Bezoeken aan sobats in 2018

  Cor Dudok, 2-6RI.  

 
  
 

 
Op 10 december 2018 bezochten we familie Dudok in Lage Zwaluwe. 
Het was een hernieuwde kennismaking met één van de maatjes van mijn vader. 
Hoe dit bezoek verliep kunt u binnenkort hier lezen. 
 

 

 

7 december herdenking Schaarsbergen. 

 
 
 

 
Op 7 december 2018  waren wij aanwezig bij de herdenking 7 decemberdivisie. 
Meer hierover volgt later. 
 

De jaarlijkse 7decemberdivisieherdenking in Schaarsbergen

 

Uiteraard waren wij op vrijdag 7 december 2018 weer aanwezig bij deze herdenking. Dit keer geen storm of sneeuw, wel regen. Netjes werd iedereen per touringcar van het station naar de kazerne gebracht. Geen grote tent meer i.v.m. het teruglopend aantal bezoekers, maar werden wij deze dag in de recreatie- en filmzaal ontvangen. Het kan niet anders zijn dat we op een dag als deze weer veel bekenden tegenkomen. Maar ook met onbekenden raakten wij regelmatig aan de praat. Wij zijn niet bang om een praatje aan te knopen.

De herdenking was weer plechtig en goed verzorgd. De erwtensoep smaakte weer als vanouds en had gretige aftrek bij de bezoekers van alle rangen en standen.

Eén van de ons bekende sobats, Willem Kloos, AAT, kwam vervelend ten val in de herentoilet en werd naar het ziekenhuis begeleid door defensiepersoneel en later in Rotterdam thuis gebracht. Willem liet de volgende dag weten dat hij graag iedereen wilde bedanken  die hem zo goed hebben opgevangen. Alle lof! Wij reisden aan de eind van de goed georganiseerde dag met o.a. Pieter Paulusma, 1RS en Hans van Oirsouw, AAT, gezellig met de bus terug naar het station Arnhem. Hier scheidde onze wegen. “Tot een volgende keer!”

 

 

 

Op bezoek bij Rense de Roode, 2 Mil.Bat. 

 
 
Op maandag 12 november bezochten wij Rense de Roode en zijn vrouw Hetty de Roode. 
Het verslag van dit bezoek leest u later. 

 

 

 

Op bezoek bij Marinier Nico Kruininger 

 
 

Op zondag 11 november bezochten we marinier Nico Kruininger in Zevenaar. 

Zijn verhaal leest u ook later.

 

 

 

Op bezoek bij Nelly en Helma Janssen in Mook 

 
 
 

Op zondag 11 november bezochten we Stotersweduwe Nelly Janssen en dochter Helma. 

 

 

 

Op bezoek bij Stoter Wim van Vorselen 

 

 

Op 9 november bezochten wij stoottroeper Wim van Vorselen en zijn vrouw in Nijmegen..
Zijn relaas leest u ook hier later nog . 

 

 

 

 

sobat Cor Polak, 2-6RI, overleden  

 
 
        Cor Polak, Ost Cie, 2-6RI, soldaat 

17 augustus 1925  -  27 oktober 2018 

lieve zorgzame pa en opa 

 

Het is toch heel mooi wat Jezus allemaal voor ons heeft gedaan…
Ik hou ervan ….dit laat ik niet los….”.
Waren woorden van sobat Cor Polak, een paar dagen voor zijn overlijden.
 
Op vrijdag 2 november was er een samenkomst voor een dienst van woord en gebed, waarin dankbaarheid werd stilgestaan bij wat Cor Polak in zijn leven mocht ontvangen en wat door hem werd gegeven. De dienst werd gehouden in de kerk van de protestantse gemeente te Lage Zwaluwe. 
 
 
 
Aansluitend aan de dienst vond de begrafenis plaats op de bij de kerk gelegen begraafplaats. Hierna was er gelegenheid voor persoonlijke ontmoeting en condoleance in het verenigingsgebouw “Ons belang” naast eerder genoemde kerk. Wij, Joop en Marianne, waren deze dag ook aanwezig. Zonder banner, toespraak en gedicht, conform de wens van de familie, maar wel met de  gedachten dat wederom een maatje van Marianne haar vader ons is ontvallen. Zij sterven uit de veteranen, ook die van 2-6RI! 

 

Dat er niet altijd alleen verdriet is op zo’n begrafenis, blijkt maar eens te meer als Marianne het maatje van Cor Polak, maar ook van haar vader, Cor Dudok, 2-6RI, de kerk binnen ziet komen, samen met zijn vrouw. Bij de koffie is het een heel blij  weerzien. 

                                                 Familie Dudok, we komen snel bij jullie langs hoor!
                                                                                                        

 

 

Zonder tolk in Lage Zwaluwe bij Cor Polak op de koffie 
 
 
Sobat Cor Polak moest vanwege renovatie van zijn aanleunwoning verhuizen naar een geheel nieuw gebouw. Wij gingen op 6 september kijken hoe verhuizing hem was vergaan. Het was een hele klus om het verhaal  van Cor Polak te vertalen uit het zwaar Brabants dialect naar het Nederlands. Hetgeen wij hebben kunnen begrijpen, leest u in dit verslag.

 foto Joop Pragt
 
Er zijn buiten nog volop bouwactiviteiten rond het nieuwe verzorgings-huis waar Cor Polak, 2-6RI, net naar toe is verhuisd. De stoepen moeten nog worden aangelegd. Bouwmaterialen afgevoerd. Genoeg beweging om de hele dag te bekijken.
Cor Polak is blij ons te zien. “Binnen is al veel op orde.  De klok moet nog worden opgehangen en ook 
de schilderijen, maar dat hoef ik niet te doen. Dat komen ze later nog doen.
 
Het lopen gaat moeilijk tegenwoordig.”  “Dan sturen we u niet meer op patrouille,” stelt Marianne hem gerust. “Het is wat hoor, op uw leeftijd nog verhuizen,” zegt Marianne. “Ouwe bomen hè,” antwoordt  sobat Cor Polak. “Net als vroeger in dienst zo vlug en vlot, dat is het niet meer. Alles is langzamer geworden,” zegt meneer Polak berustend.
 “Ik keek net bij de naambordjes hier beneden en ik zie een hoop bekende namen van de orde dienst waarbij ook mijn vader heeft gezeten en van 2-6RI.,” valt Marianne in. “Ik zag ook Dudok, maar dat is niet Cor Dudok van 2-6RI, want  die woont hier schuin tegenover dit complex, toch?” “Cor Dudok komt uit de 4e compagnie, net als ik. Hij was de carrierchauffeur”, zegt Polak. “We hebben samen in Salatiga in tenten gezeten. Daar vergingen we van de muggen en wie moest er op wacht? Ik!
Ik ben in Lage Zwaluwe geboren,” vertelt sobat Polak. “Mijn vader heeft in Rotterdam gewerkt. Net voor de crisistijd. ‘s Winters  maakte hij hoepels. Voor om de tonnen. Dat was zijn werk. In de zomer verhuurde hij zich als knecht bij de boeren in de Hoekse waard, Zevenbergen en al wat meer. Dat was vroeger zo.  Moeder was gewoon huisvrouw. We hadden een flink huishouden hoor. Met vader en moeder erbij, tien man. Ik was de jongste op één na. Ik ben het oudste geworden van allemaal. Drieënnegentig jaar! Of ik de sterkste ben dat weet ik niet maar ik heb de langste adem, dat wel,”zegt sobat Cor lachend. 
“Ik ging in Lage Zwaluwe naar de lagere school. Die heb ik helemaal afgemaakt. Amper. De broer boven mij die kon goed leren. De één hebt alles en de ander niets. Toen ik van school afkwam, heb ik veel in de Biesbos gewerkt. Waterwerken. Stenen verzuipen.” “Echt stenen verzuipen?” roept  Marianne verbaasd. “Wat zegt u nou toch?” “In stukken maken,” legt sobat Cor uit.  En ’s zomers werken bij de boer. Dat was toen zo.
Ik was veertien toen de oorlog uitbrak. Ik moest in de arbeitsdienst. Dat was dan de zogenaamde vervanging van het Nederlands Leger. Ik moest naar Gramsbergen.  In de kop van Overijsel. Nee, ik ben niet opgepakt, maar moest opkomen voor mijn dienstplicht. Een half jaar naar Overijssel. Hard werken en strenge discipline. Een soort militaire opleiding.  We hadden Hollandse militaire kleding maar die hadden ze geverfd. En wat donkerder groen. Ik weet nog goed joh, ik was nogal een gezet ventje en toen kwam de inspectie, weet je wel en toen was der bij mij een knoop los. Nou ja, het waren die  oude soldatentenues die we  hadden. Een knoop met een oogje. Dus ik dee er een lucifer-houtje ertussen! Nou, dat had die snel in gaten.  Hij rukte de knoop meteen er af. Ik moest het binnen tien minuten gemaakt hebben. Ik had een ijzerdraad gevonden en daarmee de knoop goed vast gebon-den. Nou dat had die niet in de gaten. Die haalde  die er niet af. Met hoeveel wij daar waren? Zes barakken. Ongeveer 120 man denk ik wel. Ik moest er ook werken. De hei ontginnen met een spa.
Nee, ik hoefde geen loopgraven te graven. Dat moest je voor de Duitsers doen.. Het eten was niet veul, maar wel lekker. Het waren Hollandse koks daar. Ja, ik had altijd honger als jong zijnde.  We hadden het niet breed hoor. Van Gramsbergen moesten we naar de Noordoostpolder. Voor een boer werken, sloten graven en zo. Ik moest dat omdat ik al eerder bij de boeren had gewerkt. Wij moesten voor de voedselvoorziening voor de soldaten zorgen. Dat was een half jaar.
We gingen terug met de trein van Lemmer naar Bergen op Zoom. Toen we bij Utrecht kwamen, dachten we, wat is het hier toch stil. Toen kwam er oudere dame en die zei: Stt, zachtjes en je verbergen. Ze hebben er één hier doodgeschoten. We gingen verder door naar Lage Zwaluwe. En toen werd de trein beschoten. Net over de brug.  Dat waren de Duitsers nog. De bevrijding was in november 1944. Er is toen nog heel veel geschoten vanuit Zevenbergen en zo.”
Marianne vraagt aan sobat Polak hoe hij bij 2-6RI terecht is gekomen. “2-6RI was makkelijk, ” antwoordt  hij.  “Hier via de O.D. (Ordedienst) in Lage Zwaluwe. We kregen een Duits wapen. Die wapens kregen we van de commandant van de ordedienst. We schoten ook met mitrailleurs. Wij bewaakten de dijken en controleerden wie er over kwamen. Hoe ik heb leren schieten? Zelf geleerd en dat ging goed. Ik kon goed schieten! Er waren er die achter de mitrailleur lagen en werden weggeslagen door de terugslag.  Daar moet je wel goed bij opletten. Ik vertelde dan dat ze hem tegen zich aan moesten houden anders slaat zo’n ding je helemaal in elkaar hoor. Want dat zijn opdonders die je krijgt hoor.”
“Hoe bent u van de OD dan bij 2-6RI gekomen?” vraagt Joop. “Ik heb me aangemeld als oorlogsvrijwilliger.  Ik wilde dat eens zien. Het was zo, we moesten toch naar Indië. Vrijwillig of dienstplichtig.  Ik had mijn dienstplicht. Maar ben toch vrijwillig meegegaan. Ik ben opgekomen in Vught. De Frederik Hendrikkazerne. Daar hebben we ook nog een keer een ontploffing gehad. We waren klaar met oefening en stonden op de appelplaats.  Er lag nog allemaal Duitse munitie  opgeslagen  en hoe dat  gegaan is weet ik niet zo, maar toen wij daar in de houding stonden is de boel ontploft. Er waren jongens bezig die opdracht hadden gekregen om een extra zeil over die berg te  leggen tegen de warmte en toen ging het mis. Dat waren jongens van Lage Zwaluwe:Gerrit Aartsen en Bernard Welten. Er waren veel gewonden. Ik niet, een mens mag ook wel eens geluk hebben hoor.”
 
U zit dan in Vught in opleiding bij de oorlogsvrijwilligers ,” pakt Marianne de draad weer op.  “Met hoeveel we daar zaten? Ik denk wel een bataljon. Duizend man dus ongeveer. Wij waren II-6RI. Later werd dat gewoon 2-6RI.  We kregen veel oefeningen in Vught. Er zaten erbij die konden nog geen tentje maken. Oefeningen op de hei.”
“Weet u nog namen van jongens met wie u daar samen bent geweest?” 
En weer vertelt sobat Polak een stuk verhaal, dit keer over het begin van de oorlog, maar we kunnen het niet volgen. Joop zegt: “Begrijpt u dat wij heel goed moeten luisteren naar wat u zegt. U spreekt in een zwaar dialect, wij spreken gewoon Rotterdams.” Hier moet sobat Polak hard lachen. “Ja, das waar! Maar ik versta jullie goed!” zegt hij lachende.
 
“Je hebt de opleiding hier gehad en dan moet je naar Indië. Hoe vonden ze het thuis dat u naar Indië ging,” vraagt Joop. “Ik weet niet meer of ik wel afscheid van thuis genomen heb. Dat is ook zo lang geleden. We hadden in Vught veel jongens vanuit Hoge en Lage Zwaluwe, Breda, Zevenbergen,  Klundert en omstreken. Brabanders. De Limburgers kwamen er later pas bij.  Van Vught zijn we naar Sittard gegaan en toen is alles samengekommen. ’s Nachts zijn we met zijn allen vanuit Sittard met de trein naar Calais gegaan.
 
Ik weet nog wel dat er op een gegeven moment een NSB-er tussen de vluchtelingen zat. En over zijn daden zat op te scheppen. Dat had die niet moeten doen. Eén van onze jongens zijn vader was doodgeschoten door zulke lui! Hij vroeg hoeveel hij er had vermoord. Hij moest mee naar buiten. Kom jij maar hier even bij de muur staan.  Hij schoot em dood hoor. Ik heb er niks van gezien. Maar  ‘t is wel gebeurd.”
 
“U gaat dan met de boot van Calais naar Engeland. Had u al eerder gevaren op zo’n grote boot?”vraagt Marianne nieuwsgierig.  “Nee, nog nooit. Wel in een roeibootje. En ik ben zeeziek geweest. Erg hoor. Toen vertrokken we uit Engeland, door de golf van Biskaje en daar ging het te keer. Toen stond der ene boven, we zaten toen op de Nieuw Amsterdam en die kotste precies over mijn baret. Ik pak die baret en die donder ik weg. Weg ermee, hij zat helemaal onder de kots. Ik kreeg op mijn donder van kapitein Koppenol en ik moest met een helm op lopen. Die kapitein Koppenol was van de Brabanders. Van de Limburgers was dat kapitein Vaessen. We hadden ook nog een sergeant Vaessen. Of dat familie van elkaar was, dat durf ik niet te zeggen. In Wockingham, Engeland, hebben we niet zo lang gelegen, een week of drie, vier. We deden daar niet veul. Het was november, koud en mistig hoor. We lagen in nissenhutten. Vanuit Engeland, Southampton, gingen we naar Malakka.
 
Toen we op Malakka aankwamen, dat vond ik mooi. Maar warm. Het was net als  een bord erwtensoep hé! Groen en warm! Op Malakka moesten we dan een soort van patrouille lopen. Toen was die kapitein Koppenol de weg kwijt!” Hier lacht Polak heel hartelijk. “Wij lopen en lopen. Of dat ie een beetje Maleis kon dat weet ik niet, maar hij had begrepen dat we rond moesten lopen. Toen kwamen we steeds op dezelfde plek uit!!!
Met de Sommelsdijk gingen we van Malakka later naar Indië toe. Ik denk we dat met een heel bataljon aan boord waren, want der kennen er een hoop in hoor. Het was vier dagen varen. Nee, ik was niet meer zeeziek. Wel kreeg ik kiespijn! En gene dokter hè. Pas toen we in Indië waren kon ik naar de tandarts. Ik vroeg hem of hij mijn kies kon trekken. Kom je van Zwaluwe,  zegt die. Ik ook! Was het de tandarts uit Zwaluwe!!! Tandarts den Engelse. Echt waar!
 
Ik ben in Indië opgeleid voor mortierrist.  In Semarang. Daar zijn we opnieuw ingedeeld in meerdere compagnieën. Ik zat bij de ondersteuningscompagnie. De zware mortieren.  Ik zat daar met Cor Dudok, Therez van Turnhout, Gerrit van Gils, Jan Wijers, die was onze sectiecommandant die was goed bij,  Rinus de Graaf, Kees de Rodijnen en Jan de Rodijnen, Cor Lucas, die had dat witte haar, Janus van der Made, van der Meij, van ’t Schip, Jansen, Lies Hansse, die is op stap geweest met een halfbloedje. Turnhout was een ordonnans. Therez Turnhout, hij had zijn motor overal bij zich.
“U noemt alle namen op, die mijn vader ook opnoemde,”zegt Marianne verrast. “Dat kan, maar toch zat jouw vader niet bij ons in de sectie,” antwoordt sobat Polak. “In Indië was er nog een Polak. Die is daar gesneuveld. En Bas Beversluis die was ziek. Ik wist dat die eigenlijk niet goed gekeurd was. Hij was ook vrijwilliger. Die wilde zo graag mee. Sobat Polak gaat door: “Kapitein Veldman, die herinner ik mij ook nog goed. Dat was ’n goeie! Het was allemaal heel erg wat er met Veldman en Fick is gebeurd. Ook een goeie was Generaal Spoor. Ik las eens in een van de boekjes Sepatoe Roesak het leuke interessante interview met zijn vrouw. Dat was mooi.” Sobat Polak zit zichtbaar te genieten van alle verhalen.“Sjoerd Jorritsma weet ik nog te herinneren,” somt Polak op. "Oh ja, die was zwarte Piet!" roept Marianne weer. “En Woutje Spoor, die zat ook bij ons. Die kon goed boksen!"
 
  foto's Joop Pragt  
Sobat Polak vertelde bij ons eerste bezoek in 2011dat hij jammer genoeg  nog maar een paar fotootjes had. "De watersnoodramp hè", zuchtte hij toen. "Alles zat onder een dikke laag modder.  Wel anderhalve meter hoog. Ik ben ook mijn kleine speldje kwijt. Die met het helmpje." "De demobilisatiespeld" wist Marianne. “Mijn veteranenspeld is ook weg”, vertelde sobat Polak verdrietig.
Omdat Marianne van haar vader van beide speldjes twee had, besloot ze van ieder één aan zijn oud- maatje Cor Polak te geven. En enkele foto’s van sobat Cor en zijn makkers.  Marianne’s vader zou dat bij leven zelf ook gedaan hebben.
 
“Ik ben drie jaar in Indië geweest. Ik was soldaat en ben soldaat gebleven. Ik was te lomp. We kregen een keer een aanval en kapitein Koppenol  zei ‘terugtrekken’ en toen was er ene bij die gooide de steun weg.  Ik was schutter van het mortier. Dus ik had die grondplaat. En die was zwaar en een onhandig kreng om te sjouwen.” “Pa vertelde dat ook en dat je beter de loop kon dragen, zo voor je op de buik. Dan kon je er nog lekker je armen op laten rusten", zegt Marianne. “Precies zo ja”, glimlacht sobat Polak. Maar die terug trok zonder de steun, dat was de derde man. Die moest de steun meenemen. Was ik nog zo gek om ook die steun nog mee te nemen.”
 
“Schreef u brieven naar Nederland,” vraagt Joop. “ Ja, ik schreef brieven hoor.”“En kreeg je nog antwoord ook,” vraagt Joop lachend.
“Had u in Nederland verkering?” “Jawel, ik had al verkering voor ik naar Indië ging.” “Hoe heeft u haar leren kennen dan?” “Ik kon ze al van te voren, vanuit het dorp. Kijk daar staat nog een foto van haar.”
“U correspondeerde dus met haar,” stelt Joop vast. “Ja! We hebben het samen goed gevonden dat we gingen trouwen. Nee, niet gelijk toen ik terugkwam! Je moet toch eerst de kat uit de boom kijken. Je kan toch niet alles weten. Ja, dat valt ook niet mee dan hoor.  In 1952 zijn we getrouwd.
Na terugkeer ben ik weer in de landbouw gegaan en in de bouw heb ik ook nog gezeten. Toen was er genoeg werk hoor. En op het laatst nog 23 jaar in de wegenbouw. Daar heb ik nog wel eens voor in Rotterdam en omstreken gezeten. Op 60jarige leeftijd ging ik met pensioen. Ik ben daarna nog koster geweest en zelfs ook nog grafdelver. Ik heb veel vrijwilligerswerk voor de kerk in Lage Zwaluwe gedaan.
 
Ik heb twee kinderen.  Eén die is leraar op een HBS. De ander, die is veel jonger, zit in de containers. Ik heb vijf kleinkinderen. Nee, geen achterkleinkinderen. Of ze daar voor aan het oefenen zijn dat weet ik niet,” zegt hij schalks lachend.
“Ik wil in beweging blijven,  ik heb altijd veel gelopen en veel gefietst. Maar ik heb nou mijn teen geblesseerd in het zwembad. Anders ga ik regelmatig zwemmen.
Of ik nog contact met andere veteranen heb? Nee, hier in huis zijn er geen, alleen aan de andere kant, daar woont Cor Dudok. Daar heb ik dikwijls contact mee hoor. De rest is allemaal dood. We moeten er allemaal een keer aan geloven. Ze slaan er geen eentje over.”
En dat bleek wel. Op 27 oktober 2018 overleed sobat Cor Polak.

 

 

De stokjes worden overgedragen 
 
 
Op 6 september waren wij door Regiment- en bataljonscommandant Luitenant-kolonel Ralph Goossens, uitgenodigd om op de Generaal Majoor de Ruyter van Steveninck-kazerne te Oirschot aanwezig te zijn bij de stokoverdracht van de Regiment en Bataljonsadjudant 42 Pantserinfanteriebataljon Limburgse Jagers adjudant Paul L.C. Paijens aan adjudant J.F.H. van de Voort. Adjudant Paul Paijens heeft u in de afgelopen jaren kunnen ontmoeten op de reünies. Hij is de adjudant van zowel overste Ralph Goossens en overste Ramon Jansen geweest. 
 
Paul, zo mogen wij hem noemen, was degene die o.a. de busjes regelde voor de reünies. Paul is vervent PSV- aanhanger en dat is zijn probleem zou Joop, als rasechte Feyenoord- fan, later in zijn bedanktoespraak tegen Paul zeggen. Paul stelde ons, in zijn toespraak, op in zijn Limburgse Jagers Elftal. Met onze opstelling in zijn elftal heeft Paul vooral Marianne emotioneel geraakt. Tijdens zijn aanwezigheid bij onze reünies is het voor hem een oogopener geweest te zien  hoe belangrijk het samenzijn voor de veteranen is. Paul, dank je wel voor je inzet voor onze veteranen en wij wensen jou het allerbeste toe. Tot ziens! Adjudant van der Veen, jij bent, net als jouw voorgangers,  van harte welkom op onze reünies. Voor zowel de scheidende adjudant als de aantredende adjudant hadden wij toepasselijke presentjes bij ons. 

 

 
 
 

 

Willem Hilverts overleden

 
l
Willem Jan Hilverts, 1-3RATA, 5e Veld art.
Lieve man, lieve vader, opa en overgrootvader en opa Venlo
*11 augustus 1925 - † 6 november 2018
    
Het is ons maar geleend
de vele mooie dingen.
Ons onbetwistbaar eigendom,
zijn de herinneringen.
 
Nog terwijl wij bezig zijn met het corrigeren van bovenstaand verslag van ons bezoek aan de familie Hilverts, komt via de e-mail een bericht van zoon Jurrien binnen. “Hij,  sobat Willem Hilverts, is afgelopen dinsdagavond in zijn slaap na een kort ziekbed overleden. Van de laatste bijeenkomst op 26 mei in Vught heeft hij genoten.” 
De crematieplechtigheid vond plaatst op 13 november 2018 om 12.00uur in crematorium Amersfoort in Leusden. Helaas was het voor ons niet mogelijk om bij deze plechtigheid aanwezig te zijn. 
Via Jurrien is er contact geweest met de naaste familie.
Corr.adres.J. Hilverts, de Maten 31, 3831 PJ Leusden 

 

 

 

Gerrit Overkleeft overleden 
 

Gerrit Overkleeft, 2-7RI

Sinds 3 juli 1987 weduwnaar van Jantina Reiziger.

*21 februari 1925 - †28 januari 2018

        

 

Gerrit Overkleeft stond bij ons bovenaan de wachtlijst van nog te bezoeken sobats. Helaas overleed sobat Gerrit Overkleeft eerder dan dat wij een afspraak hebben kunnen maken. 

Op vrijdag 2 februari 2018 werd de uitvaartdienst gehouden in de aula van de begraafplaats Beukenhage in ’s Gravenzande. Uit de zeer uitgebreide toespraak van Klaas  Hoekstra, contactpersoon,en uit de meditatie van spreker Dick Voogd,  bleek dat sobat Gerrit niet één van de makkelijkste personen was. Maar wanneer Marianne de sobat opbelde, sprak hij graag over zijn tijd in Nederlands Indië. Dat hij via 2-9RI bij 2-7RI, het Amsterdamse bataljon, werd ingedeeld. Dat hij daar een ‘aardige’ tijd heeft gehad. En doordat hij de taal vrij goed kende, er fijne mensen had ontmoet. “Een mooie vakantie geweest op alle tragische gebeurtenissen na,” vertelde hij. Hij raakte gewond toen hij op een bom was gereden, waarbij hij 5tot 6 meter door de lucht vloog. Ondanks dat had hij zijn dienst in Nederlands- Indië niet willen missen en had graag eens terug gewild. Echter, vergat de juiste injecties te halen. Van uitstel kwam afstel. 

Wij stelden onze aanwezigheid bij het afscheid niet uit. Met de Tijgerbanner opgesteld achter de kist hield Joop zijn toespraak waarin het OVW-er zijn en 2-7RI werd belicht. Na  een toepasselijk gedicht voorgedragen te hebben eindigde  Joop met een militaire eregroet bij de kist van Gerrit Overkleeft. De kist onder de gezamenlijke zang van ‘U zij de glorie’ de aula uitgedragen en naar het familiegraf gebracht.  Hier werd sobat Gerrit Overkleeft bijgezet in het familiegraf. Na afloop was er gelegenheid om elkaar in de aula te ontmoeten.

      door Marianne/ foto’s overkleeft Gerrit: Jan Klop, foto begraafplaats Joop Pragt .

 

 

 

Overleden:  Gerrit Gleijm, 5e genie veld comp 

 
 

Gerrit, (Ger)  Willem Gleijm, korporaal, 5e Genie Veld comp.

Echtgenoot, vader, schoonvader, opa.

*28 maart 1926 - †20 januari 2018 

Altijd samen in gedachten,
In gedachten voor altijd samen.
Wat zo diep in het hart zit gaat door de dood niet verloren
De herinnering aan een geweldig mens is geboren 
 
 
Zo schrijven wij in ons boekje van december 2017 nog het verslag van ons bezoek aan de familie Gleijm en zo krijgen wij het bericht van het overlijden van sobat Ger Gleijm. Hij was aan het sukkelen gegaan met de gezondheid, meerdere keren gevallen en werd opgenomen in de verzorging. Hij daar en zij nog thuis. Samen, maar toch alleen. En dan, is het ineens voorbij. Een sobat is ons ontvallen. ‘Ons lachebekkie’, zoals wij hem noemden. Altijd die lach op zijn gezicht, altijd genietend van alles om hem heen.
 
Op maandag 29 januari 2018, een sombere januaridag met gutsende stortbuien, waren wij aanwezig bij de crematieplechtigheid in de aula van crematorium Amersfoort in Leusden.  
 
De kist stond zodanig opgesteld dat deze van drie zijden werd omringd door de aanwezigen, met de naaste familie aan het voeteneind. Het voelde aan als: je bent nog één keer in ons midden. Wij omringen je nog éénmaal.”  Toespraken van zoon Ron en de twee kleindochters, waaruit ieders bijzondere liefde voor Ger Gleijm duidelijk naar voren kwam.
Joop belichtte het soldatenleven zoals sobat Ger dat nog maar kort geleden zelf aan hem vertelde. Hierna droeg Joop een passend veteranengedicht voor.
Met een militaire eregroet bij de kist sloot hij zijn voordracht af.
Na de plechtigheid was er een samenzijn in de ontvangkamer. Ook hier waren er vragen en gesprekken over de Indië- periode. Ook door heel jeugdige aanwezigen die zeker Joop graag veel vragen wilden laten beantwoorden. Wat hij naar beste kunnen heeft gedaan. Na afloop van het samenzijn waren wij, Joop en Marianne, uitgenodigd door de familie om mee te gaan naar het favoriete pannenkoekenboerderij van sobat Ger Geleijm,  de Smickel in Soest, om daar samen met hen herinneringen te delen, maar ook te genieten van de  heerlijke pannenkoeken. Hierbij bedanken wij nogmaals de familie Gleijm voor deze heel bijzondere uitnodiging. Wij vonden het een eer om zo samen met de familie van ‘ons lachebekje’ deze droevige dag af te mogen sluiten. 

Corr.adres: Soesterbergsestraat 111,app.214, 3768 MA Soest

 

 

 

Van een te grote legerkist of te kleine achterbak 
 
Valkenswaard, 27 Jan. 2018
 
 
Mijn vader, Dpl Korp. M.H. (Martien) Speeks, van 1927-07-17, heeft in de periode  1947 – 1949  in Ned. Indië gediend bij de LTD 717  "T"-Brigade, beter bekend als de ‘Tijger’ brigade. Hij heeft, behalve een enkele hint naar mindere belevenissen, naar ons toe altijd alleen gesproken over de fijne dingen die hij daar heeft meegemaakt. Op 20 Sept 2012 is hij overleden en afgelopen Dec’17 is ook mijn moeder overleden. Dan komt de taak om alle bekende spullen uit het ouderlijk huis op te ruimen of een goede bestemming te geven.

Van zijn Indiësouveniers zijn dat, naast diverse stukken houtsnijwerk, o.a. de bekende Javaanse man- en vrouwenhoofden in verschillende maten, opberg kistjes en Yogyazilver en zijn Tijgerspeldje, ook zijn repatriëringkist en een herinneringsbatik aan zijn diensttijd op Java. 

Die kist is best groot, 54 x 64 x 92 cm, en hoewel ik hem heel bijzonder vindt en er goede herinneringen aan heb, is het lastig hem een gepaste plek in huis te geven. Via het veteraneninstituut kwam ik in contact met de veteranenvereniging van de Tijgers. Dit was zo warm en hartelijk dat ik al snel besloot de kist en batik aan hen te schenken. Zo kunnen die dierbare spullen mee helpen de geschiedenis levend te houden. Dank jullie wel, Marianne en Joop voor het vele en goede werk dat jullie doen !
 
 
                                    De repatkist: Toen, Dec 1949 en nu, Dec 2017.
 
 
Van Pa's verhalen weet ik de meeste nog goed te herinneren. Bij de LTD was het leven relatief veilig. Als 'verbindelaar' bij de verbindingsdienst was hij vaak in een werkplaats bezig, maar in een colonne reden ze wel vooraan met een Jeep met een ‘wire cutter’ om te beschermen tegen over de weg gespannen draden.
Een keer toen hun kamp beschoten werd hebben ze een langspeelplaat met geweervuur afgespeeld over de grote luidsprekers die rondom stonden om het aantal manschappen aan eigen zijde veel groter te laten lijken dan het er eigenlijk waren. En als ze door de sawa's liepen wisten ze nooit zeker of de hardwerkende boeren die met hun patjol aan het werk waren even later niet een geweer tevoorschijn zouden halen. Verder vooral verhalen over de lekkere vers geperste sinaasappelsap, de smakelijke ananassen, de vriendelijke mensen, het lekkere lokale eten en de mooie natuur. Een enkele keer naar de bioscoop 'Rex' en achteraf nog even wat Sate's eten.
Later, thuis was hij het dan ook die regelmatig de Nasi-Goreng klaarmaakte.
Natuurlijk schreef hij regelmatig naar huis. Een keer was halverwege de brief zijn inkt op en ging hij door met potlood. Hij schreef echter iets als, "Oh, ze schieten net de pen uit m'n hand, ik ga maar met potlood verder". Dat werd hem thuis niet in dank afgenomen.
Ook het vreemde aan Kerst vieren in de tropen bij 35° én met een geweer in de hand. Of de show van de Koninginnedagparade die hij daar twee keer heeft meegemaakt. 
Hij miste een stukje van een oorlel nadat hij bij het verlaten van een vrachtwagen ergens achter bleef haken. Dat bloedde hevig en hij heeft dagen met een verband om zijn hoofd gelopen. Hier zijn geen foto's van.
Sowieso zijn de twee albums vol met kleine zwart-wit kiekjes natuurlijk allemaal genomen op rustige, veilige momenten. Dit geeft mogelijk maar een deel van het leven daar weer, maar laat ook zien dat er af en toe tijd was om b.v. een bezoek te brengen aan de Borobudur.
Al met al hebben zijn verhalen en souvenirs altijd mijn interesse in de geschiedenis, cultuur en natuur van Indonesië gewekt. Ik heb dan ook een maand door Java rondgereisd om het zelf te proeven, te zien en te ruiken. Mooi om dan te merken dat mijn verhalen over de geur van de Kretek sigaretten ook mijn vader weer even terug brachten naar het Indië van toen.                                                        
 Door Martin Speeks  (Jr.)
Op 27 januari 2018 zijn Joop en Marianne  heel hartelijk en zeer gastvrij ontvangen door Martin en zijn vrouw Ingrid. Na een paar zeer fijne uurtjes werd het tijd om de legerkist in onze auto te laden. Echter de kist was te groot of onze auto toch nog te klein. De batik paste uiteraard wel. Twee weken later is Bart Oostvogels van de re-enactmentgroep het Vergeten Leger, de kist voor ons op gaan halen. Deze kist is met instemming van Martin Speeks op 26 mei jl, tijdens de reünie, officieel overgedragen aan de re-enactmentgroep. Bij hen zal steeds de legerkist bij hun activiteiten in het gehele land te zien zijn. De batik hangt voortaan iedere reünie in de zaal en krijgt, na de opheffing van de commissie en met instemming van Martin,  een heel goede en toepasselijke bestemming. Welke dat is houden wij tot dan  als verrassing.                                                                     
 

 

 

Nico Walbrecht, 2-7RI, overleden 
 
 

Nico Walbrecht, 2-7RI

Lieve man, pap, schoonvader, opa en overgrootvader,

*14 december 1927 - † 20 januari 2018

 

 
 
Maak je over mij maar geen zorgen
Ik kom wel waar ik zijn moet
Ik heb een goed leven gehad.’
 

Sobat Nico Walbrecht, was een toegewijd militair, vol reiservaring, levensgenieter, recht door zee, iemand met twee rechter handen, trouwe echtgenoot, fijne vader en schoonvader, geweldige opa en trotse overgrootvader. Nico is in de leeftijd der sterken thuis overleden.

Op 26 januari 2018 werd de crematieplechtigheid gehouden in de aula van crematorium Tussen de bergen in Roermond. Wij reisden van Hoogvliet, met de tijgerbanner, toespraak en gedicht naar het zuiden van het land om de laatste eer te bewijzen aan Nico Walbrecht. Zoon Nico was de eerste spreker. Hij vertelde het levensverhaal van zijn vader. Inclusief een zeer uitgebreid verslag van zijn militaire loopbaan. De door ons voorbereidde toespraak zou geen enkele toegevoegde waarde hebben gehad, dus werd ad hoc besloten om na de bezielende toespraak van zoon Nico alleen het speciale veteranengedicht voor te dragen. Joop bracht hierna de militaire eregroet aan de kist van sobat Nico Walbrecht.  

 Na de plechtigheid waren wij uitgenodigd voor de uitstekend verzorgde koffietafel. We hebben ruimschoots de tijd genomen om met de weduwe,  mevr. Cobi Walbrecht, de familieleden en met de overige genodigden aan de koffietafel te spreken. Juist bij deze gelegenheden is het vaak dat aanwezigen graag meer willen weten over de  veteranen en wat zij in Nederlands Indië hebben doorgemaakt.                                                                                corr.adres Hertogdom Gelresingel 21, 6071 XM Swalmen.    

 

 

Gebakken banaan en het verhaal van Elly v.d. Wetering 
Marianne vindt in haar archieven nog een gesprek dat in 2016 bij een bezoek aan Menno en Elly v.d. Wetering opgenomen. Vooral omdat in dit gesprek ook Elly haar verhaal vertelt, zetten wij  dit verslag alsnog in deze Sepatoe Roesak.
 
        
 
We zitten dus in medio 2016 op ons gemak in de ruime huiskamer van het appartement van Menno en Elly v.d.Wetering. En ondanks onze waarschuwingen dat we alleen voor de koffie en een gezellig gesprek komen, heeft Elly weer van alles staan kokkerellen in de keuken voor wij kwamen. Joop eet met smaak een door Elly gebakken pisang goreng. “Eet maar lekker op hoor Joop. Alles wat er overblijft krijg je in een doos mee naar huis. We drinken genietend onze koffie.
 
Menno neemt dan het woord: “Tja, Nederlands Indië, ik denk nog vaak terug aan die tijd hoor. Niet alleen de leuke dingen maar ook de onleuke dingen. En dan droom ik er nog wel eens van ook. Verschrikkelijk. Ik heb een jongen doodgeschoten, ik denk dat hij een jaar of 24 was. Hij zette zijn  geweer op mijn borst en als die afgedrukt had, dan was ik er niet meer geweest. Maar hij twijfelde even en toen schoot ik hem dood. Toen zakte die zo voor me neer. We hebben heel wat meegemaakt. Ik heb twee jaar gelopen in het centrum ’45 in Oegstgeest.” “Ik ook”, vult Elly aan. “En vandaar uit naar Doorn, naar het B.N.M.O.”
 “Elly, jij bent geboren in het voormalige Nederlands Indië. Je woonde omgeving Semarang?”vraagt Marianne.   “Ja, en ook in het binnenland heb ik  gewoond. Maar de laatste jaren in Semarang.” “Toen kwam de ommekeer en werden jullie vastgezet?” “Ja, dat klopt. In Ambarawa heb ik niet zo lang gezeten, maar in Salatiga wel. Daar heb ik ook langer gewoond als kind. Ik heb bijna twee jaar in een kamp gezeten. We werden bevrijd door de Nederlanders. We werden vastgezet in een kamp omdat mijn vader Nederlander is. Ik heb een Hollandse vader. Mijn moeder is een Indonesische. Het ging allemaal een beetje raar daar hoor. De ene keer ben je vrij, zoals ik, terwijl anderen juist weer gevangen hebben gezeten. Omdat mijn moeder Indonesische was, werd ik niet als vijand berekend, maar mijn vader wel.
Mijn vader heeft zeven jaar in het gevang gezeten. Omdat hij Nederlander was. Hij is wel een paar maanden vrij geweest toen de Jappen verloren hadden. En ze waren nauwelijks weg of hij werd weer opgeroepen en weer achter de tralies gezet door de Indonesiërs. Omdat hij een vijand is. Wij, drie meisjes,  waren als kind ook als Nederlanders gerekend. Maar mijn moeder niet, die bleef thuis achter. Die mocht niet mee. Ik heb mijn moeder ook nooit meer gezien. Overleden. Een broer, die heeft ook in een kamp gezeten, maar is naderhand gevlucht. Die is ook in Nederland.  Een andere broer heeft niet in een kamp gezeten. Die was marinier. Die was 16 jaar toen hij bij de marine ging.  Daar is hij veertig jaar bij geweest. Maar die is nu ook overleden.
Mijn vader was bij de  KNIL. Hij was militair geworden. Hij is hier in Holland met een protestants meisje gegaan en daar kreeg die thuis ruzie mee. Toen heeft hij getekend voor Indië.”“Als je destijds tekende voor Indië kreeg je 200 gulden,” vertelt Menno. “Daar kocht je bijna een huis voor.” Elly vervolgt: “Bij het KNIL veranderden ze om de drie jaar van plaats. Eerst Soerabaja, dan Bandung en nog een paar verschillende plaatsen. Ik ben in Soerabaja geboren. De andere kinderen allemaal op verschillende plaatsen. Uiteindelijk werden we dan bevrijd. We werden met het vliegtuig naar Semarang gebracht. Kort nadat ik op het vliegveld geland was,  gingen we naar het protestants weeshuis. Daar zijn we niet lang geweest en teruggegaan naar de Boeloe, want ik had mijn vader weer ontmoet. Wij gingen naar Djakarta,” zegt Elly. “De Boeloe was de gevangenis,” licht Menno even toe.  
 
        
     
            Boeloegevangenis, bron www.sepatoeroesak.nl                     Vrouwen in Boeloegevangenis Semarang .foto: div. internetsites
 
“Daar woonden wij voor onze veiligheid, mijn vader en drie dochters.” “En wij, 2-6RI, zaten daar voor bewaking,” vertelt Menno. “Met een man of drie zaten we daar. Zodoende heb ik haar daar pas goed leren kennen. Ik dacht dat is een Hollander die daar zit. Haar vader zat vaak buiten en ik dacht dat is er eentje met geld. Ik probeer een van die dochters te versieren.  Maar hij was zo arm als Job,” lacht Menno.
“Het leukste was,  naast ons hadden we cellen van gevangen. Een oudere mevrouw van een groot hotel had een hele hoop achterover gedrukt. Die zat daar samen met haar man in één cel. Daarnaast zat de burgemeester van Semarang.”
“Daar tegenover zaten jullie altijd op wacht,” vertelt Elly. “Dan kwamen ze nog wel eens bij ons langs en dan vroegen ze waar die soldaat eigenlijk voor zat. En dan werd er gezegd: Voor de burgemeester van Semarang. Waar zit die dan, vroegen ze dan. Nou aan de overkant. Maar wij zaten ook aan de overkant. En als mijn vader buiten ging zitten, dachten ze dat hij de burgemeester was.”
“Ik heb 2,5 jaar als infanterist gezeten in Semarang,” neemt Menno het gesprek weer over. “Nou gezeten, ik heb veel patrouilles moeten lopen. En ook buiten Semarang.  In april ’48 ging 2-6RI  naar huis toe. Toen lag ik in het Julianaziekenhuis en de dokter kwam, ik weet nog goed, die zei: “van de Wetering we zullen je met ambulance aan boord moeten brengen, want 6RI die gaat naar huis toe.  Ik pakte die dokter aan de arm en zei:”Zeg toch dat ik niet vervoerd mag worden, want ik heb hier een meisje in Semarang en die kan ik slecht alleen laten.” ”Komt in orde!”zei de dokter en hij regelde het zo.
Toen ik ontslagen werd uit het ziekenhuis moest ik mij melden bij de subsistenten compagnie, (eenheid waarin militairen tijdelijk werden ondergebracht ter nadere indeling-red-) en die lagen beneden Semarang. Dat was bij  5 RI. Bij de MP zochten ze nog mensen en uiteindelijk werd ik daarbij ingedeeld.”
“1 januari 1949 werd Menno al meteen van soldaat naar korporaal bevorderd en kreeg hij meer loon. Maar aan dat geld heeft hij niet veel gehad, want dat ging allemaal naar zijn moeder thuis. Hij was kostwinner,” vertelt Elly.
“Na de Boeloegevangenis werd mijn vader overgeplaatst naar Mlatten Tjandji en daar stonden ook dienstwoningen bij.  Daar kregen wij één dienstwoning van. En Menno was gewoon op de kazerne. Ook toen we later getrouwd waren.”“Ja, ik was op het detachement Semarang,”zegt Menno. “Op Tjandi, kort bij het ereveld.  
 
                      
Op 10 mei 1950 zijn we getrouwd. De trouwakte heb ik nog, in het Maleis. Want wij waren toen buitenlanders. De soevereiniteits-overdracht had al plaats gevonden in 1949.  Of er toen vijandelijkheid was? Nee niet zo erg. Ik kan me ook niet herinneren of ik een dienstwapen had. De meesten militairen moesten toen hun wapens inleveren hè?” “Je had een pistool,” weet Elly nog.
“Maar hoe kan het dan dat je in een vreemd land toch de taken van een MP-er kan uitvoeren,” vraagt Joop zich hardop af. “Er zaten nog Nederlandse militairen”, krijgt hij als antwoord en Elly knikt.
“Omdat er toen nog militairen waren, was er ook nog MP! Maar we hadden geen flikker meer te vertellen hoor.”  “Jullie waren getrouwd, en toen alles over was, toen moest je naar Nederland?”
“Ja, 1 september 1950 zijn we aan boord gegaan van de Fair Sea,”zegt Menno. “Eenmaal terug in Nederland hebben we een jaar lang bij mijn moeder ingewoond. Maar dat was veel te druk hoor. De kinderen die nog thuis woonden en wij erbij, we waren met z’n achten daar.” “Menno ging werken bij de Staatsspoorwegen, maar dat leverde niet veel op. Toen kregen we een flatwoning. Wel klein, maar we waren blij dat we een eigen woning kregen. We hadden wel een huis, maar geen meubels, geen geld. Om meer te verdienen ging hij in de mijn werken, twintig  jaar lang. Menno kreeg de kans om in de bewaking bij Philips te werken en te verhuizen naar Eindhoven. Hij was het vuile werk in de mijn zo beu! We kregen een heel ander leven. Hij ging toen ineens iedere dag in een net hemdje naar zijn werk. Ik  zorgde voor de kinderen en deed daarbij naai- en verstelwerk”  “Ja, het leven kan raar lopen”, overpeinst Menno. “De oorlogsjaren zijn voor mij ook hard gekomen toen. Potverdikkie. Mijn moeder bleef alleen zitten met 8 kinderen. Sodemieter. En als je ziet hoe we verhuisd waren, nou, nou. Achter in de schuur hadden we de WC dan moest je buiten, omlopen. Ja, ja dat was wat.”
 
“Ik ben heel blij dat jij hier bent,” zegt Menno met klem. “Je hebt in mijn leven een grote betekenis gehad Marianne. Weet je nog?” “Of ik dat nog weet!”antwoordt Marianne.  Menno doelt hier op het feit dat het voorval met eigen vuur helemaal is uitgezocht door toedoen van Marianne. “Ik heb alle papieren en documenten nog die toen boven tafel zijn gekomen. Die staan ook nog steeds op de website, www.sepatoeroesak.nl, het hele verhaal daar omheen ook. Dan blijkt dat jij geen schuld hebt aan het tragische gebeuren,” zegt Marianne. “Jouw verhaal blijft daar altijd opstaan. Het is een geschiedenis van 2-6RI. Hoe tragisch ook.” “Jullie komen overal,”zegt Elly, “en de verhalen zijn overal anders he?” “ Zeker, iedereen heeft zijn eigen verhaal, eigen problemen, maar er zijn ook veel leuke dingen hoor.” 
 
Voordat wij afscheid nemen om naar een volgend bezoek te gaan vertelt Menno dat hij ieder jaar naar de Urselaschool gaat in Heythuysen om de kinderen daar te vertellen over de tweede wereldoorlog.” “Ze hebben mij ook gevraagd om mijn verhaal te vertellen,” zegt Elly, “dus  we gaan met zijn tweetjes.”
(Menno is nu permanent in de verzorging en Elly gaat enkele dagen in de week naar de dagopvang.  Maaltijden eten ze samen, bij Menno)

    

 

AAT-er Jan van Erp overleden. 
 
           
Jan van Erp, korporaal, 21 AAT KNIL
lieve man, geweldige vader en fantastische opa  
3 juli 1927 -  11 januari 2018
‘Er valt een leegte die door niemand kan worden opgevuld
En dat is het grootste eerbetoon dat wij hem kunnen geven
Bijzondere mensen sterven niet
Ze gaan wel maar blijven ook voor altijd.’
 
Op woensdag 17 januari 2018 was de afscheidsdienst in de aula van het crematorium Berkendonk te Helmond. Wij, Joop en Marianne, waren hierbij aanwezig met de Tijgerbanner. Hoewel Jan KNIL- er was, heeft hij zich sterk verbonden gevoeld met 2-6RI. “Ik ben destijds door 2-6RI geadopteerd” vertelde Jan ons meerdere malen. Vandaar dat wij ook het embleem van 2-6RI in zijn in memorium hebben geplaatst.
Dat Jan een intensief druk leven heeft gehad, beschreven wij in de Sepatoe Roesak van december 2017. Hoeveel indruk Jan heeft achtergelaten in de leefgemeenschap van Helmond, was duidelijk te merken aan de grote opkomst bij het afscheid van Jan. De sprekers, waaronder een afgevaardigde van de carnavalsvereniging waarin Jan actief was, haalden veel herinneringen op in toespraken met een traan maar ook een warme lach.  Joop memoreerde het Indiëverleden van Jan, zijn worsteling met dat verleden in de jaren daarna, en zijn trouwe reüniebezoek. Joop sloot zijn toespraak af met een toepasselijk gedicht. Hierna bracht hij de militaire eregroet bij de kist van sobat Jan. 
 

                                                                                                            foto:Joop Pragt
 
Na afloop van de plechtigheid waren wij uitgenodigd in de koffiekamer van het crematorium waar wij uiteraard de familie de condoleances overbrachten namens alle sobats. Zoals het gaat na een afscheid werden er nog veel herinneringen opgehaald door familie, vrienden en kennissen. Een goed mens is heengegaan. Dag Jan. Fijn dat we in een klein deel van je leven mochten zijn.
Corr.adres: Kortenaerstraat 65, 5703 CA, Helmond. 

 

Terug naar index