “Ja,dat is het zeker,”beaamt sobat Jan.  
“Ik ben, denk ik, tweeënhalfjaar in Indië geweest. Op 11 november 1945 eerst op Malakka, Port Dickson, Charly Beach omdat we Indië niet in mochten. “Ik ben op 12 maart 1946 in Semarang terecht gekomen. Bij de Tijgerbrigade. Toen wij in Semarang waren kwamen er ook aanvullingen van 6 RI bij ons. Dat waren geen vrijwilligers, maar dienstplichtigen. Er was altijd een beetje wrijving, tussen vrijwilligers en dienstplichtigen. Nee, dat zat niet goed. In Semarang werden we gelegerd in een soort klooster. Maar ik wel iets meegemaakt toen we daar op de kazerne waren. Op een gegeven moment hadden ze voor de kazerne prikkeldraad gespannen, en daar hingen granaten in een busje  aan. Dat was wel even schrikken. Dat was bij ons niet bekend, maar dat hadden ze gedaan om de ploppers tegen te houden.
Dat gedoe over de excessen die er zouden zijn geweest. Wij waren vrijwilligers en daar kon je je voor aanmelden, kon je daar weer op avontuur. Niemand is daar naar toegegaan met het idee: kom nou gaan we daar eens lekker moorden. Neen, natuurlijk niet! Bij mij is het ook een beetje avontuur geweest. Al die tijd op dat boerenbedrijf gewerkt en dan zo’n kans krijgen om naar Indië te gaan. Iets van de wereld zien. Naderhand zijn we een beetje rondgereisd. Plaatsnamen weet ik niet meer. Of ik langer in Indië had willen blijven? Nee, nee dat kon ook niet. Je zwaaide gewoon af en ging terug naar Nederland.
Wie mijn leidinggevende was? Van Cuijk en Maassen. Mijn maatjes, Gemmicken, Jeninga.” “Hé, meneer Jeninga! Die woonde bij ons in Hoogvliet,”zegt Marianne enthousiast. “We kenden hem van inloopmiddagen voor de veteranen in Hoogvliet. Helaas, hij is een paar jaar geleden overleden. Een gelovig man en vriendelijke man.” “Ja, hij was een protestant”, weet sobat Jacobs nog. Joop vertelt:”We kwamen meneer Jeninga ook altijd op de zondagochtend tegen, hij ging naar de kerk en wij gingen hardlopen met onze groep.” “Ja dat was bij ons ook altijd zo, zondagsochtend naar de hoogmis en daarna doken we de kroeg in,”haakt sobat Jan in. “Daar waren altijd leuke jonge meisjes die daar bedienden.” “Pieter Paulusma, kent u die dan ook?”  “Ja, die heb ik gezien toen ik bij op jullie reünie was. Ook 1 RS. Maar er zijn er maar nog maar weinig van de Stoottroepen van 1 RS die bij de reünie komen hè. De leeftijd maakt het steeds moeilijker.”
 
“Hebt u al uw foto’s nog van destijds in Indië?” vraagt Marianne. “Ja, ik heb nog ergens foto’s in zitten.” Sobat Jan gaat even op zoek en komt later trots terug met een album. Marianne bekijkt de eerste foto en zegt:”Nou, u bent niet veel veranderd!”
“Kijk, dat is mijn broer. Hij viel net onder mij,”wijst meneer Jacobs aan. “Bent u bij zijn begrafenis geweest,”vraagt Marianne. “Waar is uw broer begraven? In Candi?”
“ Nee, in Bandung.” “ Goh, dan bent u ook met een rot gevoel naar huis gegaan, want je laat je broer daar achter,” merkt Marianne op. “Ja, maar je bent dan jong en dan is het toch anders dan nu,”gaat sobat Jan verder. “Kijk, dat is bij de boer, daar waren we aan het maaien, en dat is mijn zus, die is nu negentig! Hier een foto van militaire dienst, in Luik. Ja, daar zijn we ook geweest.” En dan komen de foto’s van Indië. “Kijk, dat ben ik.”  “Het haar zit nog precies eender,” merkt Joop bij de hand op. “Alleen is de scheiding wat breder geworden,” kaatst Jan Jacobs gevat terug.

Joop bladert ondertussen het fotoalbum door en maakt hier en daar wat foto’s van foto’s. “He, zie ik daar prins Bernhard?” “Ja, die is een keer bij ons op bezoek geweest in Wockingham.” “En kijk, foto’s van Londen. Heel speciale ook. Beëdigingen ook. Mooie foto’s hoor. Zo te zien is dit een foto met generaal Spoor,” gooit Joop er tussendoor.
“En oh, kijk nou,” zegt Marianne, “daar heb ik zo naar gezocht, foto’s van de tandarts!” Joop is klaar met het bekijken van de foto’s en klapt het album dicht. “Bedankt dat we uw foto’s mochten bekijken en foto’s ervan mochten maken.”
                                      
“Op 18 februari 1948 ben ik in Rotterdam geland en dus teruggekomen in Nederland.” “Hoe vond u het om weer thuis te zijn toen u terug kwam uit Indië? Kon u weer makkelijk wennen?” wil Marianne weten.  “Och, je bent nog jong, dat ging best makkelijk. Je pikt weer je vrienden op,”praat sobat Jan er over.“Eenmaal weer thuis, ging ik bij de spoorwegen werken. Ik had beter bij Philips kunnen solliciteren. Daar werkten veel jongens die in Indië gezeten hadden. Waarom ik bij de spoorwegen wilde? Toen ik bij de boer werkte, was dat vlak bij een treinstation. Ik zag dat allemaal zo aan en vond het wel wat.
Je begint bij spoorwegen als arbeider, naderhand mag je rangeerder gaan spelen. De wagons aan en afkoppelen.  Dat is een beetje gevaarlijk werk. In Sittard verloor een keer iemand bij dat rangeren zijn been. Hij struikelde gewoon en toen was het gedaan. In Weert heb ik de meeste tijd doorgebracht. Daarna naar Eindhoven gegaan. Op een gegeven moment heb ik de spoorwegen gedag gezegd.
Ik had een paar maanden mijn rijbewijs, kocht een autootje en ben in 1962 een rijschool begonnen. Ik begon met een Fiatje 600. Mijn zwager was erg handig, en die maakte er dubbele bediening in.
 
Mijn voormalige vrouw leerde ik al kennen voor ik naar Indië ging. Toen was ik in dienst en zat in Zeeland, Sluiskil. We moesten beiden dezelfde richting op en zodoende heb ik haar leren kennen. Ze was toen een jaar of 16,17. Ze was het. Maar naderhand is het toch fout gegaan. Ik heb twee kinderen. Mijn dochter woont in Eindhoven, mijn zoon woont in Delft. Ook  5 kleinkinderen en 5 achterkleinkinderen.
 
Om terug te komen op mijn rijschool, ik had zes wagens rijden. En dat liep goed. Toentertijd wilde iedereen autorijden. Vanwege mijn leeftijd ben ik er uiteindelijk mee gestopt. Het was genoeg. Tussendoor een scheiding meegemaakt. Later geniet je dan van je pensioen.”
“Toen u eenmaal met pensioen was, wat bent u toen gaan doen?” vraagt Joop weer door. “Niks, helemaal niks” is het antwoord van sobat Jacobs. “Ik heb gebridged, geschaakt en heel veel wandelen met mijn tweede vrouw. Ik heb toch wel weer een partner gevonden. Ik ga hier in Strijp ook nog naar de schaakclub van de Philips. Donderdags bridge ik ook weer. Ik ga dan met de auto. Ik rijd nog steeds auto. In 2019 moet ik weer voor de keuring. Ik ben absoluut niet bang op de weg.”
Marianne vraagt wat hem het meest is bijgebleven van Indië.
“Ja, dat is toch het sneuvelen van mijn broer. Het was daar allemaal even mooi en altijd warm. Ik kon goed tegen de warmte.
Ik ben zelfs nog een paar keer teruggeweest naar Indonesië. De eerste keer met mijn eerste vrouw, naderhand ben ik zelf teruggeweest.
Ik ben weer in Salatiga geweest en Ambarawa. Met andere jongens van 1 RS heb ik geen contact meer. Ik krijg nog wel een aantal bladen, zoals Strijdend Nederland,  dan zie ik weer hele rijen met namen van overledenen.
Ik kijk veel TV. ’s Avonds dan. Documentaires over de natuur. Sport:  Tennissen en voetballen natuurlijk. Ik lees de krant, via de computer. Eerst hadden we met zijn drietjes hier de gewone krant. Ik kan de Volkskrant en het Eindhovens dagblad op de computer lezen.  Maar mensen verhuizen of vallen weg. Eerst was het hier voor mensen boven de 50, nu woont er van alles hier. Ze proberen de flats die vrijkomen weer te verkopen. Eerst was het allemaal huur. Een flat voor ouderen. Nu dus niet meer.” “Ah vandaar dat toen we net even een poosje in het zonnetje buiten zaten, de onderhoudsman van de jeu de boulesbaan aan ons vroeg of wij hier een flat kwamen kopen,”zegt Marianne. “Wij gaan gewoon terug naar Hoogvliet. Over Hoogvliet gesproken, het is hoogtijd. We gaan naar huis. Ik zet even de koffiekopjes in de keuken en dan gaan we. Bedankt sobat, voor dit fijne gesprek.”

tekst:Marianne, foto's Joop Pragt

 

 

Sobat Ir. H(Henk).J.A. van Lindert,  2-7 RI,  overleden 

 
 
Sobat Ir. H(Henk).J.A. van Lindert,  2-7 RI,
 OVW  Brengun Carrier  Cie
Onvergetelijke man, vader, grootvader, ‘dada’ – ‘pop’ en overgrootvader
*3 maart 1928 -  † 2 maart 2017
 
 

                                                                                                  foto: Bob Pragt
 
Henk van Lindert werd geboren in Celebes (Sulawesi') en volgde de lagere school in Bandoeng, Fort de Kock (Bukit Tinggi) en Magelang. Gymnasium. OVW-er 1945-1948. Na diensttijd terug naar landbouwuniversiteit in Nederland. Toen weer 6 jaar als rubberplanter in Sumatra.  Vervolgens 47 jaar als Chief Research Afronomist  in het Research and Specialist Department in Rhodesia, toen Zimbabwe.
 
Sobat Henk werd geregeld gedetacheerd aan Regiment Informatie Dienst vanwege zijn kennis van Hoog- en Laag Javaans en Bahasa Indonesia. Zijn carrier werd op de 1ste dag van de 1e politionele actie door een anti-tankbom opgeblazen.(zie ook het boek: Loslaten, dat gaat niet meer door Gerard van Pijkeren).
 
Op zijn (korte) ziek zijn reageerde sobat Henk als volgt: “Als ik op een landmijn rijden, een Japanse bajonet in m'n buik en mortiergranaat verwondingen zonder al te veel soesa redelijk koel kon reageren, kan ik dit zeer zeker doorstaan.” Helaas, het mocht niet zo zijn.
 
Met Doreen, de weduwe van Henk van Lindert, is een hecht email- en telefoonverkeer geweest en in overleg met haar is besloten dat wij niet in Havelte op de crematieplechtigheid aanwezig zouden zijn. De lange reis was nog te vermoeiend voor Joop. Wij bezochten haar alsnog op 30 maart 2017.
Corr.adres: Vorelaan 24, 7971 AV Havelte. 
                                                                                                                

 

Waar is stoottroeper Harry Hoogwerf? 
 
 
We gaan van de week nu eerst eens naar Harry hoor,” zegt Marianne op 24 februari  jl. tegen Joop. Zo gezegd, zo gedaan. Althans, dit keer niet. We arriveren in Pernis, bijna om de hoek van Hoogvliet,  bij het tehuis waar Harry woont. We zijn al eens meer zo even bij Harry aangewandeld. Het valt Marianne op dat er veel lege woningen zijn. Eenmaal bij de ingang gekomen staat er een grote vuilcontainer naast de deur. Een grote kamerplant steekt boven de rand uit. “Zeker iemand overleden en moet de kamer leeg” vermoedt Joop. Maar de toegangsdeur gaat niet open en het ziet er verdacht leeg uit bij de receptie. Net als we willen bellen komt er iemand aangelopen met een kar vol rommel. “Meneer we komen voor Harry.”“Tja het huis is leeg. Het wordt verbouwd. Alle bewoners zijn overgebracht naar Rotterdam Zuid.  Daar zal jullie Harry ook wel zijn.”  “Laten we dan maar meteen naar die zorginstelling gaan, ”oppert Joop.  “Vreemd dat Harry niets heeft laten weten van een verhuizing,” denkt Marianne. Eenmaal bij de zorginstelling waar de Pernisser-bewoners zijn ondergebracht vraagt Marianne de receptioniste:”Mevrouw, weet u waar Harry is. We zijn Harry kwijt.” Harry wordt opgezocht in het bestand. “Ja, meneer Hoogwerf woont inderdaad hier tijdelijk in huis. Maar hij is er niet. Hij ligt in het ziekenhuis. 
Hij komt waarschijnlijk morgen weer terug naar hier,”zegt de behulpzame dame. Daar staan we dan met ons goede gedrag. Harry kwijt, Harry gevonden en toch weer niet. We zouden door kunnen rijden naar het ziekenhuis maar besluiten om later de week Harry in zijn eigen woning op te zoeken. En dat hebben we gedaan.
 
                                                                                  foto's Joop Pragt
 
“Waar zat je Harry? We waren je alweer kwijt!” “Hé jongens zijn jullie dat. Fijn dat je me komt opzoeken”. We vertellen Harry over onze speurtocht naar hem. “Het gaat niet goed meer met me. Het is genoeg zo. Ze zijn alles 
in werking aan stellen voor mij dat ik binnen drie weken komt te overlijden. Het is goed zo.” We praten nog een poos met Harry. Verdrietig zijn we maar maken ook nog grapjes. Harry vraagt of wij de sobats zijn groeten willen overbrengen, ook de jongens van 1RS. Dat hebben we op de reünie gedaan en nu dus ook in dit boekje.
Met een verdrietig gevoel nemen we afscheid van Harry. 
Fijn dat we in je leven mochten zijn Harry!                                                                                                
 

 

 

Bij Bokkenrijder Joop van Eijden in Vught op de koffie 

 
De hospik van de  Bokkenrijders, 4-6 RI, woont in Vught.
 
“Als jullie weer eens op de kazerne in Vught moeten zijn, kom dan gerust bij ons een keer koffie drinken. Zoals je weet woon ik vlakbij de kazerne en kwam tot voorheen iedere keer met de fiets naar de reünie. Je bent van harte welkom,” had sobat Joop van Eijden meerdere keren aan ons gezegd.  Op 13 februari 2017 hadden wij de kans om een combinatiebezoek te maken met zowel een bespreking op de kazerne in Vught en een kopje koffie drinken bij Joop van Eijden, voormalig hospik 4-6RI, in Vught.
 

 

foto Joop Pragt 

 
We zitten in de zonnige ruime woonkamer met fraai uitzicht. Het gesprek start met de vraag van meneer en mevrouw van Eijden hoe het nu met Joop is. “We zijn destijds vreselijk geschrokken toen je ineens het ziekenhuis inging. We hebben intens met jullie meegeleefd”. Met “Nu gaat het weer goed hoor”, stelt Joop meneer en mevrouw van Eijden gerust. “We zijn blij dat we weer bezoeken kunnen afleggen, maar ook weer reünies kunnen organiseren. Maar hoe is het met u? ”
 “We zijn nu wel gewend aan ons nieuwe appartement,”zegt mevrouw van Eijden. “Eerst was het net kamperen of zoiets. Ik kon in het begin niets vinden. De kinderen hadden samen met kennissen en vrienden alles geregeld, schoongemaakt, geverfd, gewit, de vloerbedekking en alles ingericht. We hebben geweldig fijne kinderen. Ons Liesbeth trekt de kar.” “Hoe lang bent u al samen?” vraag Joop aan de andere Joop. “Bijna 60 jaar. Wat een uithoudingsvermogen hé,”  zegt mevrouw van Eijden guitig. “Hij was dertig toen die trouwde.” “Ja, dat klopt. Ik was 23 toen ik terug kwam uit Indië.”“Laten we maar eens bij het begin beginnen,” stelt Marianne voor.
 “Wel, ik ben geboren in Utrecht. Later verhuisden we naar Tilburg. Mijn vader was bedrijfsleider bij de Hema. Hij had de HEMA in Tilburg opgericht. Hij reisde van Utrecht naar Tilburg. Hij is al heel snel overleden. Ik was zeven jaar. Mijn vader is verongelukt met de auto en had pas zijn rijbewijs. Hij was toen nog maar 33 of 34. Mijn moeder, die deed niets anders dan het huishouden met zes kinderen. Vijf jongens en één meisje. Ik ben de enige van het gezin die nu nog in leven is.
In Tilburg ging ik naar de lagere school en afgemaakt tot en met de  6e klas. Er waren tien klassen. Het was een handelsschool. Vanaf de zesde klas ben ik naar het lyceum gegaan. Het lyceum heb ik tot en met de derde klas gedaan. Naderhand heb ik nog de avondschool gevolgd.
En dan komen de moffen. In de oorlogstijd was ik nog thuis. Mijn oudste broer ook. Als er weer een V1 overkwam dan gingen wij naar de zolder om uit ’t dakraam te kijken. En dan ging de’r weer een kerktoren weg. Nou waren er toch kerken zat in Tilburg dus eh..! Ik werd niet opgeroepen voor de arbeitsdienst, mijn oudste broer wel.
 
Ik heb drie jaar in Indië gediend. Er waren speciale bureaus waar je je als vrijwilliger kon melden. Ik heb er ook voor gestaan in Tilburg. Maar toch niet gedaan. In 1947 werd ik alsnog opgeroepen. Ik was dienstplichtig van 1947 tot en met 1950 als hospik. Nee, niet bij de HUPVA, gewoon bij de Bokkenrijders, 4-6RI. Als aanvulling ben ik opgekomen. Hartstikke koud in 1947. We zaten in Amersfoort, het voormalig concentratiekamp. De NSB-ers die gevangen waren genomen die mochten daar niet liggen want het was daar niet geschikt voor hen maar voor ons was het wel goed! Alles was kapot. We kregen opleiding van oorlogsvrijwilligers en moesten veldlopen doen in de sneeuw. We mochten geen trui aan en geen handschoenen aan. Daar word je hard van hè. Dat hadden we hard nodig straks in Indië! In de kou trainen. Belachelijk. Laatst hadden we het er nog over toen onze kleinzoon naar Afrika ging. Hij is nu bijna twintig. Nou op die leeftijd ging ik naar Indië! Ik was op de boot jarig geweest. Maar het was onvoorstelbaar, jonge jongens en dan drie jaar van huis.” “Hoe is het gekomen dat u hospik bent geworden.”“In  dienst vragen ze wat je voorkeur is, wat voor onderdeel. Ik zei, nou vechten niet.  Doe mij maar op de administratie, want dan zit je op kantoor. Maar dat ging niet door, want ze hadden Rode Kruis soldaten nodig.”
“Weet je, met iedere patrouille van 15 man daar moest volgens de wet een hospik mee. Dus ik kreeg een geneeskundige opleiding, maar dat is geen praktijk. Voordat we weggingen kregen we voorlichting in Vught,  verplichte retraite. Toen gingen jezuïeten ons vertellen wat we  konden krijgen als je naar de hoeren ging. Hoe vind je  dat? Lachen toch?
De  praktijk kwam pas in Indië. Ik kon veel beter injecties geven dan de bataljonsarts. Ik deed het aan de lopende band. En als ze in de kampong waren geweest, dan kwamen ze ook. Waren wij hospikken een beetje aan het kaarten en dan zeiden ze: Joop, ik heb zo’n hoofdpijn. Wacht maar, ik kom eraan. Ik wist het allang, dan waren ze bij de hoeren geweest. De hoofdpijn was een smoesje.
 
Ik heb  van alles in mijn handen gehad: darmen, hersenen. Dat kwam door die rothelmen, daar kon je onderdoor schieten, dat gebeurde heel veel. Die Engelse helmen waren slecht, de Amerikaanse, dat waren ‘goeien’. Die hersens kun je niet terugstoppen dus stuwverband eromheen en met de ambulance honderd kilometer over een hobbelige weg naar Semarang. Naar het ziekenhuis. Het Sint Elisabeth. Darmen die er bovenop lagen, kun je ook niet terugstoppen door een klein gaatje. Dat soort dingen zie je bij de opleiding niet.
 
In Indië kregen we niet veel waardering. Toen we daar in Indië zaten, moesten we patrouilles lopen met schoenen, daar vlogen de hakken van af. Het materiaal was niks. Er was zelfs geen verband. We moesten met de jongens aan thuis vragen of ze verband wilden opsturen. Wij kookten zelfs het verband uit. Er was niks. Wat een leger hadden we toen. 
 

                                                                                  foto's Joop Pragt 
 
Wij kregen nog van die groene blikken met eten mee op patrouilles die de Amerikanen in de oorlog ook kregen. Onze bataljonsarts heeft nog een keer geschreven dat we geen brood kregen, maar krentenbrood, want er zaten allemaal zwarte torren in. We hebben maar weinig aardappels gegeten. Rijst, nasi, bami, aten we.
 
Slechte wapens hadden we ook. Die Lee Enfields! En ook Stens, dat waren rotdingen. Die waren levensgevaarlijk. Als je die hard op de grond zette, dan gingen ze al af. Ik heb veel van de jongens moeten wegbrengen met de ambulance door die dingen.”
“Mijn moeder kreeg op tijd brieven, gaat sobat Joop verder. “ Als ik op acties moest, dan schreef ik brieven van te voren want ik wilde die brieven op tijd weg hebben. Mijn moeder, ook niet gek, want die schreef op een keer dat ze in de krant had gelezen dat er twee jongens van ons bataljon waren gesneuveld en ik had daar niets over geschreven. Maar ik schreef daar ook nooit over, niets aan de hand.” “Die ervaringen op zo’n jonge leeftijd sleep je allemaal mee als je weer thuis bent,” stelt jonge Joop.“Ja, dat klopt, maar  ik heb er gelukkig geen last van,” antwoordt oude Joop. “Ik heb één of twee keer gehad dat ze aan mij vroegen wat heb jij vannacht gehad? Je lag te schieten in je slaap. Daarna niets meer. Ook nu niet. Ik heb dat goed van mij af kunnen schuiven. In Indië ook, als we terugkwamen van een patrouille dan een flinke pils pakken en dan was het goed. Ik heb heel veel gezien. Alle compagnieën heb ik gehad. Als ergens een hospik ziek was, dan kon ik daar weer naar toe.
Al die gewonden verzorgen. Als we helikopters hadden gehad, het leger had niks, dan hadden we veel gewonden kunnen redden hoor. Honderd kilometer rijden naar het hospitaal. En moest er ook nog één met een mitrailleur naast zitten. De postweg af.  Iedere compagnie had een hospik. Als er  één ziek was dan mocht een ander gaan. Ik was nooit ziek, dus ik ging altijd mee. We hadden alles bij ons. Bloedtrans-fusies, niet zo modern als tegenwoordig allemaal, maar we hadden  het wel. En een stel koelies, waar we bloed van konden tappen. We hebben wel eens een brancard moeten maken van bamboehout. Dat kon je ook niet meesjouwen. 
Ik had als wapen de stengun bij me. Een oud rotding en gevaarlijk ook nog. De vergrendeling was niet zo best. Jan van Luik uit Tilburg, van ons bataljon, die zijn volledige gezicht was weg doordat zo’n stengun ineens afging. Achteraf hoorde ik dat hij eraan wilde, maar dat geloof ik niet. Hij was bij  een carrier. Hij hield de sten vast van een andere soldaat die in de carrier wilde klimmen. Jan zet dat ding neer en hup pats. Ja, dat was Jan van Luik.
 
Er is ook veel goeds gedaan, zeker. Wij als hospikken hebben een eigen bevolkingskliniek opgericht. Daar gingen we in onze eigen tijd de bevolking helpen. En dan kwamen ze allemaal hoor. Ze hadden twee drie uur gelopen. Tropenzweren met bananenschillen erop. We hebben ze geholpen.” “Dat mag ook wel eens gezegd worden op de televisie,” pleit jonge Joop.“Ja maar dan moet je dat niet tegen die Zegsveld zeggen,” schertst oude Joop. “Alleen maar slechte dingen haalt dat mens op. Alleen maar slechte dingen! Wat een verschrikkelijk mens!” 
“Ik hoef niet te vragen wat het meest ingrijpende is wat u hebt meegemaakt. U heeft als hospik heel veel ingrijpende dingen gezien. Maar wat is u het meest bijgebleven van uw tijd in Nederlands Indië?” vraagt Marianne.” “Het land zelf! En de inwoners! Daarom ben ik ook een keer terug gegaan. Ja, dat is het,” zegt sobat Joop gedecideerd.  
Ik heb ook nog een week in de cel in de militaire gevangenis gezeten,” biecht sobat Joop op. “Ik was met het ziekenrapport bezig en het was appel.  Ik zei, nee,tegen de bataljonsarts, ik ga niet naar het appel, want ik was bezig met mijn werk. Daarvoor kreeg ik een week cel. Ik ben er toch eerder uitgekomen omdat ze papieren nodig hadden uit de geheime kisten, waarvan ik alleen de sleutel had.
Toen we uit Nederland vertrokken was Schutte de bataljonsarts, een hele goeie. Die  was in Indië geboren ook. Daarna kregen we Panman, dat was een oude scheepsarts. Die was meer militair als dokter. Die Schutte dat was een goede dokter hoor. Die kwam ’s avonds naar ons toe om te kijken of alle klamboes wel goed dicht waren. Zelf heb ik één weekje in het St.Elisabethziekenhuis in Semarang gelegen. Toch een keer ziek. Aan de rits. Buikgriep dus. Maar ik was zo weer terug hoor, want dat vond ik ook niks. In dat ziekenhuis zaten nonnen uit Limburg.”Marianne vertelt dat zij brieven heeft van de nonnetjes die naar de familie van Jan van Velthoven van 2-6RI schreven. Jan van Velthoven lag erg slecht en via de brieven hielden de nonnetjes het thuisfront op de hoogte. Zulke mooie brieven.” “Wij hebben ongeveer dezelfde route als 2-6RI gevolgd, merkt sobat Joop op,  Semarang, Weleri, Ambarawa, Tegal, Salatiga. 
Met een chique boot ‘De Pasteur’ zijn we teruggekomen. Dat was een Franse schuit voor de koopvaardij. Weet je wat wij dronken? Wijn! Bij het ontbijt! We kwamen aan door de sluis van IJmuiden. Er was heel weinig ruimte voor zo’n grote boot in die sluis. Je kon zo weglopen, zo dicht bij de kant waren we.” “Hoe was het toen u thuiskwam? Was het feest?”vraagt jonge Joop.“Het huis was versierd. Ik heb er nog foto’s van. Weet niet waar die hier liggen,” zegt oude Joop lachend.
“Het eerste wat ik kreeg toen ik weer thuis was, was een rekening van defensie. Ik had in de bus mijn militaire winterjas laten liggen. Dan krijg je de rekening, 50 gulden geloof ik. Ja, dat is toch wat moois hè, dat je dan een rekening krijgt! Heb je drie jaar van je leven gediend voor het vaderland en dan krijg je een rekening voor een jas! Ik heb die rekening nog betaald ook! Ik moest ook nog op een paar herhalings-oefeningen. Ik  ben naar de burgermeester van Tilburg gegaan en gezegd: Daar doe ik niet meer aan mee! Ons leren hoe we het moesten doen, terwijl we al drie jaar in Indië hadden gezeten?”
“U kwam terug uit Indië  en wat bent u toen gaan doen?” vraagt Joop. “Ik ben teruggegaan bij de gemeente Tilburg. Daar was ik al voor ik naar Indië moest. Ik deed administratieve werkzaamheden. Het mooie was, het salaris was gewoon doorbetaald. Alleen het soldij werd er af gehaald. Maar dat was niet veel. Toen ik terugkwam uit Indië had ik een mooi spaarbankboekje. Mijn moeder had alles gespaard.
Bij de gemeente zaten we in een noodgebouw. Daar kwamen de  muren op mij af. De eerste drie jaar mocht ik in de buitenlucht doorbrengen. Ik ben tot de VUT bij de gemeente gebleven. Eerst bij de gemeente Tilburg daarna hier in Vught.
 “Weten uw kinderen van wat u hebt gedaan in Nederlands Indië?”vraagt Joop nu.“Ze vragen er ook soms naar om wat meer te vertellen. Ja, maar onze Liesbeth, die ook meekomt naar de reünies, Roermond en naar Den Haag, die weet er het meest van. Die gaat ook bij anderen zitten. Als Olga meegaat, die doet dat ook als ze meegaat. Onze Joep niet. Het is toch een belangrijk deel van je leven wat je daar hebt meegemaakt.  Toen ik zeventig was ben ik voor een maand teruggegaan. Ik voelde het ineens kriebelen en dacht: Nou wil ik terug.
Kijk, je weet dat het land mooi is want je bent er al eens geweest en de bevolking is niet haatdragend maar vriendelijk.  Soms sprak ik daar ook weer Maleis. Veel van die Indonesiërs spraken ook Nederlands.”
“Och, we hebben destijds zoveel dingen meegemaakt. Neptunes aan boord, dat was de kapitein Bouwman uit Venlo, die deed alles. Die speelde voor Sinterklaas. Met patrouilles pakte hij me bij mijn schouders en zei: Ga jij maar naar achteren, jij hoeft niet voorop te lopen. Je bent hospik. Ja dat was een aardige vent. Hij is later commandant, overste geworden.”
 
“We hebben elkaar leren kennen op de tennisbaan,”gooit mevrouw van Eijden er even tussendoor. Januari 1958 zijn we getrouwd.” “Wat dacht u op een gegeven moment: ik gooi eens een balletje bij haar op?”vraagt Marianne ondeugend. “Toen we getrouwd waren gingen we zondagsmorgens geen koffiedrinken bij de ouders, nee, zij ging hockeyen en ik ging voetballen. We zeiden tot vanavond en gingen allebei op pad met onze sporttas. Sporten, heerlijk. Maar je kunt het ook te veel doen hoor,” zegt sobat Joop. “Ik heb dat gedaan. Ik heb vier pezen die gescheurd zijn. Tennissen en badmintonnen. Ik heb veertig jaar gebadmintond.”Mevrouw van Eijden vertelt trots: “En hij heeft zelf die badmintonvereniging opgericht.”
“Game, set en match over.” zegt jonge Joop dan vastberaden. “We gaan nog even naar een donateur van DE-punten in Den Bosch die duizenden punten voor ons hebben. Dat wordt tellen!”
 
Wanneer Marianne later sobat Joop telefonisch met zijn verjaardag wilt feliciteren, vertelt mevrouw van Eijden: “Joop is er niet. Die zit in de Nieuwehagen, in Den Bosch. Hij heeft zijn heup gebroken.” We gaan op 6 juli bij hem op bezoek. 

 
Tijdens de reünie van 26 mei 2018 hoort Marianne van sobat Joop dat zijn vrouw twee maanden geleden is overleden. “Wij hebben geen bericht gekregen Och! Wat knap dat u dan toch hier op de reünie bent.” Marianne neemt de  tijd om nog even wat meer aandacht aan sobat Joop te schenken, maar ook de reünie moet voort. Ze geeft sobat Joop twee dikke pakkerds en een schouderklop. Dappere man!             

 

 

Vrijwilliger Arie van den Bos in 'eigen' zorgcentrum opgenomen. 
 
 
31 januari ’17 na Joop zijn laatste revalidatiemiddag reden we van Spijkenisse 
door naar Den Briel. Sobat Arie van den Bos, 2-6RI is opgenomen in de verzorging waar eerst zijn vrouw verbleef en hij zelf al jaren lang als vrijwilliger werkt. Hij was zeer verrast met ons spontane bezoek aan hem in de Plantage.  Marianne beloofde sobat Arie, net als voorgaande jaren, weer een foto op te 
sturen van de plaquette van 2-6RI en de krans die gelegd is tijdens de herdenking in Roermond. Als groet namens hem strijkt Marianne haar hand over de namen van de gesneuvelden.
foto: Joop Pragt 

 

 

Een nuttig gesprek met Gerard Hegge 
 

 
24 januari ’17 haalden we veteraan Gerard Hegge,4-2 RI  thuis op. We hadden een en ander met hem te bespreken en deden dat tijdens een chinees buffet in Capelle aan den IJssel. Door Gerard zijn zakelijk inzicht en tips werd het een zeer nuttig gesprek.  
 
foto Joop Pragt

 

 

Tijgers ophalen bij John Kamerling 
 

 
17 januari ’17 was het een thuiswedstrijd voor ons. In Hoogvliet gingen we bij John Kamerling, 411 bat.inf.,op de thee. Hij had voor ons weer een flink aantal geweldige prespapers met tijgerembleem gemaakt. Als oud collega van Joop en veteraan was er weer veel te vertellen. We maakten er meteen een gezellig bezoek van.  
 
foto: Joop Pragt

 

 

Koos  van der Kuy en Jantine Peelen bezocht
 
Maandag 9 januari ’17 bezochten we in Gouda Koos van der Kuy, 5-5RI. Ziekenhuisopname en ingrepen waren genoeg redenen om weer even bij hem te kijken hoe hij het thuis weer redde. Later op deze maandag bezochten we Jantine Peelen, weduwe van Chris Peelen 2-7RI in Almere. Zij schreef per brief dat ze zich “was wild geschrokken’ over het nieuws over Joop. Helemaal gerustgesteld zwaaide ze ons later die middag weer uit.
 
 foto:Joop Pragt

                             

 

Sobat Jan van Langh overleden 
 
Jan van Langh, sold 1e kl, 3e cie 2-6RI
20 juli 1923 – 3 januari 2017
Oosterhouter in hart en ziel, 93 jaar lang 
 
l                             
 
Ik heb mijn leven geleefd zoals ik wilde
Dat heb ik met volle teugen gedaan.
    Nu is de tijd gekomen om voor altijd te gaan.   
Jan.
                                                                         
Op woensdag 11 januari 2017 was de uitvaartdienst in Basiliek St.Jan, in Oosterhout. Wij, Joop en Marianne waren  deze dag hierbij aanwezig met het banner. Joop hield een toespraak over Jan van Langh zijn zeer korte militaire loopbaan. Een zeer ernstig militair verkeersongeval reeds voor vertrek naar Nederlands Indië maakte dat Jan niet met de jongens vertrok. Joop droeg aansluitend een passend veteranengedicht voor. Na deze dienst vertrokken alle familie, vrienden,  veteranen  en genodigden naar de begraafplaats Leijsenakkers in Oosterhout. 

 

foto Joop Pragt

Jan werd ten grave gedragen door zijn Oosterhoutse veteranenvrienden. Ook bij de groeve werden toespraken gehouden en heel bijzonder: bij het afscheid nemen bij de kist werd iedereen verzocht een handvol kleurige confetti op de kist in graf zou gooien. Zo had Jan dat geregeld. Na afloop was er ruim de tijd om in Jan zijn stamcafé Sluis te proosten op het leven van Jan.       

terug naar index