Bezoeken aan sobats in 2018

  Cor Dudok, 2-6RI.  

 
  
 

 
Op 10 december 2018 bezochten we familie Dudok in Lage Zwaluwe. 
Het was een hernieuwde kennismaking met één van de maatjes van mijn vader. 
Hoe dit bezoek verliep kunt u na plaatsing in sepatoe roesak  hier lezen. 
 

 

 

7 december herdenking Schaarsbergen. 

 
 
 

 
Op 7 december 2018  waren wij aanwezig bij de herdenking 7 decemberdivisie. 
Meer hierover volgt later. 
 

De jaarlijkse 7decemberdivisieherdenking in Schaarsbergen

 

Uiteraard waren wij op vrijdag 7 december 2018 weer aanwezig bij deze herdenking. Dit keer geen storm of sneeuw, wel regen. Netjes werd iedereen per touringcar van het station naar de kazerne gebracht. Geen grote tent meer i.v.m. het teruglopend aantal bezoekers, maar werden wij deze dag in de recreatie- en filmzaal ontvangen. Het kan niet anders zijn dat we op een dag als deze weer veel bekenden tegenkomen. Maar ook met onbekenden raakten wij regelmatig aan de praat. Wij zijn niet bang om een praatje aan te knopen.

De herdenking was weer plechtig en goed verzorgd. De erwtensoep smaakte weer als vanouds en had gretige aftrek bij de bezoekers van alle rangen en standen.

Eén van de ons bekende sobats, Willem Kloos, AAT, kwam vervelend ten val in de herentoilet en werd naar het ziekenhuis begeleid door defensiepersoneel en later in Rotterdam thuis gebracht. Willem liet de volgende dag weten dat hij graag iedereen wilde bedanken  die hem zo goed hebben opgevangen. Alle lof! Wij reisden aan de eind van de goed georganiseerde dag met o.a. Pieter Paulusma, 1RS en Hans van Oirsouw, AAT, gezellig met de bus terug naar het station Arnhem. Hier scheidde onze wegen. “Tot een volgende keer!”

 

 

 

Op bezoek bij Rense de Roode, 2 Mil.Bat. 

 
 
Op maandag 12 november bezochten wij Rense de Roode en zijn vrouw Hetty de Roode. 
Het verslag van dit bezoek leest u later. 

 

 

 

Op bezoek bij Marinier Nico Kruininger 

 
 

 

Op zondag 11 november bezochten we marinier Nico Kruininger in Zevenaar. 

 
We  kwamen aan bij sobat Nico Kruiniger in de stromende regen. De huiskamer was al gezellig verlicht en lieten we het slechte weer voor wat het was. Eenmaal gezellig binnen aan de koffie, gezet met de senseo, gewonnen op de reünie,  komt er een berg brieven, documenten, e.d. op tafel.
Wij laten ons echter niet de regie uit handen nemen en volgen onze eigen tactiek. Sperverhoor!
“Ik ben op 19 december 1926 geboren in Maassluis geboren” is het antwoord van sobat Nico op de eerste vraag. Zo, die hebben we vast!
“Ik heb de lagere school afgemaakt en ik zou naar de HBS gaan en 10 mei 1940 brak de oorlog uit. Toen was ik 14 jaar.”
“Ho, wat deed uw vader?” Joop gooit de rem erop. “Mijn vader die voer. Op de grote vaart. Hij raakte in de crisis zijn boot kwijt en werd werkeloos. Voor een gulden meer dan de uitkering heeft hij bij de werkverschaffing gezeten. Elke morgen ging die op het fietsje met de pont van Maassluis naar Rozenburg, dan fietste die naar de Beer, waar nu Maasvlakte2 is, en daar stond die op de schop. Ze kregen elke dag een krentenbol mee. Dus het was de krentenbollenploeg. Later is hij bij de luchtbescherming gekomen en kok op het transitkamp in Hoek van Holland van de Engelsen die weer terug naar huis gingen. Ik was het oudste kind van de acht. Er waren er elf maar drie zijn er heel jong gestorven. Ik was het monster van de familie. ( De oudste die de maat zette) Op een gegeven moment moesten we ons melden voor de arbeidsinzet.  Dat heb ik niet gedaan. Dus ik heb ondergedoken gezeten bij een oom en een tante  in de tuinderij en ik heb bij een oom in Vlaardingen gezeten,” vervolgt sobat Nico zijn verhaal. “In een meubelfabriek. Op 9 jan 1945 was er in Maassluis een grote razzia. Toen ben ik de val ingelopen. 18 jaar. Het was stervenskoud. Het was midden in de Hongerwinter. We werden met een groep mannen van tussen de 16 en 40 opgepakt en op transport gesteld. We moesten lopend van Maassluis naar Schiedam. Een dag daarna per trein, in van die beestenwagens, via Amersfoort naar Dresden gebracht. Daar konden we voor het eerst uit die wagons. Onder bewaking. Kregen we een beetje soep van het Rode Kruis. Het was een paar weken voordat Dresden helemaal platgegooid werd. Wij kwamen uiteindelijk terecht in Ostrava in Tsjecho-Slowakije. Het was een heel groot kampement van de Eisenbahn- Flak. (Geschut dat stond op treinen) Onze kleren werden afgenomen en we kregen allemaal Duitse kleding,  een crèmekleurig broek en een jack eroverheen,  voetlappen en stiefels. Inmiddels waren de Russen al flink in opmars. Onder de druk van de toename van de Russen zijn we toen naar Pardubice gebracht. Daar werden we in een kampement in smerige barakken gestopt. Strafexercities en op je sodeju kreeg je. Toen wij trouw aan de Fuhrer moesten tekenen en dat verdomden,  kwam pas de aap uit de mouw dat we helemaal geen vrijwilligers of Ersatztroepen waren. Daarna werden we gewoon een beetje kloterig behandeld.
We moesten tankgrachten graven, kregen amper te eten. We werden weer op transport gesteld, nu naar Cottbus, z.o. van Berlijn. Toen kwamen wij terecht midden in de slag om Berlijn. Op een gegeven moment waren wij nog aan het werken, toen zijn we tijdens een bombardement van de Russen met 15 man er tussenuit geknepen. Ongelooflijk groot risico want het werd als Fahlerflucht (misdaad) beschouwd. Als ze je pakten, dan schoten ze je kapot. Aan de ene kant, ik zie nog die hele stoet met vluchtende soldaten, burgers, paard en wagens, en God weet wat!
We hebben daar een paar dagen als een drol in de pispot rondgelopen
en uiteindelijk kwamen we bij een hele grote boerderij.”
“We waren helemaal kapot. Ik kan me nog herinneren dat we uit een trog varkensvoer hebben staan eten. De volgende dag hoorden we een grote schreeuw van een boer: Schnell er aus! Die Rüschen können ballt da sein. 100 Kilometer weither sind die Amerikaner. We zijn zo goed en kwaad met onze bebloede  voeten weer opgestrompeld en toen kwamen we aan de rand van een bos. We keken zo een dal in, daar was een bedrijvigheid. Allemaal lui in gele uniformen. We zijn maar gaan lopen  met handen in de lucht, maar het bleken allemaal Russen te zijn. Die stonden met Tommyguns op ons gericht en toen hebben wij proberen uitteleggen dat wij geen Duitsers waren omdat wij die cremewitte pakken aanhadden natuurlijk. Een jong Pools officiertje, die Engels sprak, vertelden wij dat we Nederlanders waren en gevangenen waren. Toen volgde  een hele riedel in het Russisch. Honger? Eten? Daar moet je zelf maar voor zorgen. Zij waren op jacht naar troepen.  Alles wat voor hun loop kwam werd kapot geschoten. Ik heb heel wat velden met honderden lijken gezien.
Uiteindelijk zijn we in Torgau  terecht gekomen. Daar werden we ontluisd, kaal geschoren, want ja we waren zo smerig als de pest. Een paar weken daar doorgebracht. Toen zijn wij als één van de laatste groepen door de Russen overgedragen aan de Amerikanen bij Frankfurt Oder. We werden op trucks geladen en naar het niemandsland gereden.
Daar stonden de Amerikanen en zag ik voor het eerst in mijn leven een neger. Dus daar werden we overgedragen en weer de hele procedure van controle van namen en Rode Kruis en weet ik veel. Begin mei ’45 zijn we op een trein gezet. Driekwart van het spoorwegnet was kapot gegooid. Wij zaten wel in zo’n wagon maar op een gegeven moment stond je na een dag weer stil. Voor het eerst hadden we een pakketje van het Rode Kruis gekregen. Ik zie het nog voor me. Toiletpapier, sigaretten, orange juice, instant koffie, meat en beans, biscuits, dat was iets geweldigs. Toen zijn we in Bebra terechtgekomen, vervolgens door naar Frankfurt Main,  bij  Luxemburg, Neufchâteau. Door naar het noorden naar Eijsden en Maastricht. Eindelijk kwamen we terecht in Kamp Amersfoort. Werden we weer geregistreerd, gecontroleerd en al wat meer.  Daar zijn we op een truck gezet en naar Rotterdam gebracht. En van Rotterdam naar Maassluis. Toen was ik weer thuis! Ik was een klein half jaar weggeweest. Mijn moeder zei: Zo jongen ben je der weer?!”
“Dan ben je thuis en dan? Ik had geen kleren, geen opleiding. School afmaken, dat zat er niet in. Toen hingen er overal plakkaten van Join the Navy en See the World, kom bij het korps mariniers. Ik dacht dit is misschien de oplossing, je hebt je katje, kleding en te eten. Ik ben me gaan aanmelden als oorlogsvrijwilliger in Vlaardingen. Ik werd goedgekeurd, het was een zware keuring. Je kwam niet zomaar bij de mariniers.
Mijn eerste dienstijd heb ik doorgebracht in het fort van Hoek van Holland. Daar werden wij gehuisvest. Daarvandaan werden we op transport gesteld naar Tilburg, later ingescheept in België, Oostende. We zouden naar Amerika gegaan voor de opleiding in Camp Lejeune. We waren al onderweg en toen werd de atoombom neer gesodemieterd. Halverwege moesten we weer terug. De hele handel, je kist, je barrel was al onderweg. Een week of twee hebben we toen weer in Tilburg gezeten. Daarna naar Amsterdam en  daarvandaan zijn we met de Johan de Wit vertrokken. Wij waren het eerste contigent dat rechtstreeks naar Indië ging. Naar  Soerabaya. Ik heb bij het 2e IMBAT mortieren gezeten. Ik was sectiecommandant van de mortieren. Wij hebben nooit rechtstreeks mensen kapot geschoten. Dat was altijd van een afstand. We schoten, drie, vier, vijf kilometer weg.
Vanuit Soerabaja zijn we naar de buitenposten gegaan. Wononkromo, een berucht punt bij de brug. Daar hebben wij toen de nodige acties ondernomen. Ik heb de 1e politionele actie meegemaakt. We landden toen in  Pasir Puthih. We zijn twee keer onderweg geweest om te landen. Twee keer is het uitgesteld en de derde keer ging het door. We zijn o.a. nog in Besuki geweest, daarna naar Djember, de actie bij Modjokerto meegemaakt. De sluizen waren geblokkeerd. Het hele achterland zat onder water. Wij waren helemaal Amerikaans gekleed. Hadden groene uniformen aan. Met platte pet. We waren van alles van Amerikaans voorzien en zagen er gelikt uit. Dus ook de wapens, de uitrusting, voeding en geld. Dat vergeleken met de jongens van de landmacht. We hebben wat wapens buitgemaakt voor de jongens van de landmacht. Die zaten daar nog met die Lee-enfields, de bren en de sten. Wij hadden een BAR, Browning automatic riffel. Onze kleinste gevechtseenheid was 4 man, en op die vier man was er een volautomatisch wapen en drie semiautomatische wapens.”
“Als ik foto’s van de mariniersbrigade aan mijn vader liet zien, zei die: Ja, maar die jongens kwamen veel later dan wij in 1945, Zij hadden veel beter spul dan wij toen.” onderbreekt Marianne sobat Nico even zijn relaas.“Daar konden wij  ook geen moer aandoen”, zegt Nico zich alsnog verontschuldigend.
“Ik had een kort verband, drie jaar. Ik ben in juni 1945 in dienst gekomen en september 1948 in Soerabaja eruit gegaan. In Soerabaja ben ik gedemobiliseerd. Kon een heel goede baan krijgen. Ik ben toen  administrateur geworden in een van de grootste hotels in Soerabaja, het Branthas.
 
“Toen u bij de mortieren zat als sectie commandant, had u toen al een rang?” wil Joop weten. “Ik zou eerst aspirant reserve officier worden. Dan moesten wij weer naar Holland terug om daar de verdere opleiding te volgen en beëdigd worden en dan zouden we weer terugkomen naar Indië. Maar ik had begrepen dat in mijn conduitestaat stond: is meer komediant dan marinier. Ik speelde gitaar en was conferencier. Ik heb op de Karel Doorman opgetreden.
Ik had in mijn inschepingverlof een meisje leren kennen. Een Rotterdams meisje, Ik was met een maat in Rotterdam in de ijshoek en daar stonden twee leuke meiden. We hebben die meiden op een ijsje getrakteerd en we zijn aan het stappen gegaan. De tweede keer heb ik ze een dag naar de Hoek laten komen. De derde keer heeft ze mij uitgezwaaid in IJmuiden toen we met de Johan de Wit vertrokken. Dat is gebleven tot …ik een brief krijg van: sorry maar ik heb nou een leuke jongen ontmoet, daar heb ik mee gedanst. Jij zit daar vol gevaar met de kans dat er teruggeschoten wordt. Ik vind het niet eerlijk tegenover jou. Ik zit hier met een aardige marineman. De bekende  ‘dear John letter’, dus. Nou ja, dan niet dan! Ik had mijn baan in Soerabaja gekregen. Wilhelmina trad af. In Soerabaja had de marine toen op de Kruiswegkade  een heel grote Hollandse kermis gemaakt. Feest voor iedereen.
Een paar weken later kreeg ik een brief met als afzender EvE. Ze schreef dat ze spijt had dat ze het uit had gemaakt en nog steeds gek op me was. Toen heb ik haar terug geschreven dat als ze me wilde zien dat ze naar Indië moest komen, maar ik kom niet meer naar Holland. Ik heb het hier prima naar mijn zin. Goede baan, mooi huis, schitterend land. Nou ja, van het een komt het ander en uiteindelijk is er besloten om te gaan trouwen met de handschoen. Dat was de enige manier dat zij naar Indië kon komen. Al het papierwerk werd geregeld voor mij in Soerabaja en voor Els in Rotterdam. Eenmaal ondertekend dan was je formeel in ondertrouw en zijn we uiteindelijk op 7 april 1949 met de handschoen getrouwd. Donderdagmorgen, half elf in Rotterdam. Op 25 augustus van het zelfde jaar is ze met haar vader met de Sibajak naar Soerabaja gekomen. We hebben een zoon gekregen. Die is in Batavia geboren. Inmiddels was ik goed bevriend geraakt met de familie van Dort, de ouders van Wieteke van Dort. Die hadden in Nederland allerlei ontmoetingshuizen. In Indië hadden ze dat ook. Allemaal ontmoetingshuizen waar burgers en militairen bij elkaar kwamen in Soerabaja, Semarang, Bandung, Batavia noem maar op. Ik was daar om dat ik aan boord zoveel aan cabaret deed. Dat deed ik ook in Soerabaja. Wieteke was 6 jaar toen ik ze leerde kennen. Ze heeft nog bij mij op schoot gezeten. Ik was op een gegeven moment al  een paar keer bedreigd en beschoten. Toen zei mevrouw van Dort: Nico, we hebben in Batavia een zaalchef nodig . Je weet hoe het werkt en wie we zijn. Is dat wat voor jou. Dan ben je tenminste hier uit de gevarenzone. Els was inmiddels behoorlijk zwanger. ….”
 
“Dus Soerabaja was gevaarlijker dan Batavia”, stelt Joop vast. “Ja, toen wel voor mij. Ik moest eerst met mijn huidige baas in overleg, die wist ook al wel dat het een beetje link was. Ik heb in mijn diensttijd heel veel avondstudie op hbs- niveau gedaan, zo heb ik alles ingehaald na de lagere school. We woonden op Noordwijk in een mooi groot paviljoen en we keken uit op de tuin van Soekarno. Ondertussen was onze zoon Nico geboren maar werd het toch te heet onder onze voeten en is mijn vrouw met Nico met een Schotse boot naar Nederland vertrokken.
Voor mij was er geen passage dus  ik moest onderduiken. Mijn vader had geregeld dat ik bij de Rotterdamse Loyd in geval van nood kon opstappen, De Waterman kwam aan op de kade en er was eentje afgestapt op Nieuw Guinea, en ze hadden nog een hofmeester nodig. Ik heb mijn privéspullen in kisten mee aan boord genomen en heb eerst wat kustreizen gemaakt en ben uiteindelijk van Batavia naar Nederland vertrokken en kwam daar eind 1950 aan.”
”U vertrok met de Waterman naar Nederland. Zaten daar militairen aan boord?” vraagt Marianne. “Ja, helemaal vol! Ik was geen militair en deed gewoon mijn werk als hofmeester aan boord. Ik was ook nog wat behendig met het projecteren van films, ik verzorgde filmavonden aan boord. En ik heb daar de eerste homo ontmoet. Joop Moerman. In de algemene dienst bij de Loyd. Een aardige kerel. Ik denk er nog wel eens aan .”“U hebt zo heel wat voor de eerste keer gezien,” merkt Joop op, “de eerste Rus, de eerste neger, de eerste homo.”
“Terug in Nederland en toen?” valt Marianne bij. “Ik wilde wel op de Waterman blijven als hofmeester, maar mijn vrouw voelde daar niks voor. Ik heb toen drie jaar bij de RET gewerkt. Eerst als leerling conducteur. In Indië had ik al mijn rijbewijs gehaald, daarna heb ik in Rotterdam nog een aanvullend rijbewijs gehaald voor de bus.  Toen ben ik chauffeur op de bus geworden, heb ik op lijn 52 gereden. De eerste bus met een aanhanger.
Ik heb ook nog de watersnoodramp meegemaakt. Zondags zouden we naar mijn ouders in Maassluis gaan. In de nacht van 31 jan naar 1 feb. liepen wij naar huis toen de dakpannen al om je oren heen vlogen. Wij woonden toen in. Mijn schoonmoeder kwam naar boven en zei: Moesten jullie naar Maassluis, nou vergeet het maar, de hele straat staat blank. De trein naar Maassluis reed niet meer. Toen hebben ze me opgeroepen en ben ik naar de garage Sluisjesdijk waar de bussen vandaan kwamen gegaan. Van daaruit zijn we naar de Zuid-Hollandse eilanden gegaan om mensen daar op te halen.
Als je kijkt naar de TV serie van Gerard Cox ‘Toen was geluk heel gewoon’ nou dat was mijn periode bij de RET.  Dat speelde ook bij bus lijn 52.” “Ik zat ook op lijn 52,” zegt Joop, “Vanaf de ‘s Gravendijkwal stapte ik op, naar de brug toe, en daar stapte ik uit en liep ik de brug over naar Varkenoord. Daar moest ik bij Feyenoord voetballen. Nee, vertel mij wat over lijn 52,” glundert Joop. “ik heb ook heel wat meegemaakt hoor,”  lacht hij.
“Ik heb drie jaar dat volgehouden bij de RET, ” gaat sobat Nico onverdroten verder. “De laatste anderhalf jaar heb ik op de tour gezeten. Wederopbouwritten gereden met veel buitenlanders . Mensen laten zien hoe het hier ging met de wederopbouw.
Na mijn afscheid van de RET was ik voor het eerst werkloos. Via het arbeidsbureau kwam ik bij Firma Tros en Co, een groothandel in vloerbedekking, gordijnen, meubelstoffen, kunstleer en al wat meer. Toen heb ik een opleiding gehad, mijn textielbrevet gehaald en ben ik vertegenwoordiger bij Tros geworden. Daar heb ik zeven jaar tot veel tevredenheid gewerkt. Leuke boterham verdiend. Inmiddels waren wij vanaf het huis van opoe verhuisd naar Hoogvliet.”
Koudijs, de eigenaar van een verffabriek zocht een vertegenwoordiger voor Rotterdam en omgeving. Ja die bood mij wel iets aan wat een aantal keren leuker dan bij Tros. Dus maandagmorgen i.p.v. mijn vast route te gaan doen, kwam ik op het hoofdkantoor om mijn ontslag aan te vragen.
Ik werd vanuit Limburg gebeld. Ze waren hier in Nederland bezig met een Belgische maatschappij een heel netwerk op te bouwen. Daar hadden ze mensen voor nodig. Of ik daar zin in had. Nou, toen  ben ik hier in de Achterhoek begonnen. Bij Joop ten Have, groothandel in glas, verf, behang en gereedschappen.  Ik ben dus bij Joop terecht gekomen.” “Ik ook,” zegt Marianne gevat. 
“Het was een prachtige baan,”gaat sobat Nico door. “Ik heb 14 jaar bij Joop gewerkt. Ik zou directeur worden. Ik was al jaren bedrijfsleider. En toen ging opa dood. Die was de eigenaar van de zaak. Hij had vier zonen, waaronder Joop. Die was directeur van de groothandel. Als een donderslag aan heldere hemel, moest Joop mij ontslaan.”
Hier vertelt sobat Nico over een dochter. Marianne vraagt zich af waar die dochter ineens vandaan komt. “Die is welbewust gemaakt,” is het antwoord. “Roos is geboren in 1958.”
“Het ontslag is in goede harmonie gebeurd. Toen zat ik dus weer zonder werk! Ik zat inmiddels hier in Zevenaar in de gemeenteraad, dat geeft wel presentiegeld,  maar dat is geen inkomen. Via een advertentie in de krant kwam ik op 3 maart 1974 terecht in het verkopen van dames- en herenmode in bejaardenhuizen, verzorgingsflat e.d. door het hele land.  Ik had mijn textielbrevet, dus ik wist wel het één en ander over weefsels en stoffen. Een jaar daarna al deed zich de gelegenheid voor om het zaakje over te nemen. Els en ik. Dat hebben we 50 jaar gedaan. De laatste tien jaar hebben we een echtpaar in dienst genomen met het vooruitzicht dat zij het spulletje zouden overnemen. Alleen op het laatste moment durfde de vrouw van het stel het niet meer aan. Daar zat ik dan. Uiteindelijk is mijn zoon ingesprongen en nam hij het met het echtpaar over. Binnen twee jaar was de zaak naar Filistijnen. Wij stonden borg. Dus ik moest mijn hypotheek weer aan laten passen. Maar ja, ik zit nog steeds hier hoor! Dat was dus in het lang mijn verhaal!”
“Hoe komt het dat u koninklijk onderscheiden bent? “Het is voor wat ik heb gedaan voor de gemeente Zevenaar. Ik zat sinds 1970 voor de PVDA in de gemeenteraad van Zevenaar. Toen ik pas was geïnstalleerd als raadslid moesten de commissies ingevuld worden. Ik werd op voordracht van de fractievoorzitter van de KVP voorzitter commissie financiële economische zaken. Ik had inmiddels een aantal diploma’s op dat gebied. En ik had heel veel steun aan onze gemeentesecretaris want als je geconfronteerd wordt met een begroting daarvan….! Ik ben voorzitter geworden van Veilig verkeer Nederland hier, van Veilig verkeer Nederland Gelderland Oost. Een leuke periode. Ik was  inmiddels ook nog zwemtrainer bij de Watervrienden. Els was de penningmeester. Zij overleed16 december 2012. En dan voel je jezelf  lullig. En je wilt niet zielig doen, maar dan zit je hier zo in je uppie en dan voel je jezelf af en toe toch eenzaam. Dan denk je nou, is dit nou nog alles?  

 

We waren regelmatig in Wageningen met het 5 mei defilé. In het begin mocht niet iedereen meelopen. Ik deed hier al jarenlang mee met de 4 mei dodenherdenking. Ik heb wel momenten gehad dat we hier met twee man stonden. Wij waren bekend als oud-marinier en veteraan. Maar op 5 mei was er nooit wat. Dat hebben sinds een jaar of 8 wel voor elkaar. We vormen een erehaag als het bevrijdingsvuur binnen gebracht wordt, we nemen deel aan het vlaggenceremonieel. Ik meen dat er in Zevenaar zo’n driehonderd veteranen woonden. De gemeente financierde het geheel. In 2008 hebben we ons eerste veteranencafé opgestart en dat draait nog steeds. Het is inmiddels een stichting geworden. Met Ger Boers samen zijn we de twee ouwe lullen,” vertelt sobat Nico met een glimlach. 
Dat was het  laatste die wij van hem zien. Het was Ger Boers die Marianne opbelt om door te geven dat zijn maatje op zaterdag 9 november 2019 is overleden. 
Nico Kruininger, mariniersbrigade. 
*19 december 1926 - † 9 november  2019 

 

 

 

Op bezoek bij Nelly en Helma Janssen in Mook 

 
 
 

Op zondag 11 november bezochten we Stotersweduwe Nelly Janssen en dochter Helma. 

 

 

 

Op bezoek bij Stoter Wim van Vorselen  9 nov 

 

 

Schoenmaker Wim van Vorselen houdt zich bij zijn leest. 
Op 9 november bezochten wij stoottroeper Wim van Vorselen en zijn vrouw in Nijmegen. 
"Leuk dat we bij u langs mogen komen," begint Marianne. We nemen in alle rust de toestand even op. Meneer loopt moeilijk, mevrouw niet, maar die heeft een aandoening aan haar spieren in haar handen. Het echtpaar begint al gelijk met tekst en uitleg te geven. "Wij proberen ons saampjes te redden, want we krijgen van de dokter geen toestemming om naar een verzorgingshuis te gaan. Ze zeggen: U hebt een mooi appartement met een toegang met de lift," aldus mevrouw van Vorselen. “Dus zolang we niet kruipen over de grond moeten we hier blijven,” vult meneer van Voselen aan.”Maar we gaan vrolijk door," zegt mevrouw van Vorselen weer.
   
Als we voorzien zijn van de koffie en meneer van Vorselen  zich weer geïnstalleerd heeft in zijn makkelijke stoel, zegt Joop resoluut en krachtig:  "We vallen meteen met de deur in huis. Waar bent u geboren?" Meneer van Vorselen reageert direct. "Ik ben geboren in Husen. Kom uit een gezin met 9 kinderen. Het zijn er elf geweest. Ik was de zevende. Mijn vrouw komt uit een gezin met 13 kinderen.” “Mijn vader had een derde vrouw. De eerste twee stierven in enkele jaren kort na elkaar,” verduidelijkt mevrouw van Vorselen. "Mijn vader was tuinder.”“Bij ons thuis was het voornamelijk kassen," vertelt sobat van Vorselen. "Een  paar keer per week moesten de groenten geleverd worden aan de veiling. Alles moest om vijf uur op. Allemaal meehelpen, want om 7 uur moest het spul aan de veiling zijn. De sla moest gestoken worden en de andijvie ingepakt worden. Drie kinderen werkten definitief bij vader op het bedrijf.
 
De lagere school heb ik afgemaakt. Zelfs tot in de achtste klas voor een tijdje. Ik was nogal klein van stuk, dat heb je natuurlijk al gezien en de tuinderij is zwaar werk. Een schoenmaker in Husen, die was bevriend met mijn vader, zei: laat hem maar bij mij komen. Toen ging ik in de schoenmakerij werken!”
“Later nog op vakscholen gezeten. Er is wel eens gevraagd hoeveel schoenen ik per dag maakte. Die weet er geen bal van, want wie maakt er een hele schoen alleen. Niemand. Je begint met schuren, dan later met schrapen, het leer walsen, dat zijn de beginnende dingen van de schoenmakerij.
 
In de oorlog was ik nog te jong voor de arbeidsdienst. Dus in de oorlog deed ik alles wat mijn broers moesten doen. Wij zijn geëvacueerd naar Ede. Toen werd de Betuwe helemaal schoongeruimd. Ik had toen drie broers boven mij. Die mochten niet buiten komen anders werden ze opgepakt. Dus alle klusjes waren allemaal voor Wim. Ik ging zelfs wel twee maanden lang waar de parachutisten zijn gevallen bij Oosterbeek, daar gingen we vanuit Ede naar  toe met de fiets. Op dat terrein waar de vliegtuigen geland zijn, stonden allemaal aardappelen. Ik ging   daar elke dag naar toe en ging aardappelen halen. En voor de winter er was had ik een mooi hok met piepers," zegt sobat Wim voldaan!  "We waren met 12 man. Op een gegeven moment mochten we daar niet meer komen, want meer mensen hadden er erg in gekregen dat daar piepers te halen waren. We zijn toen naar de andere kant gegaan. Bij de Planken Wambuis. Daar stonden ook aardappelen. Maar  daar werden we door de Duitsers tegengehouden. Wat bleek, daarvandaan schoten ze die V1 af. 
 
"Kende u elkaar al voor u naar Indië ging?" vraagt romanticus Joop. "Yes!” is het volmondige antwoord van sobat Wim. "Al anderhalve maand. Ik heb haar leren kennen op de kermis." “Ik kom niet uit Husen," maakt mevrouw van Vorselen ons duidelijk. "Ik was met mijn vriendin vanuit Groesen, we gingen de bloemen buitenzetten.”
“Het had een heel raar gevolg," neemt sobat Wim het gesprek weer over. "Want na afloop ga je ergens rustig op een bank zitten knuffelen en toevallig was er een peettante van haar langsgekomen. Die stond de volgende morgen bij haar moeder op de stoep om te vertellen dat Toos was met een militair, want ik moest toen in mijn uniform lopen,  op een bankje had gezeten. En weet je wat haar moeder tegen haar zei: Zie jij eerst maar eens je eigen dochters kwijt te kunnen, want die had ook een groot gezin."
"Maar u kwam dus op als militair," wil Joop doorvragen, maar Marianne komt tussen beiden.
"Even wachten, u kende elkaar dus al voor u naar Indië ging. Heeft u dan wel het zilveren roosje van het VI?" vraagt zij aan mevrouw Toos van Vorselen. "Een zilveren roosje? Nee, dat heb ik niet aangevraagd." "Zou u dat willen? U komt er voor in aanmerking. Het is een broche als blijk van waardering van de uitgezonden militair voor diegene die tijdens de uitzendingsperiode het meest voor hem of haar heeft betekend. Ik ga er voor u achteraan. Ik regel dat voor u.” zegt Marianne. (is gedaan en uitgereikt)
 ”Nou ik moet wel zeggen dat de meeste jongens een relaties hadden. Er was er ook eentje bij die kwam uit Rotterdam. Die kreeg al bericht voor hij naar Indië ging dat hij vader werd. Maar dat was helemaal niet de bedoeling," aldus sobat Wim.
"Ja, ik was dienstplichtig en kwam in 1947 op voor mijn nummer in Den Bosch, de Isabellakazerne. Daar kreeg ik mijn opleiding. Ik werd ingedeeld bij de Stoottroepen. 5 RS. De derde compagnie. 
 
Eén woord kennen wij niet: terugtrekken! Doorgaan. De leider van de compagnie en later van het bataljon was Jan van Haastrecht. Toen wij in dienst kwamen werd van Haastrecht het eerst bevorderd van korporaal naar sergeant. En Haastrecht, toen wij weggingen, was die kapitein. Hij werd altijd als eerste bevorderd. Hij was een spontane man. Met de opleiding, als we tegen twaalf uur bijna terug aan de poort waren na een oefening, dan zei die nog eens: rechtsomkeer en moesten we nog een paar straten verder lopen. Dan vonden we bij terugkeer de hond onder in de pot. Ik heb wel eens een goeie hekel aan hem gehad."
"Toen u opkwam in Den Bosch, werd er aan u gevraagd of u naar Indië wilde of niet?" ”Nee, dat is nooit gevraagd. We werden opgeleid voor Indië. Ik was infanterist. Vanuit Den Bosch gingen we naar Rotterdam de boot op. De Volendam. Ik kan wel zeggen dat 99% van de mensen die in de golf van Biscaje komen zeeziek worden. Ik hoorde daar ook bij. Je moet nagaan dat die boten vol zaten. Daar waren eettafels en daar sliep ‘s nachts iemand op en onder en daar hing ook nog eens een hangmat boven. Kun je nagaan hoe die boten volgepakt zaten. Ja, die troepen moesten naar Indië. Och, en dan al die jongens overgeven. De hele boot was één vuiligheid. Ik weet nog, er was een die zei ik heb nergens last van en tegelijk spuugde er een van boven naar beneden.
’s Morgens hingen ze allemaal over de reling heen.”
Dan kwamen die zeelui en die spoten met een brandslang alles  schoon. Je moest je spullen van waarde goed bij je houden, want ze spoten alles weg. Aan boord hoefden we niks te doen. Alleen theorie. Een beetje maleis heb ik geleerd. Inspectie, sporten. Neptunes heb ik ook nog gezien. Dat was de kapitein
 
  Het akeligste wat ik heb meegemaakt was, op de  terugreis aan boord van de Nelly, een luitenant werd ziek. Ernstig ziek. Hij overleed voor we ergens konden aanleggen. Je zou denken die gaat terug naar Nederland. Nee, hij ging overboord. Heel officieel ging dat er aan toe. Netjes opgebaard en net als bij een militaire begrafenis, salvo  en dan één twee drie in Gods naam overboord. Daar was een peleton bij aanwezig. Niet iedereen die aan boord was. Ik heb dat dus gezien. Het is altijd bij mij gebleven.
Kan je nagaan dat thuis die moeder zegt: volgende week komt Jan thuis. Maar dan heeft Jan een zeemansgraf gekregen. Ze kunnen er nooit meer naar toe! " We praten er nog over door tot Joop zegt: “Goed, dat is op terugweg. Laten we nog even teruggaan naar de heenweg.”
“Ja,” zegt Marianne, "want waren jullie diegene die onderweg tegen een brug aan hebben gevaren?”"Ja,  met het anker, denk ik, is die brug van de sokkel getrokken. Heel veel paniek natuurlijk.”
“We hebben noodgedwongen een paar dagen stilgelegen. En dan moet je weten dat Egypte een grote hekel aan die vreemde militairen had. Dat allemaal al voor we in Indië waren. Het eerste waar we aankwamen was bij Sabang. Het eerst eilandje, helemaal ten noorden van Sumatra. Daar werd water en voeding en zo ingenomen. Daar mochten dan de militairen die al in Indië geweest waren van boord. Wij moesten het doen met die bootjes die met de hele handel sigaretten en zo langs boord kwamen." “Hammele, hammele, kijke kijke en nie kope," zegt Marianne. Sobat Wim knikt: "Ja, dat was het."
“Waar bent u uiteindelijk aan land gezet," vraagt Joop.
"Van Sabang gingen we naar Djakarta, dat was toen Batavia.
Daar mochten we van boord. In Priok. Daar hadden  we de eerste kennismaking met Indië. Die sloten langs de kant van de weg  waar de een met de kont naar je toe zit en de ander verderop zijn tanden zit te poetsen. Dat was de eerste kennismaking met de hygiëne van Indië.
 
We mochten mee met de stadsbus naar Batavia en dan komen er mensen binnen met vier kippen zo aan de poot binnen! Gewoon zo de bus in. Dat is iets wat je hier niet kent. Na Batavia gingen we naar Zuid Celebes. Daar hebben we Westerling afgelost. Dat was na de eerste politionele actie. Wij zijn in november vanuit Nederland vertrokken en in december 1947 aangekomen in Indië. Dus de eerste politionele actie was al achter de rug."
 
 “Heeft u iets gemerkt van het optreden van Westerling?" vraagt Marianne.  “Ja, van de bevolking hebben we wat gehoord. Die Westerling keek niet op een mens meer of minder. Dus eh ..ja. En dan kregen ze dan de Stoottroepen.  We lagen daar in een tentenkamp met 3000 man! Alle tentjes met bamboe. De muizen kropen in de bamboe, daar konden ze mooi in nesten," lacht sobat Wim nog bij de herinnering. "Primitief ja, het was nog van de Engelsen."
“Wat vond u daar van dat u in die tenten moest leven. Ik wil weer terug naar Nederland?" “Nee, op die leeftijd denk je daar niet aan.”
”Dacht u überhaupt nog vaak aan thuis," wil Marianne wel eens weten. “Nee, je schreef en dat was het wel. Mijn kleindochter heeft me eens gevraagd hoe vaak mochten jullie naar huis bellen? Ik zal je vertellen er waren in Husen geloof ik twee mensen die toen telefoon hadden! Het was de bedoeling dat we er voor een jaar zouden zitten in Indië. Maar het werden er drie." "En u maar wachten in Nederland," zegt Marianne tegen mevrouw Van Vorselen. "We hebben altijd geschreven. Dat is de stimulanse en de kracht van de militairen. De meisjes thuis."
 
 “U had dus Westerling afgelost. U werd daar gestationeerd en bleef daar?” “In dat tentenkamp zijn we gebleven tot wij naar Midden Java gingen. Semarang.
We hebben eerst nog in Soemowono gelegen en Salatiga. Daar hebben we opleiding gehad. Bergklimmen en zo. Potverdomme, patrouille lopen door berggebied. Daarom heb ik zo van die goeie benen. Toen de tweede actie kwam, zijn we met vliegtuigen naar het vliegveld bij Djokja gebracht. Daar hadden de para’s het vliegveld al vrij gemaakt.    
Wij hoefden dus niet te springen. Toen het vliegveld helemaal vrij was gingen we richting Djokja."
“Hoe vond u het als tuindersjongen om ineens in een vliegtuig te zitten. Was het voor u wel de eerste keer dat u vloog?" vraagt Marianne. 
"Nou kijk, Husen ligt vlak bij Arnhem en daar heb ik die parachutisten allemaal zien vallen, maar zelf vliegen nee. Och, het deed me niet zoveel dat vliegen. We wisten ook niet precies wat er gebeuren moest. We zouden naar Djokja gaan.
We gingen in vrachtwagens naar het vliegveld Kalibanteng in Semarang en daar stond een hele rij vliegtuigen. We gingen met bijna dubbele bepakking het vliegtuig in. Ik weet niet hoeveel granaten we bij ons hadden want we deden veel met die mortieren. Dat is een ideaal middel. En dan hadden ze ook nog zo’n piatgranaat die je bovenop een geweer kan zetten.
Het linke daarvan is dat je tegen een tak aanschiet en dan kreeg je zelf de scherven. Ik had een Lee Enfield.”
“Toen de actie een half jaar bezig was, waren ze in Nederland al aan het onderhandelen.  Maar er kwam nog een groep van de Irenebrigade. Die kwam bij ons als aanvulling omdat we verschillende jongens al verloren hadden of die overgeplaatst waren naar de politie en  dergelijke. Wij zaten op Java bij een suikerfabriek. We gingen daar patrouilles lopen, maar werden iedere keer beschoten ‘s morgens. Toen zeiden wij: we zullen ze eens een keer goeiemorgen komen zeggen. We zijn daar met patrouilles langs gegaan. We kregen daar al heel gauw een of ander granaatje ‘aangereikt’.  Laten we daar nou net die man van de commissie van goede diensten treffen. Die was uit Den Haag gekomen. Hij was er om te kijken of alles wel volgens de regels werd gedaan. Toevallig werd hij  nou net geraakt! We gaan weer verder op, de kampong uit. Per groep van tien gingen we dan vooruit. Er is een groot rijstveld voor ons. We willen daar oversteken en direct prrt prrrt prrt daar werden we meteen vriendelijk ontvangen. Gelijk achter een dijkje gaan liggen en een andere groep trok er omheen. De jongen die naast me lag was  van de Prinses Irenebrigade. Die jongeman gaat rechtop staan. Hij had een mitrailleur bij zich. Daarvan schoot de riem los. Die probeerde hij weer vast te maken. Dat heeft hem zijn leven gekost. Iedereen lag achter het dijkje en hij was de enige die stond. Hij was net drie weken in Indië. Dat zijn van die dingen die nooit meer van je netvlies afgaan. Ik weet nog, het was korporaal de Nie. Die ging met die overleden man terug richting Djokja. Onderweg kwam hij van die kamponghuizen tegen. Korporaal de Nie die maakt van één de deur los en daar stond iemand met een revolver en die schiet niet! En de Nie wilde schieten en zijn revolver doet het niet. Nou dat is een rare situatie natuurlijk.
Nog een keer heb ik goed geluk gehad. We werden regelmatig beschoten, dus wij gingen kijken. In die kampong daarvoor daar vluchtten alle mannen al weg toen wij kwamen. Toen kwamen we op de sawah daar werden we onder vuur genomen vanuit, dat blijkt achteraf, uit een boom. Daar zat een sniper. Degene die voor me liep die schieten ze hier in en hier uit. Dus een gaatje in de wang en een kies eruit.   Die vaandrig die achter me liep die schieten ze dwars door de arm. Hij heeft zijn arm nog kunnen behouden. Ik loop er tussenin en mankeer niks.””U was ook klein he, wel uw geluk geweest,”merkt Joop op. “En het engeltje op de rug,” vult sobat Wim aan. 
"En verder, wat gebeurde er verder na Djokja?” “Wij waren de laatsten die Djokja uitgegaan zijn. Vijfhonderd meter achter ons liepen de ploppers en die kwamen al gelijk alles bezetten wat wij achterlieten. Dat was ook een rare gewaarwording. Die overgave." "Eerst moet u vechten en dan ineens is de tegenstander uw vriend en moet u de wapens overdragen. Hoe ervaarde u dat?" "Wij lagen in Premboem, een plaatsje aan de zuidkust van Java. Daar woonden wij in de herenhuizen van de suikerfabriek. In het bos er tegenover, hebben we voor het eerst kennis gemaakt met de TNI onder vriendelijke omstandigheden.”
“Ja, dat was de eerste kennismaking met de TNI. Je gaf mekaar de hand en toen was het afgelopen. Wij gingen naar Semarang. Daar hebben we een paar maanden gezeten. We zijn nog naar Bandung gegaan. Hebben we ook een maand gezeten. Daarna gingen we naar Batavia en op de boot naar Nederland. Toen wij terug uit Nederlands Indië zouden gaan, konden wij kiezen of we naar NNG gingen of naar Nieuw Zeeland. Naar nieuw Zeeland betaalde de staat. Dan hoefden ze de terugreis naar Nederland niet te betalen. Nieuw Zeeland was korter bij, bijna om de hoek."
 
“Hebt u ook nog leuke dingen meegemaakt, “ vraagt Joop opgewekt. “Ja.” klinkt het zonder bedenkingen. "Ja, dat wilde ik daarnet ook al vertellen. He, wat was het nou? Nou is het me effe ontschoten." "Sinterklaas? Kerstmis," somt Joop op. "Nee, dat zijn dingen die moet je vergeten als je daar zit. Wel heb ik mijn complimenten voor de militaire tehuizen. Je wordt daar altijd goed opgevangen. Jonge dames stonden ook op je te wachten. Die wilden je ook wel vriendelijk ontvangen. Dat komt zelfs in Nederland voor!”grapt sobat Wim. Maar het leuke wat hij wilde vertellen, blijft hij ons schuldig.
Met “Hoe vond u het eten”, neemt Marianne een zijspoor.
“Nou, in het begin slecht. Er zijn een paar weken dat je moet wennen aan die rijst elke dag. In het kamp waren een paar duizend man. Dan hadden ze zulke tonnen met rijst staan." Sobat Wim wijst een fors formaat aan. "En dan moest je ‘s nachts wacht lopen en ook langs de keuken. Als je dan naar de tonnen met rijst keek was het helemaal zwart van de kakkerlakken. Maar ja, het wordt toch allemaal gekookt. Er was ene jongen die kon dat niet eten, die rijst. Die ging elke dag een tros bananen halen. Maar toch na twee drie maanden begon die toch aan de rijst hoor. Je kan niet alleen op bananen blijven leven."
 
“Hoe vond u het dat u terug ging naar Nederland. U gaat met de Nelly terug naar Nederland. Hoe vond u dat?"
"Romantisch. We staan aan boord en dan zie je zo de kust weggaan. Het was een romantische kust.  Net als op dat programma Robinson of zoiets. We komen aan in Rotterdam en daar stonden de bussen klaar. Daarmee werden naar huis gebracht. Thuis hadden ze zo’n grote boog gezet met de buurt. Ik kreeg een fiets. Een warm onthaal.  En mijn meisje. Ja, ze heeft het goed volgehouden. Februari 1953 zijn we getrouwd."
"Hoe het was om weer thuis te zijn?" " Alles was klein. We hebben op het punt gestaan om te emigreren. Ik vond het hier te klein. Er was toen ook veel werkeloosheid. Ik was 22."
"U kreeg nog geld van het leger?" "Ja, en onze kapitein had ons gezegd houd je duim erop want iedereen loert er op.  Toen ik later in Husen begonnen ben met de winkel en de schoenmakerij, heb ik alle onderdelen en materialen voor de schoenmakerij gekocht van dat geld.
80
“Maar eerst dus gaan werken in Utrecht bij de beste maatschoenmaker van Nederland. Indermauer. Dat was toen ik in 1950 terugkwam uit militaire dienst. Ik kon daar meteen komen. Ik wilde daar onbetaald in de opleiding. Toen ik er een paar maanden was, zei hij ik laat je niet voor niets werken. Hij zag dat ik al ervaring had opgedaan met dat handwerken. Ik moest natuurlijk ook kostgeld betalen. Ik kon bedrijfsleider worden daar, maar ik begon liever een eigen zaak, een schoenwinkel met werkplaats in Husen.”
 
“Later kreeg ik een aanbod om hier in Nijmegen,  bij Van Holland, waar ik eerder gewerkt had, hier tegenover, als filiaalhouder te werken. Dat heb ik tot mijn 60e gedaan. Toen werd ik afgekeurd vanwege een storing in de fijne motoriek in de arm. Daardoor kon ik niet meer schrijven. Toen werd alles nog met de hand geschreven."
"Vanaf dag 1 tot de laatste hebben we altijd samen gewerkt, en met heel veel plezier. Je deed het samen,"  vertelt mevrouw van Vorselen. “In de tussentijd zijn er ook nog vier kinderen geboren." 
“Jongens, meisjes? vraagt Joop. "Een schoenmaker werkt toch met paren, twee jongens en twee meisjes," lacht sobat Wim. "We begonnen meteen met een tweeling," vertelt mevrouw. "Daarvan is één na een dag overleden. Het was flink aanpoten, maar de kinderen zijn allemaal goed terechtgekomen.”
“Ik heb twee keer een herseninfarct gehad. Een hartoperatie doorstaan en ik kwebbel er nog graag op los. Ik heb de laatste 30 jaar dat ik gewerkt heb, in de winkel gestaan, dan moet je wel kunnen praten. Ik moest mijn kostje er mee verdienen,"vult sobat Wim aan.
"Wat ik nog wil vragen," zegt Joop, "hebt u uw onderscheidingen nog?"
Meneer van Vorselen wil al meteen opstaan om te zoeken. “Nee, nee, nee, niet doen, we gaan dat niet controleren, blijf zitten, we willen het alleen maar weten.” "Ja, ik heb nog mijn onderscheidingen, die voor orde en vrede met gespen en mijn veteranenspeld. Ik draag ze niet. Twee kleinkinderen zijn altijd heel nieuwsgierig naar de Indiëtijd. Ze hangen gewoon aan mijn lippen als ik vertel. Ja, ik vertel ze wel hoe het was. En dan zeg ik aan het eind: nou is alles vergeven en vergeten, jullie kunnen rustig naar Indonesië gaan." Een mooiere afsluiter van het gesprek kunnen wij niet verzinnen.                                 

 

 

 

Willem Hilverts overleden

 
l
Willem Jan Hilverts, 1-3RATA, 5e Veld art.
Lieve man, lieve vader, opa en overgrootvader en opa Venlo
*11 augustus 1925 - † 6 november 2018  

 

 

 
Het is ons maar geleend
de vele mooie dingen.  
Ons onbetwistbaar eigendom,
zijn de herinneringen.  

Nog terwijl wij bezig zijn met het corrigeren van bovenstaand verslag van ons bezoek aan de familie Hilverts, komt via de e-mail een bericht van zoon Jurrien binnen. “Hij,  sobat Willem Hilverts, is afgelopen dinsdagavond in zijn slaap na een kort ziekbed overleden. Van de laatste bijeenkomst op 26 mei in Vught heeft hij genoten.” 

De crematieplechtigheid vond plaatst op 13 november 2018 om 12.00uur in crematorium Amersfoort in Leusden. Helaas was het voor ons niet mogelijk om bij deze plechtigheid aanwezig te zijn

 

Via Jurrien is er contact geweest met de naaste familie.  
Corr.adres.J. Hilverts, de Maten 31, 3831 PJ Leusden 

 

sobat Cor Polak, 2-6RI, overleden  

 
 
        Cor Polak, Ost Cie, 2-6RI, soldaat 

17 augustus 1925  -  27 oktober 2018 

lieve zorgzame pa en opa 

 

Het is toch heel mooi wat Jezus allemaal voor ons heeft gedaan…
Ik hou ervan ….dit laat ik niet los….”.
Waren woorden van sobat Cor Polak, een paar dagen voor zijn overlijden.
 
Op vrijdag 2 november was er een samenkomst voor een dienst van woord en gebed, waarin dankbaarheid werd stilgestaan bij wat Cor Polak in zijn leven mocht ontvangen en wat door hem werd gegeven. De dienst werd gehouden in de kerk van de protestantse gemeente te Lage Zwaluwe. 
 
 
 
Aansluitend aan de dienst vond de begrafenis plaats op de bij de kerk gelegen begraafplaats. Hierna was er gelegenheid voor persoonlijke ontmoeting en condoleance in het verenigingsgebouw “Ons belang” naast eerder genoemde kerk. Wij, Joop en Marianne, waren deze dag ook aanwezig. Zonder banner, toespraak en gedicht, conform de wens van de familie, maar wel met de  gedachten dat wederom een maatje van Marianne haar vader ons is ontvallen. Zij sterven uit de veteranen, ook die van 2-6RI! 

 

Dat er niet altijd alleen verdriet is op zo’n begrafenis, blijkt maar eens te meer als Marianne het maatje van Cor Polak, maar ook van haar vader, Cor Dudok, 2-6RI, de kerk binnen ziet komen, samen met zijn vrouw. Bij de koffie is het een heel blij  weerzien. 

                                                 Familie Dudok, we komen snel bij jullie langs hoor!
                                                                                                        

 

 

 

Kobus Quirijns, 2-7RI  overleden 
 
 
Jacobus(Kobus) Marinus Quirijns
Lieve zorgzame vader, schoonvader, trotse opa en opaQ.
*19 juni 1926 – 13 oktober 2018
          
                
 
                                                  
 
De strijd is gestreden,
het leed is geleden.
Angst, pijn en verdriet
voor eeuwig vrede.
 
De reünie van mei 2018 was hij weer present, samen met twee van zijn drie dochters. Ook bij de herdenking in Roermond was hij weer bij. Toen werd het sukkelen met de gezondheid erger. Een delier wat steeds terugkeerde, zorgde voor grote onrust. En dan, toch nog abrupt, het einde. Wanneer er opgebeld wordt met ja u spreekt met de dochter, zoon of schoonzoon van ….. dan weet Marianne al genoeg.
Wat een raar toeval, want Marianne had net het verslag over het bezoek aan sobat Quirijns naar Joop doorgestuurd om na te kijken op fouten. In overleg met de familie mochten we toch het bovenvermelde verslag plaatsen. “Pa zou er trots op zijn geweest”.
 
De rouwdienst werd gehouden op vrijdag 19 oktober in de hervormde kerk te Genderen. De dominee sprak uitvoerig over ‘de Heer is mijn herder’, kleinzoon Jeroen sprak namens de familie een in memorium uit. Hierna volgde Joop met zijn toespraak over het militaire leven van sobat Kobus Quirijns en het gedicht.
 
 
 
 
Na de dienst vertrok de stoet (lopend 1,2 km heen) naar de Algemene begraafplaats te Genderen waar de begrafenis plaats vond. Na afloop (1,2km lopend terug) was er tijdens de koffie en cake gelegenheid om de familie te condoleren in de Regenboog, een bijgebouw van de voorgenoemde kerk. 
Corr.adres: Doeverensestraat 30, 4263 JN Genderen.                                    
 Portretfoto:Bob Pragt . foto begraafplaats Joop Pragt
 

 

 

 

Zonder tolk in Lage Zwaluwe bij Cor Polak op de koffie 
 
 
Sobat Cor Polak moest vanwege renovatie van zijn aanleunwoning verhuizen naar een geheel nieuw gebouw. Wij gingen op 6 september kijken hoe verhuizing hem was vergaan. Het was een hele klus om het verhaal  van Cor Polak te vertalen uit het zwaar Brabants dialect naar het Nederlands. Hetgeen wij hebben kunnen begrijpen, leest u in dit verslag.

 foto Joop Pragt
 
Er zijn buiten nog volop bouwactiviteiten rond het nieuwe verzorgings-huis waar Cor Polak, 2-6RI, net naar toe is verhuisd. De stoepen moeten nog worden aangelegd. Bouwmaterialen afgevoerd. Genoeg beweging om de hele dag te bekijken.
Cor Polak is blij ons te zien. “Binnen is al veel op orde.  De klok moet nog worden opgehangen en ook 
de schilderijen, maar dat hoef ik niet te doen. Dat komen ze later nog doen.
 
Het lopen gaat moeilijk tegenwoordig.”  “Dan sturen we u niet meer op patrouille,” stelt Marianne hem gerust. “Het is wat hoor, op uw leeftijd nog verhuizen,” zegt Marianne. “Ouwe bomen hè,” antwoordt  sobat Cor Polak. “Net als vroeger in dienst zo vlug en vlot, dat is het niet meer. Alles is langzamer geworden,” zegt meneer Polak berustend.
 “Ik keek net bij de naambordjes hier beneden en ik zie een hoop bekende namen van de orde dienst waarbij ook mijn vader heeft gezeten en van 2-6RI.,” valt Marianne in. “Ik zag ook Dudok, maar dat is niet Cor Dudok van 2-6RI, want  die woont hier schuin tegenover dit complex, toch?” “Cor Dudok komt uit de 4e compagnie, net als ik. Hij was de carrierchauffeur”, zegt Polak. “We hebben samen in Salatiga in tenten gezeten. Daar vergingen we van de muggen en wie moest er op wacht? Ik!
Ik ben in Lage Zwaluwe geboren,” vertelt sobat Polak. “Mijn vader heeft in Rotterdam gewerkt. Net voor de crisistijd. ‘s Winters  maakte hij hoepels. Voor om de tonnen. Dat was zijn werk. In de zomer verhuurde hij zich als knecht bij de boeren in de Hoekse waard, Zevenbergen en al wat meer. Dat was vroeger zo.  Moeder was gewoon huisvrouw. We hadden een flink huishouden hoor. Met vader en moeder erbij, tien man. Ik was de jongste op één na. Ik ben het oudste geworden van allemaal. Drieënnegentig jaar! Of ik de sterkste ben dat weet ik niet maar ik heb de langste adem, dat wel,”zegt sobat Cor lachend. 
“Ik ging in Lage Zwaluwe naar de lagere school. Die heb ik helemaal afgemaakt. Amper. De broer boven mij die kon goed leren. De één hebt alles en de ander niets. Toen ik van school afkwam, heb ik veel in de Biesbos gewerkt. Waterwerken. Stenen verzuipen.” “Echt stenen verzuipen?” roept  Marianne verbaasd. “Wat zegt u nou toch?” “In stukken maken,” legt sobat Cor uit.  En ’s zomers werken bij de boer. Dat was toen zo.
Ik was veertien toen de oorlog uitbrak. Ik moest in de arbeitsdienst. Dat was dan de zogenaamde vervanging van het Nederlands Leger. Ik moest naar Gramsbergen.  In de kop van Overijsel. Nee, ik ben niet opgepakt, maar moest opkomen voor mijn dienstplicht. Een half jaar naar Overijssel. Hard werken en strenge discipline. Een soort militaire opleiding.  We hadden Hollandse militaire kleding maar die hadden ze geverfd. En wat donkerder groen. Ik weet nog goed joh, ik was nogal een gezet ventje en toen kwam de inspectie, weet je wel en toen was der bij mij een knoop los. Nou ja, het waren die  oude soldatentenues die we  hadden. Een knoop met een oogje. Dus ik dee er een lucifer-houtje ertussen! Nou, dat had die snel in gaten.  Hij rukte de knoop meteen er af. Ik moest het binnen tien minuten gemaakt hebben. Ik had een ijzerdraad gevonden en daarmee de knoop goed vast gebon-den. Nou dat had die niet in de gaten. Die haalde  die er niet af. Met hoeveel wij daar waren? Zes barakken. Ongeveer 120 man denk ik wel. Ik moest er ook werken. De hei ontginnen met een spa.
Nee, ik hoefde geen loopgraven te graven. Dat moest je voor de Duitsers doen.. Het eten was niet veul, maar wel lekker. Het waren Hollandse koks daar. Ja, ik had altijd honger als jong zijnde.  We hadden het niet breed hoor. Van Gramsbergen moesten we naar de Noordoostpolder. Voor een boer werken, sloten graven en zo. Ik moest dat omdat ik al eerder bij de boeren had gewerkt. Wij moesten voor de voedselvoorziening voor de soldaten zorgen. Dat was een half jaar.
We gingen terug met de trein van Lemmer naar Bergen op Zoom. Toen we bij Utrecht kwamen, dachten we, wat is het hier toch stil. Toen kwam er oudere dame en die zei: Stt, zachtjes en je verbergen. Ze hebben er één hier doodgeschoten. We gingen verder door naar Lage Zwaluwe. En toen werd de trein beschoten. Net over de brug.  Dat waren de Duitsers nog. De bevrijding was in november 1944. Er is toen nog heel veel geschoten vanuit Zevenbergen en zo.”
Marianne vraagt aan sobat Polak hoe hij bij 2-6RI terecht is gekomen. “2-6RI was makkelijk, ” antwoordt  hij.  “Hier via de O.D. (Ordedienst) in Lage Zwaluwe. We kregen een Duits wapen. Die wapens kregen we van de commandant van de ordedienst. We schoten ook met mitrailleurs. Wij bewaakten de dijken en controleerden wie er over kwamen. Hoe ik heb leren schieten? Zelf geleerd en dat ging goed. Ik kon goed schieten! Er waren er die achter de mitrailleur lagen en werden weggeslagen door de terugslag.  Daar moet je wel goed bij opletten. Ik vertelde dan dat ze hem tegen zich aan moesten houden anders slaat zo’n ding je helemaal in elkaar hoor. Want dat zijn opdonders die je krijgt hoor.”
“Hoe bent u van de OD dan bij 2-6RI gekomen?” vraagt Joop. “Ik heb me aangemeld als oorlogsvrijwilliger.  Ik wilde dat eens zien. Het was zo, we moesten toch naar Indië. Vrijwillig of dienstplichtig.  Ik had mijn dienstplicht. Maar ben toch vrijwillig meegegaan. Ik ben opgekomen in Vught. De Frederik Hendrikkazerne. Daar hebben we ook nog een keer een ontploffing gehad. We waren klaar met oefening en stonden op de appelplaats.  Er lag nog allemaal Duitse munitie  opgeslagen  en hoe dat  gegaan is weet ik niet zo, maar toen wij daar in de houding stonden is de boel ontploft. Er waren jongens bezig die opdracht hadden gekregen om een extra zeil over die berg te  leggen tegen de warmte en toen ging het mis. Dat waren jongens van Lage Zwaluwe:Gerrit Aartsen en Bernard Welten. Er waren veel gewonden. Ik niet, een mens mag ook wel eens geluk hebben hoor.”
 
U zit dan in Vught in opleiding bij de oorlogsvrijwilligers ,” pakt Marianne de draad weer op.  “Met hoeveel we daar zaten? Ik denk wel een bataljon. Duizend man dus ongeveer. Wij waren II-6RI. Later werd dat gewoon 2-6RI.  We kregen veel oefeningen in Vught. Er zaten erbij die konden nog geen tentje maken. Oefeningen op de hei.”
“Weet u nog namen van jongens met wie u daar samen bent geweest?” 
En weer vertelt sobat Polak een stuk verhaal, dit keer over het begin van de oorlog, maar we kunnen het niet volgen. Joop zegt: “Begrijpt u dat wij heel goed moeten luisteren naar wat u zegt. U spreekt in een zwaar dialect, wij spreken gewoon Rotterdams.” Hier moet sobat Polak hard lachen. “Ja, das waar! Maar ik versta jullie goed!” zegt hij lachende.
 
“Je hebt de opleiding hier gehad en dan moet je naar Indië. Hoe vonden ze het thuis dat u naar Indië ging,” vraagt Joop. “Ik weet niet meer of ik wel afscheid van thuis genomen heb. Dat is ook zo lang geleden. We hadden in Vught veel jongens vanuit Hoge en Lage Zwaluwe, Breda, Zevenbergen,  Klundert en omstreken. Brabanders. De Limburgers kwamen er later pas bij.  Van Vught zijn we naar Sittard gegaan en toen is alles samengekommen. ’s Nachts zijn we met zijn allen vanuit Sittard met de trein naar Calais gegaan.
 
Ik weet nog wel dat er op een gegeven moment een NSB-er tussen de vluchtelingen zat. En over zijn daden zat op te scheppen. Dat had die niet moeten doen. Eén van onze jongens zijn vader was doodgeschoten door zulke lui! Hij vroeg hoeveel hij er had vermoord. Hij moest mee naar buiten. Kom jij maar hier even bij de muur staan.  Hij schoot em dood hoor. Ik heb er niks van gezien. Maar  ‘t is wel gebeurd.”
 
“U gaat dan met de boot van Calais naar Engeland. Had u al eerder gevaren op zo’n grote boot?”vraagt Marianne nieuwsgierig.  “Nee, nog nooit. Wel in een roeibootje. En ik ben zeeziek geweest. Erg hoor. Toen vertrokken we uit Engeland, door de golf van Biskaje en daar ging het te keer. Toen stond der ene boven, we zaten toen op de Nieuw Amsterdam en die kotste precies over mijn baret. Ik pak die baret en die donder ik weg. Weg ermee, hij zat helemaal onder de kots. Ik kreeg op mijn donder van kapitein Koppenol en ik moest met een helm op lopen. Die kapitein Koppenol was van de Brabanders. Van de Limburgers was dat kapitein Vaessen. We hadden ook nog een sergeant Vaessen. Of dat familie van elkaar was, dat durf ik niet te zeggen. In Wockingham, Engeland, hebben we niet zo lang gelegen, een week of drie, vier. We deden daar niet veul. Het was november, koud en mistig hoor. We lagen in nissenhutten. Vanuit Engeland, Southampton, gingen we naar Malakka.
 
Toen we op Malakka aankwamen, dat vond ik mooi. Maar warm. Het was net als  een bord erwtensoep hé! Groen en warm! Op Malakka moesten we dan een soort van patrouille lopen. Toen was die kapitein Koppenol de weg kwijt!” Hier lacht Polak heel hartelijk. “Wij lopen en lopen. Of dat ie een beetje Maleis kon dat weet ik niet, maar hij had begrepen dat we rond moesten lopen. Toen kwamen we steeds op dezelfde plek uit!!!
Met de Sommelsdijk gingen we van Malakka later naar Indië toe. Ik denk we dat met een heel bataljon aan boord waren, want der kennen er een hoop in hoor. Het was vier dagen varen. Nee, ik was niet meer zeeziek. Wel kreeg ik kiespijn! En gene dokter hè. Pas toen we in Indië waren kon ik naar de tandarts. Ik vroeg hem of hij mijn kies kon trekken. Kom je van Zwaluwe,  zegt die. Ik ook! Was het de tandarts uit Zwaluwe!!! Tandarts den Engelse. Echt waar!
 
Ik ben in Indië opgeleid voor mortierrist.  In Semarang. Daar zijn we opnieuw ingedeeld in meerdere compagnieën. Ik zat bij de ondersteuningscompagnie. De zware mortieren.  Ik zat daar met Cor Dudok, Therez van Turnhout, Gerrit van Gils, Jan Wijers, die was onze sectiecommandant die was goed bij,  Rinus de Graaf, Kees de Rodijnen en Jan de Rodijnen, Cor Lucas, die had dat witte haar, Janus van der Made, van der Meij, van ’t Schip, Jansen, Lies Hansse, die is op stap geweest met een halfbloedje. Turnhout was een ordonnans. Therez Turnhout, hij had zijn motor overal bij zich.
“U noemt alle namen op, die mijn vader ook opnoemde,”zegt Marianne verrast. “Dat kan, maar toch zat jouw vader niet bij ons in de sectie,” antwoordt sobat Polak. “In Indië was er nog een Polak. Die is daar gesneuveld. En Bas Beversluis die was ziek. Ik wist dat die eigenlijk niet goed gekeurd was. Hij was ook vrijwilliger. Die wilde zo graag mee. Sobat Polak gaat door: “Kapitein Veldman, die herinner ik mij ook nog goed. Dat was ’n goeie! Het was allemaal heel erg wat er met Veldman en Fick is gebeurd. Ook een goeie was Generaal Spoor. Ik las eens in een van de boekjes Sepatoe Roesak het leuke interessante interview met zijn vrouw. Dat was mooi.” Sobat Polak zit zichtbaar te genieten van alle verhalen.“Sjoerd Jorritsma weet ik nog te herinneren,” somt Polak op. "Oh ja, die was zwarte Piet!" roept Marianne weer. “En Woutje Spoor, die zat ook bij ons. Die kon goed boksen!"
 
  foto's Joop Pragt  
Sobat Polak vertelde bij ons eerste bezoek in 2011dat hij jammer genoeg  nog maar een paar fotootjes had. "De watersnoodramp hè", zuchtte hij toen. "Alles zat onder een dikke laag modder.  Wel anderhalve meter hoog. Ik ben ook mijn kleine speldje kwijt. Die met het helmpje." "De demobilisatiespeld" wist Marianne. “Mijn veteranenspeld is ook weg”, vertelde sobat Polak verdrietig.
Omdat Marianne van haar vader van beide speldjes twee had, besloot ze van ieder één aan zijn oud- maatje Cor Polak te geven. En enkele foto’s van sobat Cor en zijn makkers.  Marianne’s vader zou dat bij leven zelf ook gedaan hebben.
 
“Ik ben drie jaar in Indië geweest. Ik was soldaat en ben soldaat gebleven. Ik was te lomp. We kregen een keer een aanval en kapitein Koppenol  zei ‘terugtrekken’ en toen was er ene bij die gooide de steun weg.  Ik was schutter van het mortier. Dus ik had die grondplaat. En die was zwaar en een onhandig kreng om te sjouwen.” “Pa vertelde dat ook en dat je beter de loop kon dragen, zo voor je op de buik. Dan kon je er nog lekker je armen op laten rusten", zegt Marianne. “Precies zo ja”, glimlacht sobat Polak. Maar die terug trok zonder de steun, dat was de derde man. Die moest de steun meenemen. Was ik nog zo gek om ook die steun nog mee te nemen.”
 
“Schreef u brieven naar Nederland,” vraagt Joop. “ Ja, ik schreef brieven hoor.”“En kreeg je nog antwoord ook,” vraagt Joop lachend.
“Had u in Nederland verkering?” “Jawel, ik had al verkering voor ik naar Indië ging.” “Hoe heeft u haar leren kennen dan?” “Ik kon ze al van te voren, vanuit het dorp. Kijk daar staat nog een foto van haar.”
“U correspondeerde dus met haar,” stelt Joop vast. “Ja! We hebben het samen goed gevonden dat we gingen trouwen. Nee, niet gelijk toen ik terugkwam! Je moet toch eerst de kat uit de boom kijken. Je kan toch niet alles weten. Ja, dat valt ook niet mee dan hoor.  In 1952 zijn we getrouwd.
Na terugkeer ben ik weer in de landbouw gegaan en in de bouw heb ik ook nog gezeten. Toen was er genoeg werk hoor. En op het laatst nog 23 jaar in de wegenbouw. Daar heb ik nog wel eens voor in Rotterdam en omstreken gezeten. Op 60jarige leeftijd ging ik met pensioen. Ik ben daarna nog koster geweest en zelfs ook nog grafdelver. Ik heb veel vrijwilligerswerk voor de kerk in Lage Zwaluwe gedaan.
 
Ik heb twee kinderen.  Eén die is leraar op een HBS. De ander, die is veel jonger, zit in de containers. Ik heb vijf kleinkinderen. Nee, geen achterkleinkinderen. Of ze daar voor aan het oefenen zijn dat weet ik niet,” zegt hij schalks lachend.
“Ik wil in beweging blijven,  ik heb altijd veel gelopen en veel gefietst. Maar ik heb nou mijn teen geblesseerd in het zwembad. Anders ga ik regelmatig zwemmen.
Of ik nog contact met andere veteranen heb? Nee, hier in huis zijn er geen, alleen aan de andere kant, daar woont Cor Dudok. Daar heb ik dikwijls contact mee hoor. De rest is allemaal dood. We moeten er allemaal een keer aan geloven. Ze slaan er geen eentje over.”
En dat bleek wel. Op 27 oktober 2018 overleed sobat Cor Polak.

 

 

De stokjes worden overgedragen 
 
 
Op 6 september waren wij door Regiment- en bataljonscommandant Luitenant-kolonel Ralph Goossens, uitgenodigd om op de Generaal Majoor de Ruyter van Steveninck-kazerne te Oirschot aanwezig te zijn bij de stokoverdracht van de Regiment en Bataljonsadjudant 42 Pantserinfanteriebataljon Limburgse Jagers adjudant Paul L.C. Paijens aan adjudant J.F.H. van de Voort. Adjudant Paul Paijens heeft u in de afgelopen jaren kunnen ontmoeten op de reünies. Hij is de adjudant van zowel overste Ralph Goossens en overste Ramon Jansen geweest. 
 
Paul, zo mogen wij hem noemen, was degene die o.a. de busjes regelde voor de reünies. Paul is vervent PSV- aanhanger en dat is zijn probleem zou Joop, als rasechte Feyenoord- fan, later in zijn bedanktoespraak tegen Paul zeggen. Paul stelde ons, in zijn toespraak, op in zijn Limburgse Jagers Elftal. Met onze opstelling in zijn elftal heeft Paul vooral Marianne emotioneel geraakt. Tijdens zijn aanwezigheid bij onze reünies is het voor hem een oogopener geweest te zien  hoe belangrijk het samenzijn voor de veteranen is. Paul, dank je wel voor je inzet voor onze veteranen en wij wensen jou het allerbeste toe. Tot ziens! Adjudant van der Veen, jij bent, net als jouw voorgangers,  van harte welkom op onze reünies. Voor zowel de scheidende adjudant als de aantredende adjudant hadden wij toepasselijke presentjes bij ons. 

 

 
 

 

Een scheepskist als deurwijzer bij Piet Nicolaas 411B.I.         16-8-18
 
.
Wederom een thuiswedstrijd voor Marianne en Joop.
“We hebben elkaar niet eerder ontmoet,” zegt Marianne in Rotterdam tegen sobat Piet Nicolaas. “Maar u hier te vinden was niet moeilijk. We zagen op de gang al de scheepskist bij u voor de deur staan.”
“Ja, iedere bewoner hier heeft iets persoonlijks bij de deur hangen of staan. Ik mijn scheepskist uit Indië, maar kom verder,” nodigt de Rotterdamse sobat ons uit.
“We hebben wel met elkaar via de telefoon gesproken, dat wel, maar jullie komen nooit in de van Genthkazerne natuurlijk.” “Jawel,”zegt Marianne. “Met de Rotterdamse veteranendagen zijn wij er iedere keer bij.” “Wij komen in het hele land bij de veteranen en nu dus in Rotterdam, dit omdat u Rotterdammer en voor Feyenoord bent,” legt Joop uit.  “Welnee, ik ben helemaal geen Feyenoordfan,”protesteert de sobat. “Kom op Marianne, we gaan weer weg,”antwoordt Joop als vervent Feyenoordfan gelijk. Er wordt gelachen, het bekende ijs is gebroken.
 
Sobat Piet Nicolaas begint gelijk met zijn verhaal. “Ik ben van 1928. Ik ben nog een jonkie van de Indië veteranen. Het grootste deel daarvan is al een eindje in de negentig. Ik vertrok in 1948 naar Indië. De tweede politionele actie ben ik helemaal misgelopen. Hoe dat komt? Was eigenlijk wel een lachertje. Ik was Sniper. Dat is de grootste kolder geweest in Indië, die opleiding. Bij de 2e politionele actie zaten wij in Tjimahi. We moesten de vijand gaan observeren in Indonesië. De vijand zat honderd meter bij je vandaan tussen de suiker. Ga jij hem dan maar opzoeken. Die zaten in der eigen land, die hadden der eigen kleur mee. We kregen een opleiding in scherpschutten. Schieten op een roos!  Wat had dat nou voor zin. Toen ik terug kwam van de opleiding was de actie voorbij!” “Ik zie dat u het blad Sobat ook ontvangt” constateert scherpzinnige Marianne. “Ja, ik zit bij de Wapenbroeders en ik heb nog 25 jaar bij de nationale reserve gezeten.”
 “U bent Rotterdammer toch? Geboren en getogen? ”vraagt Joop om wat lijn en volgorde te brengen in het gesprek. “Ja,in 1928 geboren aan de Dortsestraatweg. We waren thuis met zijn vijven.  Ik heb een broer en zus. Ik ben in Rotterdam op school gegaan, de lagere school heb ik afgemaakt in verschillende scholen. De scholen werden steeds door de Duitsers gevorderd, vandaar dat ik steeds naar een andere moest. Ik was 12 jaar toen de oorlog uitbrak. Weet je wat we regelmatig daar hadden? Met elke winter hebben we inkwartiering gehad van Oostenrijkers en Duitsers. Ze hadden twee kamers gevorderd. Ze kwamen regelmatig bij mijn moeder aan de tafel een praatje maken. Jullie weten beter hoe het met de oorlog gaat dan dat wij horen zeiden ze.”
 “Wat deden uw ouders, uw vader?” vraagt Marianne. “Mijn vader was tuinder. Na de lagere school heb ik op de Middelbare Tuinbouwschool in Barendrecht gezeten. Die heb ik niet afgemaakt. Ik ging bij mijn vader aan ’t werk. Ik heb een vakcursus voor tuinder gevolgd en heb nog geleerd voor keurmeester op de Barendrechtse veiling.  Maar dat is niet doorgegaan, want de hele veiling werd opgeheven.
Ik was te jong om naar Duitsland te moeten. Waar ik heel veel geluk aan heb gehad is dat wij een groot huis hadden en inkwartiering hadden. Elektrisch licht hadden we ook natuurlijk, omdat we die Duitsers hadden. Je had niets te vertellen over die inkwartiering. Iedereen die een groot huis had kreeg inkwartiering. Het had dus ook zijn voordelen. Ja, maar voor die tijd komen jullie niet hier.”“Maar het hoort ook bij uw leven,”pleit Marianne.
“Je wilt weten over Indië,”neemt sobat Piet het initiatief weer. “Goed,” zegt Marianne,“dan gaan we daar heen. Op een gegeven moment krijgt u een oproep. U moet zich melden voor de keuring.”
“Ik had mij opgegeven als chauffeur. Ik werd afgekeurd. Ik was kleurenblind! Waar slaat dat op?”  “Dus chauffeur werd het niet. Toen maar sluipschutter?” vraagt Marianne. 
“Ja, ik was ingedeeld bij 411BI. Ik heb de opleiding gehad in Harderwijk. Daarna kon ik weer bij mijn bataljon terug. Mijn inentingen allemaal al gehad. Die kreeg je al heel gauw aan de lopend band.
We vertrokken naar Indië met De Zuiderkruis en hadden windkracht 10 op de Indische Oceaan.” “Oh, dat valt best mee,” plaagt Joop.  “Als die boot naar beneden ging, vlogen de golven over de brug heen hoor!” ”Hoe heeft u die zeereis ervaren? U was dus niet zeeziek? En u had een speciale functie aan boord?”“Nee, ik was niet zeeziek en ik had ook nog een functie.  Ik moest de voorraden uit het magazijn halen en naar de keuken brengen. Ja, dus ik nam nog wel eens een appeltje,” lacht sobat Piet Nicolaas. “Nee, ik was niet zeeziek. En dat met die hoge golven. Ik zat toen bij de scheepspolitie,” lacht sobat Piet.
“Hoe kwam u bij die politie?”vraagt Joop. “De sluipschutters vormden een groep apart.”
Joop weer: “Hoe vonden ze het thuis dat u naar Indië ging?” “Dat weet ik allemaal niet meer hoor. Dat is zoveel jaar terug. Mijn broer was tien jaar jonger dan ik. Die hoefde niet naar Indië. Mijn zwager was wel in dienst. Weet je wat mijn zwager is geweest? Hij was pelotonssergeant van de dienstweigeraars. In Gorkum. Hij is ook pelotonscommandant bij de nationale reserve geweest. Mijn pelotonscommandant was mijn eigen zwager.
We zijn naar Indië gegaan, maar hoe zijn we daar naar toe gegaan? Zo groen als gras. Voorlichting heb je totaal niet gehad. Helemaal niets. Jij bent niet in Indonesië geweest of wel?” vraagt sobat Piet aan Joop. “Ik ben in Nederlands Nieuw Guinea geweest,” is het antwoord van Joop.
 “Nou, wij zijn naar Indonesië gegaan. Totaal geen enkele voorlichting. Ik kwam terecht in Semarang. Daar kregen we de eerste opleiding.  Er werd je heel gauw verteld: als ze op je schieten, dan moet je terugschieten. Het is de grootste klerenzooi geweest dat ze hebben uitgehaald om je daar zonder totaal geen enkele voorlichting op enigerlei gebied heen te sturen.”
 
“Pak dat boek eens. Als je dat eens kunt lezen,” wijst sobat naar een boek op tafel. “Het heet ‘De Hinderlaag bij Sindoeradja’ door Hans Gerritsen. Dat was een jongen waarmee ik ben opgekomen. Een van de derde compagnie.
Op dat gebied heb ik ook heel veel geluk gehad. Ze waren met twintig man in een hinderlaag van 200 man gelopen. Die luitenant  vertelt: ik ben thuisgekomen en heb als een klein jongetje zitten janken. Weet je hoeveel patronen ze overhadden? Nog twintig patronen.”  “U heeft heel wat meegemaakt. Heel wat!” zegt Marianne.
 
“Ons bataljon zat overal verspreid. De ene compagnie zat daar en de ander weer ergens anders. Een groep van 20 man moest een gebied bewaken zo groot als Rotterdam is. Zo groot is dat land.” “Heeft u zich alleen gevoeld daar?” “Ik ben altijd een eenling geweest. Kijk alleen Java is al duizend kilometer lang. En daar zit je dan met honderd jongens onder verdeeld.”
“Hoe het voelde toen ik in Nederlands Indië aankwam? Als een vreemde. Ja, je komt daar, maar wat wist je van dat land? Je bent compleet overdonderd. We werden gelegerd in Djatingaleh. Dat is eigenlijk een kamp geweest in de Jappentijd. Als soldaat weet je niets, je krijgt de opdracht wat je moet gaan doen en dan doe je dat maar. Voor de rest heb je toch niks te vertellen. Ik heb alleen in het begin patrouilles gelopen, want ik ben al heel gauw naar die opleiding gegaan. En toen kwam ik terug. Toen ben ik eigenlijk aan het zwerven gegaan. Ik heb nog een tijd bij de inlichtingendienst gezeten. Ik zag het gevaar niet. Weet je waar ik terecht gekomen ben? In het magazijn waar ze de was verzorgen, in Boemiajoe. Dat ligt precies in het midden van Java. We zaten bij de grootste baileybrug die ze in Java hadden. Ik ben in Indië soldaat1 geworden. Dat door de speciale opleiding die ik heb gedaan. Ik was één van de beste. Ik kon goed schieten. Maar in zo’n oorlog heb je daar totaal niets aan. Niks, helemaal niks.”
“Wat dacht u toen wegging uit Indië met de boot?” “We zijn teruggegaan met de Generaal Greely. Wij noemden het de generaal Hungery, want er was geen genoeg voorraad aan boord. Dus we stonden op rantsoen.”
“Slecht georganiseerd dus,” stelt Marianne vast.  “Vertel mij nou eens wat er wel in die militaire dienst goed georganiseerd is,” moppert sobat Piet. “Dan zeggen ze je had het kader toch bij je?  Nou, dat kader, die wisten niks meer dan dat wij wisten. Helemaal niets. Die hadden het in wezen moeilijker dan wij het hadden.” “Plus ze hadden ook nog eens de verantwoording voor jullie,” vult Marianne aan.
“Ik ging als jongetje en kwam als man terug. Daar maken ze je wel man hoor. Je had net een paar jaar oorlog achter de rug en je begon een beetje op te krabbelen en toen kon je oprotten naar het tropenland. Ik heb wel het een en ander gezien van de wereld zo. Er zijn er genoeg achtergebleven.”
 “Toen u terugkwam uit Indië wat ging u toen doen?” “Ik ben de handel ingegaan. Ik rolde daar zo in omdat mijn vader ook al zijn eigen bedrijf had. Ik werd zelfstandig ondernemer. Ik heb mijn hele leven in de groeten- en fruithandel gezeten. En ik had er een groothandel in aardappelen bij. ’s Morgens om 7 uur had ik al 100 zakken van 75 kilo aardappelen op mijn nek gehad. Dat heb ik tot mijn 60e gedaan. Toen ben ik al gestopt. Dat ging toen nog. Als je toen nog wat centen had gespaard, kon je nog aardig rondkomen. Tegenwoordig als je centen heb gespaard moet je gaan bijleggen.
 
Ik ben vijftig jaar getrouwd geweest. Ik heb de nodige jaren ellende gehad. Mijn vrouw is acht jaar verpleegd geweest in het verpleeghuis. Ging  elke dag er naar toe, soms twee keer op de dag. Ze was een vriendin van een nicht van me. Leuke meid. We trouwden en kregen twee kinderen, meer smaken waren er niet. Ik heb twee kleindochters.” En daar vertelt sobat Piet Nicolaas met grote trots over.
“Hoe kwam het dat u bij de nationale reserve ging?” vraagt Marianne
“Toen ik weer terugkwam moest je kiezen, het één of het ander. De BB of nationale reserve. Daarbij hebben we de grootste lol gehad. Dat was niet zo streng. We hebben in Roosendaal gezeten.
Hoe heb ik Indië ervaren. Een mooi land, zeker. Ik ben twee keer terug geweest. Met mijn vrouw samen. Zij heeft daar zo genoten. We zijn met een groep gegaan en dat was met een reisleider die daar geboren en getogen was. Wij zijn naar een buitenpost geweest waar we gezeten hebben. Dat was een theeonderneming. Kali-Kula. Het was een hele slechte weg om daar te komen. We komen daar binnen, maar op de onderneming werden we geweigerd. We mochten er niet op. Jammer.
Maar twee keer teruggeweest. De laatste keer zo’n 15 jaar geleden. Het liefst ging ik elk jaar. Als je daar ben komt het Maleis ook weer boven. Toen ik daar als militair was heb ik geen vreselijke dingen meegemaakt omdat ik in het magazijn zat. Ik ben een hoop narigheid misgelopen toen ik aan het zwerven ben geweest daar. Nee, ik droom er niet van, geen trauma’s. Ik heb vrienden gehad waarvan hun vrouwen vertelden dat ze ’s nachts aan het spoken waren. Nachtmerries? Nee, ik niet. Ik heb daar echt geen bijzondere dingen meegemaakt. Ben er heel goed doorheen gerold. Ja, dat klopt.
En ik ben een paar keer bij de herdenking in Roermond geweest. Op het laatst ging er niemand meer mee en dan moet je alleen. Als je pech hebt dan kom je niemand tegen. Dan loop je daar ook alleen. Met je ziel onder je armen. Met de reünies van ons eigen onderdeel, de derde compagnie, ging mijn vrouw altijd mee. Het mooiste wat ik me van Indië herinner? Weet ik niet. Wat ik wel mis, zijn de sateetjes. Als je hier saté koopt, krijg je van die grove dingen.  Ja, een schaal met van die kleine sateetjes. “
 
“Nou, daar krijgen wij ook best trek in nu u het zegt,” en Joop kijkt eens op de klok. “Ja, zie je wel, bijna etenstijd. We gaan.” We laten een sobat achter die blij was met de aanloop en nog zit te watertanden van alleen maar het vertellen van de schaal saté.
Door Marianne

 

 

 

 

Piet Bontenbal, een beeldige soldaat over zee      16-8-2018

.
.
We gaan het water over. Over de brug van Hoogvliet naar Spijkenisse zien we de Oude Maas onder ons. We bezoeken sobat Piet Bontenbal. Een trotse veteraan van het 423 Bataljon Infanterie, G-Brigade. Marianne heeft dat meteen aan het begin van het gesprek even nagevraagd.

“Hoe het met mij gaat? Eigenlijk wel goed hoor. Ik heb alleen wat slijtage aan mijn enkel en deze knie en ook mijn gezichtsvermogen gaat iets achteruit.” Sobat Piet heeft gelijk zijn antwoord klaar als
Marianne hem begroet. Joop maakt meteen een foto van sobat Piet Bontenbal. “Dat vind ik fantastisch!“ zegt de opgewekte sobat. “Ik maak ze in kleur en zwart-wit!”zegt Joop al kiekend. “Zo dat is dat en nu het vragenvuur!” lacht Joop. “Brandt maar los” is de kwinkslag van sobat Piet.
“Waar bent u geboren?”“Ik ben in 1928 geboren in Schiedam. Waar ik geboren ben, dat straatje bestaat niet meer. Dat was net achter de Gusto- werf. Mijn moeder was huisvrouw. Mijn vader werkte bij een boer. Ik had twee broers. Mijn vader reed op een vrachtwagen. Hij bracht meel rond en dergelijke bij de bakkers. Het zinde hem niet op die vrachtwagen en daarom solliciteerde hij in 1928 bij de politie en werd in 1932 aangenomen. Bij de politie in Rotterdam, maar dan moest die wel in Rotterdam komen wonen. Dus toen zijn we verhuisd naar de Weteringenstraat in Kralingen. Mijn vader was een grote flinke vent, die dus wel geschikt was als politieman. Hij was brigadier. Hij was kort van stof. Als hij het er met drie woorden af kon, zou die er geen vier zeggen. Kijk hier heb je een foto van hem. Op de Harley! 1200 cc met zijspan. Hij zat bij de verkeersdienst bij het Haagse Veer.”
 
“In september 1939 zijn we weer verhuisd naar de Oostmaaslaan. Daar boften we bij,” sobat Piet pakt een boek erbij en zoekt een foto op, “kijk dat was het pandje in de Weteringenstraat. Dat pandje is op 14 mei 1940 verbrand bij het bombardement. We woonden aan het Maasfront. Want voor ons bij de deur liep de Maas. De Duitsers aan de overkant en bij ons lagen de mariniers voor de deur naar de overkant te schieten. Daar zijn wij dus weggegaan. We gingen naar Zevenhuizen.
Daar woonde familie van mijn moeder en van mijn vader. Ik heb het bombardement zelf daarom ook niet meegemaakt. Toen we weer terugkwamen stond ons huis er nog. Alles was er nog. Van het schieten van de mariniers met de Duitsers hadden we ook geen schade. Bij verschillende huizen beneden zaten wel de kogelgaten, maar wij woonden twee hoog, wij hadden niks. We hebben aan de Oostmaaslaan 7 jaar gewoond. Ik ging bij ons op de hoek naar school. Hoe heet dat rotstraatje nou? ’t Was net om de hoek.” Er wordt diep gepeinsd en dan komt het: “De Assendelftstraat! Daar zat ik in de vijfde klas toen het gebombardeerd werd. Dus alle papieren die er waren van school, alles was verbrand. De hoofdonderwijzer die wist nog wel wat en die heeft weer een hoop mensen bij elkaar gekregen. Toen zijn we eerst in de Ketenstraat op school gegaan. Je ging alsmaar halve dagen, nooit een hele dag. Er waren een hoop scholen kapot natuurlijk. En er waren er ook die door de Duitsers gevorderd waren.
We hebben in de oorlog geen honger gehad. Mijn vader heeft ontzettend zijn best voor zijn gezin gedaan. Heel zijn leven. Samen met de buurman, een oud politieman, stroopten die heel wat af. En als er mogelijkheden waren werden die benut. Toen de eilanden onder water werden gezet door de Duitsers, moesten die mensen daar weggebracht worden. Mijn vader en de buurman brachten die mensen naar Friesland en Drenthe. Maar ze namen in de wagen met aanhanger gelijk wat eten mee want ze werden als politieagent toch niet gecontroleerd.
Ik heb mijn school wel gewoon kunnen afmaken. Toen ben ik naar de ambachtsschool toegegaan. In de Tamboerstraat. De Schoffiesschool noemden ze dat.”“Waarom was dat?” vragen Joop en Marianne meteen.“Nou ja, het was Crooswijk. Dan weet je genoeg. Ik leerde er voor instrumentmaker. Smeden en allerhande dingen aan de draaibank. En tekenen natuurlijk. En dan hadden we een tekenleraar, een meneer van Dijk, die zat altijd te knikkebollen voor de klas als wij aan het tekenen waren. Als we dat in de gaten hadden dan tilden we dat bord op en als die dan helemaal diepgebogen zat, lieten we dat bord hard naar beneden vallen. Ik heb de ambachtsschool afgemaakt in de oorlog en net effe na de oorlog. Toen was ik leerling- instrumentmaker. En ik heb nooit instrumenten gemaakt! Ik was nog te jong om naar Duitsland te worden gestuurd om te werken daar. Ik was 16 jaar toen de oorlog afgelopen was. Toen die grote razzia er was in november (10 en 11 november 1944 red.), was ik nog maar 15.”
“Hoe bent u dan na uw school erbij gekomen om militair te worden?” wil Joop weten. “Nou, een oproep. Dienstplicht. Ik was dienstplichtig. Op 8 september 1948 werd ik opgeroepen. Twee dagen na de kroning van Juliana. Ik moest opkomen in Bergen op Zoom, op de Cort Heyligerskazerne. Daar ben ik nog geen dag geweest en toen door naar de Markiezenhof. Ook in Bergen op Zoom. Dat is al heel oud, de Markiezenhof. Dat is nou een museum. En nog een hartstikke mooi museum hoor. Het is een echte aanrader. De Franse militairen hebben er ook nog ingezeten. Maar in december 1948 is de Markiezenhof aan de gemeente overgedaan en toen zijn we naar de Oranje Nassaukazerne gegaan. Bergen op Zoom had vier á vijf kazernes. Je had er ook een grootarsenaal. Je had de marinierskazerne, de Wilhelminakazerne.  Hoe komt dat zo dat er zoveel kazernes waren?” “Nou”,weet Joop te vertellen, “Bergen op Zoom was een verzamelplaats voor de militairen. Dat was al eeuwen geleden. Daar hebben we bij de Limburgse Jagers ook al eens iets over gehoord.
Maar goed, hoe kwam het dat u naar Indië ging?” vraagt Joop er meteen achteraan.”“Nou ja ik was dienstplichtig en we gingen in 1949 nog naar Indië. Bij de keuring was ik goedgekeurd. Ik had allemaal A-tjes. Ik mankeerde niks. En als je gezond was en recht van lijf en leden dan ging je naar Indië toe. Ik kreeg een gevechtsopleiding. Infanterie. In februari 1949 zijn we vanuit Rotterdam met de s.s.Waterman weggegaan naar Indië toe en in maart 1949 zijn we in Surabaya aangekomen.
Ik ben niet zeeziek geweest. Helemaal niet! Ook niet in de golf van Biskaje en daar waait het behoorlijk hoor. Nou we hadden een korporaal en we gingen er uit in Hoek van Holland, toen ging die korporaal de ziekenboeg al in en in Port Said kwam die er uit. Toen heeft die eventjes aan dek gestaan bij het Suezkanaal, maar zodra we de Rode Zee in gingen, ging die de ziekenboeg weer in tot in Djibouti, want daar hebben we getankt. Dat ligt in Afrika, dat is een Franse kolonie net aan het einde van de Rode Zee. Pas in Surabaya kwam de korporaal weer aan dek. Er was niks van hem over. Die was wel zo ziek! Hoe ik de zeereis vond? Ik had er geen hekel aan. Ik vond het wel leuk. Je komt dus langs al die kusten, je ziet van alles, je komt in Port Said met al die kooplui van: Mooie tasse, mooie tasse voor jou ouwe moer.” “Maar die heb je niet gekocht,” merkt Joop op.“Nee, ben je gek! En wat hadden we nou voor centjes. We kregen een gulden per dag. We kregen hier 75 centen en toen we aan boord stapten waren we geoefend soldaat en kregen we een gulden. We hadden boordgeld en geen Hollands geld,” zegt sobat Piet verontwaardigt.
“Maar u kwam in 1949 in Indië,” gaat Joop weer verder, “toen waren de politionele acties al voorbij. Dus u hebt eigenlijk geen echte actie meegemaakt?”“Nee, die acties hebben we niet meegemaakt. Daarna begon het gedonder pas! Want het gebied was in wezen veel te groot om te behappen met die 120.000 man die er waren.”
“Nadat er cease fire was, waren we meer geconsenteerd en was ons bataljonshoofdkwartier in Modjokerto. Waar 2-5 gezeten heeft, maar wij zaten in Kali Kontang, dat is bijna 240 kilometer verder.”“Wie loste u af?” wil Joop weten.“De eerste keer hebben wij de mariniers afgelost, bij Bodjonegoro, dat is op de grote weg naar Thipoeh, naar de olievelden, want daar zat SHELL.  Dat is in de tweede actie bevrijd. Wij zaten meer naar het binnenland toe.  Maar voor we verder gaan die weg op, nu eerst koffie!” lacht sobat Piet.
Marianne helpt sobat Piet even met de koffie en Joop hoort haar gezellig keuvelen in het keukentje.“Hoe vindt u het zo dat we bij u langs komen.” ”Nou prima, ik had het al aan mijn dochter gezegd, je moet trouwens de groeten van haar hebben.”“Heeft zij het naar haar zin gehad met de reünie?”“Prima, ze heeft een hele tijd met generaal Noordzij gesproken. Een aardig man. Ze ging vroeger ook altijd mee naar de reünies van ons bataljon. Ze verveelt zich niet op zo’n dag hoor.”De koffie komt al kletsend op de tafel, terwijl Joop nog wat foto’s neemt.
“Zo”, sobat Piet klapt in zijn handen, “wat wilde je nog meer vragen?”“Ik hoorde net dat u bij generaal b.d. Leen Noordzij aan tafel zat tijdens de reünie.” “Ja, als wij met de VOMI een reisje hadden en Leen Noordzij, voorzitter van de VOMI was er bij, dan kreeg de kazernecommandant altijd een beeldje. Soldaat over zee. Ken je het beeldje?””Jazeker, ik heb er zelfs twee op mijn werkkamer staan,” zegt Marianne. “Nou, ik wist dat het beeldje bestond en ik was al bezig geweest hoe kom ik aan zo’n beeldje. Maar nergens te vinden, niet op marktplaats of facebook. Zit Leen Noordzij bij ons aan die tafel, dus ik zeg tegen mijn dochter El, hij had altijd zo’n beeldje bij hem. Oh wacht effe, zei ze en ze stapte meteen op hem af en begon er over. Ik heb er nog wel, zei Leen tegen El. Toen hij weer thuis was heeft hij El gebeld dat hij er nog een had voor haar. Vorige week was hij in Rotterdam, bij de kazerne aan het Toepad. Hij had het beeldje bij zich en had El gebeld. Een afspraak was zo geregeld. En kijk, hier staat die! Het beeldje dan. Niet Leen. Ze heeft een hele tijd met hem zitten praten. Een heel aardige vent hoor!”
“Ik ga weer terug naar Indië,” gaat Joop terug in de tijd, “wanneer bent u weer teruggekomen?”“In oktober 1950.”“Echt helemaal tegen het einde dus,” constateert Joop. “Ja, want 27 december 1949 is de overdracht getekend. Vanaf die tijd waren we gasten. Je moest de
Hollandse vlag strijken en de rood- witte ging omhoog. Wij gingen terug naar Malang. Daar werd de A-compagnie opgeheven, verschillenden gingen naar Soerabaya en anderen naar Batavia.”
“Maar in Malang, dat is ook een grote stad, daar hebben we kantonnement patrouilles gedaan. We waren MP geworden. Dus wij liepen wel bewapend rond daar. ’s Avonds gingen we naar Malang en
stonden we op de kruispunten. Je had daar vier bioscopen naast elkaar. We hadden ons gewone uniform aan met witte koppels en witte enkelstukken. Nee, geen witte helmen. Later ben ik nog een poosje in Manado geweest. Hoog in Celebes. Die KNIL-militairen werden gedemobiliseerd. Daar konden ze kiezen. Ze gingen naar huis die Ambonezen. Wij zouden helpen met de demobilisatie van die militairen. Toen wij in Manado kwamen, dat was helemaal een vernedering. Want daar stonden die Indonesiërs ons op te wachten met zware mitrailleurs en alle andere dingen. Wij zijn daar geheel ontwapend. We hadden niks meer, wel radio’s en degelijke. Een grote zender hadden we bij ons. Dus na een poosje zijn we teruggehaald. Het werd te gevaarlijk daar voor ons. Dan ga je van Manado met de boot naar Pari-Pari, dat ligt ook op Celebes, dan kom je in Makassar terecht. Ik ben nog op Koepang geweest. Op Timor. En zo zijn we terug in Soerabaya gekomen. We zijn niet terug gegaan naar ons bataljon. Wij zijn bij de politie gekomen. Politie Militair. We waren een iets versterkt peloton. Geen hele compagnie meer. We waren met zo’n man of twintig die MP- taken gingen doen. We bleven in Soerabaya zitten omdat de originele MP, de militaire politie van de mariniers, die was er niet meer. Wij waren daar in Soerabaya voor die militairen die steeds overal uit de binnenlanden terug kwamen en die aan boord moesten en weggingen naar Batavia. Wij liepen ’s nachts patrouilles door de stad om de boel veilig te houden.”
”Is het niet zo dat juist die periode nog heel veel slachtoffers heeft gekost,” vraagt Marianne. “Ja dat klopt, wat je niet direct door had, dat hoor je pas naderhand, was dat er gemiddeld zo’n vijf sneuvelden per dag. Het gebied was veel te groot. En dan moet je het aantal gewonden nog verdubbelen. Die heb je natuurlijk ook.” “Heeft u ook heel nabij verliezen meegemaakt?” wil Joop weten. “Nee, wij hebben van de A-compagnie geen doden, wel gewonden, maar geen doden! Die zijn gevallen bij B en C-compagnie. We hadden een kapitein, die was volgens mij afkomstig van 2-5RI, kapitein Lems. Altijd waren er van ons patrouilles in het veld, dag en nacht, al waren het maar kleintjes, we waren er. Hij ging er van uit dat ’s nachts moet je rustig kunnen slapen. ““Waar sliepen jullie toen?” vraagt praktische Joop.“Dat is o.a. in tenten, in stenen huizen en we hebben in kamponghuisjes geslapen.”“Alles wat op dat moment voorhanden was dus,” stelt Joop vast.“Ja, we hebben een keer een vierdaagse patrouille gelopen en dan kon je verder weg. Ons hoofdkwartier zat op verschillende plekken. Omdat wij steeds verplaatsten zat de bataljonsstaf ook steeds ergens anders. Ze gingen met ons mee. Toen het stafkwartier in Modjokerto zat, konden de B en C compagnie wel meedoen met voetbalwedstrijden maar de A en D niet. Die zaten te ver weg.”
“U was een van de laatste die terug naar Nederland vertrokken,” gaat Joop weer verder.“Bijna één van de laatste,” corrigeert sobat Piet.
“En wat gebeurde er toen met u?” vraagt Marianne.
“We gingen op 14 september 1950 met de General Ballou, een Amerikaans troepentransportschip terug naar huis. Op het moment dat je weggaat daar vandaan, we gingen door de straat van Soenda,de Indische Oceaan op, dan zie je alles verdwijnen. Nou, het kan nergens stiller zijn. Iedereen zat met gedachten daar nog. Je kon een speld horen vallen op het dek hoor! Heus! Het kon niet stiller zijn!
Je laat ze daar achter, je komt ervandaan, je hebt je herinneringen daar. En het is een wonderschoon land. Het is een hartstikke mooi land. Maar voor de rest vond ik het voldoende. Of ik het lang genoeg vond of langer had willen blijven dan die anderhalf jaar, daar had ik niks in te vertellen. Het hing er vanaf wat onze regering bepaalde. Kijk hier heb ik een foto waar ik met mijn jongere broer op sta.” “He! Samen in Indië,” roept Marianne verbaasd.“Ja, die zat bij de mariniers in Soerabaya. Mijn broer was jonger dan ik en die ging pas in 1949 weg. Ik ben in ’48 opgekomen en hij in ’49. Hij was in een half jaar uit en thuis. En de derde, want ik had nog een broer, dat was een tweeling, die was ook in dienst maar die zat in de kazerne in Weert. “Oh, dat is de van Hornekazerne,” weet Marianne.“Maar we waren alle drie in dienst. Twee naar Indië en één hier in Nederland.”
 
“Wat is u het meeste bijgebleven van uw tijd in Indië? Wat heeft het meeste indruk op u gemaakt? “De kameraadschap!” klinkt het antwoord van sobat Piet gedecideerd. “Je hoefde elkaar niet eens aan
te kijken. Als je hem zag lopen dan wist je al meteen wie het was. Het was een compacte groep. We gingen er gewoon van uit: Jongens we moeten weer terug! We waren gewoon een compacte familie. We wisten alles van elkaar. Meer dan de familie thuis.”
“Had u veel contact met de bevolking?” vuurt Marianne haar volgende vraag op sobat Piet af.“Op het laatst wel. We zaten daar in Kadang na de ceasefire met een brugportie met z’n zessen, dat was 2 uur op 4 uur af 2uur op 4 uur af enz. enz. Daar hadden we een kampong achter ons zitten, een dessa en dat was een behoorlijke rijke. Het zag er allemaal keurig netjes uit. Goed onderhouden. Met het dorpshoofd, de Loerah, konden we goed mee opschieten. We gingen er wel eens eten bij hem.”
“Ik ben er nog eens een keer door onze luitenant vandaan gehaald ’s avonds. We waren met z’n zessen. Dus er moesten twee op wacht. Dan was er feest. Hadden ze een scherm met van die wajangpoppen met licht erachter. Daar zit dan ook een gamelanorkest bij. Dat hadden we al gehoord, want we zaten er vlak naast. Wij hadden onze wapens thuis gelaten en waren daar naar toe gegaan en zaten op de achterste bank te kijken met zijn vieren. Toen kwam die luitenant ons halen. Die was witheet. We zaten daar lekker joh,” schatert de sobat. “Ik had u op rapport geslingerd” zegt Joop hoofdschuddend. “Hoe gevaarlijk. En als meerdere moest de luitenant ook ingrijpen.” “Ja, die luitenant kon moeilijk zeggen: schuif even op! Kan ik ook op het bankie.” lacht Marianne.“Die gamelang dat stopt niet, dat gaat 24uur door. Als ik nu een gamelang hoor dan begin ik meteen mijn oren dicht te doen.”
     
“U trad dus op als een semi MP-er? Wat voor bevoegdheden had u?”vraagt Joop indringend.“Nou, natuurlijk weinig, want je liep met twee van ons en twee van hun, de Indonesiërs, van de MP. Hij was voor zijn mensen en wij voor onze mensen. Ja, zij hadden ook uniformen.
Eigen uniformen. Eigenlijk een beetje zoals wij.”“Die hadden ze gepikt” stelt Joop.“Nou ja, die hadden ze niet hoeven te pikken, want ze kregen ze toch wel,” is het nuchtere antwoord van sobat Piet. “En als je weet wat er allemaal gestolen werd. Als de schepen in Batavia, Tandjok Priok aankwamen met goederen was er al 25% gestolen. We hebben het er al eens over gehad met generaal Spoor. Dat er zoveel wapens gesmokkeld werden naar de Indonesiërs. Wapens die binnenkwamen, die gingen regelrecht door naar de T.N.I.! We werden beschoten met onze eigen wapens! Maar dat hoor je dan naderhand. Want dat weet je op dat moment niet. Ze vertelden nooit wat tegen ons. We wisten niks.” De verontwaardiging klinkt nog door.
“U was gewoon soldaat?” “Ik ben begonnen als geweerschutter en ben geëindigd als brenschutter. Ik ben uiteindelijk soldaat eerste klas geworden. Alle brenschutters werden op een gegeven moment allemaal 1e klas en kreeg je een dubbeltje meer. Het mooiste was, ik werkte bij de PTT in vaste dienst maar mijn salaris ging door. Alleen hetgeen wat ik in dienst verdiende, ging eraf.”“Ho stop, nu moeten we even terug,”maant Marianne de enthousiaste sobat, “u werkte dus al bij de PTT voordat u naar Indië ging!”
 “Ja, Ik ben in 1946 bij de PTT gaan werken. Ik heb de ambachtsschool afgemaakt en ben gaan solliciteren en bij de PTT terecht gekomen. De telefoondienst in Rotterdam. Daar heb ik twee maanden op de werkplaats gezeten. Toen ben ik de buitendienst in gegaan. Ik was instrumentmaker dus was geschikt voor de werkplaats. Maar er was een elektricien die wilde graag naar binnen, dus hebben we geruild. Binnen in de werkplaats maakten we de telefoons. Die waren in de oorlog allemaal natuurlijk gevorderd en ingehaald. Die werden uit het magazijn gehaald, werden gesloopt, gereviseerd en weer in elkaar gezet. Ik was toen 17 jaar. Ik ben begonnen voor een 48urige werkweek voor f 9,98 per week! Ik had er zo’n kleine twee jaar gewerkt en toen moest ik in dienst.
Het was vaste prik dat ik mijn baantje behield als ik weer terugkwam uit Indië. In wezen waren ze dat zelfs wettelijk verplicht. Dat gebeurde niet overal, maar bij deze bedrijven wel! Het was een staatsbedrijf. Dus toen ik terug kwam kon ik gelijk aan het werk! Ik heb vier weken verlof gehad en dat was wel genoeg. Ik ging weer aan het werk. In die vier weken verlof heb ik verschillende bezoeken gebracht overal. Ik had vrij reizen. Daar heb ik goed gebruik van gemaakt.
Ik ben naar Zeeland geweest. Dan komen we weer verder. In de oorlog hebben er twee jongens bij ons thuis in Rotterdam ondergedoken gezeten. Het waren geen gewone onderduikers. Het waren jongens van de knokploeg. Eén van die jongens kwam uit Zeeland. Zeeuws Vlaanderen en de andere was een rijksduitser. ‘Zeeuwse Jaap’ dat was zijn schuilnaam. Toen ik naderhand terugkwam, ben ik er naar toe geweest en ontmoette een Zeeuws meisje. Toen hebben we de verkering aangeknoopt.” “En u had gelijk een Zeeuwse Babbelaar!” zegt Marianne gevat. “Schreef u in Indië wel met haar. Had u pencontact?” vraagt Joop serieus. “Nee, niks, helemaal niets. Ik vergat zelfs mijn moeders verjaardag! Kijk, mijn moeder dacht ook dat ik weer als het zelfde knulletje terug kwam en daar vergiste zij zich in. We stonden te wachten op de trein voor vertrek toen mijn moeder zei: zal je voorzichtig zijn. Ik heb alleen gevraagd waarvoor? Want ze had nog nooit wat verteld. Nou was dat nog niet zo erg, want mijn collega Piet was wel goed ingelicht en die was lid van de nieuw Malthusiaanse Bond. Dat is nu de NVSH. Hij vertelde mij alles. Ik wist er misschien wel meer van als zij. Hoe mijn ouders het vonden dat ik naar Indië ging?”Het blijft een poosje stil en dan zegt sobat Piet:”Daar kan ik geen antwoord opgeven. Er werd niet over gesproken. Ook mijn vader heeft mij niets verteld. Hij wist ook niks van Indië. Hoe het dan was toen ik weer thuis kwam? Natuurlijk is het leuk als je weer thuiskomt. Het huis zat hartstikke vol met mensen en eigenlijk had ik dat anders gewild. Hoe? Nou, saampjes met mijn vader en moeder en mijn twee broers. Iedereen zit door elkaar te praten en niemand vraagt wat aan je. Je kan je verhaal niet kwijt. Er wordt niets gezegd, alleen van jij hebt toch sigaretten. Ja, op dat moment voelde ik mij echt buitengesloten.”
“Ik heb dat niet plezierig gevonden.”“Hoe heeft uw broer de thuiskomst ervaren,”vraagt Joop.“Die heeft alleen in Soerabaya gezeten, meer niet. Hij zat bij de betaalmeester en heeft helemaal niks meegemaakt. Mijn broer was eerder thuis dan ik. Hoe hij het ervaren heeft, de thuiskomst, dat weet ik niet.”
Met: u had de smaak te pakken van die Zeeuwse babbelaarster en toen werd er gezegd ‘we gaan trouwen’, pakt Marianne de draad weer op.
“Op 9 augustus 1951 zijn we getrouwd.”“Maar zo ver zijn we nog niet in het verhaal” onderbreekt Joop, “want meneer was nog bezig met zijn 4 weken verlof en ging van alles bezoeken en daarna terug naar de baas, de PTT.”
“Ja, ik ging naar personeelszaken, ik kwam uit afdeling hoofdkabelnet. Wij lasten de aanvoerkabels naar de verschillende punten. Wij deden het grote werk. En toen ik terug kwam wilde ik in het kleine werk. Het aansluitwerk bij de mensen thuis. Dat was weer heel wat anders.”
“Hoe ging dat toen u in Indië zat, kreeg u toen geld van de PTT”, vraagt Joop.“Ja, maar wel in mindering van de inkomsten die ik in Indië had. Er bleef een mooi spaarpotje voor mij staan. Dat werd op mijn rekening gestort.”“En toen dacht u: ik ben rijk!” roept Joop verheugd.
“Ja hallo”, zegt sobat Piet en kijkt toch wel minder vrolijk dan je zou verwachten. “Laten we het zo zeggen: ik had een spaarbankboekje.”
“En toen dacht u, nou kan ik trouwen”, daarmee wil Marianne toch die trouwerij zien voltrekken. “En van trouwen komt meer.”“We kregen twee kinderen, een jongen en meisje. De jongen is twee dagen voor zijn verjaardag op 57jarige leeftijd overleden. Het is één van de ergste dingen die je kan meemaken in je leven, je kind verliezen. Dat blijft je constant bij,”vertelt sobat Piet bedroefd. “Het is in 2010 gebeurd en we hebben het er nog steeds over. Hij hoort er gewoon bij. Kijk, mijn vader was 97, mijn moeder 95 en ze waren 71 jaar getrouwd. Dat is heel wat anders. Ik heb vier kleinkinderen van mijn zoon. Mijn dochter is geboren op 9 december 1957, en weet je, ik ben ook geboren op 9 december! Van haar heb ik 2 kleinkinderen. El woont hier op Spijkenisse. Lekker dichtbij. Twee keer in de week ga ik bij haar eten.
Geen achterkleinkinderen. Ik vind het zo genoeg. Dat mijn vrouw is overleden, dat weten jullie. De zaterdag nadat ze overleden was, was ik op de bijeenkomst voor de veteranen in Hoogvliet waar jullie ook waren. Dit op sterk aandringen van mijn gezin.”
“Bent u tot aan uw pensioen bij de PTT gebleven?” vraagt Marianne. “En wanneer bent u met pensioen gegaan?”“Ik ging op mijn 57e met de VUT.”“Wat ging u toen doen?”“We hadden gedacht dat we ons zouden vervelen achter de geraniums. Toen hadden ze het over een ‘pensioen in zicht’ cursus. Dat organiseerde o.a. de Shell, Droogdok en al die grote bedrijven. Ik vond dat prima onder voorwaarden dat het een gemêleerd gezelschap zou zijn. Ik wilde geen PTT-ers hebben allemaal, dat gaat dus over het werk, dat mot ik niet. We kregen inderdaad een gemêleerd gezelschap.”
“Dus u kreeg eigenlijk een cursus hoe u uw vrije tijd moest doorbrengen?” stelt Marianne vast.“Ja, we zaten eerst twee dagen in de bibliotheek in Rotterdam, daarna vier dagen in Rockanje.”
“En nu? Wat doet u nu? Hoe brengt u nu de dagen door?” vraagt Marianne.“Ik heb het nog lekker druk. Moest zelfs even op de kalender zoeken toen u belde voor een afspraak. Ik puzzel graag, kijk TV en elke vrijdag komt de huishoudelijke hulp. Ga hier en daar heen. Ik ga naar
de VOMI in Zwartewaal. Elke laatste dinsdag van de maand ben ik in het veteranencafé hier in Spijkenisse.”“Zitten daar nog een hoop Indië veteranen?” wil Marianne weten. “Eh, drie! De rest is Nieuw Guinea.
Of het druk is? Dat is wisselend. Maar echte Indiëveteranen, nog maar drie.”“Met al ons respect, u behoort ook tot dat uitstervende ras. Maar zolang jullie er zijn, blijven wij ons best voor jullie doen,” zegt Marianne. Daarmee sluiten we ons bezoek en het prettige gesprek af. Met de dank voor de ontvangst en een welgemeend tot ziens. Op naar de volgende veteraan die vandaag nog op ons wacht. Ook een Piet!
                                                                                                                Door Marianne

 

 

Piet Hugens trof het met een Nederlandse Amerikaan 6 -8-2018
 
 
 
 
We bezoeken vandaag veteraan Piet Hugens in Breda. Hij wacht ons op bij de poort van de voortuin. “Kom maar snel verder. Ik verwacht zo de thuishulp nog even, maar dat deert niet toch?“
We zitten aan de koffie en we branden meteen los met onze vragen. “Ik ben geboren in Ambi, in Limburg, bij Maastricht,” legt sobat Piet uit als Marianne vraagt Ambi? “Oehoe,” klinkt het dan al bij de deur. “Daar komt de verzorging al”, zegt sobat Piet. “Goedemiddag, ik hoorde al volop praten,”zegt de dame van de verzorging(Diana) “U moet maar doen wat u moet doen hoor,” zegt Marianne nadat we hebben uitgelegd wie we zijn. Sobat Piet Hugens en Diana verplaatsen zich even naar een ander deel van de kamer. Hij vertelt aan de hulp dat hij het zo’n eer vindt dat hij zulk bezoek heeft gekregen wijzend naar Joop en Marianne. “We kennen elkaar van de reünies. Daar hebben we kennis met elkaar gemaakt. “ Diana de hulp gaat rap door met de verzorging van Piet Hugens terwijl ze honderduit klets met ons en met sobat Piet. “Zo, dat was het weer. Klaar!” Ze gaat snel door naar de volgende cliënt. Wij drietjes blijven over met ons kopje koffie. “Ik ben een man van recht door zee,”zegt sobat Piet. “Als er iets niets zint, dan zeg ik dat. Ook met de hulp. Tijd is tijd en niet een uur later dan afgesproken komen.” Met ” laten we dan maar weer snel verder gaan waar we zijn gebleven, in Limburg”, neemt Marianne draad van het verhaal weer op. 
 
“Mijn vader was bankwerker, draaier, mijn moeder werkte niet, zij was huisvrouw. Dat vrouwtje van mij heeft ook nooit gewerkt.  Ze was hoofdonderwijzer op de school. Op een gegeven moment zei ik: Nu moet je kiezen, mij of de school. Toen heeft ze mij gekozen! Wij waren thuis met vier jongens en vier meisjes. Ik was het tweede kind en ben de enige nog die in leven is.”
“Uw vader had best een aardig belangrijke positie als bankwerker draaier,” constateert Joop. “Jazeker, wij hadden ook voor de oorlog niks te lijden, want hij verdiende zo’n 25 tot 30 gulden in de week. Alles was goedkoop hè, Alleen het huis waar we woonden was eigenlijk het duurste. Ik ging in Limburg naar de lagere school. “Heeft u die afgemaakt?” Sobat Piet lacht schamper en antwoordt: “Ja,was dat maar waar. In de vijfde klas van de school af! Verdienen hè.” Bij de boer werken. Aardappelen oprapen, op de knieën en de knecht je achterna lopen dat je geen aardappelen liet liggen. Of met stro, de halmen tegen elkaar aanzetten. Van die schoven en zo. En dat werd dan weer  met een vork doorgeven en ging het boven op de kar met paarden. Ik was toen veertien jaar. Toen brak de oorlog ook nog eens uit.
Op een gegeven moment waren ze razzia’s aan het houden. Wij woonden aan de grens in Limburg daar en op een gegeven moment zei mijn vader tegen mijn moeder: die jongen moet weg. Mijn moeder had een kennis en die woonde in België in de Ardennen. Die kwam van daaruit naar Maastricht. Hij zei: geef mij die jongen maar mee. En zo ben ik in 1942 ondergedoken in de Ardennen. Er waren wel meer Nederlanders die daar ondergedoken zaten. Het maakte niet uit dat je Nederlander was hoor. Er waren daar Fransen en zelfs nog Duitsers die daar ondergedoken zaten. In zo’n dennenbos hè, in een hol met stro,  en dan hoopte je maar dat er niet te veel regen kwam. Want dan kwam het water zo binnen in het hol en op het stro. En altijd dezelfde kleding aan die nat en vuil werd. Ja, dat was zwaar afzien. Maar een kameraad van mij, waar ik altijd mee omging,  die is omgekomen in een fabriek met de bombardementen. Dat gebeurde ook.
Ik ben de rest van oorlog ondergedoken gebleven. En toen kwam de invasie in 1944. Toen kwamen de Amerikaanse tanks door de Ardennen heen en konden wij eruit komen. En toevallig op die tank was er een officier die Nederlands verstond. Dat kwam omdat die voor de oorlog waren geëmigreerd naar Amerika. En die heeft mij meegenomen. Toen waren wij bij de paratroops. We zijn met een gedeelte door het Ruhrgebied getrokken en een ander gedeelte is naar Nijmegen getrokken. Die hebben dat meegemaakt met die parachutisten en al.” 
“Oei, dat is dan het verhaal van een brug te ver”, zegt Marianne onder de indruk. “Ja, klopt,”zegt sobat Piet. “Maar wij zijn dus door het Ruhrgebied gegaan naar Dusseldorf, Dortmund en al die steden die we tegenkwamen. Dat was allemaal industrie daar. Alles kapot hoor. Ik snap niet hoe ze het hebben kunnen opbouwen nog. Alleen  de kerken niet. In Aken was het hele station kapot maar de kerk, de Dom, daar was niks aan, alleen wat scherven.”
Er hangt een kruis in de kamer. “Bent u gelovig,” vraagt Joop doelend op het kruis.  “Gelovig, ja. Rooms Katholiek. Het heeft mij geholpen hoor. Daar ben ik ontsnapt van kunnen worden. Ja, daar ben ik heel zeker van. Ik draag altijd een kruisje met de as van mijn vrouw. Echt het heeft mij geholpen.”
Sobat Piet Hugens lacht wat en vertelt dan: “Weet je wat het is? Er was op een gegeven moment zoveel ellende als militair. Je maakt heel veel mee als jonge jongen zijnde, onbegrijpelijk. Ik was de Benjamin, de anderen waren een jaar ouder als mij. Maar goed, op een gegeven moment moesten we naar huis. Het waren inderdaad allemaal militairen die onder generaal Roger dienden, ik ook.”
“Had u een uniform of was u in burgerkledij?” vraagt Joop belangstellend. “Ik had uiteraard een militair uniform, een Amerikaans uniform. Ze hadden mij toch meegesleept op die tank met die Hollandse officier,” verduidelijkt sobat Piet Hugens aan Joop. “Ik was Amerikaan en met het oprukken hebben zij mij alles geleerd wat je zo allemaal moest doen.” “U kreeg een praktische opleiding,”stelt Joop vast.“Ja, inderdaad. Hoe je met een geweer moest omgaan en bajonet en zo. Rantsoenen kregen we. Op een gegeven moment allemaal van die dozen waar twaalf pakjes sigaretten in zaten, Camel, die deed ik aan de jongens weg en daar kreeg ik weer snoep voor terug. Lekker hoor, chocola! “
“Tot hoever bent u met de Amerikanen mee Duitsland ingegaan,” vragen Joop en Marianne bijna gelijktijdig. “Je moet weten het was een groot regiment, 4 regimenten en dan weer opgedeeld in secties en pelotons. Nou waren we in gedeeltes gesplitst. De ene helft ging naar Aken en de andere helft is naar Nijmegen gegaan waar dat toen gebeurd is met die luchtaanvallen. Maar wij zijn doorgestoten naar Hürtgenwald. (De slag om Hürtgenwald was een veldslag tussen september 1944 en februari 1945 in de omgeving van Aken(red.) Daar heb ik gezeten. Je moet het maar eens opzoeken op het internet,” adviseert sobat Piet. “Hürtgenwald.  Daar is een fout gemaakt. We hadden op een gegeven moment om dat bos heen moeten gaan maar de staf besloot we gaan rechtdoor, door het dorp  heen.  Maar de Duitsers hadden achter het dorp artillerie opgesteld. En die schoten op ons.  De gewonden en doden werden opgehaald met tractors. Daar gooiden ze mij ook op en gooiden anderen nog op mij. Maar ik had niets. Daarna ben ik ook nog met die tank op een mijn gereden. Ik ben er vanaf gevlogen maar niets meegekregen.” “U heeft wel een heel dapper beschermengeltje gehad”, stelt Marianne vast.
“Ja, ja, ik heb een hoop meegemaakt, maar kan niet alles vertellen.
Op een gegeven moment zijn anderen naar Berlijn doorgestoten en wij zijn met meerdere secties naar Beieren gegaan. Stuttgart. En van daaruit ben ik met het vliegtuig naar Amerika gegaan. Daar ben ik ontslagen als militair. Ik was toen tegen de 19 jaar.”“Toen ging u dus voor het eerst met een vliegtuig”. “Ja, voor het eerst,” beaamt sobat Piet. “Niet echt een vliegtuig, maar een stalen ding. We zaten gewoon tegen elkaar met een man of twintig.
In 1946 kwamen we terug. Op een gegeven moment had het Rode Kruis mijn vader en moeder gezegd dat ik nog leefde. Die wisten vanaf 1942 niet waar ik was gebleven. Die hadden vier jaar niks over mij gehoord. Eenmaal terug in Nederland kreeg ik het bericht van het Nederlandse leger dat mijn lichting al in Nederlands Indië was. Ik moest  nog twee jaar in Indië dienen en ben in 1948 teruggekomen met de Tabinta.” “U ging in 1946. U was net terug in Nederland,” somt Joop op, “en u ging gelijk naar Indië?” “Ja, ik moest! Ik moest opkomen in Roermond.  Op de Casimirkazerne.”
“Daar ben ik ook geweest” vertelt Joop, “maar het nu een shoppingcentrum geworden. Alleen de oude toegangspoort staat er nog.” Joop wil nog graag het volgende weten: “de tijd dat u bij de Amerikanen zat, kreeg u toen betaald door de Amerikanen?” “Ja, dat klopt. Ik werd betaald in dollars. Ik heb ook papieren van ze gekregen dat ik met hen heb gestreden maar die heb ik later moeten inleveren of ik moest staatsburger worden! Ik heb de keus mogen maken.
Toen kwam ik thuis in 1946 waar wij woonden. Mijn moeder huilen! Mijn moeder nam mij als een klein kind op haar schoot.”
“Wat zullen ze een zorgen om u hebben gehad” zegt Marianne meewarig. “Geloof dat maar rustig,” beaamt sobat Hugens. “Heel de familie was uitgenodigd. Oom Cor, tante Bertha, oom Hendrik.”
“En toen volgde er weer wat ingrijpends, u moest naar Indië,” gaat Marianne na een kleine stilte verder. “Ja, toen moest ik weer weg ja. Met welke boot, ik weet het niet meer. Het was een grote boot, dat weet ik wel. En daar was ook nog het gevaar voor mijnen.”
“Maar met welk onderdeel ging u mee? Want uw eigen onderdeel was al in Indië, ” vraagt Joop. “Ja, daar kwam ik later bij. Het dertiende regiment. Ik kwam eerst bij de 4e compagnie terecht, later de 3e. Daar hebben ze me opgeleid voor carrierchauffeur, omdat ik al op de tank gezeten had en zo.” “Kreeg u nog een speciale rang omdat u al gevochten had met de Amerikanen?”vraagt Joop nu. “Nee, ze hebben mij besodemieterd. Ik was te eerlijk. Er waren er bij, die de dienst niet goed vervulden. Die werden korporaal of sergeant en ik werd niks. Ik heb toen de luitenant aangesproken. Ja, zei die luitenant, als je niet altijd dingen op te merken had gehad dan was je allang bevorderd geworden.”“U gebruikte uw mond teveel,” stelt Joop vast. “Ja, daar kwam het op neer. Ik heb dat gewoon genomen en dacht:  stik de moord maar! 
Vanuit Semarang zijn we naar Bandung geweest. Heb ik nog een week of twee onder een witte klamboe kunnen zitten en zo weet je. Daar kreeg je koemelk.” “U heeft dus alleen de 2e politionele actie meegemaakt?”vraagt Joop. “Ja, door midden Java,” bevestigt sobat Hugens. “Wat je niet vergeet is hoe mooi het daar was. Dat vergeet je niet. Maar als ik nu iets moet pakken uit een kast, dan moet ik weer terug en nadenken wat ging ik nou ook al weer pakken, maar Indië dat vergeet je niet.
“Hoe hebt u het ervaren? Indië?” vraagt Joop. “Hoe bedoelt u?” “Nou,”zegt Joop, “u zat al bij de Amerikanen, daar hebt u ook strijd meegemaakt natuurlijk, maar hoe maakte u de strijd mee in Indië?”
“Ja, daar heb ik niet zoveel strijd meegemaakt. Ik zat toen op de carrier. Die jongens die daar bij waren die hebben meer meegekregen. Ik was chauffeur. Ik reed ze door de rimboe en bracht ze naar plekken waar ze moesten zijn. Dus ik heb niet zoveel meegemaakt. En oorlog, het was daar eigenlijk geen oorlog. Het was een vies spel daar met die ploppers die daar zaten. Daar zijn de meeste jongens door gesneuveld.”
“De kameraad die de carrier van mij overgenomen heeft, Broos uit Bergen op Zoom,  die  is, hoorde ik toen ik bijna naar huis ging, doodgeschoten. Ik zal je vertellen, wij hebben nooit last gehad van de bevolking, de mensen. Als we vrij waren kwamen ze gewoon met bananen rond of zo. Wij hadden voedselblikjes en al wat meer en die ruilden we daarvoor. Met geld was er niks te doen of zo. Wat ze nu allemaal over ons vertellen, daar is niks van waar! In Semarang had je een voordinges en een…. nou hoe noem je dat nou?”“Een voorterrein?”oppert Marianne. “Ja, zoiets, dat werd overdag bewaakt. ’s Nachts werd er dan teruggetrokken. Dan gingen de jongens daarheen en die ploppers zaten daar. Die jongens werden gewoon doodgeschoten.” Marianne haalt de druk even van de ketel door te vragen naar wat het mooiste is wat sobat Piet Hugens is bijgebleven. “De natuur!”is het stellige antwoord.
 
  “Toen u terugkwam vanuit Indië, wat bent u toen gaan doen? Bent u gaan werken?””Niet meteen, het heeft een tijdje geduurd eer ik werk had.”“U heeft niet het idee gehad om militair te blijven?”“Nee, zeker niet en dat komt door dat geval van dat mijn moeder mij op schoot nam toen ik terug uit Amerika kwam. Ze hebben me wel aangeboden om in Nederland militair te blijven, maar daar had ik geen zin in. Ik ben in een fabriek terecht gekomen waar ze Maggi maken.”Joop en Marianne roepen tegelijk: “Maggi.” “Wereldbekend merk in Nederland,” grapt Joop. “En weet je waar het van gemaakt wordt?” vraagt sobat Piet. “Van garnalen. Die gaan in een ketel waar stoom inzit en een roer. Later wordt alles gefilterd en komen de garnalen als drank eruit en dan komt er een gedeelte boter bij. Geen margarine, maar echte roomboter! Dan gaat alles in die flesjes of grote mandflessen. Het ligt eraan waar het naar toe ging. Ik  moest een papiertje in de Maggi steken en als de kleur goed was, dat kon ik vergelijken met het voorbeeld,  dan wist ik dat het goed was. Dan werd er afgetapt.”
“Hoe lang hebt u dit gedaan?” vraagt Joop. “Och, je vraagt me dingen jongen….”zegt sobat Piet schuddend met zijn hoofd en antwoordt dan: “In ieder geval lang genoeg!” “Heeft u nog andere beroepen gehad?”, vraagt Marianne. “Ook, de mijnen hè. Daar ben ik mijnbouwkundige geworden. Het hele proces van het winnen van steenkool volgde ik. Achttien jaar ben ik daar geweest. Maar dat was het ook niet.”
Ik ben toen de scheikunde ingegaan. In een fabriek in Breda waar ze scheikundige processen maakten. Daar had ik op een advertentie die in de Telegraaf stond gesolliciteerd. Ik moest naar Breda komen, hier op de Krogten, maar ik moest eerst door een keuring. Ik kwam op gesprek bij de personeelschef en de hoofdpersoneelschef. Er waren allemaal vragen en nog meer vragen. Ze vroegen: Wat heeft u voor dipoma’s meneer? Bouwkunde. Oh daar hebben we niks aan. Ik  zei: Dat begrijp ik maar ik ken wel leren. Nou als je leren wil, dan nemen we je aan. Daar heb ik voor moeten tekenen. Ik heb toen acht jaar zwaar scheikunde moeten leren. En dat is toen goed gekomen. Bij die fabriek heb ik tot de VUT gewerkt. Maar ik moest eerst iemand anders opleiden die mij zou opvolgen. Dat heb ik gedaan.”
 
“We zijn al veel over u te weten gekomen, maar had u al verkering toen u terugkwam hier in Nederland?” vraagt Joop om de lijn van het verhaal compleet te maken. “U had geen penvriendin met wie u schreef in Nederlands Indië?“”Nee, nee, ik schreef met mijn ouders. Niet met een meisje. Toen ik in de Ardennen zat heb ik niet geschreven, anders konden ze me pakken. Hoe ik dan wel verkering kreeg?  Ja, met uitgaan. Als burger hè. Ik was toen zo’n 24 jaar of wat. Toen heb ik het wel leuk gehad hoor. Ik hield van dansen. Er was een dorpje, daar waren twee danszalen. Nou, dat was een genot. En dan nog een biertje erbij of een kleintje. Moeder zei altijd tegen mij als je gaat dan doe je maar koffieboontjes bij je stoppen en dan drink je maar kleintjes. Dan dronk je een paar cognacjes en daarna nam je een koffieboontje. Dan werd je niet zat.””Ah, vandaar die koffieboontjes. Ik vroeg me al af wat u nou met die koffieboontjes moest als u ging dansen”zegt Marianne wijzer geworden. 
“Maar  dan ziet u dan toch dat meisje”, begint Marianne hoopvol en ziet de romantiek al hoogtij vieren. “Nee, nee, zo is het niet gegaan.  Ik heb oorlogsgeld gekregen. Daarvan heb ik een auto gekocht. Ik was de eerste van het dorp. Ja, ik had een auto gekocht. Voor f 9.000,- ! Daar ben ik mee gaan rijden. Ga ik een keer naar Bocholtz, zie ik daar een bekende jongen van het dansen hier een deur opendoen. He Piet, kom binnen. Ik wist niet dat daar een meisje ging trouwen. En daar heb ik de trouwerij van meegemaakt. En op dat trouwfeest was zij de bedienster, wijzend op de foto van zijn vrouw. Van een bruiloft komt een bruiloft. Zo zie je maar! Ik ben getrouwd toen ik 28 jaar was. Mijn vrouw was 20. We zijn eerst veel op vakantie geweest en later pas kwamen de kinderen. Ja, ik werkte toen nog in de mijn. Geen mooi baantje, maar je moest doorzetten hè. Wilde je geld, moest je doorzetten en leren.  Ik was blij dat ik uit de mijn kon.  Ik heb met plezier gewerkt bij mijn laatste werkgever. Werd goed betaald. Iedere twee jaar een nieuwe auto. Nu heb ik een heel goed pensioen.
We kregen twee kinderen. Een zoon en dochter en kleindochter. Maar ik kom nog even terug op Indië.”
“Dat in Indië was geen oorlog. Dat kan je niet vergelijken met de oorlog die hier is geweest.”“U hebt daar kijk op,” zegt Joop, “want u bent echt in de oorlog geweest met de Amerikanen.”  “Van de KMA krijg ik nog steeds bericht of ik eens wil komen spreken daar over mijn ervaringen. Maar dat doe ik niet. Nee, dan kan je nachten niet slapen. Ik heb met 70 jaar bevrijding nachten lang niet kunnen slapen. De dokter heeft mij toen slaappillen gegeven. De verschrikkingen kwamen weer allemaal boven. Zelfs nu heb ik er nog steeds last van, maar ik hoef geen hulp.”
“Hoe vind u het dan als u bij ons op de reünie bent, met al die andere jongens die in Indië zaten?”wil Joop weten. “De reünie zelf vind ik mooi en fijn.  Ik vind het een eer dat ik het mee mag maken,  maar verder dan dat interesseert mij het niet.  Het rijk kan ook de pot op. De ministers van defensie, moet ik niks van hebben. Ze hebben geen eer voor ons gehad. Het is allemaal veel te laat. De meeste van mijn onderdeel zijn al lang weg.”
“Nee, ik ben geen lid van de VOMI of een andere veteranenorganisatie, helemaal niets. Ook niet meer van een Amerikaans onderdeel.” “Als u nu nog naar Amerika zou gaan heeft u dan nog de status van veteraan?” “Nee, dat is vervallen. Dan had ik Amerikaan moeten blijven, dan wel. Ik ben nergens lid van, alleen van jullie,” zegt Piet Hugens lachend. “En ik lees jullie boekjes. Al die verhalen. Je ziet dan wat iedereen zo’n beetje heeft meegemaakt. Wat ik meegemaakt heb is met geen pen te beschrijven. Als ik dat allemaal ga vertellen wordt mijn hoofd gek.”  “Dat willen we niet en daarom vragen we ook niet verder naar uw verhaal. Alleen wat u kwijt wilt, vertelt u en schrijven we over,”garanderen Joop en Marianne.
“Draagt u uw onderscheidingen nog wel?” “Nee, nee, daar prakkiseer ik niet over!” “Maar u heeft ze wel verdiend,” constateert Joop. “Ik heb meer gehad met het Amerikaanse leger dan het Nederlandse.  Niet de jongens, maar defensie in het algemeen.” “Hebt u van de Amerikanen dan nog een onderscheiding gehad?” vraagt Joop verder door. “Ja het ‘red cross medal’ noemen ze dat. Maar al mijn onderscheidingen zijn met de verhuizingen weggeraakt. Maakt niks uit. Mij maakt het alleen uit dat ik er gezond doorheen gekomen ben!
Toen ik in de Ardennen was en op die tank kroop en binnenin kwam, dachten de vier anderen in de tank: wat is die van plan toen ik in Nederlands vertelde waar ik vandaan kwam.. Maar later hebben de jongens mij wel opgenomen. Ik was de jongste in de tank. En met de minste ervaring.  Ik was de benjamin. En met dat vliegtuigje ben ik teruggekomen.” “U hebt heel wat meegemaakt!” “Ja maar dat zegt mij nou niets meer. Maar mijn respect voor jullie is groot. Ik vond het heel leuk om bericht te krijgen dat jullie hier bij mij zouden komen.”
“En wij vinden het heel fijn dat we bij u mogen komen. Hiermee sluiten we af want u gaat straks ook nog uit eten en dan moet u wel fit zijn. Dus wij gaan! Op de plaats rust!”                                          door Marianne
 

 

 

 

Overleden  Jan Tishauser, 1-2-7RI
;
.
Jan Tishauser, soldaat 1e klas, 1-2-7 RI

lieve man, zorgzame vader, opa en overgrootvader (Opi) 

31 augustus 1926 - 2 mei 2018 

 

 
Waarheen?
De weg is mij bekend, ik weet waarheen.
De kleine man zegt:
“We gaan goed zo hè opi”
 
Zo kort na het laatste bezoek aan Jan Tishauser kwam het bericht van zijn overlijden. De reünie niet meer in levende lijve mogen meemaken.
In eerste instantie schreef sobat Jan, dat hij in stilte gecremeerd wilde worden. “Je krijgt wel bericht van een van mijn jongens”. Later schreef Jan dat hij hier, in overleg met de kinderen, toch van terug kwam. “Hoi moeder overste van de veteranen,  de ouwe sobats en de ouwe veteranen. In de tijgersluipgang naar het hospice geslopen en wordt hier als een koning behandeld. Ik ben pijnvrij dus niet zeuren. Voor de crematie is er tijd om je zegje te doen. Ik stop. Een saluut van de gesloopte Jan.”  Jan zijn laatste contact met Marianne, zijn wens. Daar hebben we uiteraard gehoor aangegeven. 

 
Het afscheid van sobat Jan vond plaats in de aula van crematorium Purmerend te Purmerend.
Joop hield de toespraak waarin hij veel aanhaalde wat  we onlangs nog van Jan zelf hebben gehoord. Aansluitend volgde het veteranengedicht. Een goed mens is heengegaan. Bij kist met  de onderscheidingen, baret, stropdas en fleurig zomerbloemstuk, bracht Joop ook hier weer de militaire eregroet. Na afloop van de drukbezochte plechtigheid was er gelegenheid om te condoleren, met een hapje en drankje. 

 

 

Willem Knegt,2.7 RI , een bezoek met een staartje  15-4-2018
 
 
 
 
Sobat Willem was al lange tijd bij ons bekend, maar heeft vanwege zijn versleten heup en doofheid nooit een reünie bij ons kunnen bezoeken. Het telefonisch contact was er niet minder gezellig om. 
 “Welkom, leuk dat jullie er zijn, kom binnen. Ik zat net even tv te kijken. Heel interessant. Ik houd van documentaires die wat vertellen over de wereld.” “U kijkt dus heel intensief TV,” vraagt Marianne. “Ja, maar ik zit er wel zo’n klein stukkie van af hoor.” Sobat Willem wijst een heel korte afstand aan. “Ja, ik zie dat u iets aan uw oog heeft.”
“Heeft u staar of zoiets?” vraagt zuster Marianne hem.“Nou, ik had iets met mijn rijbewijs. Dat moest verlengt worden. Daar werd ik verwezen naar de oogarts. Ik liep kort daarvoor op de hei en toen zag ik allemaal bijen. Ik dacht: nou die zijn er vroeg bij dit jaar. Het bleek dat ik een loszittend netvlies had! Ik moest naar het AMC in Amsterdam en daar hebben ze het verprutst.  Het zou een routinekwestie worden, ja, om dat ding, dat netvlies vast te plakken. Nee, dat is niet goed gegaan. Mijn huisarts zei later: jij  had een klacht in moeten dienen. Tja, maar wat word ik daar nou beter van?” zegt sobat Willem verbouwereerd. Gebeurt is gebeurt,” besluit sobat Willem nuchter. “Ik was allang blij dat ik nog gewoon kan leven. Ik ben erg gemakkelijk geworden. In de loop der jaren maak je je niet overal meer druk om. Je merkt wel dat je ouder wordt en dan komen de kwaaltjes. Interesse heb ik nog overal voor hoor! De kranten lees ik, ik volg het nieuws op TV. Ook het regionale nieuws. Er is hier een verzorgster en die wil wel eens Jordanees zingen en dan zijn we allebei aan het brullen:♬ aan de voet van die ouwe Wester”♬. Ze vragen wel eens aan mij of ik wel geboren ben hier in Hilversum. Maar ja, ik ben echt hier geboren hoor.
 
  Weet je dat iemand die in Hilversum is geboren de naam niet goed uitspreekt? Ze zeggen Hillevesum. Zonder de R.““Zo dan hebben we meteen een beginnetje,“zegt Marianne, “u bent geboren in Hilversum in 1925?” “Ja en mijn vader was loodgieter. Eigen bedrijf. Mijn moeder was huisvrouw. Er waren drie jongens en drie meiden bij ons thuis. 
“Hoe is het verder met u gegaan. U bent geboren hier in Hilversum. En hoe verliep de school?”vraagt nieuwsgierige Marianne aan de vertel grage sobat Willem. “De lagere school wel goed maar het was midden in de oorlog, dus de volgende school kon ik niet afmaken. Ik zat toen op de Ambachtsschool. Dat had nog problemen toen ik demobiliseerde, want er was me toegezegd als je terug bent , krijg je omscholing. Daar had ik vast opgerekend. Moest ook wel want ik kon niks.
Op papier was ik loodgieter. Ik moest in Amsterdam een test doen. Waar het was, weet ik niet meer hoor. En daar zaten al een paar oude makkers. Hé Willem!, waar heb jij je voor op gegeven? Ik zei: elektricien. O, dan word je afgetest was het antwoord. Want dat zit al helemaal vol. Je kan alleen nog maar timmerman en metselaar worden. Dat schiet niet erg op dus.”
“Ik loop daarna door Amsterdam en kom ik luitenant Ledel tegen. Hij is later met Truusje Koopmans getrouwd, die zangeres! Hij heeft haar in Indonesië in Semarang leren kennen. Afijn, hij was luitenant bij ons, hij ziet mij lopen en zegt : Willem, wat is er met jou aan de hand? Nou ja en toen vertelde ik het van die test. Nou ik zal eens kijken wat ik voor je doen ken, zei die. Hij heeft bewerkstelligd dat ik aan de slag kon bij werkspoor Amsterdam op de leerschool. Ik zou ook nog draaier worden of zo, geloof ik. Maar het beroerde was, die baas van die draaierij, dat was, en dat wist ik toen nog niet hoor,  een fervente socialist. Eén van het gebroken geweertje. En dan liep ik daar als ex- OVW-er . Hij woonde aan de rand van Hilversum,  dus elke dag moesten we samen met de trein naar Amsterdam. Hij had een hekel aan militairen. Dus ik kon geen goed bij hem doen. Ik heb uiteindelijk toch die bedrijfsschool  afgemaakt. Maar toen moest ik in de ploegendienst.
De eerste jaren na mijn terugkomst waren niet zo prettig hoor. Het begon al met de thuisreis naar Hilversum.  Ik was  met de Van Oldenbarnevelt teruggekomen. We gingen naar huis met een bus en dat kreng had iedere keer wat, dan stond die weer stil. We lagen geloof ik al 2 uur achter op schema. Het was zo wie het verste weg woonde, werd het eerst afgezet. Op het laatst stonden we in Hilversum op de Paardweg en dat kreng, de bus, dat wilde helemaal niet meer. Nou daar stond ik met mijn plunjezak en met het hele zooitje. En ik was de laatste. Nou stond ik net toevallig voor de ingang van de grossierderij van bananen, de bananenkoning van Hilversum. Die heeft een van zijn personeelsleden gecharterd en een vrachtwagen van hun. Ik achter op de bak, maar ja  dat was ik wel gewend in Indië, dus zo kwam ik eindelijk thuis. Ze waren thuis al drie keer naar buiten gelopen want dan kwam er een bus aan, nou daar komt die aan, maar nee hoor. Ik had eigenlijk niet eens een thuis! Nee, door de oorlog was ik uitgeschreven bij mijn ouders, hoe dat nou precies zat weet ik niet meer, maar ik ben de eerste jaren bij mijn zuster Annie in de kost geweest. Frits, de jongere broer die ook in Indië zat, kon wel terug naar huis. Hij was nog gewoon ingeschreven.”
 “Nu vertelt u wel dat u al weer terug kwam uit Indië, maar u moest er ook nog naar toe. Gaan we even terug in de tijd,” vraagt Marianne en meteen somt zij op:  “U zat dus op de ambachtsschool, 1e klas, dan breekt de oorlog uit. Wat heeft u daarvan meegekregen in Hilversum ?”
“Nou, ik was niet zo avontuurlijk in de oorlog hoor. Ik werkte toen al op de NSF die zogenaamd voor de Duitsers werkte. Dus werknemers van de NSF werden vrijgesteld van de arbeidsinzet. 
Bovendien was ik nog te jong , ik was 17 jaar. Met de bevrijding was ik in Nijkerk. Dat ligt in de Gelderse Vallei. Waarom ik daar zat? Vanwege het eten. Daar was nog een klein beetje te eten. Ik weet nog wel dat ik rogge bij die boeren had gebietst en dan ging ik met een priksleetje en een zak rogge erop naar huis. Lopend. Op klompen. ‘s Avonds weer terug voordat de spertijd weer inging.”     
   
 “Nederland is dan vrij. Hoe en waarom bent u oorlogsvrijwilliger geworden?” “Van armoe,” komt het gedecideerde antwoord van de sobat. “Ik had dan een dak boven mijn hoofd en ik heb te eten. Ik dacht ook bevrijdertje spelen. Wij waren maar een armoedig zooitje hoor. Ik heb me in Amsterdam als ovw-er aangemeld. Ik kreeg een soldiers paybook. Dat moet hier nog ergens zijn. Of bij mijn zoon, want die heeft alles. Alles werd bijgehouden hoor. Ik heb wel wat avonturen beleefd hoor,” vertrouwt sobat de Knegt ons toe. “We zijn eerst naar Engeland geweest. Easthempstead. Wockingham. Daar heb ik kou geleden in die nissenhutten. Jongen, die waren me koud. We dachten dat we in het paradijs terecht zouden komen, maar daar was het ook nog allemaal distributie in Engeland. Over distributie gesproken, toen ik terugkwam uit Indië, kreeg je textielpunten. Zeventien textielpunten meen ik. En een paar voor schoenen. Ik ging met mijn textielpunten naar Piet de Jonge, hier op de Kerkbrink, veel bijzonders had je hier niet. Ik een kostuum uitgezocht. Maar er moest iets aan veranderd worden. Ik kreeg bericht dat het kostuum klaar was en ik kon het opkomen halen.  Ze hadden het finaal verpest. De mouwen zaten er achterstevoren in! Dus ik accepteerde het niet! Maar ja mijn textielpunten zaten er wel in. Je kon ook niet naar een ander gaan. Toen heb ik nog een half jaar in mijn militaire kloffie rondgelopen.
Met welke boot ik naar Engeland ben gegaan dat weet ik niet meer, het was een Engelse boot. Maar van Engeland naar Indië, met de Boissevain. En dan zat ik zogenaamd in het Amsterdams bataljon hè. Heel 2-7RI. Er zaten al 440 mariniers op. Die zaten beneden in het ruim.
We zaten op een ogenblik met zijn drieën daar. Dus met 3 personen uit één familie in Indië. Kees mijn oudste broer (10 jaar ouder), die zat bij de eerste compagnie van 2-7RI, maar die was eigenlijk te oud voor de velddienst, maar hij kon lekker koken en die hadden ze kok gemaakt. Ik zat bij de 4e compagnie. In hetzelfde bataljon ook. Frits, de jongste die zat bij de grenadiers(2-13). Die is sergeant carrierpeloton geworden. We kwamen niet alle drie tegelijk terug hoor.” 
“Goedemorgen,” klinkt het ineens in de kamer. Een verzorgster is de kamer binnengekomen en brengt de broodmaaltijd voor vanavond voor sobat Willem. “Wat u krijgt is een verrassing,” zegt ze. “Nou,” zegt sobat Willem, “dit hier is ook een verrassing,” wijzend op Joop en Marianne. “Ze zijn van de  veteranenorganisatie. Ze weten hier allemaal dat ik vandaag visite kreeg.” “Ik wist het niet,” antwoord de verzorgster. “U weet dus ook niet dat meneer veteraan is?” vraagt Joop. “Nee, dat weet ik ook niet”. “Dat is ook wat,” zegt Joop, “ze weten hier niet eens dat u Indiëveteraan bent.” zegt Joop iet wat ontstemd.“Weet je,” zegt sobat Willem, “ik ben er niet eens meer zo trots op tegenwoordig. Ik ben er geweest, ik ben blij dat ik het heb meegemaakt en er over mee kan praten maar om nou te zeggen voor volk en vaderland, dat niet hoor.” En dan is het etenstijd. Sobat Willem moet naar de huiskamer om daar te gaan eten. Wij gaan naar beneden om daar een kopje koffie te drinken met een broodje en spreken af om over een uurtje weer verder te gaan met het verhaal van sobat Willem. Zo gezegd, zo gedaan. En dan krijgt het hele verhaal een onaangename  verrassende ontknoping.
Na nog een tijd met sobat Willem gesproken te hebben na de maaltijd,  en wel juist over zijn belevenissen in Nederlands Indië, sluit Marianne het gesprek af en slaat dat op in haar dictafoon. En daar ging het mis! Deel 2 wordt opgeslagen als deel 1. Dus weg deel 2. Pas later, veel later komt deze fout aan het licht.  Gelegenheid om weer een bezoek te plannen bij sobat Willem is er dan niet meer. Sobat Willem overlijdt op 8 maart 2020. Ten nagedachtenis heeft de familie, ondanks de corona,  op de verjaardag van sobat Willem met zijn allen soep gegeten. Daar was hij zo gek op.  

 

 

 

Twee Zeeuwse krokodillenbroers. 9 maart 2018
 
 
We gaan naar Zeeland. In het dorp Scharendijke op Schouwen Duivenland worden we verwacht voor een bijzonder bezoek.  Niet vaak gebeurt het dat we deze richting op gaan. Zeeland, iedere provincie heeft zo zijn eigen charme. Zo ook Zeeland. We genieten van de verandering in het landschap. We gaan twee broers (Nico en Jacob) bezoeken die beiden naar Nederlands Indië gingen. Vanwege enige gezondheidsproblemen bij beide broers hebben zij tot hun grote teleurstelling hun eerste reünie bij ons niet kunnen bijwonen. Wij waren benieuwd naar deze broers en hun echtgenotes. Vandaar ons reisdoel Zeeland.  
 

 
Het wordt een gezellige drukte in het huisje van Nico en Neeltje van der Linde, want broer Jacob en Cato komen, net als wij, op de koffie af. Er wordt druk gepraat, we leggen bij  iedere broer een telefoon neer die het gesprek gaan opnemen. Zo kunnen we later ieders verhaal goed uitwerken. Maar eerst de koffie, het belangrijkste eerst”.  “Mogen wij straks ook iets zeggen”,vraagt Neeltje “en anders gaan wij wel in de keuken zitten”, grapt schoonzus Cato.   “Jullie blijven er fijn bij hoor”, zegt Marianne, “als het uit de hand loopt, grijpen we gewoon in. Eerst kakelen we nog even lekker door!”  
 
Als de koffie op tafel staat, is dat het sein om te beginnen. “Nu komen we dus voor jullie verhaal dat komt in het boekje. Dus begin maar….!”  
“We zijn alle twee als vrijwilliger naar Indië gegaan”, begint Jacob. “We hebben in het zelfde bataljon gezeten,  1-5RI van de V-brigade. Onze luitenant kolonel was Meyer. Onze laatste commandant van het bataljon was luitenant-kolonel Beaumont uit Limburg”.
“Jacob zat eerst bij de 1e compagnie en zat ik in de bataljonsstaf,” vertelt Nico. Jacob biecht op:”Ik heb gesmokkeld, ik was 16 jaar! Eigenlijk mocht ik niet in dienst op die leeftijd. De burgemeester heeft voor mij getekend, en de brandweercommandant Everzwijn  heeft  ook getekend.  ‘Hoe vonden uw ouders dat?”vraagt Marianne. “Nou eh, mijn moeder is maart 1945 overleden.” vertelt Jacob. “Ze was 45 jaar. Mijn vader is overleden in 1947. Toen zat ik in Indië en hij, Nico, was toen onderweg naar huis.”
“Dat klopt, bevestigd Nico, “ik was teruggeroepen omdat ik voor het gezin moest zorgen. “ “Als kostwinner”, gaat Jacob weer verder.  “We waren met  7 kinderen in het gezin, 4 jongens, drie meisjes.  Allemaal nog in leven. Nico is de oudste.  We zijn beiden in Scharendijke geboren en gebleven. “Nee toch niet, want 1944 zijn we geëvacueerd,” verteld Jacob. “Naar Breukelen,”vult  Nico aan. “Eerst zijn we tot Anna Jacoba met de tram gereden, toen reed de tram hier nog. Dat was van RTM. Vervolgens zijn we in Zijpe op de boot gestapt en naar Dort gegaan. Daar zijn we twee, drie dagen geweest, hé”, vragend kijkt hij naar broer Nico.  “Dat weet ik niet, want toen was ik er niet.”
“Waar was u dan?” vraagt Marianne. “Ik was in Den Helder. Waarom ik daar was? Ik deed daar van alles eigenlijk,” lacht Nico. “Hij zat bij de ondergrondse,” helpt Neeltje haar man mee aan het verhaal.
 “Hoe kwam u van hier in Den Helder terecht?” “Ja dat was zo, er was een aannemer hier en  daar kon ik bij terecht. Die werkte voor de organisatie TOP was dat toen. Daar ben ik bij gegaan, want ik dacht dan zit ik goed, dan kan ik van alles nog regelen. Zo ben ik er ook  verder ingerold.  In Breukelen ben ik ook nog geweest. Daar heb ik voor de schoolmeester nog ‘de Stille Waarheid’ getikt en rondgebracht.  Een ondergronds krantje.”
 “In ieder geval”, gaat Jacob verder, “toen zijn we bij een oom en tante terecht gekomen in Den Haag. Scheveningen eigenlijk. Daar hebben we een maand gezeten. Toen konden we een zomerhuisje krijgen van een ver familielid in Breukelen. In dat zomerhuisje hebben we gezeten tot aan het einde van de oorlog.” Joop vraagt waarom de familie weg moest uit Scharendijke. “Nou, hier was alles onder water gezet.” beamen Nico, maar ook Neeltje en Cato. “Door de Duitsers. Het water was niet zo hoog als toen hier met de watersnoodramp. Het was zo hoog dat er geen parachutisten neer konden komen. Overal palen met mijnen eraan.” 
 “Ik vind het zo geweldig wat jullie hebben gedaan. Je hebt eerst hier de oorlog meegemaakt en jullie ook de evacuatie, dan ben je vrij en dan meldt je je aan als vrijwilliger,” gaat Joop door. “Ja, want wij vonden, die mensen in Indië moeten ook vrij zijn”, vertelt Nico. “Daarom zijn we daar naar toe gegaan. We gingen als bescherming voor de burgerbevolking. Zo was het eigenlijk”.
Joop heeft de zelfgebakken koek van Neeltje op en valt in: “Voor we verder gaan, u bent hier geboren, u allebei. Hier naar school gegaan. De school afgemaakt?“ Alle vragen worden met ja beantwoord. “Later ging ik naar Zierikzee,” verteld Nico, “daar lag de MULO. Jacob niet, maar ik wel. Hij was jonger natuurlijk.“ “Ik was net van de lagere school hier af”, vult Jacob aan. “Toen moesten we hier verdwijnen. We kwamen in Breukelen, daar was ik bevriend met iemand”, vertelt Jacob. “Zijn zus zat in Driebergen, die zat ook bij de ondergrondse, dus de binnenlandse strijdkrachten. Daar kwamen al die NSB-ers die werden opgepakt in Driebergen en in Zeist  in twee van die barakken te zitten.
Dat was eigenlijk bij een villa, daar hadden de Duitsers al in gezeten, dat hebben wij later overgenomen. Aan de ene kant de vrouwen en aan de andere kant de mannen. Er was overal prikkeldraad rond. Daar zijn wij samen eigenlijk begonnen met onze diensttijd. Die NSB-ers moesten werken. Al die villa’s waar die Duitsers in gezeten hadden, dat was natuurlijk een puinhoop. Ze moesten dat allemaal opruimen en schoonmaken. En er waren daar veel villa’s in de omgeving van Zeist en Driebergen dus er was eigenlijk veel werk voor die NSB-ers. Toen liepen we al bewapend. Je had een sten.”
“Moet je terugdenken in deze tijd dat je op zo’n jonge leeftijd al een wapen hebt en al mensen moet bewaken,” merkt Joop op. “En met de opdracht dat als ze de benen nemen, je moet schieten.”  “Ja, ja”, beamen beide broers. “En dat had je ook gedaan hoor natuurlijk”, vertelt Jacob, ”want toen was het toch nog in die tijd dat je wat tegen die NSB-ers had. Die rotzakken, zei je toen.  Toen we naar Indië gingen was dat heel anders. Toen zei je dat niet meer.” “Ik denk dat we een paar maanden op Sparrenheide hebben gezeten,” pakt Jacob het gesprek weer op. ”Toen zijn we naar Amersfoort gegaan.  Naar de Prins Bernhardkazerne. In oktober zijn we daar weggegaan,” rekent Nico voor.  “we zijn met de trein van Amersfoort naar Zwolle gegaan. We hebben in Wezep, dat is vlak bij Zwolle, in de Prins Willemkazerne gelegen. Het is nou de kazerne van de marechaussee.”Jacob gaat weer verder. “In Amersfoort hebben we ons aangemeld als oorlogsvrijwilliger.  Dus niet in Den Helder. Toen nog niet, nee.”  Nico vertelt waarom. “ Ik was de laatste maanden van de oorlog thuis ondergedoken.  Ik sliep overal. Je was gewoon een stuk wild hè.  De Duitsers aasden op jonge jongens, en wij waren net in die leeftijd.”
“Ik weet wel, het  was in het laatst van de oorlog. Toen zaten we in Breukelen,” gaat Jacob verder. “Er waren er van de ondergrondse die gooiden bomen over de weg, zodat de Duitsers er niet meer door konden. Dat was verschrikkelijk, want die Duitsers namen dan gijzelaars en  die werden ook doodschoten. Toen moest er een bewaking komen van Hollanders. Dus mijn vader, die was toen ongeveer 45 jaar, moest wachtlopen en dat heb ik overgenomen van mijn vader. Mijn vader was toen ook niet meer helemaal precies gezond.”
 “Mijn vader was in de levensmiddelen,” zegt Nico. “Hij was kruidenier. Hij ging de huizen af met de auto.  Toen hadden we al een auto!  Eerst heeft vader nog een kar gehad met een hit (paard), later dus de auto.
We hielpen vader mee. Dat moest. Dat werd je al vroeg gezegd. Ik moest bijvoorbeeld met de sinaasappels mee rond. Ik kreeg een kruiwagen. Die kruiwagen was wel leuk, maar die kruiwagen moest wel worden  gebruikt om een kist met sinaasappelen op te zetten.”
“Maar ja,” gaat Jacob verder, “je ging toen ook nog naar de school natuurlijk. Eerst school en dan het werk. Je kreeg zo wel een stuk verantwoordelijkheid.”
“In Amersfoort kregen we de opleiding,  allemaal jongens uit de omgeving”, start Nico.“ Er waren jongens uit Spakenburg, uit Amersfoort, Zeist, Driebergen, en dan hadden we de kersenplukkers,” somt dan verder Jacob op. “Die kwamen uit de Betuwe, Tiel, Culemburg.” “Noemden jullie die de kersenplukkers”, vraagt Joop. “Ja, en dat zijn ze altijd gebleven”, verduidelijkt Jacob. “Dat was een compagnie  apart.  Wij hadden natuurlijk 4 compagnieën. Er waren er te kort, want we moesten 800 man hebben. Toen hebben ze uit de binnenlandse Strijdkrachten vanuit Culemborg en Tiel, dus de kersenplukkers, die omgeving, toegevoegd aan ons”.  “Die jongens werden later de klapperbomen ingestuurd, want die konden toch al lekker plukken,” merkt Marianne praktisch op.
 
“We hebben een paar maanden opleiding gehad in Amersfoort.  De rest kregen we in Engeland, East Hempstead”, vertelt Nico en Jacob vult aan: ”Vlakbij Londen is dat.”  “We zaten daar in allemaal van die nissenhutten” , weet Nico te vertellen. “Daar vandaan zijn we dus met Johan van Oldenbarnevelt naar Ipoh, op Malakka gegaan. Want toen mochten we Nederlands Indië nog niet in.”
Beide broers antwoorden ontkennend als Marianne vraagt of ze zeeziek zijn geweest.“We hebben toch wel storm gehad hoor”, zegt Nico trots. “In de golf van Biskaje.”  “Jullie zaten dus allebei op de Johan van Oldenbarnevelt,” vervolgt  Joop het gesprek. “Jullie gingen allebei tegelijk naar Malakka en  kregen jullie tropenopleiding.”Ja dat klopt,” bevestigen beiden broers. Nico vult aan, “daar hebben we een maand of twee drie gezeten. Camp Ipoh.”  “In tenten,” weet Marianne. “Ja, dat klopt, dat waren allemaal tenten met stretchers. Ik was chauffeur,” zegt Nico.” Bij de bataljonscommandant.  De stafcompagnie.”
 
 “En ik was bij de infanterie,” meldt Jacob. “Maar ik ben later ook chauffeur geworden. Niet bij de stafcompagnie, maar bij de 1e compagnie. Daar waren drie auto’s bij. Op één van die auto’s was ik dus chauffeur. Daar kon je dan mee op patrouille. Dan nam ik de jongens mee en zette ze af. Dan stond je zelf zo bij je auto dat die niet gestolen of in de brand gestoken werd. Daar stond je dan alleen bij! Uiteindelijk was dat ook gevaarlijk. Ik heb de tweede politionele actie meegemaakt,” vertelt Jacob verder. “Hij niet,” wijzend op Nico, “hij mocht naar huis omdat vader zo ziek was en gestorven is. Ik ben 3 juli teruggekomen en 12 juli werd ik 20!“ “En dan had u al een heel oorlogsleven achter de rug,”  zegt Joop. “Ja we hebben ontzettend veel meegemaakt,” beaamd Nico. 
“In maart 1946 mochten we Indië in”, weet Nico  en  Jacob vertelt: “In Priok. De haven van Priok kwamen we aan en toen zijn we naar Batavia gegaan. Daar hebben we zeker nog twee weken gelegen, is het niet Nico?” “Ja, twee weken zeker wel,” knikt Nico “en toen zijn we naar Bandung gegaan.” Jacob neemt het weer over: “Toen zijn we met het vliegtuig vanuit Kemarojan  Batavia naar Andir in Bandung overgevlogen, we konden nog niet over de weg want die was bezet door die ploppers.”                                 
“We zijn geland in Andir in Bandung,” vertelt Jacob weer door, “en zijn we een kilometer of tien terug gegaan naar Tjimahi en daar hebben we in een kampement gezeten. Later zijn we van Tjimahi vandaan naar Bandung gegaan en daar werd dat hele bataljon verdeeld. Dus allemaal de kanten van de rimboe uit. Daar moesten we dan wachtlopen.“ ”We zaten door de hele stad heen,” brengt Nico nog in. Jacob somt verder op: “De stafcompagnie zat midden in Bandung en wij zaten, dat zal ik nooit vergeten, in een Hollandse broodfabriek! Valkennet was dat! Daar hebben we zeker wel een paar maanden met het peloton gezeten. We hebben niet bij elkaar gezeten, maar we zagen elkaar toch zeker één keer in de week of twee weken.“
 “Toen jullie hier uit Nederland vertrokken,”vraagt Joop, “hadden jullie toen al verkering?
  “Mijn eerste vrouw is gestorven,” zegt Nico. “Die kende ik ook niet voor ik wegging.”“Ik kende mijn vrouw wel,” zegt Jacob. “Toen u terug ging,” Joop wendt zich naar Nico, “kwam u hier aan met de boot.’” ”Ja, ik kwam hier  met de Kota Inten aan . Ik was ongeveer bij Italië toen vertelden ze mij dat mijn vader gestorven was.
Ik kwam aan in Rotterdam. Daar moest ik wachten tot er een bus was en met die bus werden we allemaal weggebracht. Toen kwam ik  in Zijpe aan.  Ik heb toen met een conducteur van de RTM gesproken en die zei ik breng je wel weg. Hij reed tot Brouwershaven en daar ging die de remise in. Maar toen kwamen we in Brouwershaven aan en toen zei die conducteur: we brengen je wel even door hoor!  En dat deed die ook. Ik kwam midden in de nacht thuis. Het was doodstil. Ik heb toen geklopt en toen was ik thuis. Ja. In de droefenis. Geen slingers, geen versiering, nee heel gewoon. Samen met mijn zus had ik toen de verantwoording voor het hele gezin. Ik ben toen de winkel weer gaan proberen te starten. Want daar was ook niks van over. Ik ben de winkel blijven doen, want je moest toch eten. Het was echt heel moeilijk. Maar ik ben in de levensmiddelenhandel gebleven. Tot aan 1957. Ik heb nog een tijd voor de verzorging gezorgd bij de Deltawerken. Daar heb ik ook nog voor gewerkt.  De boodschappen leveren. Dat was een goede klant. Een vast klant.”“En wat deed u ondertussen,” vraagt Marianne aan sobat Jacob. “Ik zat nog in Indië.” “Wanneer bent u terug gekomen?” “In 1948 met de Kota Baroe. “
“Dus u ging de levensmiddelen in,” richt Joop zich tot Nico. “En u kwam terug en werd boer!” zich tot Jacob wendend. “Ja,” zegt de eerste, “neen,” zegt de tweede. “Ik heb eerst een  melkbedrijf gehad. Dat heb ik een jaar of drie gedaan. Toen hebben we de ramp gekregen! Alles onder het water! Toen ben ik hier op Scharendijke gebleven, hij ook,” wijzend op Nico.  Dat is een gedeelte wat veel heel hoger ligt,  de dorpskern, daar konden wij dan nog overnachten.
Ja en zo zijn we de tijd doorgegaan.  Alles kwijtgeraakt. Alles. Het huis van ons stond lager en het water heeft tot aan de zolder gestaan, zelfs tot op de zolder. We hadden veel nog wat hoger gezet, maar dat mocht niet baten.  Dan die grote schuurdeuren die los raakten en gingen drijven op de deining van de golven. Die botsten ook tegen de huizen aan en daar is ook veel door kapot gegaan, want dat bleef maar doorhameren natuurlijk en op den duur ging er een muur uit en dan viel alles in elkander,” vertelt Jacob. “Want het was niet eens zo door het water dat alles kapot ging, maar alles wat er ronddobberde en door de wind tegen de muren beukte.” “Als alles dan weer gaat drogen, mensen, wat stinkt dat” weet Nico nog goed.
“Wat een hoop ingrijpende dingen hebben jullie meegemaakt,” stelt Marianne vast. “De oorlog, Nederlands Indie, ben je net alles een beetje aan het opbouwen, dan de watersnoodramp er nog even over heen.  ’t Is heel wat te verwerken en iedere keer weer opnieuw opwerken.“Iedereen is even stil in gedachten.
Maar dan komt Marianne met een leuke vraag. “Nu zijn we al een hele tijd aan het praten, maar wanneer kwamen nu die vrouwen in beeld?”
“Och ,”  zegt Jacob nuchter,  “die vonk was al lang overgesprongen.” “Ja, bij jou misschien maar bij mij niet,” mengt nu Neeltje zich lachend in het gesprek.  Cato vertelt:”Ik was met zijn zus vriendin en dan gingen wij lopen  langs de duinen en zo.  Ik kende hem eigenlijk al. We zijn op 13 november 2017  60 jaar getrouwd geweest. Spontaan komen de felicitaties van Joop en Marianne.
“Ja, dat weet ik nog toen jullie trouwden,” weet Neeltje nog te vertellen. “Want toen hadden jullie de winkel nog en moest er op die ene dag getrouwd worden, want dan was de winkel ’s middags dicht. Ja dat weet ik nog goed. Klopt hè Jacob?” “Ja zeker! “Daar hebben wij geen rekening meegehouden,” laat Nico weer van zich horen. “Nee, wij hebben elkaar leren kennen in de orgelbank in de kerk. Ik bespeelde het orgel en zij was de leidster van de zondagsschool. Nou en zo is het gekomen. Op het orgelbankje! Ik kende hem ook wel, maar het ‘echte’ begon op het orgelbankje in de kerk. “Aha hij sloeg de juiste noot aan”, constateert Marianne!
Zo na deze vrolijke onderbreking komt  weer een belangrijke vraag. “Wat is u het meest bijgebleven van uw tijd in Indië? Welke gebeurtenis vergeet  u nooit meer?” Jacob neemt als eerste het woord. “Dat het een heel mooi land is!” ”Dat ook!”beaamt Nico. “En de bevolking was ook wel goed maar je had er natuurlijk verschillende partijen en dat is verkeerd gegaan eigenlijk. Dat neem ik Soekarno kwalijk, dat  het uiteindelijk resulteerde dat het geen Nederlandse kolonie meer werd.” Nico zegt, “Het was wel dat toen wij er waren er de rust hersteld was. Dat mag ook wel gezegd worden. De bevolking was blij met ons dat wij de rust weer terugbrachten. Het is geen onbegrijpelijk iets dat de opstandelingen ons niet moesten. De bevolking was blij dat wij er tegenin gingen. Ergens was er natuurlijk beloofd dat  Indonesië vrij zou worden. Dat heeft Wilhelmina al beloofd. Zo voordat wij werden gestuurd. Maar het ging niet snel genoeg. We hebben ook veel goeds gedaan daar. De bevolking geholpen met de sawa’s weer opbouwen, medische zorg, kleding, noem maar op. Maar dat wordt nooit verteld. Het is gewoon een bespotting dat er nu weer alleen maar het negatieve weer opgehaald wordt. Het is trappen achteraf!
“En dan de Jappen die er ook nog waren,” vult Jacob weer aan. “In de rimboe waar ik zat, dat was aan de buitenkant daar waren de Jappen niets eens geëvacueerd naar Japan toe. Er zat nog een heel bataljon.  Dat was net even voorbij Bandung. Die Jappen hadden gewoon hun geweer nog en krissen, de klewangs  en de hele handel.  Dat hadden ze nog allemaal en ze stonden ook gewoon nog op wacht bij hun verblijven dat niemand in dat appartement kon komen. Dat waren allemaal bunkers .Later zijn ze dan naar Japan gegaan, maar er zijn ook nog weer die zijn achtergebleven. Die Jappen hebben ook een gemeen spelletje gespeeld  tegen de Hollanders al.“
Nico gaat er nog verder op in. “Als je toch ziet dat als je gevangenen nam, dan moest je die overgeven aan de Engelsen. En die Engelsen gaven ze weer terug aan die rampokkers.”
Niet op sensatie belust, maar puur uit interesse vraagt Joop: “Wat is nu het ergste wat jullie hebben meegemaakt. U hoeft niet te antwoorden, maar het mag wel.”Nico schraapt zijn keel en zegt:”nou dat is dan dat met Arie Verkroost, die toen verongelukt is. Dat was ook erg.” “Ja, stemt Jacob in. “Het was ook voor ons heftig. Er zijn er zo’n 35 gesneuveld van ons en nog veel meer gewonden natuurlijk.  Als er dan vrienden van je sneuvelen, dat is erg. Daar denk je nu ook nog wel eens aan terug. Die waren toch ook jong uiteindelijk. “ “Ja, gaat Nico nu verder, “het waren ook maar jongens. Die blijven in je gedachten, jonge jongens.”
“Toen jullie weer naar huis gingen, hebben jullie dan nog een speciaal afscheid gehad op het erekerkhof,” vraagt Marianne. “Nee, dat hebben wij niet gehad,” volgens Jacob. “Nee, want dat was net in die tijd dat we die politionele actie hadden.” “We gingen van het ene eind naar het andere eind toe. Toen was het al de opzet dat wij naar huis zouden gaan. Dat was in juli ’48 of zoiets geloof ik. We gingen naar Semarang toe en daar zouden we op de boot stappen. Dus toen zijn we niet meer terug geweest in Bandung waar veel van onze jongens lagen.  En in Poerwokerto en in Banjomas, die konden we nog wel. Daar zijn we nog wel wezen kijken voordat we weggingen. “
 “Ons bataljon is vanuit Semarang vertrokken. Met van die kleine bootjes werden we naar de grote boot, de Kota Baroe, gebracht. Ik heb ook in Meester Cornelis gezeten,” vertelt Nico.
 “Ik ben vanaf Priok vertrokken,”zegt Jacob. “Een hele grote haven. Of dat er een muziekkapel was? Ja, ik dacht het wel, een militaire kapel.  Nico was toen al thuis. Toen ik thuiskwam, arriveerde ik ook in Rotterdam,  daar werden we best wel hartelijk ontvangen. Er was ook nog een minister, ik weet niet meer wie het was. We werden wel goed verzorgd hoor toen we terugkwamen.” “Dan heeft u geluk gehad, want er waren jongens die niet zo’n mooie ontvangst hebben gehad. Afscheept met een sinasappel  en dat was het.”
Ondertussen bladert Nico nog door het herinneringsboek wat hij had gepakt om de namen van de gesneuvelden te laten zien. “Dat boek is meer dan één keer opgeslagen,” merkt Joop op. “Inderdaad, dat is veelvuldig opengeslagen hoor,” zegt Nico. “Kijk ons embleem, de krokodil. Wij waren het krokodillenbataljon.  Hebben jullie wel eens meer gehoord van jongens van 1-5RI of niet,” vraagt Nico hoopvol.  “Jullie waren de enige twee die zich hadden aangemeld voor de reünie. Het valt niet mee om nog maatjes te vinden. Met al ons respect, maar jullie behoren tot het uitstervend ras.” Moet Marianne hen vertellen.
“Het was een vrijwilligersbataljon  en daar zaten jongens in van allerlei leeftijden. Ik denk dat één van de oudsten al vijfendertig was. Die kwam met anderen vanuit de Binnenlandse Strijdkrachten. Ik was  één van de jongste”, meent Jacob te weten .“Het was een rommeltjeszooitje van allerlei leeftijden,”gooit Nico er nog bovenop. “Je kreeg de dienstplicht in 1946. Toen kwam er wat regelmaat in, maar niet bij de vrijwilligers hoor.”
“En wanneer bent u gegaan?” vraagt Cato aan Joop. “Ik ben in ’61-62 in N.N.G. geweest” antwoordt hij en Marianne gooit er tussendoor:”Ik ben gewoon thuisgebleven.” “Jij mocht niet mee, je was nog te klein,” ketst Jacob meteen terug.
“Is één van jullie nog teruggeweest naar Indonesië?” “Nee, ik niet,” zegt Nico, “de kinders waren klein en we hadden de winkel en dan kun je niet weg.” Jacob zag het nut er niet van in.  “Alles is veranderd. Niets meer hetzelfde.  Het enige wat ik zie als ik beelden zie op TV van Indonesië is dat het nog steeds een chaos is met het verkeer.” “Dat was bij ons vanmorgen in Hoogvliet ook al. File! ”merkt Joop op.
“De kameraadschap, hoe was het daarmee?”wil Marianne nog weten.  “Oh die was enorm,” vertelt Nico. “Ja, die was goed,” stemt Jacob in. “Ja je kon echt elkander vertrouwen,” aldus Nico.”Ze lieten je nooit vallen. Je vertrouwde elkaar je leven toe. Maar ook later nog hoor.” “Ja, dat zag en zie ik ook nog steeds bij de herdenking in Roermond. Jullie hoeven alleen maar naar elkaar te kijken. Jullie weten wat jullie hebben meegemaakt. Wat jullie bindt. Dat voel je gewoon als je daar tussen loopt”. vertelt Marianne.  
“Dan maak ik nog een paar foto’s van deze twee kameraden met echtgenotes”, zegt Joop. Het wordt een dolle boel. Alleen maar lachende gezichten en kwinkslagen die over en weer gaan.  “Nou, het is zo een reünie apart hè,” vindt Jacob.“We vinden het ontzettend leuk dat jullie zo bij ons thuiskomen. Erg leuk zelfs en we waarderen dat jullie dit allemaal doen,” vult Nico aan. De beide dames zijn eenstemmig het er mee eens.  “Zeg nu we het over einde hebben, vinden  jullie het goed nu nog even mee naar ons te gaan?” vraagt Jacob. “Gaan we bij ons een borreltje doen en even kijken.” Die uitnodiging hebben we aangenomen en rijkelijk voorzien van het (alcoholvrij) borreltje en lekkers wat er dan bij komt en nog meer mooie verhalen,  tuften we later na deze bijzondere, gastvrije ontmoeting op de dag terug naar het vast land en rijden zonder file Hoogvliet weer binnen.                                                          Door Marianne

 

 
 

 

Bas van Veen, 3-7RI, net niet op zijn achterhoofd gevallen

 
l
 
Sobat Bas vertelt op 26 februari 2016: “Ik heb een maand of wat geleden een ongeluk gehad. Ben gevallen met mijn kop tegen een hek aan. Er zat een hele deuk in. In mijn hoofd dus. Ik ben er nog niet helemaal vanaf, maar ja het gaat de goede kant op. Ik was boodschappen aan het doen. Ik had mijn auto geparkeerd en de boodschappen in de auto gelegd en ik ga zitten om terug te rijden naar huis en die auto die start niet! Ik stap uit en ik viel. Mijn hoofd en mijn arm helemaal in de vernieling. Toen lag ik in het ziekenhuis. Ik ken amper nog wat vastpakken. Op het ogenblik ben ik nog bezig met fysiotherapie. Ik ben de jongste niet meer dus het herstel duurt wat langer dan wanneer je achttien bent! Het ken nog wel effe duren. Ik ben er niet beter op geworden, maar ik ben er nog! Mijn zoon zou jullie een bericht hebben gestuurd. Dan zijn ze een beetje op hoogte van het gebeuren had ik gezegd.”
“Nee, er is helemaal geen bericht gekomen van uw zoon. Wat een tref dat we dan nu toch bij u op bezoek zijn,” zegt Marianne
“Maar met Piet Boukes is het slechter afgelopen,” merkt sobat Bas op. “Jammer ja, dat was een fijne kerel. We gingen regelmatig samen op pad.”(Ter verduidelijking:  Piet Boukes, 2-13RI, was degene die verscheidene keren op de reünie het gedicht had voorgedragen. Nu heeft Jaap Bragt die taak op zich genomen. Piet was ook een grote donateur. Zijn donaties vermeldden wij als zijnde van de flappentapper.
Ik ben door Piet (Boukes 2-13RI) bij jullie gekomen destijds,”zegt sobat Bas. “Die kon ik al heel vroeg. Die heeft zelfs nog bij mij gewerkt. Maar Piet was een jongen die kon niet lang bij één baas blijven. Hij ging van chauffeur bij een wasserij, werken bij de hoogovens.
Hij werkte daar op de kraan. Daarna is die weer bij ons gekomen en toch later weer weggegaan. En weer later terug in dienst gegaan. Als rijinstructeur dit keer.”
 
Peter Fonkert van de inlichtingendienst T-Brigade,  is uw baas geweest bij de liftenfabriek toch?””Ja, dat klopt. Hij is jarenlang mijn directeur geweest bij zijn liftenfabriek . En was,ik ken wel zeggen, één van mijn beste vrienden. We hebben nog steeds vaak contact via de computer. Hij ging altijd mee als we weer een nieuwe lift hadden geïnstalleerd. Dan werd dat gekeurd door het liftinstituut. En daar wilde hij altijd bij zijn. Ik was er altijd al bij omdat het werk onder mijn visie gemonteerd was. We maakten in grote ziekenhuizen overal liften, o.a. Haarlem en Amsterdam, overal eigenlijk in Nederland. Ik heb er 46 jaar gewerkt.”
 
We gaan ondertussen aan de koffie en hoewel mevrouw van Veen heel erg doof is, komt ze er  ook bij zitten en Marianne betrekt ook haar in het gesprek.  Wel geeft zij aan dat ze het verhaal van Bas al kent.
“Zullen we dan nu maar eens beginnen met ons vraaggesprek,” opperen zowel Joop en Marianne haast gelijktijdig.
 “Ik ben geboren in Haarlem,”start sobat Bas. “Daar ging ik ook naar school. In de Timorstraat. Na de lagere school brak de oorlog uit.
Toen ik 17 was werd ik opgepakt. Ik was de klos. Ik werd naar Oostenrijk verplaatst. Arbeitzeinsatz. Ik werd bij de Lufthansa te werk gesteld. Op een vliegveld.” “Had u toen al op een ambachtsschool gezeten,” vraagt Joop.  Nee, ik ben gewoon overal bezig geweest, ook bij die liftenfirma van Peter Fonkert, maar die maakten toen nog geen liften. Die maakten alleen maar kolenbrekers.” “Kolenbrekers?” “Ja, kolenbrekers. Ze lieten grote stukken kolen uit Rusland komen en die werden daar in de machine gebroken tot kleine kolen. Ze maakten die machines daar. Van daar uit ben ik dus naar Oostenrijk weggevoerd. Nog geen 18 jaar! Eenmaal weer teruggekomen in Nederland ben ik weer bij de kolenbrekers firma terechtgekomen, maar die maakten toen inmiddels liften. Ze lieten liften komen uit Oostenrijk, uit Wenen, en die werden door ons dan gemonteerd op verschillende plekken.
Fonkert was de liftenman die eigenlijk later gekomen is toen die uit Indië kwam. De Firma Mӧhringer. Peter was de zoon van de baas en werd meteen directeur.”
“Toch wil ik weer heel even terug in de tijd,” springt Marianne in het gesprek.“Hoe zat dat? U was tewerkgesteld in Oostenrijk. En dan opeens ben je vrij. Hoe ging dat ?”
Bas: “Je bent niet vrij, we zaten daar op het vliegveld en toen kwamen de Russische soldaten die waren overal al heengegaan. Zelf zat ik in een Lufthansa- schuilkelder. Daar werd ik uitgehaald en op de trein gezet.  Richting Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Rusland gebracht. Toen heb ik drie maanden gezeten in Rusland. Aan de Oostzee. Daar hebben we in een of ander appartement gezeten.”
“Op een gegeven moment is daar een schip met Russische krijgsgevangen vanuit Frankrijk in Rusland aangekomen en toen mochten wij in die boot terug naar Frankrijk. We kwamen aan in Marseille. Toen we in Europa kwamen zijn we met de trein en met busjes naar Nederland verhuisd.
“Wist uw familie dat u in Oostenrijk was?” vraagt Marianne bezorgd. 
“Ja, ik mocht wel schrijven. Later kregen ze ook bericht dat ik in Rusland zat. Mijn broer die zat in Berlijn. Die is tamelijk snel naar Nederland gevlucht. Hij heeft wel een paar bombardementen daar meegemaakt. Ja, dat was een moeilijke tijd.”
 
“U had dus een oudere broer. Waren er nog meer kinderen in het gezin?”“We waren thuis met zijn vijven. Twee jongens en drie meiden.”
“Wat zullen uw ouders blij geweest zijn toen jullie beiden weer thuiskwamen. Weet u nog hoe het was toen u thuiskwam?” vraagt Marianne.“Ja! Nee er was geen feest. Er was niks, we hadden niks. Wel blijdschap.”
“Wat hebben ze een hoop meegemaakt hè,” merkt Marianne op tegen mevrouw van Veen.“Kende u hem toen al?” vraagt Joop. “Toen die naar Oostenrijk moest, niet,” antwoordt zij. “Ik heb Bas leren kennen toen hij weer terug was. We trouwden en woonden boven zijn werk. Daar kregen we een zolder die we mochten verbouwen en beneden had ik de keuken. Daar waren allemaal tekenkamers van het bedrijf. We woonden eigenlijk twee hoog. Daar is ook onze zoon geboren.”
“Toen u terugkwam vanuit Frankrijk kon u meteen weer aan het werk?”“Ja, er was volop werk. Later ben ik nog liftinspecteur geworden. Ging ik alle werken af die ze hadden in heel Nederland. Controleren.”
“Heeft u nog avondschool gevolgd later of leerde u alles in praktijk,” vraagt Joop.“Nee, gewoon in de praktijk hoor. Mijn baas was mijn leraar. Ik heb dat werk 46 jaar gedaan.”
“U was weer aan het werk, maar hoe kwam u dan Indië,” vraagt Joop.
Bas lacht en zegt: “Komen ze je halen!” “U was dienstplichtig?” vraagt Marianne. “Ja, ik moest mij melden in Den Bosch. De Isabellakazerne.
 
Daar kwam heel 3-7RI op. Op 15 oktober 1946 vanuit Den Bosch naar de boot in Rotterdam. De naam weet ik niet meer. (de Kota Baroe red.) “Uit wat voor mensen bestond 3-7 RI, allemaal uit de buurt van Haarlem?” vraagt Joop. “Nee, uit het hele land”antwoordt Bas. “Overal kwamen ze vandaan. Het was dus eigenlijk een bij elkaar geraapt zooitje.
Ik werd opgeleid voor gewoon soldaat en later werd ik ordonnans, met de wagen brieven wegbrengen en zo. Ik heb drie jaar in een Mercedes gereden voor Möhringen. Een mooie diesel.  Maar dat was nog voor ik naar Indië ging.” “Hoe kwam u aan dat rijbewijs?” vraagt Joop.“Oh dat had ik al in Haarlem.”zegt sobat Bas optimistisch.
Marianne draait zich naar mevrouw van Veen en vraagt: “U kenden elkaar toen Bas naar Indië  ging. U hebt netjes op hem gewacht tot hij weer thuiskwam. Hebt u dan wel het zilveren roosje gekregen van defensie?” “Ja, die heb ik!” “Goed gedaan, zegt Marianne, anders had ik hem voor u aangevraagd. U heeft daar dan recht op. Goed geregeld hoor sobat Bas!”
Joop neemt het gesprek weer over. “Toen ging u naar Indië! Verplicht. Ook drie jaar, vond u het leuk?” “Nee! Weer drie jaar weg. Eerst dachten we twee jaar maar het werden er drie,”zegt sobat Bas.  
 “Hoe het daar was? Ja, leuk en niet leuk. Het was soldatenleven. We kwamen op 22 november 1946 aan in Semarang. Bij de haven en dan met auto’s naar de kazerne. In Beneden Tjandi. Vlak bij ons zaten ook
2-13 RI en 2-7RI. Dat waren vrijwilligers, die zaten er al eerder.
Beide politionele acties heb ik meegemaakt. Ik was dus ordonnans met de auto en had alle rijbewijzen. Ik ging van de hoofdpost naar de buitenposten met berichten voor de commandanten daar.”
“Hoe ging dat dan, had u bescherming bij u of ging u alleen?” “Nee, er ging één brenschutter mee. Maar dat stelde niks voor. We namen geen risico’s. We gingen altijd een beetje om de demarcatielijn heen.”
Of ik nog in gevaarlijke situaties ben gekomen,” herhaalt Bas de vraag van Joop. “Ja, en ellende meegemaakt. Maar ja, dat hadden we allemaal. Het land zelf vond ik fantastisch. Ik ben later nog teruggegaan.” zegt Bas weemoedig. “Met de bevolking was het contact heel goed, toen en nu. We zaten in de kazerne in Semarang. Later gingen we naar boven, de Gombel op. Daar was ook een kazerne.” “Bedoelt u Hoog Tjandi”, vraagt Marianne.“Ja,inderdaad Hoog Tjandi.” “Daar zat ook het St.Elisabethziekenhuis,”vult Marianne nog aan. “Juistum! Ja, ook dat klopt! Ja, ja, ze weet het wel hoor”, zegt Bas tegen zijn vrouw, die glimlachend alles aan zit te horen.“Er liepen nog nonnetjes als verpleegsters. Zelf heb ik niet in het ziekenhuis gelegen.”
Marianne vraagt weer ijverig door om meer info te krijgen. “3-7RI, heeft u met jongens daarvan nog contact gehouden?” “Nee, dat is helemaal over met die club. Het was een losse bedoeling. Ze kwamen overal vandaan. Het was geen hechte club. De reünies waren ook niet te vergelijken met die van jullie. Ik ben wel bij reünies van 3-7RI geweest. Heel dikwijls, maar het was niks. Helemaal niet meer nadat we bij jullie geweest waren! Echt waar!” zegt sobat Bas enthousiast. 
“Iedereen organiseert op zijn of haar manier,” zegt Marianne, “wij doen het zoals we het nu vele jaren doen. Daarvoor waren de reünies ook niet zo uitgebreid als nu hoor. Maar toen was ik ook nog geen voorzitter, alleen secretaris. Wij gaan voor het familiegevoel. Een familiereünie. Niet alleen de veteraan. “
“Toen u terug ging naar Nederland had u toen verdriet?” vraagt Joop, “
“Nee! Ik was  blij en ook gek omdat ik terugging! Maar ik ging ook terug naar mijn meisje. Een jaar na thuiskomst ben ik getrouwd.” 
 
Marianne vraagt aan mevrouw van Veen hoe zij het vond toen Bas weer thuiskwam.“Nou, ja feest! Hij heeft mij in de maling genomen. Ik was helemaal in de gloriestemming, huis versiert, welkom thuisbord boven de deur en bij de deuropening gaan staan. En ja hoor daar zag ik de bus aankomen. En wie zit erin? Hij niet! En waar kwam die vandaan?
Van het hoekie van de straat! Het is een leuke grap, maar op dat moment niet hoor! Al die gasten in de bus lachen joh! En ik met tranen.”“Ahhh,” roept Marianne en zegt alsnog terechtwijzend “Lolbroek” tegen sobat Bas! “Tsja, met die grote bus door die kleine straatjes heen,” lacht Bas,” ik was al uitgestapt! Voor de bocht, want ik dacht die haalt de bocht niet.”
 
“Kreeg u cadeaus bij thuiskomst? Een hoop jongens kregen bij thuiskomst een fiets,” merkt Marianne op.“Oh ja, ik  kreeg een nieuwe fiets van haar!” weet Bas zich ineens weer te herinneren.“Hij hield helemaal niet van fietsen, maar dat wist ik toen nog niet. Maar hij moest van mij fietsen.” zegt mevrouw van Veen.
 
We zijn 1950 getrouwd. Onze zoon Bas is in 1952 geboren. Wij hebben 1 achterkleinkind, drie kleinkinderen, twee kinderen, zoon en dochter. We hebben alle soorten. We zijn klaar.”
“Het mooiste van mijn dienstijd? Toch ook de kameraadschap en de feesten van de Indonesische bevolking. De gamelan muziek. In het woud werd er een open ruimte gehakt. Daar werd een feest georganiseerd voor de militairen. Het was een mooi gezicht om die mensen zich uit te zien sloven voor ons,” zegt sobat Bas opgewekt. “Het Indische eten vond ik eerst niks. Onze koks waren in een paar maanden helemaal omgeturnd met het koken van het Indische eten. Nu lust ik het nog heel graag!”
“Vermoeien wij u niet te veel,” vraagt Joop.“Nee,” is meteen het antwoord van sobat Bas. Alsof hij bang is dat we al weggaan en vertelt rap verder. “Ik ben afgezwaaid als soldaat 1. Meer niet. We waren al blij dat we heelhuids naar huis konden.”
“In 1949 kwam ik weer terug in Nederland. In Rotterdam kwamen we aan. Dat was fantastisch om Nederland weer te zien. Als je eenmaal in de golf van Biskaje bent, dan kan het niet snel genoeg gaan. Ik ben niet zeeziek geweest. Op de heenweg ook niet. Hoe ik de aankomst in Rotterdam vond? Niks! Het was niks. We kregen een appel.“Een appel,” zegt Joop, “hoe durfden ze het! Ben je drie jaar voor je vaderland weg geweest en kom je  terug in Nederland en wat krijg je, een appel!”
“Als u terugkijkt op die diensttijd,” vraagt Joop, “bent u dan blij dan u geweest bent daar?” “Van de ene kant wel, maar aan de andere kant was het nutteloos. Nutteloos en zo verdrietig. Voor die mensen daar. Ook voor de jongens die daar zijn achtergebleven. Er zijn er heel veel achtergebleven. Wij hadden ook veel verliezen bij onze compagnie. Ik meen dat wij 48 man hebben verloren daar. En we waren helemaal geen vechtbataljon hoor. We waren een bewakingsbataljon, zogenaamd. Maar ja, het is geweest!”
 “Hoe vind u het om er zo met ons weer over te praten,” vraagt Joop.
“Ja, het is jammer dat die herinneringen niet meer zo goed terugkomen. Het is dat jij er ook hoop van weet,” wijst Bas naar Marianne, “en dan komt er weer een hoop van terug.” “U hebt er geen last van?” vraagt Joop.“Nee,” is het stellige antwoord. “Nee. Ik heb er met Piet Boukes wel eens over zitten praten. Die had het er moeilijker mee. Dan zei die, schei maar uit.”
“Heeft u een dagboek bijgehouden daar?” waagt Joop een nieuwe poging.“Nee en ergens heb ik daar wel spijt van,” bekent Bas. “Maar ja, het is geweest.
Bij mij blijven nog altijd de begrafenissen van collega’s die plaatsgevonden hebben waar ik zelf bij was. Present geven en zo weet je wel. Die herinneringen komen nog wel eens boven. Net wat ik zeg, er zijn er 48 van ons gesneuveld. Meestal werden de gesneuvelden in het St.Elisabethziekenhuis verzorgd.”
Marianne vertelt dat zij nog eens contact heeft gehad met de zuster daar die alle gesneuvelden van de Tijgerbrigade verzorgde en opbaarde. Jammer genoeg is het nooit tot een ontmoeting gekomen.
“Vanuit het St.Elisabethziekenhuis ging de stoet naar het Tillemaplein waar de erebegraafplaats was. Weet je dat Peter Fonkert op het Tillemaplein gewoond heeft?” vraagt Bas van Veen. “Ja, hij heeft daar met zijn eerste vrouw gewoond. Een Indische type, maar ze leek meer op een Nederlandse. Zij had een kind van een Japanner. Peter had zijn woning gelijk bij zijn kantoor. Peter was sergeant Majoor bij de inlichtingendienst.” 
“U komt terug uit Indonesië. U gaat weer terug aan het werk bij dezelfde baas en u bent daar tot uw pensioen bij gebleven?” “Ja, klopt. Ik ben mijn tijd aan mijn hobby gaan besteden. Kijk, die draadwerkstukken, die maak ik. En ik heb hele schepen nagemaakt. Boten waarmee ik o.a. naar Indië gevaren ben, de Kota Baroe.”
”Kijk,” zegt Marianne, “nu weet u ineens weer de naam van de boot!” “En de Kota Inten. Ik heb een stuk of zes modelboten gemaakt die naar Indië gingen. Varend met afstandbediening.  Ze zijn allemaal ergens anders terecht gekomen. Twee bij mijn zoon. Het was veel werk, maar mooi werk.
Onze kinderen zorgen heel goed voor ons. Onze dochter brengt ook eten voor ons mee.” Trots laat Bas een doos met ingevroren rundvlees zien.
Joop vraagt of hij wat foto’s mag maken. Geduldig poseren meneer en mevrouw van Veen. Joop maakt foto’s in kleur en zwart-wit. “Voor de belastingdienst!” “Maar Joop, we moeten nu echt verder naar Purmerend. Daar wacht een volgende veteraan op ons die ook graag zijn verhaal wilt vertellen,”zegt Marianne.“Ja, ja, we gaan.”
Uiteraard bedanken we uitgebreid sobat Bas en zijn vrouw voor de gastvrijheid en de gezelligheid.” Zullen we afspreken dat we elkaar zien met de reünie?”vraagt Marianne. “Afgesproken en dan win ik een koffiezetapparaat! Vast en zeker,” zegt sobat Bas resoluut. “En bedankt voor het gesprek. Ik heb weer een hoop herinneringen opgehaald vandaag. Dank je wel daarvoor.”                                                      
 
door Marianne

 

 

Een emotioneel bezoek aan Jan Tishauser,  1-2-7 RI.

 
.
Het is geen mooi vooruitzicht het komende bezoek aan Jan Tishauser, 1-2-7 RI, en dat wat wordt besproken. Maar wij komen niet alleen voor leuke bezoeken bij de sobats thuis. Jan Tishauser is ziek. We bespreken op 26 februari 2018 het ziektebeeld en de gang naar ziekenhuizen en onderzoeken.  “Hoe is het? Belazerd! Ben net herstellende van een tweede longontsteking. Maar het gaat nu wat beter. Penicillinekuur gehad. Maar ja die prostaatkanker. Het gaat zoals het is.” Jan spreekt in korte zinnen. We praten over zijn vrouw, die dementerend is en niet meer thuis woont. De kinderen. Drie, twee jongens en meisje.  Aan de muur hangt de foto van vier generaties Tishauser.    
 
“Mag ik een stukje terug gaan in de tijd?” vraagt Marianne. “Waar bent u geboren?”  “Ik ben in 1926 in Ouderkerk aan de Amstel geboren. Ik kom uit een doodarme familie. De crisisjaren natuurlijk. We zijn eerst naar Amsterdam verhuisd, wat nu die hippiebuurt is. Toen zijn we naar Oud Nieuwendam verhuisd. Een heel oud huisje. Daar moest je buitenom naar de plee toe. Emmertje water uit de regenwaterput mee om door te spoelen. En of het nou zomer of winter was, je moest buitenom naar de plee.  Steile trap naar boven toe. Op zolder daar sliep ik dan. IJskoud ’s winters, ijs op je deken, ’s zomers weer snikheet.  Mijn vader is begonnen als postbode. In Ouderkerk aan de Amstel en daarna in Duivendrecht. Later is hij klerk geworden. Lagere school heb ik afgemaakt. Toen was het oorlog. Ik ben naar de ambachtschool gegaan. Afdeling timmeren. Toen kreeg de je Februaristaking en ben ik zo langzamerhand afgezakt naar het rondbrengen van flyertjes. Illegale krantjes. Daar begon het mee en voor je het weet zit je er dik in het verzet. 
Je moest goed uitkijken.  Naast ons woonde de broer van mijn moeder, daar hebben we de regenwaterput leeggemaakt en daar zaten we wel eens ondergedoken. Aan het einde van de grote tuin die er nog bij was stond van de gemeente Amsterdam een GGD-huisje. Onze tuin die lag 1,5 meter lager. Hebben wij onder dat huisje een gat gegraven, mijn oom en ik, en daar sliepen we ook wel eens. Vroeger hadden we van die ingebouwde kasten in de kamer met aan beide kanten een deur. Bovenop hebben we een gat gezaagd. Daar stonden we soms dan in.
We waren altijd op ons hoede. Altijd achterom kijken. Je kon nooit wat!
De oorlogstijd heb ik niet alleen doorgebracht in Nieuwerdam, maar ook maanden weg, hier en daar ondergedoken bij een boer en zo. En dan jatte ik een kippetje. Oh sorry! Als het weer rustig in de buurt was, dan kon ik weer terug. Maar dan krijg je ook de oproep om in Duitsland te gaan werken. De arbeitsdienst. Dan moet je echt gaan ‘duiken’.  Toen kon je helemaal nergens meer naar toe. Hoe ik aan de onderduikadressen kwam? Dat weet ik niet. Ik wist ook niet hoe ik aan de flyers kwam. Je wist niks. Je had ze en je bracht ze. En de adressen, dat ging van: Fiets even mee, en dan fietste je mee. Of je liep mee. Dan zeiden ze dag en dan stond je ergens waar je de krantjes, de Waarheid, het Parool, Trouw en de Vliegende Hollander, verspreidde. Het gebeurde veel ’s nachts.”
“Toch heel link,” zegt Marianne, “als ze je snapten met die krantjes, dan was je er geweest.” “Nou, ik zie dat niet zo. Ik heb altijd gezegd:”Ik heb veel liever dat ze zeggen daar gaat die lafaard als daar ligt die held.  Ik wilde wel blijven leven. Je rommelde maar wat an,” zegt sobat Jan. “Je bent nog jong en je ziet dan nog niet zo de echte gevaren ergens van in. Het was avontuurlijk. Dat was het! Maar de technische school heb ik wel afgemaakt. Met hangen en wurgen.
Na de bevrijding, ik had getekend voor de B.S. ,Binnenlandse Strijdkrachten,  wilde ik er wel uit, want dan kon ik gaan studeren. Nou ik kon er wel uit, maar: Er was oorlog in Indie. We roepen je morgen dan weer op.  Je gaat als oorlogsvrijwilliger of als dienstplichtige. Dus heb ik voor het eerste gekozen. Ik meldde mij aan in Nieuwerdam.
Ik kwam eerst bij de Oranje Nassaukazerne. Daarna gingen we naar Ermelo, de Jan van Schaffelaarkazerne. Daarvandaan zijn we naar Engeland gegaan.
 
Ik ben brenschutter geweest. Daar ben ik niet voor opgeleid in Nederland hoor. Daar was ik infanterist en kreeg exercitie, exercitie en nog meer exercitie. Discipline, in de dubbel, in de dubbel. Geweertje op, geweertje af. En maar hobbelen en maar hobbelen. Af en toe mocht je op de hei met een losse flodder schieten. Geweer: een Lee Enfield. Het waren krengen, man!”zegt Tishauser. “We hadden ook nog stenguns. Als je er één keer mee had geschoten, was de loop vanzelf al krom. De brens die we hadden waren redelijk goed. Daar had je altijd twee lopen bij dus als je de een gebruikt had en die was bloedheet geworden, dan kon je die andere erop zetten. Als zo’n loop heel erg warm was geworden, hadden we ook nog een ander middel om die te koelen: er overheen piesen.
Van Engeland uit zijn we met De Boissevain onderweg gegaan naar Australië. Daar kwamen we niet in. Aan boord was het een zooitje puin hoor. Ik ben niet zeeziek geweest. Je sliep in van die hangmatten, drie lagen boven elkaar. Als je boven lag, had je mazzel. Die onder lagen, die werden ondergekotst. Uiteindelijk zijn we dus terecht gekomen bij Semarang. Bij het strand. Daar zaten de Gurka’s. Stelletje schorem.   
 
We kregen meteen de vuurdoop. Onze pelotonscommandant was gelijk het haasje. Dan kom je met je rotzooi uit die landingsboot vandaan en dan sta je daar en dan komt die commandant naar je toe en die zegt: “Ga maar naar de kazerne toe, die is in het centrum van de stad. Ga  maar patrouille lopen”. We wisten niets, je kent de taal niet  en het werd nog donker ook.” En dan heb je dan uiteindelijk gevonden, dan ken je op de stenen vloer gaan liggen. Zeiknat, geen dekens, geen klamboe, helemaal niks.” “Hebt u geen Maleis geleerd op de boot op de heenweg?”  “Nou, niet echt. Een zooitje ongeregeld op zo’n boot.
Ach joh, je bent negentien jaar! Als je dat achteraf bekijkt dan is het onbegrijpelijk. Dat kan toch eigenlijk niet.
Daar zit je dan in een vreemd land. We zaten in een oude kazerne van het KNIL. In het centrum van de benedenstad Tjandi. We hadden de fabriek daar bezet, Britisch Amercain de tabaksfabriek, de watertoren en nog wat van die dingen. Ik dacht dat 2-13 RI daar ook zat.
Hoe ging het patrouilleren? Onze eigen commandant had de kaart. Hij was een goede pelotons-  en compagniescommandant. Namen? Van Wilpen, kapitein, en  Hoekstra. Hoekstra was compagniescommandant.  Hoekstra was eigenlijk een marineman, die had de hele opleiding gehad als cadet.  Een geweldige kerel. Hij had een hele zware stem. Een hele correcte kerel.
Ik heb alle twee de politionele acties meegemaakt. Maar dat onderwerp wil ik graag laten rusten. Dat doet te veel pijn.” Hier huilt Tishauser en moet zich herpakken. “Even wachten!” Dat doen we.
 
Ik ben ruim twee jaar in Indië geweest. Het land is schitterend.
En de bevolking? Dat waren over het algemeen lieve mensen. We hadden een schat van een wasbaboe. Ze kon geen woord Nederlands, kon niet schrijven of lezen. Maar een schattig vrouwtje.
Maar ze verdiende zo een mooi centje en kreeg ook wel wat toegestopt hoor. 
We liepen patrouilles, patrouilles en nog meer patrouilles.
We hadden maar één uniform. Dat moest je zelf wassen. Later kregen we nog een camouflageoveral. Met van die dikke naden in je liezen, zodat je helemaal kapot geschuurd werd in je liezen van het zout van je eigen lijf. Wat kreeg je toen je terugkwam? Ik kreeg honderd gulden. Daar moest ik me zelf voor kleden. Ik ging als jongen weg en kwam als man terug. Ik had niets meer door de oorlog. Zelfs mijn ondergoed niet meer. Ik zal je vertellen, ik moest demobiliseren in Hooghaelen. Daar moest ik alles inleveren. De inleverfoerier mistte nog een dingetje. Hij keek achterom en ik heb het weer teruggejat. Mijn koffer zat vol.
Op de kade stonden demonstranten. Die ontvingen ons met: Moordenaar, moordenaar! Ik ben afgezwaaid als soldaat 1. Titulair sergeant.
 
Eenmaal terug in Nederland, wilde ik gaan studeren. In militaire dienst heb ik studiegeld aangevraagd. Maanden lang hoorde je niks. Uiteindelijk kreeg ik dan bericht van defensie dat ze een toelage zouden doen. Ik maak de envelop open, daar zat tien gulden in! Eenmalig! Gelukkig is het nu allemaal veel beter geworden.
Volgens militaire dienst moest je werkgever je weer terugnemen. Maar ik had helemaal nog niet gewerkt!!! Werk vinden viel niet mee hoor als Indiëganger. Ik heb armoe geleden, nou dat wil je niet weten. Ja die mooie brief die we aan boord kregen van prins Bernhard dat bij thuiskomst alles voor onze zou worden geregeld. Mooi niet. Dat zijn van die dingen die nu pas boven komen.
Tijdens het bevrijdingsfeest in 1945 heb ik mijn vrouw ontmoet. We hadden ons verloofd voor ik vertrok. Ik heb wel een heel prettige verloving gehad hoor. We deden alsmaar schrijven! Wachten tot de brieven aan kwamen. Dat was ook zo treurig. Ik heb ze later nog gevonden, toen ik aan het opruimen was. Ik heb ze allemaal vernietigd. Ik kan er niet tegen. Te persoonlijk. In 1948 ben ik getrouwd. Ik was net terug uit Indië. De thuiskomst was een feest. Niet dat de boel versierd was of zo. Maar ik zag mij meisje weer. Heerlijk. Ik kreeg na de militaire dienst een huisje toegewezen op de Gelderse kade in Amsterdam.  Boven een kaaspakhuis. Heel het huis vol muizen. Er was een alkoofje en daarachter was de keuken met een platje. De wc werd daar op gebouwd. Ondertussen had mijn vrouw een kindje gekregen. We moesten trouwen. Ik schaam mij daar niet voor. Tussen de keuken en wc moest mijn vrouw de was ophangen. Dan hadden we vlooien en dan weer muizen.
Ik ben uiteindelijk bouwkundig ingenieur geworden. Ik heb bijna alles in de avonduren geleerd. Maar ik ben er gekomen. Ik heb er geen spijt van. Tot mijn 59e ben ik bouwkundig ingenieur gebleven. Toen ben ik met vervroegd pensioen gegaan. Ik werkte 70 uur in de week. Het was toen wel genoeg geweest. Ik heb hard gewerkt, mijn kinderen zijn goed terecht gekomen en dan denk ik: Jantje je hebt het goed gedaan!  
Hoewel ik nog een keer terug had willen gaan naar Indonesië, raadde mijn huisarts dat af. Of je komt met een hartaanval terug of helemaal  niet meer. Veel te emotioneel. Dus ik ben nooit meer terug geweest. Het is geweest. Ik ben met mijn lieve vrouw heel veel gaan reizen, maar dus nooit naar Indonesië.  
 
Het enige wat ik aan de militaire dienst heb overgehouden is kameraadschap, kameraadschap , kameraadschap. De rest is maar bijzaak.  Je maakte dingen mee, zo jong, waarvan je denkt wat moet ik er mee? Ik heb nog regelmatig dat ik ’s nachts uit bed stap. Dromen, heel veel dromen.  Dan hou ik het niet meer. Of ik er behoefte aan heb om daar met de hulpverlening over te praten? Nee! Ik moet het zelf oplossen. Nu ook, met mijn ziekte.  Ik heb mijn leven nu gehad. Het is over.  Het is klaar. Het is goed, maar het is kwaad.
 
Hoelang heb ik nog te leven, nog een jaar, twee jaar, word ik honderd? Ik weet het niet. Ik hoop mijn vrouw te kunnen overleven, Ze wordt uitstekend verzorgd daar, maar ik hoop dat ik er mag zijn voor haar tot haar dood.
 
Ik zit hier wel eens te mijmeren en dan schrijf ik je een email. Ik heb het gevoel, ik kan praten met Marianne. Achteraf heb ik dan weer spijt dat jou belast met mijn ellende.” “Dat moet u niet hebben. Ik ben heel blij dat u mij schrijft met wat u bezighoudt. Een luisterend oor te mogen zijn, is heel fijn. Er te mogen zijn voor u en de veteranen.” “En ik vind het schitterend om bij jullie op de reünie te komen.
Schitterend. Ik kan er fijn praten, maar ook daar hoor ik soms van die heldenverhalen waarvan ik denk: nou nee. Maar ik ben heel blij met contact zo via de email ook. Dat loopt goed. Ik worstel nu enorm met mijn emoties. Vroeger had ik daar veel minder last van. Ik wil helemaal niets meer. Ik  vertrouw niemand. Ik vertrouw jullie! Daar wil ik wel wat kwijt bij, maar voor de rest, nee.”
 
Na ons bezoek aan sobat Jan Tishauser werd zijn gezondheidstoestand steeds slechter. Er is nog een paar keer e-mailcontact geweest maar dat werd stilgezet. Het ging niet meer. Op 2 mei 2018 overleed sobat Jan. In zijn laatste email aan Marianne schreef hij:”Ik zal er niet persoonlijk meer bij zijn tijdens de reünie, maar geloof mij maar,  ik zal er zeker in spirit bij zijn!”                                                           
 Door Marianne

 

 

Door het carnavalsgedruis naar sobat Willem Hilverts, 3-1 RATA
.
 
Het is carnaval in het Zuiden. Maar daar komen wij als nuchtere Hollanders van boven de rivieren niet voor naar Achterveld. We gaan op 13 feb 2018 tussen de feestvierders door naar de familie Hilverts. Bij binnenkomst vertellen we aan familie Hilverts het verhaal van ons bezoek aan sobat Delissen van 2-6RI. Het hele dorp Swalmen was toen uitgelopen en stond langs de weg. Wij tuften met onze wagen tussen de mensen door. Zouden die mensen voor ons zijn uitgelopen vroegen wij ons af, maar niets was minder waar. We reden toen voor de carnavalsoptocht uit. Die was eerder uitgesteld vanwege de storm die uitgerekend met carnaval over ons land raasde. 
 

 
“Hoe is het nu met u,” vraagt Marianne, wetende dat sobat Willem Hilverts ingeschreven had voor de reünie 2017, maar zijn vrouw tot haar grote spijt moest afmelden vanwege plotselinge ziekenhuis-opname van sobat Hilverts. “U was gevallen bij de auto  toch?” “ Ja, we waren met onze zoon en schoondochter een dagje uit naar Drenthe. Ik help mijn vrouw achter in de auto en ik glij weg en daar lag ik. We zijn nog naar Amersfoort gereden van Hoogeveen af. Toen bleek dat ik mijn heup gebroken had. Volgens de arts was ik eigenlijk heel goed terecht gekomen. Het was een hele mooie breuk, aldus de arts. We gaan morgen opereren dan kan u de volgende dag of de dag erop weer naar huis. Uiteindelijk werden het zeven weken.
 
Vanuit het ziekenhuis had ik meegekregen een Delier, blaasontsteking en een beroerte. Toen ik bij de revalidatie kwam, zeiden ze daar: U bent de eerste zes weken onze gast. Nou, dan ben je 68 jaar bij elkaar en ben je 92 jaar dan kom je op een kamertje alleen te liggen. Nu loop ik met een rollator. Ik mag gelukkig weer naar boven toe, de trap op, bij het vrouwtje slapen. Ik heb zelf de auto aan de kant gezet. Voor alle zekerheid. Daarmee geef je dan wel een stukje vrijheid op hoor. Gelukkig gaat het nu beter en ik ga gewoon op voor de 100!”
Tekstvak: Foto:Joop Pragt
 
“Zullen we dan eerst eens teruggaan naar het begin?”oppert Marianne vrolijk.  “Waar bent u geboren, want ik hoor een noordelijk accent. In Groningen?”  “Op 11 augustus 1925 in het mooiste vestingstadje van het noorden, Bourtange,”antwoordt sobat Hilverts trots. “Daar ging ik ook naar school. Tot mijn veertiende jaar, want in 1940 ging mijn vader vanuit Bourtange bij de Heidemij hier in de omgeving werken. Toen moesten wij dus ook mee. We waren thuis met zijn negenen. Ik heb tijdens de oorlog anderhalf jaar bij een boer ondergedoken gezeten in Bourtange. Tussendoor een beetje hier en daar wat gedaan. Zo kwam je de oorlog door. Dat onderduiken deed je omdat je niet naar Duitsland werd getransporteerd. In Bourtange was het behoorlijk rustig wat betreft razzia’s en zo. Die kwamen daar niet voor. Die boer was samen met zijn zuster. Ik kreeg ruzie met ze. Ik kon ook niet veel doen, want je was ondergedoken.
Na de oorlog ben ik eerst een paar jaar bij een transportbedrijf in Bourtange geweest. In 1946 werd ik opgeroepen voor dienst. Ik kwam op bij 3-1 RATA,  Regiment Anti Tank Artillerie,  in mei 1946 met 128 man. Ik ben de enige van die afdeling die nog in leven is. Ik ben in de Boreelkazerne in Deventer opgekomen. Het zou voor een jaar zijn, uiteindelijk werd het twee jaar. En toen zeiden ze blijf nog maar een jaar. Dus ik ben er ruim drie jaar geweest. Kijk we hadden wel de keus natuurlijk. Of je ging naar Nederlands Indië of je ging naar Nieuwersluis. (militaire gevangenis voor dienstweigeraars, red.) Daar zat je dan dezelfde tijd als de jongens in Nederlands Indië zaten.
Ik werd opgeleid voor de artillerie. RATA3. Dat waren de niet zo grote kanonnen. Ik was chauffeur- kanonnier. Ze hadden me eerst als tank-chauffeur willen inzetten, omdat ik een robuuste kerel ben. Uiteindelijk werd het dus de RATA. Later was ik bij de afdeling 5e Veld artillerie. Die hadden 25 ponders. Dat waren behoorlijke kanonnen hoor. Bij
1-3RI hadden ze Houwitsers.. De kogels die je daar verschoot waren twaalf pond. Maar aan die tank dat waren maar kleine kanonnetjes.
Ik ben met de Indra Poera naar Nederlands Indië gegaan. Wij kwamen september 1946 in Batavia aan. Wat bleek toen, die Indonesiërs en al die lui daar hadden helemaal geen tanks. Maar wij werden er met die tankdivisies wel naar toegestuurd. I, 2,3,4, en later ook nog 7 dacht ik. Met kerst 1946 zeiden we: nou, we zullen wel gauw op Holland aangaan. Mooi van niet! We werden met onze half-trucks met chauffeur en bijrijder naar andere afdelingen gestuurd. Van Batavia naar Bandung, Kiwali en daar zaten AV Veld. Daar werden we als kanonnentrekker met onze half-trucks ingedeeld.
Die Tijgerbrigade, die moeten wij destijds toch ook zijn tegengekomen. Want 22 december 1946 zijn we van Batavia naar Bandung overgeplaatst. Naar Tjimahi. Naar de A5Veld. In juli 1947begon de eerste politionele actie en die liep via Cheribon, Tegal, Tjilitjap naar de andere kant van Java en dan zo verder.  Van Batavia af tot ver voorbij Semarang  tot zowat aan Solo dat hadden wij allemaal onder onze hoede.”  “Nou, daar zat mijn vader ook. Hij was van 2-6RI, dus ook Tijgerbrigade.  U noemt dezelfde plaatsen op waar mijn vader ook is geweest,” valt Marianne verrast in.
 
“De tweede politionele actie begon in Banjoemas. Die ging naar Ambarawa, Semarang, toen naar Wonogiri naar Madioen.
Toen kwamen de mariniers ons in Madioen aflossen en wij gingen terug naar Solo. Daar hebben we dus nog negen maanden gezeten.” Eerder, met de eerste politionele actie kregen  we een afdeling verkenning van 1-3RI, want die was gepantserd. De eerste politionele actie hebben we helemaal voorop gereden naar Bandung,  Cheribon, Tegal, Ambarawa  en noem maar op.” “Solo?”vraagt Marianne. “Ja, daar zijn we ook nog geweest. In april 1948 ging 1-3RI naar huis toe. Wij dachten dat we wel mee mochten,maar mooi van niet. We moesten weer terug naar onze afdeling AV Veld. Met 1-3RI hebben we toen een landing gemaakt vanuit Tjilitjap naar Pangadarang en toen kwamen we in Tjibenda terecht. En ik heb op dezelfde plek gelegen waar ik met mijn half truck, pantservoertuig,  aan land kwam in Pangadarang.
“U heeft beide politionele acties meegemaakt.”stelt Joop vast. “ Ja, volledig. Toen ik een paar maanden in Indonesië was, dacht ik we zitten hier voor niks.  Geen land redt het om nog terug te draaien waar ze mee bezig waren.  Op 17 augustus 1945 heeft Soekarno al de verenigde staten van Indonesië uitgeroepen.
 
Wat konden wij er nog doen? We hebben er jaren later nog bij gestaan, die suikerplantages en zo. Die zijn nou nog helemaal verwoest. Vlak bij Banjoemas in de buurt, het was gigantisch mooi, maar volledig afgebroken. Het was over. We zijn ook nog twee keer in Linggadjati geweest. Daar waar de overkomst was getekend. In die zaal heb ik gezegd: hier zijn we verkocht en verraden. Het was één en al politiek.  Wij, de gewone jongens, dachten dat we goed deden. Een hoop jongens voor niets gesneuveld. Ik heb er geen spijt van, maar achteraf zeg ik er waren dingen die je wel anders had moeten doen. Ik vind dat ik behoorlijk humaan bezig geweest ben. De kindertjes kwamen met een blikje en kwamen ze rijst met je mee opeten. Dat deden we gewoon.”
 “Ik heb gelezen dat er ook jongens waren die zelfmoord hebben gepleegd om niet naar Indië te moeten,” vertelt Marianne.
“Ja, bij ons daar gebeurde het ook wel. Er waren er wel eens bij, die gingen voor de loop staan. Je had 15 tot 35 kilometer bereik en op twee meter hoogte ontplofte die. Dan dacht je ook wel eens, wat gebeurt daar eigenlijk waar je nu op afvuurt. Het komt toch ergens terecht. Oorlog, het is niet te begrijpen! De eerste politionele actie stonden we zes kilometer van Djokja. Het was de bedoeling om daar naar toe te komen. Maar de Verenigde Naties zeiden: “afgelopen!” Er was één regiment Andjin Nica, (Inf.V.KNILred.) allemaal Molukkers, die zijn nog een paar kilometer doorgegaan want die wilden  echt naar Djokja, omdat Soekarno daar was. Met de tweede politionele actie is die wel gevangen genomen. Maar die lachte je gewoon uit, Soekarno, want ter plekke werd die weer vrijgelaten.  Als wij optrokken met de eerste en tweede politionele acties konden we aan de tegenstand bij die Ploppers weten of er nog Jappen bijzaten.” “Hoe merkten jullie dat?” wil Joop weten. “Als je een kogel had geschoten of een riedel gaf met de punt50, dan was het afgelopen. Maar als er een Jap bij was, dan hoorde je daar nog een sten ratelen en iets verderop een bren of een mortier. Die gingen nog wel even door. Heel fanatiek hoor, die Jappen.
 
Ik heb ook nog drie goede vrienden verloren. We zaten in Solo, daar hebben we negen maanden gezeten. Op oudejaarsmiddag zegt de wachtmeester: Er moet even wat weggebracht worden voor oud en nieuw naar de J- Batterij. Ze vroegen aan mij of ik ook mee ging. Ja, ik ging wel mee. Ik zat al  in de jeep  en toen riep de wachtmeester: Willem je moet er uit. Je moet naar je pantserwagen.  Je moet ergens anders naar toe. Een uur later, alle drie de jongens aan barrels. In een hinderlaag gelopen. Sobat Willem zucht eens en zegt dan:”Nou, dan heb je toch wel mazzel gehad of niet? Ik ben vijf keer op vakantie in Indonesië geweest en alle vijf keer bij de graven op ereveld Candi geweest, in Semarang. Daar liggen ze begraven.”
“In het begin wou hij er niet over praten,” vertelt mevrouw Geeske Hilverts. “Hij  ging pas vertellen, toen we voor de eerste keer op vakantie in Indonesië zijn geweest, in 1992.
We zijn vijf keer teruggeweest naar Indonesië, iedere keer ruim een maand” zegt sobat Hilverts met weemoed in zijn stem. “Fantastisch, ik zou zo weer willen,” voegt mevrouw Hilverts er aan toe. “Geweldige mensen, hele lieve mensen.” “Hoe vond u het om weer terug te zijn op de voor u bekende plekken?” vraagt Marianne. “Er zijn van die momen-ten dat je denkt hier moet je even stil blijven staan, want er zijn nog wat plekken waar je door de oog van de naald gegaan bent. Hier heb ik een engeltje op mijn schouder gehad. Echt waar hoor,”zegt meneer Hilverts. “Maar er waren ook leuke dagen hoor. Net als de Koninginne-dagen daar, nou, die waren mooi hoor. De parade en schoolkinderen die allemaal verkleed waren. Ja dat was prachtig. Ik heb in Tjibenda, dat ligt bij Pengadarang, nog een huis ontdekt waar we in 1948 kerstmis hebben gevierd. Ik heb gestaan waar we toen hebben gegeten. Ik had er nog een foto van bij me. Dat was een herkenning!
 
Op patrouilles met zo’n twintig of dertig man, deden we de laatste drie man achteruit laten lopen. Het was zo als je in gebied liep waar ze nog beschermd werden door de Jappen, werd je altijd van achteren aangevallen.”
“Hoe hebt u de overgave in Djokja ervaren?” wil Marianne weten. “Was u boos, gefrustreerd?” “Nee, ik niet. Je wilde toen op een bepaald moment alleen nog maar naar huis. Want in Solo was het afschuwelijk hoor. Dat wil je niet weten. Daar is wat gebeurt! Afschuwelijk. Daar lagen heel wat van die mannetjes van een jaar of twintig, eenentwintig. Er was ook nog iemand die had vier machinegeweren zo neergezet dat die op een kruispunt ging staan dan was er geen ontkomen aan.”
 
“Dat is de waanzin van de oorlog,” zegt Marianne bewogen na een korte stilte. “Zeg dat wel ja.” “Wat in de Nederlands Indië tijd heeft de meeste indruk gemaakt op u?”vraagt Marianne nieuwsgierig.    
“Nou, in het begin werden we helemaal niet erkend. Gelukkig is het nu anders, maar ik heb op bepaalde gebieden wel eens gedacht durf je nog wel wat te vertellen. Ik heb verschillende keren man- tot- man gevechten meegemaakt. Ik  was ingedeeld bij  de 7december divisie.  
Doodsangsten heb ik uitgestaan, maar ik heb nooit iemand dood hoeven te schieten. 
Ik ben in september 1949 met de ‘Johan van Oldenbarnevelt’ weer teruggekomen. Met zevenendertighonderd militairen aan boord. Ik ben de dienst uitgegaan als soldaat 1. “Toen je later voor herhaling moest, dat was in ’t Harde”, vertelt mevrouw Hilverts,  “toen wilden ze hem daar houden. Als beroeps. Maar dat wilde die niet. Later heeft hij daar nog wel eens spijt van gehad.“ “Ja, dat is ook nog zo, ik moest drie keer terug. 1951 was de laatste keer. Nee, beroeps zag ik niet zitten. Het was genoeg. Later dacht ik dat ik het wel had moeten doen. Als ik beroeps had geworden, stond er een huis voor je gereed. Er werd van alles voor je geregeld. Maar ik vond het genoeg. Ik denk nog wel eens dat ze ons hebben afgescheept. Als je afzwaaide kreeg je tachtig gulden mee. Tachtig gulden! Oh ja en zakken vol met bonnen. Veel was toen nog op de bon.”
 
Mijn vrouw heb ik ook in september 1949 ontmoet.” “U dacht: afgelopen met dat vrijgezellenbestaan!” zegt Marianne enthousiast romantisch. “Zo is dat!, ”valt mevrouw Hilverts bij.  “We kenden elkaar al van jongs af aan,” vertelt sobat Willem. “Een oud buurmeisje uit Bourtange  had al steeds gezegd: Willem Hilverts zit al aan boord en ik wil straks als die thuiskomt met hem op stap. Toen er kermis was in Vlagtwedde, ging ik er heen. Op mijn nieuwe fiets, want we kregen bijna allemaal een nieuwe fiets bij terugkomst. Dat buurmeisje zag mij gaan en ging mijn vrouw ophalen om ook naar de kermis te gaan.  En zij,” wijzend op zijn vrouw, “dacht: Hé, als dat zo moet, dan probeer ik om met Willem op stap te gaan. Nou, het werd dus samen kermis vieren.” “Maar daarna hebben we elkaar anderhalf jaar niet meer gezien,” vertelt mevrouw Hilverts verder, “toen ineens, ik werkte toen bij een boer, belde hij mij op. We moesten toch maar weer bij elkaar komen. Nou dat lukte, want we moesten trouwen! En dan moet er brood op de plank komen!”
“ Wat dacht je wat mijn eerste weekloon was?” vertelt sobat Willem.  “Drieëntwintig gulden in de week. Toen ik terugkwam uit Indië kon ik kiezen, of ik ging werken in de fabriek, of werd buschauffeur of bij de KPN aan het werk. Het werd KPN. Mijn hele leven ben ik met de telefoon bezig geweest. Ik heb alles meegemaakt, het begon met palen en draden, koperen draden erlangs, toen de kabel. Ik heb in de opleiding gezeten, en ga zo maar door. Ik heb achtendertig en een half jaar bij de KPN gewerkt. Toen ik 61 werd kon ik met de VUT. Achteraf had ik gewoon de veertig jaar vol moeten maken, want het scheelt een gigantisch hoop hoor. Ik ben al 31 jaar thuis. Met pensioen. We hebben het nu goed hoor.
Tekstvak: Foto: Privé- collectie fam. Hilverts Bij thuiskomst was er door de buurt een ereboog opgesteld. Ik kreeg een fiets, een fototoestel en een krentenbrood van een meter lang van de bakker. Mevrouw Hilverts: “Het was net een ouwe man. Zoveel was die afgevallen. “Ja, ik had totaal negen weken op zee gezeten en was tien weken zeeziek.
Zowel de heen als terug. Bij Aden kwamen we op de grote zee. Elf dagen geen land gezien. Alleen maar water, water, water. Van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Maar er werd omgeroepen dat ze goed nieuws hadden voor de zeezieke mensen, ‘de zee was zo glad als een spiegel.’ Nou, dat hebben we geweten. Dat is niet te begrijpen. Dat schip dat komt dan op een golf en dan is die met de punt over de golf heen en dan zakt die. En dan maakte die ook nog dwarse schommelingen.
 
“Hoe zit het eigenlijk met de kinderen,”vraagt Marianne weer nieuwsgierig. “We hadden vier kinderen. Eén zoon, Leo, is kortgeleden overleden. Een bacterie. Twee andere zoons zijn al gepensioneerd en dan hebben we nog een dochter. We hebben tien kleinkinderen en dertien achterkleinkinderen. We hebben ondanks alle tegenslag nog steeds plezier in het leven. We gaan vaak uitstapjes maken met de Zonnebloem. Alleen nu even niet. Het herstel duurt allemaal langer als dat je nog jong bent. Maar ik ga hard vooruit zeggen de artsen. Je moet wel willen. Reken maar dat ik de volgende reünie er zeker bij ben!” zegt Willem enthousiast. “Dan kom ik in mijn veteranenuitrusting. Met onderscheidingen. Ook die van de RATA!”
 
Mevrouw Geeske Hilverts vertelt trots dat de kleinkinderen allemaal op school een spreekbeurt over Nederlands Indië gehouden hebben en opa vertelde alles wat ze wilden weten. Ze hebben allemaal een acht gehaald. Mooi dat de kleinkinderen ook het verhaal van opa weten. Mevrouw Geeske voegt nog aan het gesprek toe: “Je hebt mensen die altijd mooie heldenverhalen weten te vertellen over hun tijd in Nederlands- Indië. Maar Wim zegt altijd: degenen met de grootste mond, hebben niks meegemaakt.” “ En zo is het.” beaamt sobat Willem.
 
Sobat Willem wil toch nog even wat kwijt. “Dat vind ik nog wel belangrijk om te vertellen. Dat stuk weg om bij de J -Batterij te komen, dat was een weg van dertien kilometer. Daar hebben we wel eens 26 uur over gedaan. Want ze hebben het nu over bermbommen, maar die hadden wij toen ook al hoor. Ik heb één keer meegemaakt dat er één vol op zo’n bermbom reed. Nou dan maak je wel wat mee hoor. Echt wel. En als je dan bij de J- batterij aankwam, was het niet van hoe is het gegaan, maar ging het van: Heje jenever bie je?”  “Nou, daar kunnen wij  ja op zeggen,” antwoord Marianne gevat. “Want in de goodiebag die u net van ons hebt gekregen, zitten twee flesjes jenever, van Ketel1. Proost! En met de jenever is het meteen het einde van het bezoek. We gaan, anders staan we in de file en dat is niet prettig. Fijn dat u ons wilde ontvangen!” “Ik kan jullie alleen een goede reis wensen,” zegt Willem Hilverts, “ik vond het hartstikke leuk dat jullie langs geweest zijn.” Door het carnavalsgewoel heen banen Marianne en Joop zich een weg het dorp uit.                          Door Marianne

 

 

Gerrit Overkleeft overleden 
 

Gerrit Overkleeft, 2-7RI

Sinds 3 juli 1987 weduwnaar van Jantina Reiziger.

*21 februari 1925 - †28 januari 2018

        

 

Gerrit Overkleeft stond bij ons bovenaan de wachtlijst van nog te bezoeken sobats. Helaas overleed sobat Gerrit Overkleeft eerder dan dat wij een afspraak hebben kunnen maken. 

Op vrijdag 2 februari 2018 werd de uitvaartdienst gehouden in de aula van de begraafplaats Beukenhage in ’s Gravenzande. Uit de zeer uitgebreide toespraak van Klaas  Hoekstra, contactpersoon,en uit de meditatie van spreker Dick Voogd,  bleek dat sobat Gerrit niet één van de makkelijkste personen was. Maar wanneer Marianne de sobat opbelde, sprak hij graag over zijn tijd in Nederlands Indië. Dat hij via 2-9RI bij 2-7RI, het Amsterdamse bataljon, werd ingedeeld. Dat hij daar een ‘aardige’ tijd heeft gehad. En doordat hij de taal vrij goed kende, er fijne mensen had ontmoet. “Een mooie vakantie geweest op alle tragische gebeurtenissen na,” vertelde hij. Hij raakte gewond toen hij op een bom was gereden, waarbij hij 5tot 6 meter door de lucht vloog. Ondanks dat had hij zijn dienst in Nederlands- Indië niet willen missen en had graag eens terug gewild. Echter, vergat de juiste injecties te halen. Van uitstel kwam afstel. 

Wij stelden onze aanwezigheid bij het afscheid niet uit. Met de Tijgerbanner opgesteld achter de kist hield Joop zijn toespraak waarin het OVW-er zijn en 2-7RI werd belicht. Na  een toepasselijk gedicht voorgedragen te hebben eindigde  Joop met een militaire eregroet bij de kist van Gerrit Overkleeft. De kist onder de gezamenlijke zang van ‘U zij de glorie’ de aula uitgedragen en naar het familiegraf gebracht.  Hier werd sobat Gerrit Overkleeft bijgezet in het familiegraf. Na afloop was er gelegenheid om elkaar in de aula te ontmoeten.

      door Marianne/ foto’s overkleeft Gerrit: Jan Klop, foto begraafplaats Joop Pragt .

 

 

 

Overleden:  Gerrit Gleijm, 5e genie veld comp 

 
 

Gerrit, (Ger)  Willem Gleijm, korporaal, 5e Genie Veld comp.

Echtgenoot, vader, schoonvader, opa.

*28 maart 1926 - †20 januari 2018 

Altijd samen in gedachten,
In gedachten voor altijd samen.
Wat zo diep in het hart zit gaat door de dood niet verloren
De herinnering aan een geweldig mens is geboren 
 
 
Zo schrijven wij in ons boekje van december 2017 nog het verslag van ons bezoek aan de familie Gleijm en zo krijgen wij het bericht van het overlijden van sobat Ger Gleijm. Hij was aan het sukkelen gegaan met de gezondheid, meerdere keren gevallen en werd opgenomen in de verzorging. Hij daar en zij nog thuis. Samen, maar toch alleen. En dan, is het ineens voorbij. Een sobat is ons ontvallen. ‘Ons lachebekkie’, zoals wij hem noemden. Altijd die lach op zijn gezicht, altijd genietend van alles om hem heen.
 
Op maandag 29 januari 2018, een sombere januaridag met gutsende stortbuien, waren wij aanwezig bij de crematieplechtigheid in de aula van crematorium Amersfoort in Leusden.  
 
De kist stond zodanig opgesteld dat deze van drie zijden werd omringd door de aanwezigen, met de naaste familie aan het voeteneind. Het voelde aan als: je bent nog één keer in ons midden. Wij omringen je nog éénmaal.”  Toespraken van zoon Ron en de twee kleindochters, waaruit ieders bijzondere liefde voor Ger Gleijm duidelijk naar voren kwam.
Joop belichtte het soldatenleven zoals sobat Ger dat nog maar kort geleden zelf aan hem vertelde. Hierna droeg Joop een passend veteranengedicht voor.
Met een militaire eregroet bij de kist sloot hij zijn voordracht af.
Na de plechtigheid was er een samenzijn in de ontvangkamer. Ook hier waren er vragen en gesprekken over de Indië- periode. Ook door heel jeugdige aanwezigen die zeker Joop graag veel vragen wilden laten beantwoorden. Wat hij naar beste kunnen heeft gedaan. Na afloop van het samenzijn waren wij, Joop en Marianne, uitgenodigd door de familie om mee te gaan naar het favoriete pannenkoekenboerderij van sobat Ger Geleijm,  de Smickel in Soest, om daar samen met hen herinneringen te delen, maar ook te genieten van de  heerlijke pannenkoeken. Hierbij bedanken wij nogmaals de familie Gleijm voor deze heel bijzondere uitnodiging. Wij vonden het een eer om zo samen met de familie van ‘ons lachebekje’ deze droevige dag af te mogen sluiten. 

Corr.adres: Soesterbergsestraat 111,app.214, 3768 MA Soest

 

 

 

Van een te grote legerkist of te kleine achterbak 
 
Valkenswaard, 27 Jan. 2018
 
 
Mijn vader, Dpl Korp. M.H. (Martien) Speeks, van 1927-07-17, heeft in de periode  1947 – 1949  in Ned. Indië gediend bij de LTD 717  "T"-Brigade, beter bekend als de ‘Tijger’ brigade. Hij heeft, behalve een enkele hint naar mindere belevenissen, naar ons toe altijd alleen gesproken over de fijne dingen die hij daar heeft meegemaakt. Op 20 Sept 2012 is hij overleden en afgelopen Dec’17 is ook mijn moeder overleden. Dan komt de taak om alle bekende spullen uit het ouderlijk huis op te ruimen of een goede bestemming te geven.

Van zijn Indiësouveniers zijn dat, naast diverse stukken houtsnijwerk, o.a. de bekende Javaanse man- en vrouwenhoofden in verschillende maten, opberg kistjes en Yogyazilver en zijn Tijgerspeldje, ook zijn repatriëringkist en een herinneringsbatik aan zijn diensttijd op Java. 

Die kist is best groot, 54 x 64 x 92 cm, en hoewel ik hem heel bijzonder vindt en er goede herinneringen aan heb, is het lastig hem een gepaste plek in huis te geven. Via het veteraneninstituut kwam ik in contact met de veteranenvereniging van de Tijgers. Dit was zo warm en hartelijk dat ik al snel besloot de kist en batik aan hen te schenken. Zo kunnen die dierbare spullen mee helpen de geschiedenis levend te houden. Dank jullie wel, Marianne en Joop voor het vele en goede werk dat jullie doen !
 
 
                                    De repatkist: Toen, Dec 1949 en nu, Dec 2017.
 
 
Van Pa's verhalen weet ik de meeste nog goed te herinneren. Bij de LTD was het leven relatief veilig. Als 'verbindelaar' bij de verbindingsdienst was hij vaak in een werkplaats bezig, maar in een colonne reden ze wel vooraan met een Jeep met een ‘wire cutter’ om te beschermen tegen over de weg gespannen draden.
Een keer toen hun kamp beschoten werd hebben ze een langspeelplaat met geweervuur afgespeeld over de grote luidsprekers die rondom stonden om het aantal manschappen aan eigen zijde veel groter te laten lijken dan het er eigenlijk waren. En als ze door de sawa's liepen wisten ze nooit zeker of de hardwerkende boeren die met hun patjol aan het werk waren even later niet een geweer tevoorschijn zouden halen. Verder vooral verhalen over de lekkere vers geperste sinaasappelsap, de smakelijke ananassen, de vriendelijke mensen, het lekkere lokale eten en de mooie natuur. Een enkele keer naar de bioscoop 'Rex' en achteraf nog even wat Sate's eten.
Later, thuis was hij het dan ook die regelmatig de Nasi-Goreng klaarmaakte.
Natuurlijk schreef hij regelmatig naar huis. Een keer was halverwege de brief zijn inkt op en ging hij door met potlood. Hij schreef echter iets als, "Oh, ze schieten net de pen uit m'n hand, ik ga maar met potlood verder". Dat werd hem thuis niet in dank afgenomen.
Ook het vreemde aan Kerst vieren in de tropen bij 35° én met een geweer in de hand. Of de show van de Koninginnedagparade die hij daar twee keer heeft meegemaakt. 
Hij miste een stukje van een oorlel nadat hij bij het verlaten van een vrachtwagen ergens achter bleef haken. Dat bloedde hevig en hij heeft dagen met een verband om zijn hoofd gelopen. Hier zijn geen foto's van.
Sowieso zijn de twee albums vol met kleine zwart-wit kiekjes natuurlijk allemaal genomen op rustige, veilige momenten. Dit geeft mogelijk maar een deel van het leven daar weer, maar laat ook zien dat er af en toe tijd was om b.v. een bezoek te brengen aan de Borobudur.
Al met al hebben zijn verhalen en souvenirs altijd mijn interesse in de geschiedenis, cultuur en natuur van Indonesië gewekt. Ik heb dan ook een maand door Java rondgereisd om het zelf te proeven, te zien en te ruiken. Mooi om dan te merken dat mijn verhalen over de geur van de Kretek sigaretten ook mijn vader weer even terug brachten naar het Indië van toen.                                                        
 Door Martin Speeks  (Jr.)
Op 27 januari 2018 zijn Joop en Marianne  heel hartelijk en zeer gastvrij ontvangen door Martin en zijn vrouw Ingrid. Na een paar zeer fijne uurtjes werd het tijd om de legerkist in onze auto te laden. Echter de kist was te groot of onze auto toch nog te klein. De batik paste uiteraard wel. Twee weken later is Bart Oostvogels van de re-enactmentgroep het Vergeten Leger, de kist voor ons op gaan halen. Deze kist is met instemming van Martin Speeks op 26 mei jl, tijdens de reünie, officieel overgedragen aan de re-enactmentgroep. Bij hen zal steeds de legerkist bij hun activiteiten in het gehele land te zien zijn. De batik hangt voortaan iedere reünie in de zaal en krijgt, na de opheffing van de commissie en met instemming van Martin,  een heel goede en toepasselijke bestemming. Welke dat is houden wij tot dan  als verrassing.                                                                     
 

 

 

Nico Walbrecht, 2-7RI, overleden 
 
 

Nico Walbrecht, 2-7RI

Lieve man, pap, schoonvader, opa en overgrootvader,

*14 december 1927 - † 20 januari 2018

 

 
 
Maak je over mij maar geen zorgen
Ik kom wel waar ik zijn moet
Ik heb een goed leven gehad.’
 

Sobat Nico Walbrecht, was een toegewijd militair, vol reiservaring, levensgenieter, recht door zee, iemand met twee rechter handen, trouwe echtgenoot, fijne vader en schoonvader, geweldige opa en trotse overgrootvader. Nico is in de leeftijd der sterken thuis overleden.

Op 26 januari 2018 werd de crematieplechtigheid gehouden in de aula van crematorium Tussen de bergen in Roermond. Wij reisden van Hoogvliet, met de tijgerbanner, toespraak en gedicht naar het zuiden van het land om de laatste eer te bewijzen aan Nico Walbrecht. Zoon Nico was de eerste spreker. Hij vertelde het levensverhaal van zijn vader. Inclusief een zeer uitgebreid verslag van zijn militaire loopbaan. De door ons voorbereidde toespraak zou geen enkele toegevoegde waarde hebben gehad, dus werd ad hoc besloten om na de bezielende toespraak van zoon Nico alleen het speciale veteranengedicht voor te dragen. Joop bracht hierna de militaire eregroet aan de kist van sobat Nico Walbrecht.  

 Na de plechtigheid waren wij uitgenodigd voor de uitstekend verzorgde koffietafel. We hebben ruimschoots de tijd genomen om met de weduwe,  mevr. Cobi Walbrecht, de familieleden en met de overige genodigden aan de koffietafel te spreken. Juist bij deze gelegenheden is het vaak dat aanwezigen graag meer willen weten over de  veteranen en wat zij in Nederlands Indië hebben doorgemaakt.                                                                                corr.adres Hertogdom Gelresingel 21, 6071 XM Swalmen.    

 

 

AAT-er Jan van Erp overleden. 
 
           
Jan van Erp, korporaal, 21 AAT KNIL
lieve man, geweldige vader en fantastische opa  
3 juli 1927 -  11 januari 2018
‘Er valt een leegte die door niemand kan worden opgevuld
En dat is het grootste eerbetoon dat wij hem kunnen geven
Bijzondere mensen sterven niet
Ze gaan wel maar blijven ook voor altijd.’
 
Op woensdag 17 januari 2018 was de afscheidsdienst in de aula van het crematorium Berkendonk te Helmond. Wij, Joop en Marianne, waren hierbij aanwezig met de Tijgerbanner. Hoewel Jan KNIL- er was, heeft hij zich sterk verbonden gevoeld met 2-6RI. “Ik ben destijds door 2-6RI geadopteerd” vertelde Jan ons meerdere malen. Vandaar dat wij ook het embleem van 2-6RI in zijn in memorium hebben geplaatst.
Dat Jan een intensief druk leven heeft gehad, beschreven wij in de Sepatoe Roesak van december 2017. Hoeveel indruk Jan heeft achtergelaten in de leefgemeenschap van Helmond, was duidelijk te merken aan de grote opkomst bij het afscheid van Jan. De sprekers, waaronder een afgevaardigde van de carnavalsvereniging waarin Jan actief was, haalden veel herinneringen op in toespraken met een traan maar ook een warme lach.  Joop memoreerde het Indiëverleden van Jan, zijn worsteling met dat verleden in de jaren daarna, en zijn trouwe reüniebezoek. Joop sloot zijn toespraak af met een toepasselijk gedicht. Hierna bracht hij de militaire eregroet bij de kist van sobat Jan. 
 

                                                                                                            foto:Joop Pragt
 
Na afloop van de plechtigheid waren wij uitgenodigd in de koffiekamer van het crematorium waar wij uiteraard de familie de condoleances overbrachten namens alle sobats. Zoals het gaat na een afscheid werden er nog veel herinneringen opgehaald door familie, vrienden en kennissen. Een goed mens is heengegaan. Dag Jan. Fijn dat we in een klein deel van je leven mochten zijn.
Corr.adres: Kortenaerstraat 65, 5703 CA, Helmond. 

 

Terug naar index